CConstaterende datHendrik-Ido-Ambacht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 bij raadsvoorstel 8.5 Nibud - Minima-effectrapportage 2022 (Drechtsteden)

raadsvergadering openbaar 3 oktober 2022, gemeente Hendrik-Ido-AmbachtBij agendapunt: Vervolgnotitie herijking minimabeleid20.222 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Minima-effectrapportage Sociale Dienst Drechtsteden 2022 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens Corinne van Gaalen, Sanne Lamers

17 mei 2022

Minima-effectrapportage Sociale Dienst Drechtsteden 2022

De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens

Auteurs Corinne van Gaalen Sanne Lamers

Nibud, Utrecht, 17 mei 2022 In opdracht van de Sociale Dienst Drechtsteden

Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld. Daarbij spelen gedragsaspecten een belangrijke rol. Daarmee kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van de verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor consumenten (via onze websites, (sociale) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen, hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud stelt de keuzevrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de huishoudens voorop.

Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid. Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de Sociale Dienst Drechtsteden. Het rapport is een update van de MER 2021; we gaan uit van dezelfde gegevens, maar rekenen met de cijfers van 2022. Ook wordt bekeken wat het effect is op de huishoudbegrotingen van de uitbetaling van de energietoeslag en van een mogelijke aanpassing van het Persoonlijk Minimabudget.

Utrecht, mei 2022

Inhoud 1 Inleiding 1.1 Centrale vraag 1.2 Kern minima-effectrapportage 1.2.1 Huishoudtypen 1.2.2 Inkomensniveaus 1.2.3 Armoedeval 1.2.4 Voorbeeldhuur 1.3 Leeswijzer 2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding 2.2 Inkomsten 2.3 Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie 2.4 Uitgavensoorten 2.5 Voorwaarden aan de begrotingen 2.6 De begrotingen 2.7 Inflatie en bestedingsruimte 3 Minimabeleid 3.1 Landelijk beleid 3.2 Lokaal minimabeleid 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering 3.2.3 Het Persoonlijk minimabudget 3.2.4 Participatie- of vrijwilligersbonus 3.2.5 Het SMS-Kinderfonds 3.2.6 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer 3.2.7 Bijzondere bijstand 3.2.8 Kinderopvang en peuterspeelzaal 3.3 Voorzieningen voor huishoudens met een zorgvraag 4 Resultaten 4.1 Saldo inkomsten min uitgaven 4.2 Bestedingsruimte 4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket 4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie 4.3 Armoedeval 4.4 Huishoudens met langdurig een laag inkomen 4.5 Huishoudens met een participatie- of vrijwilligersbonus 5 Scenario I: saldi inclusief energietoeslag 6 Scenario II: saldi na aanpassing van het Persoonlijk Minimabudget Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Bijlage 2 | Begrotingen Bijlage 3 | Overzicht saldo inkomsten minus uitgaven Bijlage 4 | Resultaten in de afzonderlijke Drechtsteden

1 Inleiding 1.1

Centrale vraag

Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de Drechtsteden? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeente goed profiteren van de verschillende inkomensondersteunende maatregelen en welke groepen minder goed. Ook maakt deze rapportage een eventuele armoedeval inzichtelijk.

1.2

Kern minima-effectrapportage

Om tot een antwoord te komen op de centrale vraag, worden voor een aantal voorbeeldsituaties alle inkomsten geïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen zal in een begroting worden afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen.

1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de Sociale Dienst Drechtsteden is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: a. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd; b. Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd); c. Een eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); d. Een eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); e. Een paar zonder kinderen; f. Een paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); g. Een paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); h. Een paar met een thuiswonend werkend kind (25 jaar); i. Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) met een zorgvraag.

1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. In overleg met de Sociale Dienst Drechtsteden is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende zes inkomensniveaus: bijstand- of AOW- niveau, 110, 120, 130, 140 en 150 procent hiervan.

1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen, minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Bij huishoudens boven de AOW-gerechtigde leeftijd wordt officieel niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen.

1.2.4 Voorbeeldhuur Uit het woononderzoek 2018 van het CBS komt naar voren dat 96 procent van de huishoudens die de bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage van uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. De huurprijzen in dit onderzoek zijn vastgesteld in overleg met de gemeente. Hierbij gaan we uit van de grenzen voor het passend toewijzen: aan de toewijzingsregels voor woningcorporaties is per 1 januari 2016 het passend toewijzen van sociale huurwoningen toegevoegd. De passendheidsnorm stelt dat elke corporatie aan minimaal 95 procent van de huishoudens die recht hebben op huurtoeslag een woning onder de aftoppingsgrens toe moet wijzen. Zo wordt voorkomen dat huishoudens met de laagste inkomens in een te dure woning terechtkomen. De aftoppingsgrens ligt in 2022 op 633 euro voor huishoudens met één of twee personen en op 678 euro voor huishoudens van drie of meer personen.

1.3

Leeswijzer

Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van deze huishoudens? Ten slotte staan in de laatste twee hoofdstukken de resultaten bij twee scenario’s: hoe zien de begrotingen eruit inclusief de energietoeslag (hoofdstuk 5) en wat is het effect op de begrotingen van een hoger Persoonlijk Minimabudget (hoofdstuk 6). In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en de inkomensopbouw.

2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1

Inleiding

Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens. Maandbegrotingen Alle begrotingen zijn maandbegrotingen, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. In de praktijk kunnen er flinke verschillen zijn tussen de maanden van het jaar. Vakantiegeld wordt bijvoorbeeld vaak jaarlijks uitgekeerd, maar wordt in deze rapportage uitgedrukt in een maandelijks bedrag. Het inkomen is in iedere begroting een vast gegeven.

2.2

Inkomsten

In deze rapportage worden op zes inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstand/AOW-uitkering), 110, 120, 130, 140 en 150 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 lid 1 sub c. Uitgangspunt in deze rapportage is het totaal besteedbaar maandinkomen. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, zorgtoeslag, huurtoeslag, vakantiegeld, kinderbijslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget. Bepaalde heffingskortingen worden apart getoond als voorlopige aanslag, bijvoorbeeld de inkomensafhankelijke combinatiekorting voor werkende alleenstaande ouders met jonge kinderen. Het loon plus de voorlopige aanslag is gelijk aan 110 procent van de bijstandsnorm. De kinderbijslag en het kindgebonden budget (inclusief de alleenstaande ouderkop) komen hier nog bovenop. In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie. Hoe de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens is te zien in bijlage 2.

In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke. Inkomensgrens paren met thuiswonend werkend kind Het paar met het volwassen kind heeft te maken met de kostendelersnorm. Wanneer alle drie de gezinsleden bijstand ontvangen, ontvangen zij samen 130 procent van het bijstandsniveau van een paar zonder kinderen. Bij de inkomensniveaus hierboven zijn we ervan uitgegaan dat het meerderjarige kind werkt en de ouders een bijstandsuitkering ontvangen. Bij de berekening van de huurtoeslag is rekening gehouden met het totale gezinsinkomen.

2.3

Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie

De noodzakelijke uitgaven vullen we in via een basispakket met een apart pakket voor sociale participatie. Het basispakket bestaat uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. De begroting bestaat uit een pakket aan vrij goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket en het pakket voor sociale participatie zijn op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. Sociale participatie Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat bijvoorbeeld om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Sociale participatie wordt door velen als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. De uitgaven voor sociale participatie staan beschreven in bijlage 1. Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven.

Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen. In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als onvermijdbaar. Indien een huishouden hiervoor toch kosten heeft, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven. Mensen die werken maken extra kosten ten opzichte van niet werkenden. Deze kosten zijn meegenomen in het basispakket als aparte post bij een inkomen vanaf 110 procent van het toepasselijk minimum.

2.4

Uitgavensoorten

In alle begrotingen onderscheidt het Nibud drie soorten uitgaven: Vaste lasten: Komen regelmatig terug. Meestal vaste bedragen waar een contract aan ten grondslag ligt. Voorbeelden zijn de huur, energiekosten en verzekeringen. Reserveringsuitgaven: Komen niet regelmatig voor. De hoogte is niet precies bekend. Voorbeelden hiervan zijn de kosten voor inventaris (meubels, apparatuur/witgoed) en kleding. Huishoudelijke uitgaven: Steeds terugkerende uitgaven die maandelijks kunnen variëren. Voorbeelden zijn voeding, was- en schoonmaakartikelen en persoonlijke verzorging. Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.

2.5

Voorwaarden aan de begrotingen

Bij het gebruik van de begrotingen zijn er drie belangrijke voorwaarden: 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd. Het tijdig doorgeven van gegevens is hierbij belangrijk. En daarmee dus ook een actieve houding. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan om te bezuinigen op overige uitgaven. In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven.

Dit kan er toe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan.

Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten.

2.6

De begrotingen

Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.

2.7

Disclaimer: Inflatie en bestedingsruimte

Op het moment van het opstellen van deze MER is er sprake van flinke prijsstijgingen, vooral voor energie en (in mindere mate) voeding. Het is vanwege deze hoge inflatie mogelijk dat de bestedingsruimte gepresenteerd in deze MER te positief wordt ingeschat. Zeker bij beperkte positieve bestedingsruimte is het goed om te realiseren dat dit op korte termijn wellicht kan omslaan in een tekort. Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten. Energie De energieprijzen zijn gebaseerd op het prijspeil van januari 2022, zoals vastgesteld door het CBS. Ook na januari zijn de prijzen nog flink gestegen. Echter, het CBS meet alleen de tarieven van nieuw afgesloten contracten. Die gelden niet voor mensen die hun energieprijs hebben vastgezet voor een bepaalde tijd. Niet iedereen krijgt dus (direct) met de hogere tarieven te maken. Daarnaast zijn de tarieven gebaseerd op een woning met energielabel C. Inwoners met een ongunstiger label zullen waarschijnlijk hogere kosten hebben dan zoals in de begrotingen opgenomen. De prijs die inwoners uiteindelijk betalen voor hun energie kan dus flink variëren en is afhankelijk van het energielabel van de woning en van de vraag of de bewoners recentelijk een nieuw contract hebben moeten afsluiten. Voeding Ook de prijzen van voeding in de begrotingen kunnen als “te laag” worden ervaren.

Dat komt omdat we bij de samenstelling van de voedingscijfers uitgaan van de prijzen van het CBS over een heel jaar, om zo de seizoenseffecten te dempen. Bij voeding zie je namelijk dat groente en fruit goedkoper zijn “in het seizoen”. Het maakt in de prijzen ook sterk uit of het een goed of een slecht oogstjaar is. En in die informatie zijn nog de lagere prijzen van vorig jaar verwerkt. Zouden we alleen uitgaan van de huidige voedingsprijzen, dan zullen die waarschijnlijk hoger uitkomen dan de bedragen zoals die nu in de begrotingen staan. Gedragsverandering Met de huidige stijging van de prijzen passen mensen hun gedrag aan. Ze zetten de thermostaat lager en trekken een extra trui aan of ze kopen vaker huismerken. Dergelijke gedragseffecten zien we nu (nog) niet terug in de begrotingen, maar deze zullen uiteindelijk een dempend effect hebben op het uitgavenpatroon en daarmee op de bedragen die in de begrotingen worden opgenomen.

3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.

3.1

Landelijk beleid

Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke heffingskortingen, de landelijke toeslagen en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting. De volgende heffingskortingen (2022) zijn voor de voorbeeldhuishoudens van belang: Algemene heffingskorting Voor iedereen boven de 18 die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. De algemene heffingskorting bedraagt maximaal 2.888 euro per jaar voor mensen onder de AOW-gerechtigde leeftijd en 1.494 euro vanaf de AOW gerechtigde leeftijd. Arbeidskorting Voor iedereen die betaald werk heeft, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. De arbeidskorting bedraagt maximaal 4.260 euro per jaar Inkomensafhankelijke combinatiekorting Voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouder of aan de minst verdienende fiscale partner. Deze heffingskorting bedraagt maximaal 2.534 euro per jaar. Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting Heffingskortingen voor AOW-gerechtigden. De ouderenkorting bedraagt maximaal 1.726 euro per jaar; de alleenstaande-ouderenkorting is 449 euro per jaar.

Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren (bijvoorbeeld inkomen). De volgende toeslagen (2022) zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens: Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Het inkomen moet wel onder de inkomensgrens vallen. Een alleenstaande heeft recht op zorgtoeslag bij een toetsinkomen van 31.998 euro of minder. Voor samenwonenden is deze grens 40.944 euro.

Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. In 2022 bedraagt deze voor alleenstaanden 120.020 euro en voor paren 151.767 euro. De zorgtoeslag voor een alleenstaande is maximaal 111 euro per maand. Voor een stel is de zorgtoeslag maximaal 212 euro. Hoe lager het inkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het inkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag van 31.747 euro per persoon is strenger dan voor de zorgtoeslag. Huishoudens krijgen boven de minimale basishuur1 volledige huurtoeslag tot een huur van 442,46 euro. Voor een huur boven dit bedrag wordt voor een- en tweepersoonshuishoudens 65 procent van de huur tot 633,25 euro vergoed. Voor huishoudens vanaf drie personen is dit tot een huur van 678,66 euro. Alleenstaanden of ouderen/ hulpbehoevenden krijgen boven deze huur tot een huur van maximaal 763,47 euro vervolgens nog 40 procent vergoed. Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang.

De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier dus niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. De vergoeding wordt berekend over een maximaal uurtarief van 8,50 euro voor kinderen tot vier jaar (dagopvang) en van 7,31 euro voor kinderen in de basisschoolleeftijd (buitenschoolse opvang). Wanneer iemand per uur meer dan dit bedrag betaalt, ontvangt hij of zij over dit extra deel geen toeslag. Er gelden grenzen voor het totaal aantal uren waarvoor kinderopvangtoeslag aangevraagd kan worden. Dit is afhankelijk van het aantal uur dat men werkt. Kindgebonden budget Iedereen met kinderen jonger dan 18 jaar kan in aanmerking komen voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’.

____________________

Alleenstaande ouders met een verzamelinkomen tot 22.356 euro ontvangen het maximale kindgebonden budget. Voor paren met kinderen is de inkomensgrens in 2020 flink verhoogd, deze inkomensgrens ligt nu op 39.596 euro. Na dit inkomen wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het bedrag aan kindgebonden budget is afhankelijk van het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen. Alleenstaande ouders ontvangen meer dan paren, omdat zij recht hebben op een extra vast bedrag van 273,75 euro per maand. Het kindgebonden budget voor het tweede kind is lager dan voor het eerste kind en vanaf het derde kind eveneens lager dan voor het tweede kind. Vanaf 12 jaar is het kindgebonden budget hoger. Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen. De kinderbijslag voor een kind van 12 tot 18 jaar bedraagt 329,56 euro. Voor 6 tot 12 jaar en voor 0 tot 6 jaar is het respectievelijk 280,13 euro en 230,69 euro.

3.2

Lokaal minimabeleid

Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de Sociale Dienst Drechtsteden voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. De regelingen die worden opgenomen in de begrotingen komen in de volgende paragrafen aan bod.

3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid Kwijtscheldingsbeleid van gemeentelijke belastingen is lokaal beleid en verschilt per Drechtsteden-gemeente. In elk van de Drechtsteden kan kwijtschelding worden verkregen voor de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. In Papendrecht en Alblasserdam is er geen sprake van rioolheffing. Gemeentebelastingen en basisinformatie (GBD) doet de belastingen voor Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Sliedrecht, Zwijndrecht en Papendrecht. Alblasserdam en Hardinxveld-Giessendam regelen de kwijtschelding via het samenwerkingsverband van een aantal gemeenten en waterschappen, de SVHW. Voor alle gemeenten geldt dat er bij het vaststellen van de kwijtschelding getoetst wordt aan 100 procent van de norm op grond van de Participatiewet. Dat wil zeggen dat, afhankelijk van het vermogen, huishoudens met een inkomen op bijstandsniveau in principe geen gemeentelijke heffingen hoeven te betalen. Bij een inkomen hierboven wordt de betalingscapaciteit berekend door het inkomen te verminderen met het norminkomen. Er vindt een correctie plaats voor de eigen uitgaven aan huur en voor nominale ziektekostenpremies. De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving.

Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen. In de Drechtsteden wordt van beide mogelijkheden gebruik gemaakt.

Bij het waterschap Hollandse Delta (Dordrecht, Zwijndrecht en Hendrik Ido Ambacht) en het waterschap Rivierenland (Papendrecht, Sliedrecht, Alblasserdam en HardinxveldGiessendam) is kwijtschelding mogelijk voor de zuiveringsheffing en de watersysteemheffing en wegenheffing. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteren de waterschappen de norm van maximaal 100 procent van de bijstandsnorm. Waterschap en gemeente werken hierbij samen. Als de betalingscapaciteit van de een is gebruikt, wordt bij de ander volledige kwijtschelding gegeven. In deze minima-effectrapportage rekenen we met de tarieven van de gemeente Dordrecht. In bijlage 4 zijn de begrotingen opgenomen met de tarieven van de andere gemeenten die zijn aangesloten bij de Sociale Dienst Drechtsteden.

3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Om ervoor te zorgen dat inwoners met een financieel kwetsbare positie niet voor onverwachte hoge kosten komen te staan bij een zorgvraag, biedt de Sociale Dienst Drechtsteden inwoners een laag inkomen een collectieve zorgverzekering aan: het VGZ GemeentePakket. Deelnemers kunnen kiezen uit drie pakketten tegenover een relatief lagere premie, waarmee de kwetsbaarheid vanuit zowel gezondheids- als financieel perspectief ondervangen kan worden. Kinderen jonger dan 18 jaar zijn volledig gratis meeverzekerd. o o o

VGZ GemeentePakket Compact VGZ GemeentePakket Compleet VGZ GemeentePakket Compleet + € 0 eigen risico

€ 137,92 € 164,32 € 180,22

Pakket 1: biedt onder andere vergoeding voor tandarts, fysiotherapie, brillen en lezen. Pakket 2: biedt vergoeding van pakket 1 + onder andere vergoeding voor orthodontie en extra fysiotherapie. Pakket 3: dit is het meest uitgebreide pakket met onder andere vergoedingen voor eigen bijdrage Wmo, vervangende mantelzorg en herverzekeren eigen risico. Dit pakket is specifiek bedoeld voor mensen met een chronische aandoening of handicap (die in de praktijk jaarlijks hun eigen risico opgelegd krijgen). Om voor de collectieve zorgverzekering in aanmerking te komen, hanteert de Sociale Dienst Drechtsteden een inkomensgrens van 130 procent van het bruto minimumloon. Voor alleenstaanden en alleenstaande ouders betekent dit dat zij ook bij een inkomen op 140 of 150 procent van de geldende bijstandsnorm aan kunnen sluiten bij de collectieve polis. In de begrotingen (zie bijlage 2) rekenen we met het middelste pakket, Gemeentepaket Compleet. Alleen voor de oudere met een zorgvraag rekenen we met het duurste pakket, waarbij ook het eigen risico is meeverzekerd. Voor paren met een inkomen op 140 en 150 procent van de geldende bijstandsnorm, die niet voor een gemeentepakket in aanmerking komen, gaan we uit van een gemiddelde basisverzekering plus aanvullende verzekering.

De kosten van de premie zijn in de begrotingen opgenomen onder de uitgavepost “zorgverzekering”. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. De post “eigen risico zorgverzekering” is voor de oudere met een zorgvraag op nul euro gezet, omdat het eigen risico is herverzekerd. Dat is bij de overige huishoudens niet het geval. Men zal dan zelf geld moeten reserveren om het eigen risico op te kunnen vangen.

3.2.3 Het Persoonlijk minimabudget Het Persoonlijk minimabudget (PMB) is bedoeld voor mensen die ouder zijn dan 21 jaar maar jonger dan de AOW-leeftijd, die geen zicht hebben op inkomensverbetering (het is ondanks inspanningen niet mogelijk om het inkomen op korte termijn te verbeteren). Deze regeling is vergelijkbaar met de Individuele Inkomenstoeslag, zoals die in andere gemeenten veelal bestaat. Het gaat om huishoudens met een inkomen van maximaal 110 procent van de bijstandsnorm, waarbij de referteperiode 12 maanden is. De hoogte van dit budget op jaarbasis is in 2022: Alleenstaande, met of zonder kind(eren) tot 18 jaar: 385 euro; Paar/samenwonend, met of zonder kind(eren) tot 18 jaar: 550 euro. Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die in aanmerking komen voor het PMB apart gepresenteerd.

3.2.4 Participatie- of vrijwilligersbonus Inwoners die gedurende tenminste zes maanden werk vanuit een participatieplek of vrijwilligerswerk hebben verricht, komen in aanmerking voor een participatie- of vrijwilligersbonus. Het gaat om een jaarlijkse vergoeding van 250 euro. Om in aanmerking te komen voor de participatiebonus dienen belanghebbenden een (aanvullende) uitkering krachtens de Participatiewet, Ioaw of Ioaz te ontvangen. De vrijwilligersbonus is bedoeld voor inwoners ouder dan 27 jaar en jonger dan de AOWleeftijd, met een inkomen tot 110 procent van het wettelijk sociaal minimum. Een participatie- of vrijwilligersvergoeding wordt verstrekt aan inwoners met zicht op inkomensverbetering en gaat dus niet samen met het PMB. Net als bij het PMB worden de saldi van huishoudens die in aanmerking komen voor de betreffende bonus apart gepresenteerd. We gaan hierbij uit van één bonus per huishouden.

3.2.5 Het SMS-Kinderfonds Het doel van het SMS-kinderfonds is sociale uitsluiting van kinderen van minima te voorkomen. Dit wordt bereikt door kinderen in staat te stellen deel te nemen aan activiteiten die hun maatschappelijke participatie kunnen bevorderen. Denk bijvoorbeeld aan deelname aan schoolreisjes, sportclub, vereniging en kunstzinnige vorming. De uitvoering is belegd bij Stichting Leergeld Drechtsteden. 2 ____________________

De bijdrage is bedoeld voor huishoudens met kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar met een inkomen niet hoger dan 140 procent van het bijstandsinkomen. Het vermogen wordt niet getoetst. Voor scholieren op de basisschool geldt een maximaal bedrag van 275 euro per jaar per kind en voor middelbare scholieren of leerlingen aan het MBO/HBO is dit bedrag van 790 euro. De noodzakelijk geachte voorzieningen kunnen in natura verstrekt worden. Ze worden dan direct aan de school (zoals bij schoolreisjes) of de vereniging (zoals bij contributies) uitbetaald. Daarnaast kunnen tegoedbonnen worden verstrekt voor de aanschaf van de noodzakelijke school-, muziek-of sportspullen die bij bepaalde, vooraf gecontracteerde winkels opgehaald kunnen worden. Het is -zoals eerder aangegeven - ook mogelijk om een activiteit of benodigd materiaal zelf te betalen en de kosten achteraf bij Leergeld te declareren. In de gemeente Dordrecht ontvangen de kinderen het budget van het SMS-Kinderfonds op hun Dordtpas. Ze kunnen de Dordtpas als een soort pinpas gebruiken. In de begrotingen gaan we ervan uit dat het gehele bedrag wordt ingezet. Dit is verrekend met de posten “onderwijs” en “sociale participatie”.

3.2.6 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer Inwoners die vanuit de bijstand aan het werk gaan en dan een inkomen hebben dat niet hoger is dan 110 procent van het Wettelijk Sociaal Minimum en geen in aanmerking te nemen vermogen hebben, komen in aanmerking voor een tegemoetkoming in de reiskosten voor woon-werkverkeer. De hoogte van de vergoeding per maand is afhankelijk van het aantal te reizen kilometers. De vergoeding wordt niet verstrekt wanneer het werkadres zich minder dan vijf kilometer bevindt van het woonadres. De vergoeding wordt per persoon toegekend voor de duur van maximaal 24 maanden. Het eerste jaar worden alle reiskosten vergoed, het tweede jaar wordt de helft vergoed. In de begrotingen wordt deze regeling verrekend met de post “werkgerelateerde kosten”, zodat inzichtelijk wordt wat het effect van deze regeling is. Op 110 procent gaan we uit van vergoeding van de helft van de kosten. (Op bijstandsniveau worden geen werkgerelateerde kosten meegenomen, omdat wij hier uitgaan van de situatie dat iemand een bijstandsuitkering ontvangt en dus niet van werk met een inkomen op bijstandsniveau.) In hoofdstuk 4 worden ook de resultaten gepresenteerd van de situatie waarin geen recht is op reiskostenvergoeding, omdat slechts een klein deel van de huishoudens voor deze vergoeding in aanmerking komt.

(Het moet iemand zijn die uitgestroomd is vanuit de bijstand naar werk en diegene heeft er maximaal twee jaar recht op.)

____________________

3.2.7 Bijzondere bijstand De Sociale Dienst Drechtsteden verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Uitgangspunt hierbij is dat er geen draagkracht is bij een inkomen tot 110 procent van de geldende bijstandsnorm. Van het meerinkomen wordt 35 procent als draagkracht beschouwd. De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie. Uitzondering is het huishouden met een zorgvraag. Bij dit huishoudtype gaan we uit van een aantal veronderstellingen die worden beschreven in paragraaf 3.3. Indien voor een of meer van deze voorzieningen individuele bijzondere bijstand kan worden aangevraagd, wordt dit meegenomen in de begroting. Daarnaast wordt voor huishoudens met jonge kinderen de vergoeding voor de peuterspeelzaal vanuit de bijzondere bijstand meegenomen.

3.2.8 Kinderopvang en peuterspeelzaal Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot 12 jaar een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. De Sociale Dienst Drechtsteden kent een tegemoetkoming voor deze eigen bijdrage voor huishoudens met een inkomen tot 110 procent van de geldende bijstandsnorm. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van de hoogte van de eigen bijdrage. In principe bedraagt de eigen bijdrage bij de laagste inkomens 4 procent van de totale kosten. De Sociale Dienst Drechtsteden vergoedt niet de eigen bijdrage die wordt veroorzaakt doordat de het uurtarief van de kinderopvang hoger is dan het maximumuurtarief dat bij de kinderopvangtoeslag wordt gehanteerd. Indien er geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag bestaat er ook geen recht op een tegemoetkoming. Eenverdieners (kostwinnergezin) of werkloze alleenstaande ouders komen niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag en dus ook niet voor de tegemoetkoming. Alleenstaande ouders met een inkomen boven bijstandsniveau zullen enkele dagen per week werken en gebruik maken van de kinderopvang. Bij 110 procent van het inkomen wordt gerekend met 20 uur kinderopvang per week, bij een inkomen op 120 en 130 procent wordt uitgegaan van 30 uur en op 140 en 150 procent van 40 uur kinderopvang.

Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken; daarom zijn in de begrotingen op 100 procent geen kosten voor kinderopvang opgenomen. Wel wordt ervan uitgegaan dat twee dagdelen per week gebruik wordt gemaakt van de peuteropvang. Ook paren zonder werk (met een bijstandsuitkering) of paren waarvan één van beide partners werkt (met een inkomen van 110 tot en met 150 procent van de norm), zullen geen gebruik maken van de kinderopvang, maar van de peuteropvang. De Sociale Dienst Drechtsteden verstrekt bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage peuterspeelzaal voor maximaal twee dagdelen per week. Hierbij geldt een inkomensgrens van 120 procent van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Als het inkomen hoger is, wordt de eigen bijdrage niet vergoed en wordt uitgegaan van de ouderbijdragetabel.

De kosten voor kinderopvang en peuteropvang zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. Hierbij is rekening gehouden met de tegemoetkomingen die de Sociale Dienst Drechtsteden verstrekt. De kinderopvangtoeslag die de betreffende huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. In de praktijk kan en zal het voorkomen dat een kinderopvangorganisatie een hoger uurtarief hanteert dan het maximumuurtarief van de belastingdienst. Het meerdere moet de inwoner zelf betalen en zorgt dus voor een hogere eigen bijdrage. In de begrotingen wordt gerekend met het uurtarief van de belastingdienst.

3.3

Voorzieningen voor huishoudens met een zorgvraag

In dit onderzoek wordt tevens een huishouden met extra zorgkosten onderzocht, namelijk een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd). Om de begroting voor dit huishouden op te maken, moet een zogenoemd zorgprofiel worden opgesteld. Vervolgens kan bepaald worden welke extra kosten dit huishoudens heeft, en welke vergoedingen daar tegenover staan. Het profiel is opgesteld door het Nibud, in samenspraak met Ieder(in)3, en ziet er als volgt uit: Hartklachten Bril Gehoorapparaat Rollator 3 uur huishoudelijke verzorging per week 14 uur persoonlijke verzorging per week 4 uur verpleging per week Woningaanpassing (drempels weg, traplift) Maakt gebruik van de maaltijdvoorziening Gebruik belbus/collectief vervoer Personenalarmering Een medicijn dat door (aanvullende) zorgverzekering vergoed wordt Lichte vorm van incontinentie Gezien het bovenstaande, zal de begroting van de alleenstaande oudere met een zorgvraag op diverse punten afwijken van de standaardbegrotingen:

De huishoudelijke hulp is in de Drechtsteden een maatwerkvoorziening. Voor de maatwerkvoorziening geldt een eigen bijdrage via het CAK. De eigen bijdrage bedraagt maximaal 19 euro per maand. Voor paren onder de AOW-leeftijd geldt er geen eigen bijdrage. In de Drechtsteden wordt de eigen bijdrage vergoed via de collectieve zorgverzekering. Indien er geen collectieve verzekering is afgesloten kunnen deze kosten via de bijzondere bijstand worden vergoed. In de begrotingen zijn daarom geen kosten opgenomen voor de eigen bijdrage. ____________________

De persoonlijke verzorging en verpleging vallen in het basispakket van de zorgverzekering. Hierdoor komen er dus geen extra kosten bij.

De kosten voor een woningaanpassing (drempels weg, traplift), die vanuit de Wmo wordt toegekend, worden doorgegeven aan het CAK voor de inning van de eigen bijdrage. Deze eigen bijdrage heeft de alleenstaande oudere al betaald voor de huishoudelijke en persoonlijke verzorging. Daarom komen er voor deze woningaanpassingen geen extra kosten meer bij.

De maaltijdvoorziening zorgt voor meerkosten ten opzichte van de situatie waarin de warme maaltijd zelf wordt bereid. Voor deze meerkosten is bijzondere bijstand mogelijk, voor personen die niet in staat zijn zelf een warme maaltijd te bereiden. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt 2 euro per maaltijd. Dit normbedrag kan voor maximaal 337 dagen per kalenderjaar worden toegekend. Bij Tafeltje Dekje Dordrecht zijn koelverse maaltijden beschikbaar vanaf 6,65 euro. De kosten voor een zelf bereide maaltijd voor een alleenstaande oudere bedragen 2,24 euro volgens de Nibud prijzengids. Hiermee komen de meerkosten uit op 4,41 euro. Voor vijf maaltijden per week komt dit neer op 95,55 euro per maand. Bij een inkomen tot en met 110 procent van de geldende bijstandsnorm wordt 2 euro per maaltijd vanuit de bijzondere bijstand vergoed, waarmee de meerkosten uitkomen op 52,21 euro per maand. Bij een inkomen boven 110 procent wordt draagkracht veronderstelt. Kosten die deze draagkracht te boven gaan worden ook vanuit de bijzondere bijstand vergoed. De kosten voor de maaltijdvoorziening die de alleenstaande oudere nog zelf moet betalen, zijn in de begroting opgenomen onder de post “voeding”.

De alleenstaande oudere met een zorgvraag maakt gebruik van collectief vraagafhankelijk vervoer. Wmo-cliënten kunnen gebruik maken van de Drechthopper. De kosten zijn 13 eurocent per kilometer met een opstaptarief van 60 eurocent per rit. Het maximaal aantal kilometer is 2.000 per jaar. In de begrotingen wordt gerekend met 4 ritten per maand van 10 kilometer enkele reis. Dit komt neer op een bedrag van 15,20 euro per maand. Daarnaast gaan we uit van 4 ritten per jaar van 50 kilometer enkele reis voor vervoer naar een ziekenhuis, wat neerkomt op een bedrag van 4,73 euro per maand. Verder gaan we ervan uit dat er geen gebruik wordt gemaakt van de fiets; deze kosten (9,10 euro) zijn daarom uit de begroting gehaald. De extra vervoerskosten die uiteindelijk resteren (10,83 euro) zijn opgenomen onder de post “vervoer”. De kosten voor vervoer naar arts, ziekenhuis of apotheek en vervoerskosten door ziekte of handicap komen in aanmerking voor belastingaftrek. In de begroting is dit opgenomen onder de post “voorlopige aanslag”. Hierbij wordt rekening gehouden met de regels voor de belastingaftrek van specifieke zorgkosten.

De kosten voor de personenalarmering worden in de Drechtsteden vergoed via de bijzondere bijstand, indien de personenalarmering om medische of sociale redenen noodzakelijk is. Daar wordt in het geval van de alleenstaande oudere met zorgvraag wel van uitgegaan. De maandelijkse kosten van de personenalarmering bedragen 20,73 euro per maand. Bij inkomens boven 110 procent van de bijstandsnorm wordt draagkracht verondersteld. Hierbij wordt rekening gehouden met dat deel van de draagkracht dat al is ingezet voor andere voorzieningen (in deze casus, de maaltijdvoorziening). De kosten die de alleenstaande oudere uiteindelijk nog zelf moet betalen, zijn verrekend met de post “eigen bijdragen/betalingen zorg”.

In het zorgprofiel van de alleenstaande oudere wordt uitgegaan van een lichte vorm van incontinentie. Voor de extra waskosten die hierdoor ontstaan gaan we uit van 2 keer per week extra wassen, wat neerkomt op 10,92 euro per maand. Voor de extra kosten van kledingslijtage en bewassing in verband met een chronische ziekte of handicap is in de Drechtsteden bijzondere bijstand mogelijk. Voor de huishoudens met een inkomen waarbij de draagkracht nog niet volledig is ingezet, worden deze kosten verrekend met de post “was- en schoonmaakmiddelen”. Voor extra kleding en beddengoed komt een vast bedrag van 300 euro in aanmerking voor belastingaftrek. In de begroting is dit opgenomen onder de post “voorlopige aanslag”. Hierbij wordt rekening gehouden met de regels voor de belastingaftrek van specifieke zorgkosten.

Naast bovengenoemde zorgkosten rekenen we nog 8 euro per maand voor attentiekosten voor hulp van buren, vrienden, etc. Deze kosten zijn opgenomen onder de post ‘eigen bijdragen/betalingen zorg’.

Zorgkosten zijn individueel bepaald In dit rapport is gekozen voor een bepaalde zorgvraag om het effect van zorgkosten en tegemoetkomingen voor deze kosten op de bestedingsruimte van huishoudens met een laag inkomen in kaart te brengen. De zorgvraag is een weergave van vaak voorkomende kosten. In werkelijkheid hebben mensen te maken met zeer uiteenlopende zorgbehoeftes en varieert de hoogte van de zorgkosten sterk in individuele gevallen. Dat betekent dat conclusies die getrokken worden op basis van de uitkomsten, rekening houdend met de zorgvraag zoals die in dit rapport is geformuleerd, niet zonder meer gelden voor iedereen met zorgkosten. Het geeft wel aan dat een deel van de vaak voorkomende zorgkosten wordt vergoed. En dat mensen in veel gevallen daarnaast nog eigen betalingen in verband met zorg hebben.

4 Resultaten 4.1

Saldo inkomsten min uitgaven

Dit hoofdstuk bevat de resultaten van het onderzoek. Een en ander wordt schematisch weergegeven in tabel 1. De tabel bevat per voorbeeldhuishouden een overzicht van het saldo van inkomsten min uitgaven bij verschillende inkomensniveaus. Achtereenvolgens is het saldo weergegeven nadat: • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan; • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan; • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan, rekening houdend met het Persoonlijk Minimabudget (PMB), dan wel de vrijwilligers- of participatiebonus; • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan, rekening houdend met het Persoonlijk Minimabudget (PMB), dan wel de vrijwilligers- of participatiebonus. Verder is de volgende codering weergegeven: • Een negatief saldo op de maandbegroting is in rood weergegeven. • Als een hoger inkomen leidt tot minder bestedingsruimte dan is dit bij het betreffende inkomensniveau aangegeven met een pijltje: o Een rood pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van de situatie met een bijstandsuitkering (uitstroomval/werkloosheidsval). o Een grijs pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van het voorliggende inkomensniveau (doorstroomval). Het kan voorkomen dat een huishouden op een bepaald inkomensniveau te maken heeft met zowel een doorstroom- als een uitstroomval.

In dat geval kleurt het pijltje rood. Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering 37 euro per maand resteert nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan. Als naast de uitgaven uit het basispakket ook alle uitgaven aan sociale participatie zijn gedaan, dan is er een tekort van 65 euro. Hierbij is rekening gehouden met alle landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen. Tabel 1. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand a. Alleenstaande

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

saldo na basispakket 37 108 140 231 304 375

saldo na basispakket en participatie € -65 € 6 € 39 € 129 € 202 € 273

saldo na basispakket 253 276 361 437 500 533

saldo na basispakket en participatie € 151 € 174 € 260 € 335 € 398 € 431

b. Alleenstaande oudere

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

inclusief PMB saldo na basispakket € 69 € 140 € 140 € 231 € 304 € 375

saldo na basispakket en participatie € -32 € 38 € 39 € 129 € 202 € 273

inclusief bonus saldo na basispakket € 58 € 129 € 140 € 231 € 304 € 375

saldo na basispakket en participatie € -44 € 27 € 39 € 129 € 202 € 273

inclusief PMB saldo na basispakket

saldo na basispakket en participatie

inclusief bonus saldo na basispakket

saldo na basispakket en participatie

Tabel 1. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand (vervolg) c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 336 € 154 110% € 413 € 230 120% € 444 € 261 130% € 491 € 309 140% € 586 € 403 150% € 685 € 490

inclusief PMB saldo na basispakket € 368 € 445 € 444 € 491 € 586 € 685

saldo na basispakket en participatie € 186 € 262 € 261 € 309 € 403 € 490

inclusief bonus saldo na basispakket € 357 € 433 € 444 € 491 € 586 € 685

saldo na basispakket en participatie € 174 € 251 € 261 € 309 € 403 € 490

d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 173 € -4 110% € 248 € 71 120% € 263 € 86 130% € 372 € 195 140% € 481 € 304 150% € 507 € 282

inclusief PMB saldo na basispakket € 205 € 281 € 263 € 372 € 481 € 507

saldo na basispakket en participatie € 28 € 103 € 86 € 195 € 304 € 282

inclusief bonus saldo na basispakket € 193 € 269 € 263 € 372 € 481 € 507

saldo na basispakket en participatie € 16 € 92 € 86 € 195 € 304 € 282

e. Paar zonder kinderen saldo na basispakket 48 138 161 218 272 332

saldo na basispakket en participatie € -116 € -26 € -3 € 54 € 108 € 168

inclusief PMB saldo na basispakket € 94 € 184 € 161 € 218 € 272 € 332

saldo na basispakket en participatie € -70 € 20 € -3 € 54 € 108 € 168

inclusief bonus saldo na basispakket € 69 € 159 € 161 € 218 € 272 € 332

saldo na basispakket en participatie € -95 € -5 € -3 € 54 € 108 € 168

f. Paar met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na basispakket 100% € 170 110% € 276 120% € 283 130% € 324 140% € 373 150% € 418

saldo na basispakket en participatie € -74 € 31 € 39 € 80 € 129 € 161

inclusief PMB saldo na basispakket € 216 € 322 € 283 € 324 € 373 € 418

saldo na basispakket en participatie € -28 € 77 € 39 € 80 € 129 € 161

inclusief bonus saldo na basispakket € 191 € 297 € 283 € 324 € 373 € 418

saldo na basispakket en participatie € -53 € 52 € 39 € 80 € 129 € 161

g. Paar met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 29 € -210 110% € 134 € -105 120% € 142 € -97 130% € 199 € -40 140% € 254 € 15 150% € 230 € -57

inclusief PMB saldo na basispakket € 75 € 180 € 142 € 199 € 254 € 230

saldo na basispakket en participatie € -164 € -59 € -97 € -40 € 15 € -57

inclusief bonus saldo na basispakket € 50 € 155 € 142 € 199 € 254 € 230

saldo na basispakket en participatie € -189 € -84 € -97 € -40 € 15 € -57

h. Paar met een thuiswonend werkend kind (25 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 93 € -172 110% € 145 € -121 120% € 256 € -9 130% € 402 € 136 140% € 566 € 300 150% € 721 € 455

inclusief PMB saldo na basispakket € 139 € 191 € 256 € 402 € 566 € 721

saldo na basispakket en participatie € -126 € -75 € -9 € 136 € 300 € 455

inclusief bonus saldo na basispakket € 114 € 166 € 256 € 402 € 566 € 721

saldo na basispakket en participatie € -151 € -100 € -9 € 136 € 300 € 455

i. Alleenstaande oudere met zorgvraag saldo na basispakket 100% € 209 110% € 233 120% € 288 130% € 318 140% € 380 150% € 412

inclusief PMB saldo na basispakket

saldo na basispakket en participatie

inclusief bonus saldo na basispakket

saldo na basispakket en participatie

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

saldo na basispakket en participatie € 108 € 131 € 186 € 216 € 278 € 310

4.2

Bestedingsruimte

4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket Uit de tweede kolom (‘saldo na basispakket’) blijkt dat alle onderzochte huishoudens voldoende inkomsten hebben om de uitgaven uit het basispakket te betalen.

4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie a. Alleenstaande Een alleenstaande heeft, nadat alle uitgaven uit zowel het basispakket als het pakket voor sociale participatie zijn gedaan, op bijstandsniveau een tekort van 65 euro. Vanaf 110 procent is het saldo positief, oplopend naar 273 euro op 150 procent van de norm. b. Alleenstaande oudere Bij een alleenstaande oudere is het saldo hoger dan bij een alleenstaande onder de AOWleeftijd. Dat komt omdat de AOW-uitkering hoger is dan de bijstandsuitkering en doordat de bijstandsuitkering vanaf de AOW-leeftijd hoger is dan onder de AOW-leeftijd. We gaan voor ouderen weliswaar uit van iets hogere uitgaven voor energie en niet-vergoede ziektekosten (zelfzorgmiddelen), maar die worden enigszins gedempt door iets lagere uitgaven aan verzekeringen en vervoer. c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het eenoudergezin met 2 jongere kinderen heeft ruim voldoende bestedingsruimte om naast alle uitgaven uit het basispakket alle uitgaven uit het pakket voor sociale participatie te kunnen doen. d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het eenoudergezin met kinderen van 14 en 16 jaar heeft op bijstandsniveau vier euro tekort om zowel het basispakket als de kosten voor sociale participatie bekostigen. Op de overige inkomensniveaus is het saldo positief.

De bestedingsruimte per maand is lager dan bij het eenoudergezin met jonge kinderen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de hogere kosten voor onderwijs, voeding en vervoer. De hogere uitgaven van oudere kinderen worden enigszins gecompenseerd door iets hogere landelijke toeslagen (kinderbijslag en kindgebonden budget). e. Paar zonder kinderen Het paar zonder kinderen heeft op bijstandsniveau een tekort van 116 euro, op 110 procent is er nog 26 euro tekort. Pas op 130 procent wordt het saldo positief. De saldi van het paar zonder kinderen zijn lager dan de saldi van eenoudergezinnen, die ook kosten van kinderen hebben. Voor huishoudens zonder kinderen kent de Sociale Dienst Drechtsteden weinig tegemoetkomingen, los van de kwijtschelding van lokale lasten en de reiskostenvergoeding. Een andere oorzaak van de lagere bestedingsruimte ligt in het feit dat een paar de kosten van twee volwassenen moet dragen, zoals de kosten van de zorgverzekering, kleding en voeding. Deze kosten worden niet gecompenseerd door de hogere bijstandsnorm voor een paar, ten opzichte van de norm voor een alleenstaande (ouder).

f. Paar met 2 jonge kinderen (3 en 5 jaar) Ook het paar met twee jonge kinderen heeft op bijstandsniveau te maken met een tekort (van 74 euro) Op 110 procent is er een positief saldo van 31 euro. Dit loopt op naar 161 euro op 150 procent. g. Paar met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het paar met twee oudere kinderen kan op bijstandsniveau de begroting niet rondkrijgen; er is een maandelijks tekort van 210 euro. Ook op de hogere inkomensniveaus is het saldo negatief. Alleen op 140 procent is er een positief saldo van 15 euro. Zoals we ook bij de eenoudergezinnen zagen, liggen de kosten van oudere kinderen hoger dan van jonge kinderen. Daar komt bij dat de norm voor een paar maar iets hoger ligt dan voor een alleenstaande ouder (als ook de alleenstaande ouderkop uit het kindgebonden budget wordt meegenomen). Dit maakt de positie van paren met oudere kinderen zeer kwetsbaar. h. Een paar met een thuiswonend werkend kind (25 jaar) Ook het paar met een thuiswonend werkend kind kan niet op alle inkomensniveaus de maandbegroting rond krijgen. Op bijstandsniveau tot en met 120 procent van de norm is er een tekort. Vanaf 130 procent wordt het saldo positief. i.

Alleenstaande oudere met zorgvraag De alleenstaande oudere met een zorgvraag heeft niet met tekorten op de begroting te maken, vooral dankzij de hogere bijstandsuitkering vanaf de AOW-leeftijd en het gegeven dat de AOW-uitkering hoger is dan de bijstandsuitkering. Wel is de bestedingsruimte minder dan zonder zorgkosten. Naast de extra vervoerskosten en de attentiekosten, zijn het hier vooral de kosten van de maaltijdvoorziening die op de begroting drukken.

4.3

Armoedeval

Uitstroomval Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. In de Drechtsteden doet dit verschijnsel zich niet voor. Doorstroomval Van een doorstroomval is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. In dit onderzoek zien we een doorstroomval bij huishoudens met oudere kinderen (zowel alleenstaande ouders als paren) op 150 procent. Deze doorstroomval wordt veroorzaakt door het wegvallen van de vergoeding vanuit het SMS-Kinderfonds. Omdat deze vergoeding voor oudere kinderen (fors) hoger is dan voor jonge kinderen, zien we deze doorstroomval niet bij huishoudens met jonge kinderen. Bij paren met kinderen speelt naast het wegvallen van de vergoeding vanuit het SMSKinderfonds ook de verdere afbouw van landelijke toeslagen. Daarom neemt de bestedingsruimte bij paren met oudere kinderen op 150 procent méér af dan bij eenoudergezinnen met oudere kinderen.

4.4

Huishoudens met langdurig een laag inkomen

Huishoudens in de Drechtsteden, die gedurende 1 jaar of langer van een inkomen moeten leven dat niet hoger is dan 110 procent van het Wettelijk Sociaal Minimum, kunnen in aanmerking komen voor het Persoonlijk Minimabudget (PMB). De hoogte van de toeslag is voor alleenstaanden met of zonder kinderen 385 euro per jaar en voor paren met of zonder kinderen 550 euro. In de vierde en vijfde kolom in tabel 1 is het saldo opgenomen inclusief PMB. Uit de tabel valt af te lezen dat bijna alle onderzochte huishoudtypen die in aanmerking komen voor het PMB, te maken krijgen met een doorstroomval op 120 procent. Dat geldt niet voor het paar met een meerderjarig kind. Ook bij de alleenstaande wordt geen doorstroomval zichtbaar, maar de bestedingsruimte neemt slechts heel minimaal toe: op 120 procent van de norm ligt het saldo van de inkomsten en uitgaven één euro hoger dan op 110 procent. Bij de overige onderzochte huishoudtypen lig de bestedingsruimte op 110 procent, verhoogd met het PMB, hoger dan de bestedingsruimte op 120 procent van de norm. Door het PMB zijn huishoudens met een inkomen op 110 procent financieel beter af dan huishoudens met een inkomen vlak daarboven, waar geen recht op het PMB is. Als we kijken naar de bestedingsruimte inclusief het PMB zien we dat het tekort bij paren met jonge kinderen op bijstandsniveau omslaat naar een positief saldo.

Dit tekort wordt door het PMB dus volledig gecompenseerd. Hetzelfde geldt voor paren zonder kinderen met een inkomen op 110 procent van de norm.

4.5

Huishoudens met een participatie- of vrijwilligersbonus

In de laatste twee kolommen van tabel 1 zijn de saldi opgenomen van huishoudens die in aanmerking komen voor een participatiebonus of een vrijwilligersbonus. We rekenen hier met één bonus per huishouden, hoewel paren waarvan beide partners vrijwilligerswerk verrichten en waarvan beiden aan de voorwaarden voldoen, allebei een bonus kunnen aanvragen en ontvangen. Ook de participatie- of vrijwilligersbonus kan een doorstroomval veroorzaken bij een inkomensniveau van 120 procent. Met andere woorden, een huishouden dat een vrijwilligersbonus ontvangt bij een inkomen van 110 procent, houdt onder de streep meer over dan een huishouden zonder bonus met een inkomen van 120 procent. Dit is het geval bij een eenoudergezin met oudere kinderen en bij paren met jonge of oudere (minderjarige) kinderen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11806404/1