CConstaterende datHendrik-Ido-Ambacht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Was-wordt-tabel Verordening Maatschappelijke Ondersteuning HIA oktober 2025

raadsvergadering openbaar 1 december 2025, gemeente Hendrik-Ido-AmbachtBij agendapunt: Wijzigingen Verordening maatschappelijke ondersteuning HIA 20242.938 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage:1 Was-wordt tabel

Was Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: w. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; x. Zorgplan: een door de cliënt en de aanbieder of pgb-leverancier gemaakt plan dat een concrete invulling bevat van de door deze aanbieder of pgb-leverancier te verlenen ondersteuning aan de cliënt, gebaseerd op de in het onderzoeksverslag noodzakelijk bevonden ondersteuning, en dat dient als werkdocument dat wordt aangevuld met de geleverde ondersteuning en bereikte effecten.

Artikel 2.6 De aanvraag 1. De aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens de cliënt schriftelijk ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier of een ondertekend onderzoeksverslag. 2. Bij de aanvraag voor persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van dienstverlening overlegt de cliënt een budgetplan, een zorgplan en een verklaring omtrent gedrag van maximaal 6 maanden oud van de hulpverlener. 3. Bij de aanvraag voor persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing overlegt de cliënt een budgetplan en een offerte.

Wordt Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: w. Werkingsgebied Wijkhopper: bestemmingen die binnen het bereik liggen van een enkele rit met de Wijkhopper; x. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; y. Zorgplan: een door de cliënt en de aanbieder of pgb-leverancier gemaakt plan dat een concrete invulling bevat van de door deze aanbieder of pgb-leverancier te verlenen ondersteuning aan de cliënt, gebaseerd op de in het onderzoeksverslag noodzakelijk bevonden ondersteuning, en dat dient als werkdocument dat wordt aangevuld met de geleverde ondersteuning en bereikte effecten. Artikel 2.6 De aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan via een daartoe door het college ter beschikking gesteld aanvraagformulier worden ingediend. 2. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan ook worden ingediend door middel van ondertekening van het onderzoeksverslag dan wel de op het onderzoeksverslag aangetekende mondelinge bevestiging van de aanvraag. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het college in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend. 4.

Bij de aanvraag voor persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van dienstverlening overlegt de cliënt een budgetplan, een zorgplan en een verklaring omtrent gedrag van maximaal 6 maanden oud van de hulpverlener. 5. Bij de aanvraag voor persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing overlegt de cliënt een budgetplan en een offerte.

Artikel 2.10 Heronderzoek en evaluatie 1. Na toekenning van een maatwerkvoorziening voor dienstverlenende ondersteuning wordt periodiek een evaluatie gepland om de ondersteuningsdoelen en de doelmatigheid en kwaliteit van de ondersteuning te monitoren. 2. Na toekenning van een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of aanpassing kan periodiek een evaluatie worden gepland om de doeltreffendheid van de voorziening te monitoren. 3. Indien de beschikkingsperiode afloopt en de ondersteuning nog niet is beëindigd, wordt cliënt benaderd voor een heronderzoek. 4. Voor het heronderzoek worden dezelfde stappen doorlopen als bij het reguliere onderzoeksproces zoals beschreven in artikel 2.4 tot en met 2.6. 5. Artikel 2.7 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.10 Heronderzoek en evaluatie 1. Na toekenning van een maatwerkvoorziening voor dienstverlenende ondersteuning wordt periodiek een evaluatie gepland om de ondersteuningsdoelen en de doelmatigheid en kwaliteit van de ondersteuning te monitoren. 2. Na toekenning van een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of aanpassing kan periodiek een evaluatie worden gepland om de doeltreffendheid van de voorziening te monitoren. 3. Indien de beschikkingsperiode afloopt en de ondersteuning nog niet is beëindigd, kan het college besluiten cliënt te informeren via een brief dat door of namens de cliënt een melding kan worden gedaan als de ondersteuning nog nodig is. De doelgroepen die actief geïnformeerd worden, worden uitgewerkt in de beleidsregels. 4. Voor het heronderzoek worden dezelfde stappen doorlopen als bij het reguliere onderzoeksproces zoals beschreven in artikel 2.2 tot en met 2.6. 5. Artikel 2.7 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.11 Hoogte persoonsgebonden budget 3. Het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke ondersteuning is gelijk aan het loon uit de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg behorende bij de hoogste trede van functiegroep ‘Hulp bij het huishouden’, vermeerderd met 20,7% in verband met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Daarbij is het niet van belang of het om een formele of informele hulpverlener gaat.

Artikel 4.11 Hoogte persoonsgebonden budget 3. Het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke ondersteuning is gelijk aan het loon uit de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg behorende bij de hoogste trede van functiegroep ‘Hulp bij het huishouden’, vermeerderd met 20,7% in verband met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Daarbij is het niet van belang of het om een formele of informele hulpverlener gaat. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, kan het budget met die lasten worden verhoogd. De werkgeverslasten zijn vermeld op de website van de Sociale Verzekeringsbank.

4. b. in afwijking van sub a is een persoonsgebonden budget bij betrekking van respectievelijk individuele begeleiding of dagbesteding van een persoon die behoort tot

4. b. in afwijking van sub a is een persoonsgebonden budget bij betrekking van respectievelijk individuele begeleiding of dagbesteding van een persoon die behoort tot

het sociale netwerk, waaronder een echtgenoot of bloed- of aanverwante in de eerste of tweede graad, of een persoon of hulpverlener die niet voldoet aan de in artikel 8.3 genoemde kwaliteitseisen, gelijk aan het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functiewaardering Gezondheidszorg (FWG) 30 van de voor de betreffende periode geldende cao Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT), vermeerderd met 20,7% in verband met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren.

het sociale netwerk, waaronder een echtgenoot of bloed- of aanverwante in de eerste of tweede graad, of een persoon of hulpverlener die niet voldoet aan de in artikel 8.3 genoemde kwaliteitseisen, gelijk aan het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functiewaardering Gezondheidszorg (FWG) 30 van de voor de betreffende periode geldende cao Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT), vermeerderd met 20,7% in verband met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, kan het budget met die lasten worden verhoogd. De werkgeverslasten zijn vermeld op de website van de Sociale Verzekeringsbank.

8. Het persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel a. is gelijk aan het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte, die is verstrekt door een gecontracteerde leverancier van het college, met dien verstande dat het persoonsgebonden budget nooit hoger is dan de werkelijke kosten. b. de verschillende categorieën van hulpmiddelen worden nader uitgewerkt in beleidsregels. het persoonsgebonden budget voor onderhoud en de verzekering van het hulpmiddel wordt jaarlijks vastgesteld en is gelijk aan de door het college geaccepteerde offerte, die is verstrekt door een gecontracteerde leverancier van het college, met dien verstande dat het persoonsgebonden budget nooit hoger is dan de werkelijke kosten.

8. Het persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel a. is gelijk aan maandtarief vermenigvuldigd met de afschrijvingstermijn vermenigvuldigd met factor 0,6. b. De afschrijftermijn bedraagt vijf jaar voor vervoershulpmiddelen en rolstoelen. De afschrijftermijn bedraagt 10 jaar voor woonhulpmiddelen.” c. het persoonsgebonden budget voor onderhoud en de verzekering van het hulpmiddel bedraagt in totaal maximaal €500 per jaar, met dien verstande dat het persoonsgebonden budget nooit hoger is dan de werkelijke kosten. Dit bedrag kan jaarlijks op 1 januari geïndexeerd worden conform de prijsindex die gehanteerd wordt voor het contract met de hulpmiddelenleveranciers. Toelichting bij lid a: De factor 0,6 is toegepast, omdat in het maandtarief een factor is opgenomen voor stilstand in depot en voor onderhoud en verzekering. Stilstand en depot hoeft niet te worden meegenomen in het pgb en onderhoud en verzekering worden jaarlijks vergoed op factuurbasis (zie lid c). Toelichting bij lid b: De afschrijftermijn voor vervoersvoorzieningen en rolstoelen is gelijk aan de afschrijftermijn voor hulpmiddelen die gehanteerd wordt door de Belastingdienst. De afschrijftermijn voor woonhulpmiddelen zoals tilliften, til-/transferhulpmiddelen en bad-

Artikel 5.2. Bijdrage maatwerkvoorzieningen 1. De cliënt betaalt een bijdrage voor het gebruik van het collectief vervoer, die per rit bestaat uit: a. een opstaptarief van € 0,60 en een kilometertarief van € 0,108 als de besproken aanvangstijd van de rit binnen de daluren ligt; b. een opstaptarief van € 0,84 en een kilometertarief van € 0,155 als de besproken aanvangstijd van de rit buiten de daluren ligt.

/douche-/toiletvoorzieningen is hoger, namelijk tien jaar. Met deze afschrijftermijn zijn de pgbbedragen meer in lijn met de markttarieven die de inwoner nodig heeft om zelf het hulpmiddel aan te kunnen schaffen. Met de afschrijftermijn wordt de economische afschrijftermijn bedoeld. Deze is niet per definitie gelijk aan de technische afschrijftermijn. Dat betekent dat na het verstrijken van de afschrijftermijn niet vanzelfsprekend een nieuw recht op een pgb ontstaat. Hiervoor zal de individuele noodzaak opnieuw beoordeeld moeten worden. Artikel 5.2 Bijdrage maatwerkvoorzieningen 1. De cliënt betaalt een bijdrage voor het gebruik van het collectief vervoer, die per rit bestaat uit: a. een opstaptarief van € 0,64 en een kilometertarief van € 0,10 als de besproken aanvangstijd van de rit binnen de daluren ligt; b. een opstaptarief van € 1,08 en een kilometertarief van € 0,18 als de besproken aanvangstijd van de rit buiten de daluren ligt.

TOELICHTING OP DE WIJZIGINGEN: 1. Wijziging aanvraagprocedure Het toegangsproces voor Wmo-maatwerkvoorzieningen bestaat uit twee delen, (1) Melding en (2) Aanvraag. Het meldingsproces start met een digitaal meldingsformulier en dit deel van het proces duurt wettelijk maximaal zes weken. Het aanvraagproces start eventueel na de meldingsen onderzoeksfase van zes weken. Deze fase duurt twee weken. De start van het aanvraagproces kan op dit moment op twee manieren plaatsvinden, namelijk via een ondertekend onderzoeksverslag of via een aanvraagformulier. Bij andere Wmo-uitvoeringsorganisaties bestaat de mogelijkheid om een aanvraag mondeling in te dienen. Dit verlicht de administratieve druk (vooral bij inwoners) en maakt het mogelijk om snel te schakelen als de situatie tijdens het huisbezoek voldoende duidelijk is. Hiertoe is het juridisch noodzakelijk om de verordening aan te passen. Dit is geregeld met bovenstaande wijziging van artikel 2.6 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning. 2. Wijziging herindicatieproces Bij het afgeven van beschikking voor maatwerkvoorzieningen Wmo, is het uitgangspunt tot nu toe steeds geweest, dat geen langdurige indicaties worden afgeven en dat de ondersteuningsvraag steeds proactief wordt onderzocht om te beoordelen de ondersteuning nog nodig is na afloop van de indicatie.

Dit zorgt voor een zware mentale belasting voor inwoners met een levenslange en levensbrede ondersteuningsvraag. Zij zijn bij elk moment van herindicatie bang om hun ondersteuning kwijt te raken. Dit zorgt voor stress en alle gevolgen die dit voor deze doelgroep met zich meebrengt.

Daarnaast richten de beleidskaders van de gemeente voor het Sociaal Domein zich steeds meer op “normaliseren” en “inzetten op zelfredzaamheid en participatie” voor inwoners die dit kunnen. Verder zijn er landelijke ontwikkelingen die een rol spelen in het proces van herindiceren. Zo is in 2024 de landelijke Richtlijn voor Passend beschikken verschenen, waar de SDD, namens de Drechtstedengemeenten aan heeft meegewerkt. Hiermee is het proces van herindiceren in een ander daglicht komen te staan en is door de uitvoeringsorganisatie SDD gekeken naar een betere passende vorm van herindiceren. Voor het uitvoering van de herindicaties zijn de cliënten in drie hoofdgroepen verdeeld, met elk hun eigen benadering. 1. Inwoners met een acute, maar tijdelijke ondersteuningsvraag 2. Inwoners met een ondersteuningsvraag én ontwikkelperspectief, waarbij de verwachting is dat zij op termijn weer zelfstandig, zonder maatwerkondersteuning kunnen functioneren. 3. Inwoners met een beperking waardoor professionele ondersteuning levenslang en levensbreed nodig is. Het nieuwe proces voor herindiceren Voor deze drie groepen gaat het herindicatieproces, de herindicaties en de contactmomenten met de SDD er als volgt uit zien:

Doelgroep Inwoners met een acute, maar tijdelijke ondersteuningsvraag. Dit is vaak het geval bij kortdurende problemen van inwoners die even geen andere oplossing kunnen organiseren. De indicatie is dan kortdurend omdat het probleem van tijdelijke aard is, of omdat de inwoner even tijd nodig heeft om een eigen oplossing te vinden.

Inwoners met een ondersteuningsvraag én ontwikkelperspectief, waarbij de verwachting is dat zij op termijn weer zelfstandig, zonder ondersteuning kunnen functioneren. Of inwoners waarbij de verwachting is dat zij op termijn met lichte ondersteuning vanuit het voorveld of het netwerk kunnen functioneren.

1

Voorbeeld

Indicatie

Evaluatie

Einde indicatie

Bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning na botbreuken. Maar ook kindzorg als ouders even tijd nodig hebben om een oplossing in hun netwerk te vinden. Of kortdurende intensieve begeleiding bij een live event.

We verstrekken een tijdelijke indicatie in verband met de kortdurende ondersteuningsvraag, al dan niet ter overbrugging tot de inwoner een eigen oplossing heeft gevonden.

Geen evaluatie nodig. De indicatie zal voor 3-6 maanden worden afgegeven met een kortdurende doelstelling op de tijdelijke en acute problematiek.

Er zal geen contact op worden genomen bij de einddatum van de indicatie, omdat het een kortdurende ondersteuningsvraag betreft.

Gedurende de lopende indicatie worden evaluaties ingepland. De frequentie en inhoud van de evaluaties is onder andere afhankelijk van de onderliggende problematiek, het ontwikkelpotentieel en de duur van de indicatie. De evaluatie is gericht op de vraag of de aanbieder en inwoner op koers liggen om de doelstellingen binnen de gestelde tijd te behalen.

Voordat de indicatie afloopt (4 maanden van tevoren) ontvangt de inwoner een brief dat de einddatum van de indicatie nadert.1 We gaan ervan uit de ondersteuningsvraag in voldoende mate is opgelost en de doelen zijn behaald. Mocht dit niet het geval zijn kan de inwoner óf de aanbieder een melding doen met een nieuw ondersteuningsplan en onderbouwing welke doelstellingen nog niet behaald zijn en wat daar nog op nodig is. De consulent zal deze melding onderzoeken

Bijvoorbeeld inwoners die als gevolg van ggz-problematiek ondersteuning nodig hebben bij het op orde brengen van het huishouden, maar dit na aanleren van planvaardigheden weer zelfstandig kunnen.

De inwoner ontvangt een indicatie voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Hier ligt een ondersteuningsplan aan ten grondslag met concrete doelstellingen en de verwachte duur om deze behalen.

Er wordt onderzocht of het technisch mogelijk een parallel bericht aan de zorgaanbieder te sturen om te voorkomen dat de inwoner tussen wal en schip raakt.

conform de wet en regelgeving. Inwoners met een beperking waardoor professionele ondersteuning levenslang en levensbreed nodig is, maar waarbij nog geen sprake is van 'behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht'2.

Bijvoorbeeld inwoners die vanuit zware problematiek op het gebied van autisme of dementie langdurig ondersteuning nodig hebben en waarbij geen verwachting bestaat op afschaling of ontwikkeling.

De inwoner krijgt een indicatie voor ondersteuning vanuit de maatwerkvoorzieningen Wmo. Er ligt een ondersteuningsplan aan ten grondslag waarin beschreven wordt dat er levenslange en levensbrede ondersteuning nodig is, waarbij eveneens de doelstellingen van de ondersteuning scherp worden benoemd.

Gedurende de lopende indicatie worden evaluaties ingepland. De evaluatie is gericht op de kwaliteit van de ondersteuning en de vraag of het wettelijk kader nog steeds het best passende kader is (onderzoek naar bijvoorbeeld overgang Wlz, of behandeling vanuit ZVW).

Deze indicaties worden in principe levenslang en levensbreed afgegeven. Deze zullen alleen worden gewijzigd op het moment dat uit de evaluaties blijkt dat de Wmo ondersteuning niet langer de best passende ondersteuning is.

Om deze nieuwe werkwijze rechtmatig uit te kunnen voeren is artikel 2.10 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2024 aangepast. 3. Aanpassen proces voor de berekening van de tarieven voor PGB-hulpmiddelen Voor de berekening van de tarieven voor PGB-hulpmiddelen is bij herijking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hendrik-Ido-Ambacht in 2023 een nieuwe systematiek ingeregeld. Voor 2023 waren de PGB-tarieven voor hulpmiddelen erg hoog in vergelijking tot de markttarieven voor hulpmiddelen. Door de SDD is in 2023 geprobeerd om dit met een nieuw proces bij te stellen en als zodanig in de verordening vast te leggen, maar dit proces blijkt qua uitvoering tijdsintensief en arbeidsintensief voor zowel consulenten als de hulpmiddelenleveranciers. Om het wijzigen van de berekening, die het herindicatieproces vereenvoudigt en zorgt voor redelijke en marktconforme pgb-tarieven is artikel 4.11, lid 8 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning aangepast. 4. Aanpassen vergoeding PGB-dienstverleners De verwachte wijziging van de Regeling dienstverlening aan huis (hierna: Rdah) betekent dat vanaf 1 januari 2026 zorgverleners die werken via een PGB, recht krijgen op uitkeringen zoals de WW en de Ziektewet. Nu vallen zij nog onder de zogeheten Rdah, waardoor ze geen recht hebben op deze werknemersverzekeringen.

De WW en enkele andere wetten worden met dit wetsvoorstel aangepast. De aanleiding is een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. De rechter oordeelde dat de uitzondering op de verzekeringsplicht leidt tot indirecte discriminatie op grond van geslacht, omdat veel pgb-zorgverleners vrouw zijn. Het wetsvoorstel maakt een einde aan de uitzonderingspositie van deze pgb-zorgverleners. Om te kunnen voldoen aan deze regeling zijn de artikelen 4.11 lid 3 en 4.11 lid 4 sub in de Verordening maatschappelijke ondersteuning aangepast met een kan-bepaling in afwachting van definitieve besluitvorming 5. Wijziging tarieven gebruik collectief vervoer In de verordening is bij artikel 5.2 een wijziging opgenomen ten aanzien van de tarieven voor het gebruik van collectief vervoer. Bij het dalurentarief is het opstaptarief met € 0,04 verhoogd en bij het buiten de dalurentarief is het opstaptarief verhoogt met € 0,24 en het kilometertarief met € 0,025. Hiermee zijn de tarieven geharmoniseerd met de tarieven die thans door de andere

2

Wlz-algemeen: Hoe werkt de Wet langdurige zorg? | Verzekerde zorg | Zorginstituut Nederland

Drechtstedengemeente worden gehanteerd en voorkomt dit te grote verschillen met de voorgenomen nieuwe tarieven voor collectief vervoer in de andere Drechtstedengemeenten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16177353/1