Bijlage 2 bij raadsvoorstel 9.2 - Rijksstraatweg 42b e.o. - Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
Aanleiding van het onderzoek
De aanleiding voor de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek betreffen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en herinrichting van de locatie (ten behoeve van woningbouw). De aanleiding voor de uitvoering van het indicatief asbestonderzoek in de bodem betreft de aanwezigheid van diverse asbesthoudende materialen (zie asbestinventarisatierapport van Bureau Springweg) en een slakkenfundering op de locatie. 1.2
Doel van het onderzoek
Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De multifunctionaliteit van de bodem kan bij overschrijding van normen van verontreinigende stoffen worden aangetast. Hierdoor kunnen beperkingen ten aanzien van het gebruik van de bodem worden gesteld. Het doel van het indicatief asbestonderzoek in de bodem is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op bodemverontreiniging met asbest ter plaatse van de aanwezige asbesthoudende materialen en de slakkenfundering terecht is.
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
4
2. VOORONDERZOEK 2.1
Locatiegegevens
Adres locatie Kadastraal bekend Eigenaar Gebruik van locatie Oppervlakte RD-coördinaten
: : : : : :
Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht gemeente Hendrik-Ido-Ambacht, sectie D, nrs. 8, 2280, 2481 en 3582 de heer G. van Vugt glastuinbouwbedrijf 42.052 m2 X: 100.944 Y: 428.427
De onderzoekslocatie is gelegen aan Rijksstraatweg 42B in het buitengebied van Hendrik-Ido-Ambacht. De te onderzoeken locatie, met een oppervlakte van 4.20.52 hectare (42.052 m2), is momenteel in gebruik als tuinbouwbedrijf metkassen, schuren, waterbassins en grasvelden. De woning met omliggende tuin aan Rijksstraatweg 42B valt buiten de locatiegrenzen en wordt derhalve niet onderzocht. In bijlage 1 is de topografische overzichtskaart opgenomen met daarop aangegeven de regionale ligging van de onderzoekslocatie. In bijlage 2 is een situatietekening van de locatie opgenomen. In bijlage 8 zijn foto’s van de locatie opgenomen, waarbij de plaats en de opnamerichting van de foto’s zijn aangegeven op de tekening in bijlage 2. Maaiveldverhardingen De vloeren van de opstallen op de locatie bestaan uit beton. Het erf rondom de bebouwing is verhard met tegels, klinkers, stelconplaten, beton en asfalt. In de kassen zijn betonpaden aanwezig. Locatie-inspectie Tijdens de locatie-inspectie d.d. 4 december 2019 zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen zoals verkleuringen, kale plekken of brandplaatsen op het maaiveld. Verzakkingen en ophogingen zijn evenmin geconstateerd. Asbest Door de aanwezigheid van kassen kan mogelijk asbesthoudend materiaal op of in de bodem worden verwacht. Verder zijn twee schuren (opstallen) op de locatie voorzien van asbestverdachte daken.
Een van deze opstallen is voorzien van goed functionerende dakgoten. Hierdoor wordt hier op of in de bodem geen asbesthoudend materiaal verwacht. De andere opstal met asbestverdacht dakplaatmateriaal is eveneens voorzien van goten, maar niet van regenpijpen. In de afwateringszone dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van asbest op of in de bodem. Door erosie zouden asbestdeeltjes van het dakplaatmateriaal via het regenwater kunnen afspoelen en zodoende in de bodem terecht kunnen komen. Toekomstige bestemming De locatie zal na de sloop van de huidige bebouwing heringericht worden, waarbij nieuwbouw wordt gerealiseerd (woningen).
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
5
2.2
Historische informatie
Informatie uit topografisch kaartmateriaal Bij de projectie van de historische kaart anno 1945 (www.topotijdreis.nl) op meer recent kaartmateriaal tot het jaar 2018 (zie bijlage 1) blijkt dat de locatie in het verleden in gebruik was als weiland met tussenliggende sloten. De eerste bebouwing op de locatie dateert van de jaren ‘50. Het betreft een kas, waarvan de contouren in de loop der jaren zijn uitgebreid. Bij deze uitbreidingen zijn 4 sloten op de locatie gedempt en is het toegangspad ter hoogte van de huidige woning (nr. 42B) aangelegd. Voor de situering van de gedempte sloten op de locatie wordt verwezen naar de tekening in bijlage 2. Op de kaart van 1960 is ook een dam op het noordelijk locatiedeel zichtbaar, die na het dempen van de sloten niet meer waarneembaar is. Uit de (historische) topografische kaarten komt voor de locatie verder geen informatie naar voren die kan duiden op de aanwezigheid van ophogingen, stortingen, opvullingen, (lozings)putten, veranderingen in de verkaveling en specifieke verdachte agrarische activiteiten zoals bollenteelt en fruitteelt. In bijlage 7 zijn de historische topografische kaarten opgenomen. Informatie uit digitaal Bodemloket Uit het digitale Bodemloket (www.bodemloket.nl) blijkt dat op de locatie twee (van de vier) slootdempingen, een sierplanten- en sierstruikenkwekerij en zaadkwekerij geregistreerd staan.
Voor de directe omgeving van de locatie is geen bodeminformatie bekend. Informatie verkregen van Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid Uit een bij Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) opgevraagde omgevingsrapportage blijkt geen aanvullende informatie. De omgevingsrapportage is bijgevoegd in bijlage 7, achter de historische topografische kaarten. Op de bodemfunctieklassenkaart van OZHZ ligt de locatie in een gebied dat is geclassificeerd als klasse Landbouw/natuur. Op de Ontgravingskaart Bovengrond, Ontgravingskaart Ondergrond, Toepassingskaart Bovengrond en Toepassingskaart Ondergrond is de locatie ingedeeld als klasse Achtergrondwaarde. OZHZ heeft een herziene handreiking voor toepassing van PFOA-houdende grond uitgebracht (zaaknr. Z-18-330610, d.d. 13 juni 2018). Uit deze handreiking blijkt dat de onderzoekslocatie buiten de pluimzone van de Chemoursfabriek in Dordrecht ligt. Op de verwachtingskaart ligt de locatie in zone 0 (buiten pluimzone). In zone 0 ligt de verwachte concentratie PFOA in ongeroerde en onverharde bovengrond binnen de bandbreedte van 0 - 2,5 µg/kg ds (achtergrondbelasting). Informatie van eigenaar Volgens de eigenaar zijn op de locatie geen boven- of ondergrondse brandstoftanks aanwezig (geweest). Op het tuinbouwbedrijf is een chemicaliënkast voor de opslag van bestrijdingsmiddelen aanwezig.
Verder heeft de eigenaar aangegeven dat de aanwezige asfaltverharding op de locatie (toegangspad) is gefundeerd met slakken.
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
6
Informatie van opdrachtgever Door opdrachtgever is een asbestinventarisatierapport1 beschikbaar gesteld. Uit deze asbestinventarisatie blijkt dat naar kas 1 een bovengrondse gasleiding loopt, waarvan de (twee) pakkingen niet-hechtgebonden asbest bevatten. Onder deze pakkingen is onverharde grond aanwezig. Verder bevat kas 2 schuren met asbesthoudend dakplaatmateriaal. Zoals bij de locatie-inspectie omschreven, is één van deze daken voorzien van goten én regenpijpen, terwijl de ander wel voorzien is van goten, maar niet van regenpijpen. Kas 3 bevat langs de betonrand een bitumenlaag, die asbesthoudend is (hechtgebonden). Voor meer informatie omtrent de asbestinventarisatie wordt verwezen naar het desbetreffende rapport. 2.3
Bodemopbouw en geohydrologie
Het geohydrologische profiel van het gebied waarbinnen de locatie is gesitueerd, wordt in tabel 2 weergegeven. Tabel 2.
Geohydrologisch profiel (Bron: DINOloket REGIS v2.2) Pakket
Diepte [m] t.o.v. NAP
deklaag
-2
-
-14
Holocene deklaag
1e watervoerend pakket
-14
-
-30
Kreftenheye, Wijchen
1e scheidende laag
-30
-
-39
Waalre
Geohydrologische formatie
Samenstelling complexe eenheid, bestaande uit een afwisseling van zandige klei, matig fijn en fijn zand, klei en veen matig fijn, fijn en grof zand met laagjes zandige klei zandige klei, klei en laagjes matig fijn zand
De stromingsrichting van het grondwater uit het eerste watervoerend pakket is globaal westelijk. Ten noordoosten van de locatie ligt pompstation Hendrik-Ido-Ambacht, waarbij grondwater uit het eerste watervoerende pakket wordt onttrokken. Mogelijk wordt de stromingsrichting van het grondwater in het desbetreffende watervoerende pakket hierdoor beïnvloed. De locatie maakt volgens informatie van Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid geen deel uit van een grondwaterbeschermingsgebied. 2.4
Hypothese
Vanwege het jarenlange gebruik (diffuse belasting) en/of de aanwezigheid van verhardingen (o.a. toegangspad) wordt de locatie als verdacht aangemerkt. De bodem, met name de bovengrond, is mogelijk verontreinigd geraakt. Als potentieel bodemverontreinigende stoffen worden zware metalen, PAK en minerale olie aangemerkt. Daarnaast kunnen verhoogde concentraties aan PFAS worden verwacht door de ligging van de locatie in zone 0 van de PFOA-verwachtingskaart. Verder worden verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen (OCB) verwacht in verband met de aanwezigheid van een glastuinbouwbedrijf en bestrijdingsmiddelenopslag op de locatie. Ook de bodem ter plaatse van de vier voormalige sloten wordt als verdacht aangemerkt. Onduidelijk is waarmee de voormalige sloten zijn gedempt. Mogelijk is verontreinigd dempingsmateriaal toegepast.
1
Asbestinventarisatie Drie kassen en bijgebouwen Rijksstraatweg 42B, 3342 LD Hendrik Ido Ambacht, Buro Springweg, december 2019, rapportnr.: BS9141
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
7
De bodem ter plaatse van de voormalige dam wordt eveneens als verdacht aangemerkt. Mogelijk is de bodem, met name de bovengrond, ten gevolge van de aanwezigheid van verhardingen en/of stortingen verontreinigd geraakt. Als potentieel bodemverontreinigende stoffen worden hier zware metalen en PAK aangemerkt. Verder wordt de locatie vanuit het oogpunt van bodemverontreiniging ten aanzien van asbest als verdacht aangemerkt. Daarbij gaat alleen aandacht uit naar de geconstateerde asbesthoudende materialen in de asbestinventarisatie van Bureau Springweg, te weten: de bodem ter plaatse van de pakkingen van de bovengrondse gasleiding naar kas 1, de betonrand van kas 3 en de afwateringszone van het asbesthoudende dak ter plaatse van de schuur van kas 2 (zonder regenpijp). Verder is de funderingslaag onder het geasfalteerde toegangspad verdacht op de aanwezigheid van asbest.
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
8
3. ONDERZOEKSSTRATEGIE Onderzoeksopzet Het verkennend bodemonderzoek wordt verricht volgens de richtlijn NEN 5740/A1:2016, conform de onderzoeksstrategie voor een “diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming” (VED-HE-NL). In aanvulling op de onderzoeksopzet worden bovengrondanalyses op bestrijdingsmiddelen (OCB) uitgevoerd door de aanwezigheid van een glastuinbouwbedrijf met bestrijdingsmiddelenopslag op de locatie. Verder gaat extra aandacht uit naar de gedempte sloten, het toegangspad en de voormalige dam. Ten aanzien van bodemonderzoek naar PFAS wordt gebruik gemaakt van de onderzoeksopzet voor een “diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een homogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming” (VED-HO-NL), waarbij het voorgeschreven aantal boringen en peilbuizen in het reguliere bodemonderzoek maatgevend is. Het reguliere onderzoek en het bodemonderzoek naar PFAS worden gecombineerd uitgevoerd. Voor het onderzoek naar PFAS worden aparte monsterverpakkingen gebruikt. Het indicatief asbestonderzoek in de bodem wordt uitgevoerd ter plaatse van de aanwezige asbesthoudende materialen en de slakkenfundering2. 3.1
Uitvoering bodemonderzoek
Verkennend bodemonderzoek Voorafgaand aan de uitvoering van de boringen wordt een visuele maaiveldinspectie uitgevoerd naar de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. Indien asbestverdachte materialen worden gevonden, zal hiervan per type asbestverdacht materiaal een representatief monster worden genomen. Vervolgens worden met behulp van een Edelmanboor verspreid over de locatie boringen verricht tot een diepte van tenminste 1,0 m -mv. Een aantal boringen wordt doorgezet tot een diepte van circa 2,0 m -mv en minimaal 0,5 m onder de grondwaterstand. Van de diepere boringen worden er meerdere afgewerkt met een peilbuis. In verband met de aanwezigheid van beton- en asfaltverhardingen op het maaiveld worden 7 boringen voorgeboord met een diamantboorinstallatie. De boorgaten worden afgewerkt met ronde vloeistofdichte straatpotten of met koud asfalt. Tijdens de uitvoering van de boringen wordt de opgeboorde grond beschreven en geclassificeerd, zintuiglijk beoordeeld op eventuele verontreinigingen en bemonsterd in trajecten van maximaal 0,5 m. Van de verrichte boringen worden boorbeschrijvingen gemaakt. Van de boven- en ondergrond worden grond(meng)monsters geanalyseerd op het NEN 5740-grondpakket (NEN-G; zie tabel 3), PFAS en/of OCB. Bij het samenstellen van ‘verdachte’ mengmonsters worden maximaal 4 grondmonsters gemengd.
Bij ‘onverdachte’ mengmonsters worden maximaal 10 grondmonsters gemengd. Voor het berekenen van de gecorrigeerde concentraties van de
2 Volgens NEN 5707+C2:2017 § 6.3 mogen bodemlagen afgedekt door een duurzame verhardingslaag (beton, asfalt enz.) middels
enkelvoudige boringen worden bemonsterd. De boringen geven alleen uitsluitsel over de aanwezigheid van asbest. Indien asbest wordt aangetroffen, moeten alsnog inspectiegaten of -sleuven worden gegraven. Indien geen asbest wordt aangetroffen, dan is de bodem onverdacht en is nader onderzoek niet noodzakelijk. De gehaltebepaling is dus ook alleen om de aanwezigheid van asbest aan te tonen.
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
9
geanalyseerde stoffen (bodemtypecorrectie) worden aanvullend de gehalten lutum en organische stof bepaald. Het grondwater uit de peilbuizen wordt een week na plaatsing bemonsterd. De aan de peilbuizen te onttrekken grondwatermonsters worden geanalyseerd op het NEN 5740-grondwaterpakket (NEN-W; zie tabel 3) en/of PFAS. Bij de grondwaterbemonstering worden de grondwaterstand, de troebelheid (NTU), de zuurgraad (pH) en de elektrische geleidbaarheid (EC) van het grondwater gemeten. Indicatief asbestonderzoek in de bodem Met behulp van een spade worden ter plaatse van de aanwezige asbesthoudende materialen op de locatie (zie asbestinventarisatierapport) inspectiegaten gegraven van minimaal 0,3 m (lengte) x 0,3 m (breedte) in lagen van 5 à 10 cm, waarbij alleen de verdachte toplaag wordt bemonsterd. Ter plaatse van het geasfalteerde toegangspad wordt gebruik gemaakt van de boringen uit het verkennend bodemonderzoek. Hierbij wordt de funderingslaag onder het asfalt bemonsterd. Voorafgaand aan het graven van een inspectiegat wordt het bodemvochtpercentage gemeten. Indien het bodemvochtpercentage beneden de 10% ligt, wordt het maaiveld bevochtigd met water. Is het bodemvochtpercentage hoger dan 10% dan zijn geen aanvullende veiligheidsmaatregelen noodzakelijk. De standaard veiligheidsmiddelen kunnen worden gehanteerd, die ook bij een regulier bodemonderzoek worden gebruikt.
Het opgegraven bodemmateriaal wordt beschreven en geclassificeerd, zintuiglijk beoordeeld op eventuele verontreinigingen en bemonsterd. Van elk inspectiegat wordt in het veld een bodemprofielbeschrijving gemaakt. Voorafgaand aan de monstername wordt het materiaal gezeefd (maaswijdte 20 mm) of geharkt (maaswijdte 20 mm), afhankelijk van de bodemsamenstelling. De gezeefde of geharkte grove fractie wordt visueel geïnspecteerd op asbestverdacht materiaal. Bij het aantreffen van asbestverdacht materiaal wordt per bodemlaag van elk type een representatief materiaal(verzamel)monster samengesteld, dubbel verpakt en meegenomen voor eventuele analyse. Per type asbestverdacht materiaal wordt in het veld het totaalgewicht bepaald. Ook de gezeefde of geharkte grove fractie wordt gewogen. Indien bodemvreemd materiaal wordt waargenomen zal hiervan het gewichtspercentage worden bepaald. Bij minder dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal wordt van de fijne fractie in het veld een grondmengmonster samengesteld uit 20 grepen van elk 0,5 kg (tenminste 10 kg ds per grondmengmonster). Op een aantal representatieve grondmengmonsters wordt een asbest kwantificatie-onderzoek uitgevoerd (zie tabel 3). Daarbij wordt de concentratie asbest in de fijne bodemfractie bepaald.
Bij meer dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal vervalt de opzet conform NEN 5707 en is de NEN 5897 van toepassing (er is dan geen sprake meer van grond). Van de fijne puinfractie van de funderingslaag onder het toegangspad wordt in het veld één mengmonster samengesteld. Op dit puinmengmonster wordt een asbestkwantificeringsonderzoek verricht (zie tabel 3). Daarbij wordt de asbestconcentratie in de fijne puinfractie bepaald. Van de inspectiegaten worden in het veld boorprofielbeschrijvingen gemaakt.
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
10
3.2
Boorplan en analyses
In tabel 3 wordt het boor- en analyseprogramma weergegeven in de vorm van aantallen uit te voeren boringen, inspectiegaten en analyses. De exacte monsternamepunten worden tijdens het veldwerk bepaald. Tabel 3.
Boor- en analyseprogramma
Verkennend bodemonderzoek
Aantal boringen
Diepte [m -mv]
Waarvan met peilbuis
Ter plaatse van aanwezige asbesthoudende materialen en slakkenfundering * (n) H+L NEN-G NEN-W OCB PFAS-G PFAS-W asbest-G asbest-P
Analyses grondwater
- waarvan 13 boringen tpv gedempte sloten, voormalige dam, toegangspad en bestrijdingsmiddelenopslag - waarvan 7 beton- en asfaltboringen - puinanalyse op asbest voor funderingslaag onder geasfalteerd toegangspad
1,0
-
15
2,0*
5 (n)
5 x NEN-G 5 x H+L
5 x NEN-W 4 x PFAS-W
Diepte [m -mv]
Analyses grond
Analyses puin
Analyses plaatmateriaal
Opmerkingen
-
- waarvan 2 inspectiegaten tpv gasleiding kas 1 - waarvan 5 inspectiegaten langs betonrand kas 3 - waarvan 1 inspectiegat in afwateringszone schuur kas 2 (zonder regenpijp)
Aantal inspectie - gaten
8
0,5
5 x asbest-G
-
-
Opmerkingen
45 én Verspreid over de locatie (oppervlakte 42.052 m2)
Indicatief asbestonderzoek in de bodem
Analyses grond/puin 6 x NEN-G 6 x H+L 5 x OCB 4 x PFAS-G 1 x asbest-P
boring tot circa 2,0 m -mv en tenminste 0,5 m onder de grondwaterstand bovenzijde van het filter van de peilbuis op 0,5 m onder de grondwaterstand organische stof en lutum droge stof, de zware metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK som 10), PCB (som-7) en minerale olie (C10-C40) de zware metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, vluchtige aromaten (BTEXN), gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie (C10-C40) bestrijdingsmiddelen, 24 verbindingen GC/MS (waaronder DDT en drins) grondpakket poly- en perfluoralkylstoffen (28 componenten uit Tijdelijk Handelingskader) grondwaterpakket poly- en perfluoralkylstoffen (38 componenten) asbestconcentratie grond kwantitatief, mg/kg ds, 10 kg ds, NEN 5898 asbestconcentratie puin kwantitatief, mg/kg ds, 25 kg ds, NEN 5898
De grond- en grondwateranalyses worden uitgevoerd conform AS3000, met uitzondering van PFAS. 3.3
Kwaliteitsborging
AT MilieuAdvies B.V. heeft, als onafhankelijk adviesbureau, geen relatie met de opdrachtgever anders dan opdrachtgever/opdrachtnemer. AT MilieuAdvies B.V. “keurt geen eigen grond” waarmee de onafhankelijkheid van het onderzoek is gewaarborgd. Het kwaliteitssysteem van AT MilieuAdvies B.V. voldoet aan de eisen van de NEN-EN ISO 9001:2015 (certificaatnr.: EC-KWA-99019). De veldwerkzaamheden worden uitgevoerd naar de richtlijnen van de BRL SIKB 2000 conform de daarbij behorende protocollen. AT MilieuAdvies B.V. is gecertificeerd voor de protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018 (certificaatnr.: EC-SIK-20244).
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
11
Het protocol 2001 is bestemd voor het correct verrichten van veldwerk, zoals het plaatsen van boringen en peilbuizen. Het protocol 2002 geeft voorschriften voor het bemonsteren van het grondwater uit peilbuizen. Het protocol 2003 heeft betrekking op het uitvoeren van veldwerkzaamheden ten behoeve van waterbodemonderzoek. De richtlijnen voor asbestonderzoek in bodem zijn omschreven in het protocol 2018. Bij afwijking van de kritieke proceseisen van de BRL en/of de protocollen wordt het onderzoek niet gerapporteerd onder certificaat. In de rapportage wordt dan melding gemaakt van de kritieke afwijkingen. De fysische en chemische analyses worden uitgevoerd door de door de Raad van Accreditatie conform criteria voor testlaboratoria geaccrediteerde milieulaboratoria Eurofins Analytico B.V. te Barneveld (nr. RvA L 010) en Eurofins Omegam B.V. te Amsterdam-Duivendrecht (nr. RvA L 086). Bij ieder milieukundig bodemonderzoek wordt gestreefd naar een optimale representativiteit. Toch is een dergelijk onderzoek gebaseerd op een beperkt aantal boringen, inspectiegaten en analyses. Hierdoor blijft het mogelijk dat lokale afwijkingen in de samenstelling van de bodem aanwezig kunnen zijn, die tijdens het bodemonderzoek niet naar voren zijn gekomen. Verder is een milieukundig onderzoek een momentopname.
Beïnvloeding van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem zal ook plaats kunnen vinden na de uitvoering van het onderzoek. AT MilieuAdvies B.V. acht zich niet aansprakelijk voor eventuele schade of gevolgen voortvloeiend uit het bodemonderzoek.
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
12
4. UITVOERING ONDERZOEK 4.1
Veldwerk
De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door Mario van Kooten van AT MilieuAdvies B.V. conform de richtlijnen in de BRL SIKB 2000 en de daarbij behorende protocollen 2001, 2002 en 2018. Het veldwerk is onafhankelijk van de opdrachtgever uitgevoerd conform de eisen aan de externe functiescheiding in de BRL SIKB 2000. De verklaring van onafhankelijkheid is opgenomen in bijlage 9. 4.1.1
Resultaten visuele maaiveldinspectie
De visuele maaiveldinspectie is verricht met droog weer en goed zicht. Door de aanwezigheid van vegetatie (gras), wordt de inspectie-efficiëntie ingeschat op ongeveer 50%. Tijdens de visuele maaiveldinspectie zijn op de locatie geen asbestverdachte materialen aangetroffen. 4.2
Uitgevoerde werkzaamheden
Verkennend bodemonderzoek Het veldwerk is verricht op 4, 12, 13 en 16 t/m 18 december 2019 conform de onderzoeksopzet in hoofdstuk 3. Daarbij zijn verspreid over de locatie 62 handboringen verricht (nrs. 01 t/m 61 en nr. 55A). In verband met de situering van de gedempte sloten zijn 2 extra boringen verricht. Een deel van de boringen is uitgevoerd ter plaatse van de kassen op de locatie (kas 1: nrs. 05 t/m 12, kas 2: nrs. 23 t/m 31 en nr. 49, kas 3: nrs. 18 t/m 22), het toegangspad (nrs. 44 t/m 47), de slootdempingen (nrs. 51 t/m 58 en nr. 55A) de voormalige dam (nr. 53) en de bestrijdingsmiddelenopslag (nr. 61). De boringen zijn verricht met behulp van een Edelmanboor. Door de aanwezigheid van beton- en asfaltverhardingen op het maaiveld zijn 7 boringen voorgeboord met een diamantboorinstallatie (nrs. 44 t/m 50). De boorgaten van boringen 07, 18, 29, 42 en 52 zijn ten behoeve van de grondwatermonstername afgewerkt met een peilbuis (peilbuizen 07, 18, 29, 42 en 52) De plaatsen van de boorpunten zijn aangegeven op de tekening in bijlage 2. Indicatief asbestonderzoek in de bodem Het veldwerk ten behoeve van het indicatief asbestonderzoek is verricht op 17 en 18 december 2019 conform de onderzoeksopzet in hoofdstuk 3. Daarbij zijn met behulp van een spade ter plaatse van de aanwezige asbesthoudende materialen in totaal 8 inspectiegaten gegraven (nrs. IG01 t/m IG08).
Verder zijn boringen geplaatst in de funderingslaag onder het geasfalteerde toegangspad (boringen 44 t/m 47). De situering van de inspectiegaten is weergegeven op de tekening in bijlage 2.
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
13
4.3
Veldwaarnemingen
4.3.1
Bodemopbouw
Bij het veldwerk is gebleken dat het bodemprofiel tot de geboorde einddiepte van 3,0 m -mv over het algemeen eerst uit klei bestaat en vervolgens uit veen. Voor een beschrijving van de aangetroffen bodemlagen, de trajecten van monstername en grondwaterstanden wordt verwezen naar de boorbeschrijvingen in bijlage 3. 4.3.2
Zintuiglijke waarnemingen
Verkennend bodemonderzoek De zintuiglijke waarnemingen die kunnen duiden op een (mogelijke) verontreiniging van de bodem zijn opgenomen in tabel 4. Tabel 4.
Zintuiglijke waarnemingen
Diepte Traject boring Boring [m -mv] [m -mv] Verspreid over de locatie
Hoofdgrondsoort
Bijmenging(en)
11
1,00
0,20 - 0,70
Klei
zwak piepschuimhoudend
41
1,00
0,20 - 0,40
--
volledig repac, sterk zandhoudend
42
2,30
0,12 - 0,30
--
volledig repac, op geodoek
44
0,20
0,11 - 0,20
--
volledig puin, harde laag, gestuit (beton?)
45
0,40
0,05 - 0,13
--
volledig grind
0,13 - 0,34
--
volledig beton
0,34 - 0,40
--
gestuit (baksteen?) volledig slakken, laagjes zand
46
2,00
0,18 - 0,60
--
47
2,00
0,13 - 0,35
--
volledig slakken
48
2,00
0,16 - 0,28
Klei
sporen puin, laagjes zand
0,28 - 0,50
Klei
sporen kolen
Mate van bijmenging: 0-2% sporen, 2-5% resten, 5-15% zwak, 15-40% matig, 40-60% sterk, 60-100% volledig (>50%, geen grond)
Tijdens het zintuiglijk onderzoek zijn verder geen afwijkingen geconstateerd aan het opgeboorde bodemmateriaal. Ter plaatse van de centrale slootdemping tussen kas 1 en 2 bestaat de ondergrond van 0,6 m -mv tot circa 1,5 m -mv uit zand met daaronder veen. Ter plaatse van de overige slootdempingen en de voormalige dam op de locatie is geen afwijkend of bodemvreemd (dempings)materiaal aangetroffen. In de bodem ter plaatse van de monsternamepunten zijn ook geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Indicatief asbestonderzoek in de bodem Tijdens het zintuiglijk onderzoek zijn geen stukjes asbestverdacht materiaal geconstateerd in het opgegraven bodemmateriaal ter plaatse van inspectiegaten IG01 t/m IG08. 4.3.3
Grondwater
Het grondwater is bemonsterd op 20 en 31 december 2019. In tabel 6 is een overzicht opgenomen van de verrichte metingen. Achtereenvolgens zijn opgenomen, de filterstelling, de grondwaterstand, de zuurgraad, de elektrische geleidbaarheid, de troebelheid en de zintuiglijke waarnemingen.
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
14
Tabel 5.
Veldwerkgegevens grondwatermonstername
Peilbuisnummer
Filterdiepte [m -mv]
Grondwaterstand [m -mv]
[pH]
Geleidbaarheid [μS/cm]
Zuurgraad
Troebelheid
Zintuiglijke waarnemingen
[NTU]
Verspreid over de locatie peilbuis 07
1,30 - 2,30
0,59
6,7
3.145
11,8
Kleurloos en helder
peilbuis 18
2,00 - 3,00
0,75
6,7
1.627
55,4
Kleurloos en helder
peilbuis 29
1,50 - 2,50
0,58
7,2
4.306
38,5
Kleurloos en helder
peilbuis 42
1,30 - 2,30
0,51
6,9
1.472
37,1
Kleurloos en helder
peilbuis 52
1,50 - 2,50
0,76
6,3
1.207
141
Kleurloos, matig helder
De gemeten waarden voor pH (zuurgraad) in het grondwater zijn niet afwijkend voor het gebied waarbinnen de locatie ligt
De relatief hoge waarden voor geleidbaarheid van het grondwater uit peilbuizen 07 en 29, ter plaatse van respectievelijk kas 1 en kas 2, zouden kunnen duiden op verontreinigingen. De natuurlijke achtergrondwaarde voor troebelheid in grondwater bevindt zich tussen de 0 NTU en 10 NTU. Een hogere troebelheid (>10 NTU) kan een relatie hebben met eventuele verontreinigingen in het grondwater. 4.4
Afwijkingen
De veldwerkzaamheden zijn, zoals eerder vermeld, uitgevoerd volgens de BRL SIKB 2000 en de daarbij behorende protocollen 2001, 2002 en 2018. Er zijn geen afwijkingen geconstateerd. Het monstergewicht van de uitgevoerde asbestanalyse in puin voldoet echter niet aan de eis van het minimaal aan te leveren monstergewicht van 25 kg ds (puin). Daar het slechts indicatief onderzoek betreft van de funderingslaag onder het geasfalteerde toegangspad wordt dit niet als kritieke afwijking gezien. 4.5
Laboratoriumonderzoek
De fysische en chemische analyses zijn uitgevoerd door de door de Raad van Accreditatie conform criteria voor testlaboratoria geaccrediteerde milieulaboratoria Eurofins Analytico B.V. te Barneveld (nr. RvA L 010) en Eurofins Omegam B.V. te Amsterdam-Duivendrecht (nr. RvA L 086). De grond- en grondwateranalyses zijn verricht conform AS3000, met uitzondering van PFAS. In bijlage 4 zijn de analyseresultaten en de gehanteerde analysemethoden vermeld. 4.5.1
Uitgevoerde analyses
In tabel 6 is een overzicht van de grond- en puin(meng)monsters en de grondwatermonsters opgenomen welke ter analyse zijn aangeboden. De aangetroffen functionele verhardingslagen, bestaande uit puin, grind, slakken en repac, zijn niet geanalyseerd op het standaard NEN 5740-grondpakket. Ter plaatse van centrale slootdemping tussen kas 1 en 2 is zintuiglijk bodemvreemd dempingsmateriaal aangetroffen. Op basis hiervan is een aanvullende grondanalyse verricht. Ter plaatse van de voormalige dam en de overige voormalige sloten is zintuiglijk geen afwijkende bodemopbouw aangetroffen. Het bodemprofiel komt overeen met de bodemopbouw elders op de locatie. Hierdoor zijn de verkregen grondmonsters aldaar gebruikt ter bepaling van de algemene bodemkwaliteit.
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
15
Tabel 6.
Overzicht van grond- en puin(meng)monsters, grondwatermonsters en analyses
#
#
Klei/--
#
#
#
Klei/--
#
Klei/--
#
Klei/--
#
Klei/--
asbest-P
#
asbest-G
PFAS-G
Klei/--
NEN-W
H+L
Hoofdbestanddeel/ bijmenging
OCB
Boring(en)/ inspectiegat(en)
NEN-G
(Meng)monstercode
PFAS-W
Analyses Traject/filterdiepte peilbuis [m -mv]
Verspreid over de locatie
MM-1
0,00 - 0,50
MM-2
0,00 - 0,50
MM-3
0,00 - 0,20
MM-4
0,45 - 1,00
MM-5
0,00 - 0,50
MM-6
0,00 - 0,50
MM-7
0,00 - 0,50
MM-8
0,30 - 0,70
MM-9
0,60 - 1,25
MM-10
0,16 - 0,50
MM-11
0,60 - 1,10
03 (0,00 - 0,40) 04 (0,00 - 0,25) 13 (0,00 - 0,40) 15 (0,00 - 0,30) 16 (0,00 - 0,30) 52 (0,00 - 0,50) 59 (0,00 - 0,40) 60 (0,00 - 0,40) 32 (0,00 - 0,50) 33 (0,00 - 0,30) 34 (0,00 - 0,30) 35 (0,00 - 0,30) 36 (0,00 - 0,40) 37 (0,00 - 0,40) 38 (0,00 - 0,20) 39 (0,00 - 0,40) 40 (0,00 - 0,40) 05 (0,00 - 0,20) 06 (0,00 - 0,20) 07 (0,00 - 0,20) 08 (0,00 - 0,20) 09 (0,00 - 0,20) 11 (0,00 - 0,20) 12 (0,00 - 0,20) 05 (0,45 - 0,95) 06 (0,70 - 1,00) 08 (0,45 - 0,95) 09 (0,45 - 0,95) 12 (0,50 - 1,00) 18 (0,50 - 1,00) 19 (0,45 - 0,95) 20 (0,75 - 1,00) 21 (0,50 - 1,00) 22 (0,50 - 1,00) 23 (0,00 - 0,40) 24 (0,00 - 0,50) 25 (0,00 - 0,40) 26 (0,00 - 0,40) 27 (0,00 - 0,40) 28 (0,00 - 0,30) 29 (0,00 - 0,50) 30 (0,00 - 0,40) 31 (0,00 - 0,50) 18 (0,00 - 0,50) 19 (0,00 - 0,40) 20 (0,00 - 0,25) 21 (0,00 - 0,50) 22 (0,00 - 0,50) 41 (0,40 - 0,60) 42 (0,30 - 0,70) 46 (0,65 - 1,25) 47 (0,60 - 1,10) 48 (0,16 - 0,28) 48 (0,28 - 0,50) 55A (0,60 - 1,10) 56 (0,60 - 1,00)
#
#
#
#
#
#
#
#
#
#
Klei/--
#
#
#
Klei/--
#
#
Klei/--
#
#
Klei/sporen puin of sporen kolen
#
#
Zand/--
#
#
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
16
Tabel 6.
Overzicht van grond- en puin(meng)monsters, grondwatermonsters en analyses
Grondwater
#
#
peilbuis 18
2,00 - 3,00
18 (2,00 - 3,00)
Grondwater
#
#
peilbuis 29
1,50 - 2,50
29 (1,50 - 2,50)
Grondwater
#
#
peilbuis 42
1,30 - 2,30
42 (1,30 - 2,30)
Grondwater
peilbuis 52
1,50 - 2,50
52 (1,50 - 2,50)
Grondwater
#
#
#
PFAS-G
Klei/--
07 (1,30 - 2,30)
H+L
61 (0,15 - 0,50)
1,30 - 2,30
OCB
0,15 - 0,50
NEN-G
M-12 peilbuis 07
asbest-P
Hoofdbestanddeel/ bijmenging
NEN-W
Boring(en)/ inspectiegat(en)
PFAS-W
(Meng)monstercode
asbest-G
Analyses Traject/filterdiepte peilbuis [m -mv]
# #
#
Indicatief asbestonderzoek in de bodem IG01 (0-2)
0,00 - 0,02
IG02 (0-10)
0,00 - 0,10
IG01 (0,00 - 0,02)
Klei/--
#
IG02 (0,00 - 0,10)
Klei/--
#
Klei/--
#
Klei/--
# #
IG03 (0,00 - 0,10) IG04 (0,00 - 0,10) IG05 (0,00 - 0,10) IG06 (0,00 - 0,10) IG07 (0,00 - 0,10)
IG03-04 (0-10)
0,00 - 0,10
IG05-07 (0-10)
0,00 - 0,10
IG08 (8-18)
0,08 - 0,18
IG08 (0,08 - 0,18)
Zand/--
0,05 - 0,60
44 (0,07 - 0,20) 45 (0,05 - 0,40) 46 (0,18 - 0,60) 47 (0,13 - 0,35)
Volledig slakken, grind, puin en repac
MM A1 H+L NEN-G NEN-W OCB PFAS-G PFAS-W asbest-G asbest-P
#
organische stof en lutum droge stof, de zware metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK som 10), PCB (som-7) en minerale olie (C10-C40) de zware metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, vluchtige aromaten (BTEXN), gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie (C10-C40) bestrijdingsmiddelen, 24 verbindingen GC/MS (waaronder DDT en drins) grondpakket poly- en perfluoralkylstoffen (28 componenten uit Tijdelijk Handelingskader) grondwaterpakket poly- en perfluoralkylstoffen (38 componenten) asbestconcentratie grond kwantitatief, mg/kg ds, 10 kg ds, NEN 5898 asbestconcentratie puin kwantitatief, mg/kg ds, 25 kg ds, NEN 5898
4.6
Toetsingsnormen
4.6.1
Wet bodembescherming (Wbb)
Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en Besluit bodemkwaliteit De mate van verontreiniging wordt bepaald door toetsing van de resultaten van de chemische en fysische analyses van de grond- en grondwatermonsters aan de toetsingswaarden, zoals beschreven in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. De achtergrondwaarden zijn overgenomen uit het Besluit bodemkwaliteit. Een overzicht van de interventiewaarden voor grond (Circulaire bodemsanering), de streef- en interventiewaarden voor grondwater (Circulaire bodemsanering) en de achtergrondwaarden voor grond (Besluit bodemkwaliteit) is als bijlage 5 aan dit rapport toegevoegd. In de Circulaire bodemsanering wordt voor metalen onderscheid gemaakt in ondiep en diep grondwater. Bij een regulier bodemonderzoek wordt alleen de kwaliteit van het freatisch (ofwel ondiepe) grondwater bepaald. Voor onderzoek naar de kwaliteit van diep grondwater (bijvoorbeeld uit het eerste watervoerend pakket) worden voor metalen andere toetsingswaarden gehanteerd.
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
17
•
Streefwaarden grondwater en achtergrondwaarden grond De streefwaarden voor grondwater en de achtergrondwaarden voor grond worden beschouwd als de bovengrens van een, in Nederlandse bodems, goede bodemkwaliteit, waarbij nog sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Bij overschrijding van de streef- of achtergrondwaarde is er sprake van een bodemverontreiniging. De bodemkwaliteit kan dan een nadelige invloed hebben op de diverse functies van de bodem. Streef- en achtergrondwaarden representeren het niveau dat bereikt dient te worden waarbij de bodem alle functionele eigenschappen voor mens, dier of plant volledig kan vervullen.
•
Interventiewaarden grond en grondwater De interventiewaarden zijn concentratieniveaus waarboven sprake kan zijn van ernstige risico’s voor de menselijke gezondheid of het bodemecosysteem. De interventiewaarden voor grond zijn humaanen ecotoxicologisch onderbouwd en zijn afhankelijk van het bodemtype. De interventiewaarden voor grondwater zijn afgeleid van de interventiewaarden voor grond. Bij overschrijding van de interventiewaarden is, onder voorwaarden, sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging3. Bij een geval van ernstige bodemverontreiniging bestaat een saneringsplicht, zoals bedoeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Voorafgaand aan een bodemsanering wordt een BUS-melding verricht of een saneringsplan opgesteld. De BUS-melding of het saneringsplan dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Afhankelijk van de actuele humane, ecologische en verspreidingsrisico’s die het geval van ernstige bodemverontreiniging met zich meebrengt dient de sanering al dan niet met spoed te worden uitgevoerd. Voor het bepalen van de risico’s en de spoed van de sanering wordt verwezen naar de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013.
•
Toetsingscriterium voor nader onderzoek (tussenwaarde) Het toetsingscriterium ten behoeve van nader onderzoek voor grond is bepaald als: de helft van de som van de achtergrondwaarden en de interventiewaarden, ½ (AW+I). De tussenwaarde voor grondwater blijft gehandhaafd op de helft van de som van de streefwaarden en de interventiewaarden, ½ (S+I). Bij een historische verontreiniging (ontstaan vóór 1987) is bij de overschrijding van deze tussenwaarde een gerede kans aanwezig dat de onderzochte locatie (plaatselijk) ernstig verontreinigd is. De tussenwaarde geeft daarom aan dat in dergelijke situaties een nader onderzoek gewenst is. Nader onderzoek wordt uitgevoerd teneinde de ernst (=concentraties en omvang) van de verontreiniging vast te stellen. Op basis van het nader onderzoek kan de saneringsnoodzaak worden vastgesteld.
Mate van verontreiniging Bij de omschrijving van de mate van verontreiniging worden de volgende begrippen gebruikt: niet verontreinigd : concentraties kleiner/gelijk aan de achtergrondwaarden voor grond en de streefwaarden voor grondwater; licht verontreinigd
3
:
concentraties tussen de achtergrondwaarden en de halve som van de achtergrond- en interventiewaarden voor grond en de streefwaarden en de halve som van de streef- en interventiewaarden voor grondwater;
Van een geval van ernstige verontreiniging is sprake wanneer in meer dan 25 m3 grond (of sediment) of 100 m3 grondwater de gemiddelde concentratie van een verontreinigende stof hoger is dan de interventiewaarde. Bovendien dient de verontreiniging te zijn ontstaan vóór 1987 (een zogenaamde historische verontreiniging).
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
18
matig verontreinigd
:
concentraties tussen de halve som van de achtergrond- en interventiewaarde en de interventiewaarde voor grond en de halve som van de streef- en interventiewaarde en de interventiewaarde voor grondwater;
sterk verontreinigd
:
concentraties groter dan de interventiewaarde.
BoToVa: Bodem Toets- en Validatieservice Bij de beoordeling van de kwaliteit van de bodem worden de analyseresultaten per 1 juli 2013 middels een bodemtypecorrectie omgerekend naar standaardbodem. De gemeten gehalten worden hierbij eerst gecorrigeerd met het lutum en organische stof gehalte en vervolgens vergeleken met de achtergrond- en interventiewaarden voor grond. Voorheen werden de achtergrond- en interventiewaarden gecorrigeerd voor het lutum en organische stof gehalte, waarna het aangetoonde gehalte werd vergeleken met deze gecorrigeerde toetswaarden. De in de bijlage 5 vermelde achtergrond- en interventiewaarden zijn van toepassing op een standaardbodem (25% lutum en 10% organische stof). RBK rapportagegrens-eisen De AS3000 is een richtlijn waarin de kwaliteitseisen voor laboratoria zijn vastgesteld voor al het milieuhygiënisch bodemonderzoek. Met de introductie van de AS3000 in laboratoria zijn onder andere de rapportagegrens-eisen van de te analyseren stoffen in grond en grondwater vastgelegd. Per 1 juli 2013 heeft de Regeling Bodemkwaliteit (RBK) eisen gesteld aan de rapportagegrenzen, zoals die door het laboratorium moeten worden gehanteerd en die in de plaats zijn gekomen voor de rapportage-eisen van de AS3000. Deze RBK rapportagegrens-eisen zijn veelal strenger dan of gelijk aan de achtergrondwaarden voor grond en de streefwaarden voor grondwater.
Het is mogelijk dat bijvoorbeeld door de samenstelling van een monster sprake is van verhoogde rapportagegrenzen die niet (meer) voldoen aan de RBK rapportagegrens-eis. In dit geval wordt factor 0,7 toegepast. De toetsing conform RBK is als volgt: • Gecorrigeerd gehalte is groter dan of gelijk aan de achtergrondwaarde voor grond (of geen achtergrondwaarde voor opgesteld) danwel de streefwaarde voor grondwater, maar wel kleiner dan de RBK rapportagegrens-eis. In dit geval mag worden verondersteld dat het gecorrigeerd gehalte lager is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. • Gecorrigeerd gehalte is groter dan de achtergrondwaarde (of geen achtergrondwaarde voor opgesteld) danwel de streefwaarde voor grondwater, en groter dan de RBK rapportagegrens-eis. Dit kan voorkomen indien sprake is van verhoogde rapportagegrenzen, bijvoorbeeld veroorzaakt door de samenstelling van een monster of storende componenten. Een voorbeeld hiervan zijn sterk humushoudende grondmonsters met een laag droge stofgehalte. Humuszuren kunnen een storende werking geven op de analyseapparatuur, waardoor in het milieulaboratorium wordt verdund en er verhoogde rapportagegrenzen optreden. Het gecorrigeerde gehalte is nu maatgevend en kan de tussenwaarde of interventiewaarde overschrijden. De normen voor barium in grond zijn vanaf 1 april 2009 tijdelijk buiten werking gesteld.
Barium wordt vaak in hoge gehalten aangetroffen. Belangrijke oorzaak daarvoor is dat deze stof van nature voorkomt in de bodem. Het hoge gehalte van barium in de bodem leidt tot stagnatie in het hergebruik van vrijkomende grond en tot meer saneringsgevallen. Nader onderzoek inzake het van nature voorkomen van barium in de Nederlandse bodem, en met name in de toxische variant, is noodzakelijk. In afwachting van dit onderzoek wordt voor barium tijdelijk alleen de interventiewaarde gehanteerd voor die situaties waarin met zekerheid kan worden vastgesteld dat het om een antropogene bodemverontreiniging gaat. De achtergrond- en tussenwaarde voor barium in grond zijn per 1 april 2009 komen te vervallen.
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
19
Besluit bodemkwaliteit Voor de nuttige toepassing van partijen grond buiten de onderzoekslocatie zijn beperkingen verbonden. Voor toepassing van grond buiten de locatiegrenzen in een hoeveelheid groter dan 50 m3 geldt het Besluit bodemkwaliteit. Indien grond vrijkomt is de gemeente waar de grond (nuttig) wordt toegepast bevoegd gezag ten aanzien van de bestemming van de grond. Geadviseerd wordt om eventueel vrijkomende grond binnen de grenzen van de locatie te herschikken. Voor hergebruik van grond binnen de locatie is het Besluit bodemkwaliteit namelijk niet van toepassing. Voor meer informatie omtrent het nuttig toepassen van partijen grond wordt verwezen naar het digitale Meldpunt bodemkwaliteit.
4.6.2
Tijdelijk handelingskader voor PFAS (landelijk beleid)
In juli 2019 is het Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van kracht geworden, vooruitlopend op het definitieve landelijke beleid ten aanzien van PFAS. Per 29 november 2019 is het Tijdelijk handelingskader geactualiseerd. De regelgeving sluit aan bij het Besluit bodemkwaliteit, waarbij voor het toetsen van de toe te passen grond en baggerspecie uitgegaan wordt van de toepassingslocatie. Dit heeft geresulteerd in 11 verschillende categorieën. Een overzicht van de tijdelijke toepassingswaarden4 (oftewel Maximale Waarden) van iedere categorie is opgenomen in bijlage 5, achter de Wbb-normen. Hieronder worden beknopt de meest voorkomende vermeld. Voor toepassing van grond en baggerspecie op de landbodem boven grondwaterniveau (categorie 4.1) dient een dubbele toets te worden gehanteerd. Het betreft een toets van de bodemkwaliteitsklasse én een toets aan de bodemfunctieklasse van de toepassingslocatie, waarbij de strengste van de twee toepassingswaarden geldt. Voor gebieden met de bodemfunctieklasse of bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur is de toepassingswaarde voor PFOS vastgesteld op 0,9 µg/kg ds. Voor de overige PFAS bedraagt de toepassingswaarde 0,8 µg/kg ds. Voor gebieden met de bodemfunctieklasse of bodemkwaliteitsklasse Wonen of industrie is de toepassingswaarde voor PFOA vastgesteld op 7 µg/kg ds.
Voor de overige PFAS bedraagt de toepassingswaarde 3 µg/kg ds. Tot deze toepassingswaarden is de grond of baggerspecie geschikt voor hergebruik. Middels gebiedsspecifiek beleid kunnen voor PFAS afwijkende lokale maximale waarden worden vastgesteld. In het eigen bodembeheersgebied mag bij hogere gemeten achtergrondwaarden, bijvoorbeeld in gebieden met de bodemfunctieklasse Landbouw/natuur, de toepassingswaarden worden verruimd tot ten hoogste 7 µg/kg ds voor PFOA en 3 µg/kg ds voor andere PFAS.
4.6.3
Asbest
Milieuhygiënisch Saneringscriterium Bodem, protocol asbest (zie bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013) Sinds 1 januari 2003 is de interventiewaarde voor asbest in (water)bodem van kracht. De restconcentratienorm voor toepassing van puin(granulaat) is op 1 maart 2003 gelijk gesteld aan deze interventiewaarde. De interventiewaarde voor asbest in bodem en de restconcentratienorm bedraagt 100 mg/kg ds. De gewogen concentratie voor asbest wordt berekend door de concentratie serpentijnasbest te vermeerderen met tienmaal de concentratie ambifoolasbest. Hierbij wordt geen
4
Voorafgaand aan de toetsing dient op de analyseresultaten een bodemtypecorrectie plaats te vinden overeenkomstig de systematiek voor PAK.
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
20
onderscheid gemaakt tussen hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest. Voor het bepalen van de humane risico’s is de hechtgebondenheid wel van belang. Indien de interventiewaarde voor asbest in bodem ((water)bodem, grond en baggerspecie) wordt overschreden en de verontreiniging is ontstaan vóór juli 1993 (historische verontreiniging) is direct sprake van een geval van ernstige verontreiniging. De omvang van de asbestverontreiniging is hierbij niet relevant. Toch is het zinvol om de omvang van de verontreiniging met asbest vast te stellen. Bij een geval van ernstige bodemverontreiniging bestaat een saneringsplicht, zoals bedoeld in de Wet bodembescherming. De terugsaneerwaarde voor asbest in bodem wordt in dergelijke situaties vaak gelijk gesteld aan de interventiewaarde (100 mg/kg ds). Voorafgaand aan een bodemsanering wordt een BUSmelding verricht of een saneringsplan opgesteld. De BUS-melding of het saneringsplan dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Voor het bepalen van de humane risico’s en de spoed van de sanering wordt verwezen naar de Circulaire bodemsanering. Besluit asbestwegen milieubeheer Het is sedert 1 januari 2000, op basis van het Besluit asbestwegen milieubeheer, verboden om een asbesthoudende “weg” voorhanden te hebben. De inspectiedienst van het betreffende ministerie ziet toe op de handhaving van dit Besluit.
Onder “weg” wordt in het Besluit asbestwegen verstaan een (openbare) weg, een (kavel)pad of een functionele erfverharding die bestemd is om door rij- en ander verkeer te worden gebruikt. Wanneer de restconcentratienorm van 100 mg/kg ds in een weg wordt overschreden is de eigenaar verplicht een melding te verrichten bij de Minister en saneringsmaatregelen te treffen om te voorkomen dat gebruikers van die weg aan asbest worden blootgesteld. Deze saneringsmaatregelen kunnen bestaan uit de verwijdering van het asbesthoudende materiaal door een deskundig asbestverwijderingsbedrijf of het afdekken van de weg met asfalt, beton of een aaneengesloten klinkerverharding. Het melden van een asbesthoudende weg kan worden gedaan bij het Meldpunt van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De meldingsplicht geldt ook voor eigenaren die weten of hadden kunnen weten dat zij een asbestbevattende weg voorhanden hebben, waarbij het in beginsel niet relevant is of de betreffende weg (in potentie) onder het saneringsregime van het Besluit asbestwegen valt. Het verbod in het Besluit asbestwegen geldt voor alle asbestwegen in Nederland, uitgezonderd een weg waarvan de eigenaar heeft aangetoond dat de concentratie asbest lager is dan 100 mg/kg ds (gewogen).
Een asbesthoudende weg die voor 1 juli 1993 is aangebracht en wordt afgeschermd door een verhardingslaag die geen asbest bevat, valt evenmin onder het verbod. 4.7
Toetsing analyseresultaten
4.7.1
Grond getoetst aan Wet bodembescherming (Wbb)
Van de geanalyseerde grond(meng)monsters is bekeken of de concentratie van de onderzochte parameters de berekende achtergrondwaarde (AW), de halve som van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde ((AW+I)/2), of de interventiewaarde (I) overschrijdt. In bijlage 6 zijn de oorspronkelijke en gecorrigeerde concentraties opgenomen, waarbij de gecorrigeerde concentraties zijn getoetst aan de achtergrond- en interventiewaarden. In tabel 7 staan de chemische analyseresultaten van de grond(meng)monsters vermeld, indien een norm wordt overschreden.
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
21
Tabel 7.
Overzicht van overschrijdingen van toetsingswaarden grond
(Meng)Boringen monstercode (traject) Verspreid over de locatie
Hoofdbestanddeel/ bijmenging
AW
T
I
Klei/--
kwik, lood, molybdeen, zink, drins (OCB)
-
-
Klei/--
kobalt, zink
-
-
Klei/--
kwik
-
-
Klei/--
cadmium, lood, nikkel, zink, drins (OCB)
-
-
Klei/--
koper, lood, zink, PCB
-
-
Klei/--
nikkel
-
-
-
-
05 (0,00 - 0,20) 06 (0,00 - 0,20) 07 (0,00 - 0,20) 08 (0,00 - 0,20) 09 (0,00 - 0,20) 11 (0,00 - 0,20) 12 (0,00 - 0,20) 05 (0,45 - 0,95) 06 (0,70 - 1,00) 08 (0,45 - 0,95) 09 (0,45 - 0,95) 12 (0,50 - 1,00) 18 (0,50 - 1,00) 19 (0,45 - 0,95) 20 (0,75 - 1,00) 21 (0,50 - 1,00) 22 (0,50 - 1,00) 26 (0,00 - 0,40) 27 (0,00 - 0,40) 28 (0,00 - 0,30) 29 (0,00 - 0,50) 30 (0,00 - 0,40) 31 (0,00 - 0,50) 18 (0,00 - 0,50) 19 (0,00 - 0,40) 20 (0,00 - 0,25) 21 (0,00 - 0,50) 22 (0,00 - 0,50) 41 (0,40 - 0,60) 42 (0,30 - 0,70) 46 (0,65 - 1,25) 47 (0,60 - 1,10)
MM-3
MM-4
MM-6
MM-7
MM-8 MM-9 MM-10
48 (0,16 - 0,28) 48 (0,28 - 0,50)
Klei/sporen puin of sporen kolen
cadmium, koper, lood, zink, PAK, minerale olie
MM-11
55A (0,60 - 1,10) 56 (0,60 - 1,00)
Zand/--
cadmium
-
-
M-12
61 (0,15 - 0,50)
Klei/--
cadmium, kwik, drins (OCB)
-
-
AW T I
achtergrondwaarde-overschrijding (grond) tussenwaarde-overschrijding (1/2 x (AW+I)) interventiewaarde-overschrijding
In bovengrondmengmonsters MM-1, MM-2 en MM-5 zijn geen verhoogde gehalten aangetoond voor de onderzochte stoffen uit het standaard analysepakket en/of OCB. De hoofdzakelijk aangetroffen ketenlengten (fracties C10-C40) en het bijbehorende chromatogram in grondmengmonster MM-10 duiden niet op een specifieke oliesoort. Het licht verhoogde gehalte aan minerale olie is waarschijnlijk te relateren aan de bijmenging aan puin en/of kolen in de bodem. 4.7.2
Toetsing analyseresultaten PFAS in grond aan lokaal en landelijk beleid
De analyseresultaten PFAS (certificaat: 2019193558) zijn opgenomen in bijlage 3. In tabel 8 zijn de resultaten van de PFAS-analyses weergegeven.
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
22
Tabel 8.
Overzicht van gemeten gehalten PFAS (in µg/kg ds)
Mengmonstercode
Boringen (traject)
Hoofdbestanddeel/ bijmenging
Organische stof [% vd ds]
PFOA (som)
PFOS (som)
Overige#
Klei/--
6,7
1,3
0,5
-
Klei/--
6,5
2,3
0,5
-
Klei/--
3,9
1,0
0,1
-
Klei/--
5,9
1,2
0,4
-
Verspreid over de locatie
MM-1
MM-2
MM-4
MM-5
#
:
03 (0,00 - 0,40) 04 (0,00 - 0,25) 13 (0,00 - 0,40) 15 (0,00 - 0,30) 16 (0,00 - 0,30) 52 (0,00 - 0,50) 59 (0,00 - 0,40) 60 (0,00 - 0,40) 32 (0,00 - 0,50) 33 (0,00 - 0,30) 34 (0,00 - 0,30) 35 (0,00 - 0,30) 36 (0,00 - 0,40) 37 (0,00 - 0,40) 38 (0,00 - 0,20) 39 (0,00 - 0,40) 40 (0,00 - 0,40) 05 (0,45 - 0,95) 06 (0,70 - 1,00) 08 (0,45 - 0,95) 09 (0,45 - 0,95) 12 (0,50 - 1,00) 18 (0,50 - 1,00) 19 (0,45 - 0,95) 20 (0,75 - 1,00) 21 (0,50 - 1,00) 22 (0,50 - 1,00) 23 (0,00 - 0,40) 24 (0,00 - 0,50) 25 (0,00 - 0,40)
In totaal zijn 28 verschillende PFAS-componenten onderzocht. De belangrijkste, PFOA en PFOS, staan in bovenstaande tabel vermeld. De overige componenten worden alleen vermeld indien deze boven de detectiegrens uitkomen.
De gehalten voor PFAS in de grond op de locatie liggen volgens het beleid van Omgevingsdienst ZuidHolland Zuid onder de achtergrondbelasting van 2,5 µg/kg ds voor PFOA en 1,0 µg/kg ds voor overige PFAS (inclusief PFOS). De gehalten voor PFAS voldoen aan de toepassingsnormen voor klasse Wonen uit het Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (landelijk beleid). 4.7.3
Grondwater getoetst aan Wet bodembescherming (Wbb)
Van de geanalyseerde grondwatermonsters is bekeken of de concentratie van de onderzochte parameters de streefwaarde (S), de halve som van de streefwaarde en de interventiewaarde ((S+I)/2), of de interventiewaarde (I) overschrijdt. In bijlage 6 zijn de concentraties opgenomen, getoetst aan de streefen interventiewaarden. In tabel 9 staan de chemische analyseresultaten van de grondwatermonsters vermeld, indien een norm wordt overschreden.
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
23
Tabel 9.
Overzicht van overschrijdingen van toetsingswaarden grondwater
Monstercode
Boring (traject)
Hoofdbestanddeel
S
T
I
Verspreid over de locatie peilbuis 07
07 (1,30 - 2,30)
Grondwater
barium, kobalt
-
nikkel
peilbuis 18
18 (2,00 - 3,00)
Grondwater
barium, nikkel
-
-
peilbuis 29
29 (1,50 - 2,50)
Grondwater
-
barium
nikkel
peilbuis 42
42 (1,30 - 2,30)
Grondwater
barium
-
-
peilbuis 52
52 (1,50 - 2,50)
Grondwater
barium
-
-
S T I
streefwaarde-overschrijding (grondwater) tussenwaarde-overschrijding (1/2 x (S+I)) interventiewaarde-overschrijding
4.7.4
Toetsing analyseresultaten PFAS in grondwater aan lokaal beleid
De analyseresultaten PFAS (certificaat: 2019195052) zijn opgenomen in bijlage 3. In tabel 10 zijn de resultaten van de PFAS-analyses weergegeven. Tabel 10.
Overzicht van gemeten gehalten PFAS (in µg/l)
Monstercod Boring e (traject) Verspreid over de locatie
#
:
d.g.:
Hoofdbestanddeel
PFOA (som)
PFOS (som)
Overige#
peilbuis 07
07 (1,30 - 2,30)
Grondwater
< d.g.
< d.g.
-
peilbuis 18
18 (2,00 - 3,00)
Grondwater
< d.g.
< d.g.
-
peilbuis 29
29 (1,50 - 2,50)
Grondwater
< d.g.
< d.g.
PFBA=0,05
peilbuis 52
52 (1,50 - 2,50)
Grondwater
0,04
0,03
PFBA=0,07
In totaal zijn 38 verschillende PFAS-componenten onderzocht. De belangrijkste, PFOA en PFOS, staan in bovenstaande tabel vermeld. De overige componenten worden alleen vermeld indien deze boven de detectiegrens uitkomen. In onderhavig geval betreft het dus PFBA in het grondwater van peilbuizen 29 en 52. = detectiegrens
De gemeten gehalten zijn handmatig getoetst aan de maximaal acceptabele grondwaterconcentratie voor de pluimzone PFOA van 0,39 µg/l. Deze toetsingswaarde is afkomstig uit de herziene handreiking voor toepassing van PFOA houdende grond van Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. De maximaal acceptabele concentratie is gelijk aan de risicogrenswaarde voor het levenslang dagelijks drinken van 2 liter ongezuiverd grondwater, opgesteld door het RIVM. Uit de handmatige toetsing blijkt dat het gehalte aan PFOA in het grondwater uit peilbuis 52 lager is dan de maximaal acceptabele grondwaterconcentratie voor de pluimzone van 0,39 µg/l. In het grondwater van de overige peilbuizen zijn geen gehalten aan PFOA boven de detectiegrens aangetoond. Voor de PFOS en de overige PFAS in het grondwater zijn geen toetsingswaarden bekend. 4.7.5
Asbest
In de grove bodemfractie (>20 mm) ter plaatse van alle uitgevoerde inspectiegaten IG01 t/m IG08 zijn geen stukjes asbestverdacht materiaal aangetroffen.
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
24
Asbestconcentratie in geanalyseerde fijne fractie Van de geanalyseerde fijne fractie (<20 mm) van de in het veld samengestelde mengmonsters ter plaatse van inspectiegaten IG01 t/m IG08 (grond) en boringen 44 t/m 47 (puin) is bekeken of de gewogen concentratie asbest de tussenwaarde (1/2 x interventiewaarde) of de interventiewaarde danwel restconcentratienorm (100 mg/kg ds) overschrijdt. Een overzicht van de resultaten van de geanalyseerde mengmonsters is aangegeven in tabel 11. In bijlage 4 zijn de analysecertificaten van de onderzochte mengmonsters opgenomen. Tabel 11.
Gewogen asbestgehalte in fijne fractie
Mengmonstercode
Concentratie serpentijnasbest [mg/kgds]
Concentratie amfiboolasbest [mg/kgds]
Gewogen asbestconcentratie C) [mg/kgds]
Hechtgebonden (Ja/Nee/n.v.t.)
Overschrijding toetsingswaarde voor asbest
Indicatief asbestonderzoek in de bodem IG01 (0-2) <0,5 0,0 <0,5 n.v.t. IG02 (0-10) <0,4 0,0 <0,4 n.v.t. IG03-04 (0-10) <0,5 0,0 <0,5 n.v.t. IG05-07 (0-10) <0,4 0,0 <0,4 n.v.t. IG08 (8-18) <0,4 0,0 <0,4 n.v.t. MM A1 <1,4 0,0 <1,4 n.v.t. C) sommatie van de concentratie serpentijnasbest vermeerderd met tienmaal de concentratie amfiboolasbest <1/2 I de gewogen concentratie is lager dan het toetsingscriterium voor nader proefsleuvenonderzoek n.v.t. niet van toepassing
<1/2 I <1/2 I <1/2 I <1/2 I <1/2 I <1/2 I
Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek in de bodem, Rijksstraatweg 42B te Hendrik-Ido-Ambacht Rapportnr.: AT19232, januari 2020
25
5. INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN EN CONCLUSIE 5.1
Interpretatie onderzoeksresultaten
Verspreid over de locatie Ter plaatse van de centrale slootdemping tussen kas 1 en 2 bestaat de ondergrond van 0,6 m -mv tot circa 1,5 m -mv uit zand met daaronder veen. Dit dempingsmateriaal is apart onderzocht. Ter plaatse van de overige slootdempingen en de voormalige dam is zintuiglijk geen bodemvreemd materiaal of afwijkend dempingsmateriaal aangetroffen. Het bodemprofiel komt overeen met de bodemopbouw elders op de locatie. Waarschijnlijk zijn deze voormalige sloten gedempt met gebiedseigen grond. Hierdoor zijn de verkregen grondmonsters aldaar gebruikt ter bepaling van de algemene bodemkwaliteit. In de zintuiglijk schone kleiige bovengrondmengmonsters MM-1 (0,0-0,5 m -mv) en MM-2 (0,0-0,5 m -mv) ter plaatse van de diverse grasvelden op de locatie zijn geen verhoogde gehalten aangetoond voor de onderzochte stoffen uit het standaard analysepakket. Wel zijn hier gehalten aan PFOA en PFOS gemeten boven de detectiegrens, maar onder de lokale achtergrondbelasting (beleid Omgevingsdienst ZuidHolland Zuid). Het bovengrondmengmonster ter plaatse van kas 1, bestaande uit zintuiglijk schone klei, bevat licht verhoogde gehalten voor kwik, lood, molybdeen en zink (MM-3; 0,0-0,2 m -mv). Verder zijn in dit bovengrondmengmonster verhoogde gehalten voor drins (OCB) aangetoond.
In het zintuiglijk schone kleiige ondergrondmengmonster MM-4 (0,45-1,0 m -mv) ter plaatse van kas 1 en kas 3 zijn licht verhoogde gehalten aangetoond voor kobalt en zink. Van de stoffen PFOA en PFOS zijn gehalten gemeten boven de detectiegrens, maar onder de lokale achtergrondbelasting. De zintuiglijk schone kleiige bovengrond ter plaatse van het noordelijk deel van kas 2 bevat geen verhoogde gehalten voor de stoffen uit het standaard analysepakket en OCB (MM-5; 0,0-0,5 m -mv) . Wel zijn hier gehalten aan PFOA en PFOS waargenomen boven de detectiegrens, maar onder de lokale achtergrondbelasting. Het zintuiglijk schone kleiige bovengrondmengmonster MM-6 (0,0-0,5 m -mv) ter plaatse van het centrale en zuidelijke deel van kas 2 bevat alleen een licht verhoogd gehalte aan kwik. In dit bovengrondmengmonster zijn geen verhoogde gehalten voor OCB aangetoond. In bovengrondmengmonster MM-7 (0,0-0,5 m -mv) ter plaatse van kas 3, bestaande uit zintuiglijk schone klei, zijn licht verhoogde waarden voor cadmium, lood, nikkel, zink en drins gemeten. Het zintuiglijk schone kleiige ondergrondmengmonster onder de klinkerverharding met repacfundering op het centrale deel van de locatie bevat licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen en PCB (MM-8; 0,3-0,7 m -mv).
In de zintuiglijk schone kleiige ondergrond onder de slakkenfundering van het geasfalteerde toegangspad is alleen een licht verhoogd gehalte voor nikkel aangetoond (MM-9; 0,6-1,25 m -mv). Het kleiige grondmengmonster MM-10 (0,16-0,5 m -mv) met sporen puin en kolen, onder de betonnen vloer van de schuur van kas 3, bevat licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en minerale olie.