CConstaterende datHendrik-Ido-Ambacht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 bij raadsvoorstel 7.3 - Memorie van toelichting GR def

commissie ABA-Financiën openbaar 17 november 2021, gemeente Hendrik-Ido-AmbachtBij agendapunt: Wijzigingsbesluit GR Drechtsteden14.736 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Gemeenschappelijke Regeling Sociaal

Lokale sturing en regie, samen één sterk en sociaal Drechtsteden

Memorie van toelichting op de Gemeenschappelijke regeling Sociaal

30-08-2021

2

Memorie van toelichting op de Gemeenschappelijke regeling Sociaal

Inhoud 1

Inleiding...............................................................................................................................3

2

Achtergronden.....................................................................................................................3

3

Uitgangspunten van de Gemeenschappelijke regeling Sociaal..........................................6

4

Gemeenschappelijke regeling Sociaal: gemaakte keuzes..................................................7

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen (artkelen 1 tot en met 4)...................................................7 Hoofdstuk 2 Taken (artkelen 5 en 6).........................................................................................8 Hoofdstuk 3 Algemeen bestuur (artkelen 7 tot en met 11)....................................................13 Hoofdstuk 4 Dagelijks bestuur (artkelen 12 tot en met 15)....................................................16 Hoofdstuk 5 De voorziter (artkel 16)......................................................................................18 Hoofdstuk 6 Betrekken van raden, ingezetenen en belanghebbenden...................................18 Hoofdstuk 7 Verantwoording (artkelen 19-21).......................................................................19 Hoofdstuk 8 Secretaris / organisate (artkelen 22-23)............................................................20 Hoofdstuk 9 Financiën (artkelen 24-33)..................................................................................20 Hoofdstuk 10 Toetreding, uitreding, wijziging en ophefng (artkelen 34-42).......................25 Hoofdstuk 11 Slotbepalingen (artkelen 43-49)........................................................................28 Bijlage 1 Spelregels maatwerk en feeibiliteit...........................................................................29

3

1

Inleiding

Bijgevoegd tref u de memorie van toelichtng van de gemeenschappelijke regeling Sociaal aan. De gemeenschappelijke regeling biedt een juridisch kader waarin organisate en procedureregels voor de regionale samenwerking in de Drechtsteden op het sociaal domein worden vastgelegd. Ten behoeve van de gemeenschappelijke regeling zijn keuzes gemaakt. In de memorie worden deze keuzes toegelicht en verantwoord. Hoofdstuk 2 beschrijf de achtergrond van de gemeenschappelijke regeling Sociaal, waarna belangrijke uitgangspunten die aan de gemaakte keuzes ten grondslag liggen worden beschreven in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 gaat tot slot artkelsgewijs in op de gemaakte keuzes in de regeling. Niet elk artkel wordt uitvoerig behandeling in hoofdstuk 4. Alleen daar waar dat van belang is, zijn de artkelen geduid en toegelicht.

2

Achtergronden

Het speelveld van het sociaal domein is in beweging Het speelveld van het Sociaal Domein is in beweging. Niet alleen in de Drechtsteden en ZuidHolland Zuid, maar ook landelijk wordt nagedacht over stappen die gezet moeten worden om duurzaam grip te krijgen op de stjgende zorgvraag en daarmee gepaard gaande kosten. Gemeenten denken na over de toekomst van het Sociaal Domein en over (regionale) samenwerking. De gemeenten in de Drechtsteden hebben de taken in het Sociaal Domein op verschillende schaalniveaus georganiseerd: lokaal, met een paar gemeenten samen en in de Drechtsteden en Zuid-Holland Zuid via gemeenschappelijke regelingen (verbonden partjen). Voor de taken die bij de gemeenschappelijke regelingen zijn belegd vindt nu getrapte besluitvorming plaats en daardoor zijn integrale kaders voor raden moeilijk te stellen. Dit leidt ertoe dat alle gemeenten (klein, groot, arm, rijk) spanning ervaren met het beoogde doel van de 3D's (nabije sturing). Colleges en gemeenteraden ervaren daarbij dat zij onvoldoende kunnen sturen en posite kunnen nemen op de beoogde doelen in het sociaal domein (integrale aanpak binnen de gedecentraliseerde weten: Jeugdhulp, Wet Maatschappelijke Ondersteuning, Partcipatewet).

Gemeenteraden weer in positie om kaders te stellen De maatschappelijke opgaven waar we voor staan vragen om een sterke lokale sociale infrastructuur, lokale beleidsruimte en om een krachtge regionale samenwerking waarin maatwerk mogelijk is. Die lokale infrastructuur en regionale samenwerking moeten goed op elkaar aansluiten. Zoals gezegd is de manier waarop de gemeenten in de Drechtsteden het Sociaal Domein hebben georganiseerd complee, waardoor gemeenteraden onvoldoende in posite zijn om lokaal de inhoudelijke en inanciële kaders te stellen. Die compleeiteit leidde tot een roep om optmalisate van maatwerk tussen lokale en regionale dienstverlening aan inwoners. Zij kennen immers maar één overheid, niet meerdere. Zeker wanneer inwoners (of het huishouden waarvan zij onderdeel uitmaken) ondersteuningsbehoefen hebben op meerdere levensdomeinen is het van belang dat zij op één plek, dichtbij huis en op basis van een integrale aanpak worden ondersteund door de overheid.

4

Kortom, de lokale gemeenteraden moeten weer in de posite komen om de inanciële en beleidsmatge kaders in het sociaal domein vast te stellen en de integrale afweging te maken over de schaarste en aanpak.

Naast inwoners staan Maar de behoefe aan meer grip en sturing zijn niet de enige aanleiding om na te denken over de toekomst van het sociaal domein. We willen inwoners echt centraal te stellen in de lokale en regionale aanpak en dienstverlening: we willen naast hen staan. Daarvoor is het noodzakelijk dat het primaat van het sociaal domein weer lokaal komt te liggen (we zijn ervan) en dat we de kracht van de samenwerking versterken waar het de inwoners ten goede komt (we doen het samen). Met het primaat lokaal wordt bedoeld dat de lokale raden gaan over het stellen van de beleidsmatge en inanciële kaders van verschillende regelingen. Iedere individuele gemeente draagt daarbij de verantwoordelijkheid voor het verlenen van integrale hulp aan inwoners. Om die reden hebben in 2020 drie bestuurlijke conferentes plaatsvonden waarin deze vraagstukken zijn verkend. Leidend tjdens deze conferentes was de vraag “Hoe kunnen we bouwen aan een feeibele en efecteve regionale samenwerking die past bij onze opgaven en deze tjdgeest?” We behouden daarbij wat goed gaat. We intensiveren en verbeteren de samenwerking om er voor te zorgen dat deze toekomstbestendig is. Daarmee wordt de samenwerking efectever: “We zijn ervan en doen het samen!” De omvorming naar een nieuwe samenwerkingsvorm is daarmee veel meer dan een herijking van de huidige afspraken.

Het is meer dan het weer lokaal beleggen van de inanciële en beleidsmatge kaders en de bijbehorende verordeningen. Een vernieuwde regionale samenwerking biedt kansen en voordelen voor de toekomst. Nieuw sturingsmodel Vanuit gezamenlijk eigenaarschap hebben de zeven colleges van burgemeesters en wethouders eind oktober 2020 tjdens de derde collegeconferente een principebesluit geformuleerd, die door de zeven gemeenteraden begin 2021 is vastgesteld. Dit besluit is richtnggevend voor de uitwerking zoals deze in de GR tekst een plek heef gekregen: De huidige Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden voor het onderdeel Sociale Dienst Drechtsteden wordt omgevormd naar een klassieke Gemeenschappelijke Regeling (GR) met een algemeen en dagelijks Bestuur. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten benoemd (geciteerd uit het principebesluit):  Robuust pakket van gezamenlijke diensten.  Maatwerk meer dan nu mogelijk; eventuele meerkosten hiervan wel altjd voor de afnemer, ook voor wat betref investering in lokale ambtelijke capaciteit.  Beleid hieromtrent wordt in de GR opgesteld en uitgevoerd, waarbij het lokaal primaat het startpunt is.

 Bij besluiten streven naar consensus, maar indien er toch wordt gestemd moet er rekening worden gehouden enerzijds met belangen langs de lijnen van inwonersaantal/ inanciële bijdrage en anderzijds moet voorkomen worden dat er volledige overheersing is door ‘stedelijk gebied’ of ‘poldergebied’.

5

Een klassieke gemeenschappelijke regeling met een algemeen en dagelijks bestuur voldoet goed aan de uitgangspunten die hierboven zijn benoemd en aan de behoefe om de beleidsmatge en inanciële kaders weer lokaal stellen. Bij de omvorming van de huidige GR (voor het onderdeel SDD) naar een klassieke GR wordt voor zowel gemeenten als SDD het contact intensiever, waarbij cocreate een sleutelwoord is. De uitdaging is en blijf om ook in de nieuwe structuur te komen tot compleeiteitsreducte. Niet alleen wendbaarheid speelt een rol, het gaat ook om werkbaarheid voor alle organisates die betrokken zijn.

Integrale aanpak voor iedereen die dat nodig heeft “Iedereen een zelfstandig en volwaardig bestaan, waarbij alle inwoners van de Drechtsteden zelfstandig en volwaardig kunnen leven, werken, wonen en meedoen. Waar dat niet lukt, helpen we die mogelijkheden vergroten.” Op basis van deze visie wordt sinds 2019 binnen het sociaal domein in de Drechtsteden samengewerkt aan drie maatschappelijke opgaven die de basis vormen voor ons handelen:  Opgave 1. Bestaanszekerheid versterken: we bieden perspectef, rust en mentale ruimte. Vanuit onze rol zeten we maeimaal in op het voorkomen en doorbreken van inkomensonzekerheid, armoede en schulden.  Opgave 2. Ontwikkelen naar werk: we bieden toekomstperspectef door ons in te zeten voor betaald werk voor iedereen die kan werken.  Opgave 3. Zorgen voor ondersteuning: we organiseren (toegang tot) maatwerkvoorzieningen en bieden andere vormen van ondersteuning. Zo dragen we eraan bij dat mensen passend wonen en actef meedoen in de samenleving. Deze visie en opgaven blijven onverminderd van kracht in de nieuwe gemeenschappelijke regeling Sociaal. Wel is er een wens om deze gezamenlijke visie verder uit te werken en uit te diepen.

Onderwerpen als een integrale aanpak (en weging) voor inwoners die dat nodig hebben en de ontschotng die daarvoor nodig is, aansluitng tussen lokale en regionale dienstverlening en lokale inkleuring, de samenwerking met (lokale) maatschappelijke partners en maatwerk heef daarin een plek. Ook de verbinding tussen Sociaal, Wonen, de Groeiagenda en Economie is meegenomen. Zo werken we samen aan een mensgericht, doelmatg en efectef sociaal beleid dat voor inwoners het meeste efect heef en past bij de lokale behoefen. Principe van één overheid Er is een sterke behoefe aan duidelijkheid en verbinding tussen het regionale en lokale sociaal domein. Zowel voor inwoners als voor maatschappelijke instantes. Om inwoners zo goed mogelijk te helpen en ieders verantwoordelijkheden optmaal uit te voeren, wordt de samenwerking opgebouwd vanuit de inwoner, die centraal staat in de keuzes en het handelen. Goed vindbare ondersteuning en informate, zonder schoten en met een integrale denk- en werkwijze. Toegang afgestemd op de vraag en behoefe van de inwoner, dichtbij huis, is in deze verbinding een belangrijke eis. Daarbij zijn integraliteit, laagdrempeligheid, aansluitng op behoefen van de inwoners en goede samenwerking de randvoorwaarden. Als er meerdere problemen zijn rond een persoon, gezin of huishouden spelen, is samenwerking met en tussen partjen essenteel.

Daarbij staat het gezamenlijk doel centraal. Met partjen worden niet alleen gemeenten en SDD bedoeld. Ook de jeugdteams, SOJ, DG&J, Drechtwerk en allerlei (lokale) maatschappelijke partners zijn onderdeel van die 6

samenwerking. Zo wordt er een keten aan voorzieningen gecreëerd die hard nodig is om de inwoners elke dag te kunnen ondersteunen en daarmee de publieke waarde voor de inwoners, de gemeenten en de regio te creëren. Op- en afschalen zijn onlosmakelijk onderdeel van dit netwerk en het simpel switchen tussen voorzieningen moet makkelijker mogelijk zijn. De nieuwe manier van samenwerken die in de GR tekst is verankerd maakt dit beter mogelijk, waarbij dit per gemeente kan verschillen, doordat invulling hiervan per gemeente anders is. De inwoner moet enerzijds geen last hebben van verschillende loketen, instantes of opdrachten en anderzijds maar één keer hun verhaal doen en één keer gegevens aanleveren.

7

3 Uitgangspunten van de Gemeenschappelijke regeling Sociaal Samenwerken en consensus is het streven Samenwerken en consensus is het streven in de regio. En dus de bereidheid om besluiten in collectviteit te nemen. Dat begint bij het goede gesprek op inhoud, luisteren naar elkaars argumenten en er met elkaar daadwerkelijk uit willen komen. Toch kan stemmen onvermijdelijk zijn als er op basis van argumenten en gesprek niet tot overeenstemming wordt gekomen. Het is dus niet het startpunt voor de samenwerking in het vernieuwde Algemeen Bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling (AB), maar eerder het eindpunt. Het is de ambite om er met zijn zevenen uit te komen, rekening houdend met elkaars standpunten, wensen en (on)mogelijkheden. Kernboodschap van de samenwerking in het sociaal domein Lokale sturing en regie, samen één sterk en sociaal Drechtsteden is de kern van de vernieuwde samenwerking in de regio én de gemeenschappelijke regeling Sociaal. Centraal daarin staat:

Principebesluit Bij het schrijven van de gemeenschappelijke regeling Sociaal heef het principebesluit als basis gediend. Op basis van dit besluit zijn de volgende leidende principes gebruikt bij de verdeling van de taken lokaal én regionaal. Ze komen voort uit het principebesluit, ambtelijke en bestuurlijke gesprekken. De keuze waar bevoegdheden en verantwoordelijkheden te beleggen moet voldoen aan de uitgangspunten in het principebesluit enerzijds en de input uit het bestuurlijke traject anderzijds. Uitvoerbaarheid speelt daarbij uiteraard een rol. De belangrijkste principes zijn:  Eenduidig robuust pakket van gezamenlijke diensten zodat regionale slag- en eeecutekracht, wendbaarheid en professionele handelingsruimte behouden blijven.  Beleid hieromtrent wordt in de GR, in co-creatie met gemeenten, opgesteld en uitgevoerd, waarbij het lokaal primaat het startpunt is;  Maatwerk meer dan nu mogelijk; eventuele meerkosten hiervan wel altjd voor de afnemer, ook voor wat betref investering in lokale ambtelijke capaciteit. 8

Rekening houden met de landelijke ontwikkelingen waar noodzakelijk in de verdeling van taken.

4 Gemeenschappelijke regeling Sociaal: gemaakte keuzes De Gemeenschappelijke regeling Sociaal kent de volgende onderdelen en hoofdstukken:  Overwegingen en besluit  Algemene bepalingen (artkelen 1 - 4)  Taken (artkelen 5 en 6)  Algemeen Bestuur (artkelen 7 – 11)  Dagelijks Bestuur (artkelen 12 – 15)  De voorziter (artkel 16)  Betrekken van raden, ingezetenen en belanghebbenden (artkelen 17 en 18)  Verantwoording (artkelen 19 -21)  Secretaris en organisate (artkelen 22 en 23)  Financiën (artkelen 24-33)  Toetreding, uitreding, wijziging en ophefng (artkelen 34-42)  Slotbepalingen (artkelen 43-49) Overwegingen en besluit De gemeenschappelijke regeling Sociaal is geen nieuwe regeling. De bestaande regeling Drechtsteden is de basis, deze is aangepast naar de vernieuwde vorm van samenwerking in de regio voor wat betref het sociaal domein. Huidig takenpakket, personeel en daaraan verbonden risico’s en verplichtngen zijn dus het startpunt. Het is daarmee een wijziging van het bestaande. De GR Drechtsteden is een regeling van de colleges, burgemeesters en gemeenteraden. De GR Sociaal is een regeling van alleen de colleges. Dat betekent dat de burgemeesters en raden uit de regeling treden. Op grond van artkel 1, tweede lid Wet gemeenschappelijke regelingen geven de raden vervolgens toestemming aan de colleges voor het wijzigen van de GR Drechtsteden.

In de volgorde van besluitvorming stellen de colleges daarna een integrale nieuwe tekst van de GR Sociaal vast. In de overwegingen van de GR tekst Sociaal komen verder belangrijke punten als het contnu veranderende domein, de wens tot samenwerken en de benodigde feeibiliteit en maatwerk in die samenwerking alsmede de benodigde regionale robuustheid tot uitdrukking. Op de volgende bladzijden volgt een uitgebreide artkelsgewijze toelichtng.

9

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen (artikelen 1 tot en met 4) Artikel 1 Begripsbepalingen In artkel 1 worden bepaalde, regelmatg terugkerende begrippen in de tekst toegelicht. Artikel 2 Openbaar lichaam In dit artkel wordt het openbaar lichaam ingesteld. Een openbaar lichaam heef rechtspersoonlijkheid, hetgeen betekent dat het bestuur rechtshandelingen kan verrichten. Zo kan een openbaar lichaam personeel in dienst hebben en overeenkomsten aangaan. Gemeenten delen de intente om aandacht te besteden aan het toekomstge perspectef van uitbreiding en toetreding van andere gemeenten of onderdelen. Er is daarom bewust gekozen om de GR de naam GR Sociaal te geven (zonder Drechtsteden), zodat andere gemeenten of andere publiekrechtelijke lichamen ‘makkelijker’ kunnen instappen.

Doel en belangen (artikel 3) Artikel 3 Doel en belangen Op grond van artkel 10, eerste lid Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) vermeldt de regeling het doel en de belangen waarvoor de regeling in ingesteld. In artkel 3 wordt het doel van deze regeling nader geduid én afgebakend. De regionale samenwerking in het sociaal domein is geen doel op zich, maar is nodig voor een efecteve aanpak van lokale en regionale opgaven in dit domein. Artkel 3 regelt de doelstelling van de samenwerking. Ter verwezenlijking van deze doelstelling wordt door de GR Sociaal een aantal regionale belangen behartgd. De te behartgen belangen worden verbijzonderd in concrete taken en (over te dragen) bevoegdheden. Dat gebeurt in artkel 4 en vervolgens concreter uitgewerkt in artkel 5. Er is gekozen voor de afakening “sociaal domein”, zodat ook dit breed de lading dekt. In de eerste plaats kan op deze manier invulling worden gegeven aan de afspraak om in de toekomst de gemeenschappelijke regeling Drechtwerk en de GR Sociaal samen te voegen. In de tweede plaats biedt een dergelijke passage ruimte en mogelijkheden voor de toekomst om te bezien in hoeverre ook een andere regeling aangesloten kan worden.

Artikel 4 rrondslagen In artkel 4 wordt de basis gelegd voor het overdragen (delegate) van taken en het opdragen (mandatering en volmacht) van taken, een vereiste die volgt uit het feit dat de GR Sociaal een openbaar lichaam is en voortkomt uit artkel 10 van de Wgr. Ook wordt de basis gelegd voor het aangaan van een dienstverleningsovereenkomst (DVO) voor andere organisates, zonder dat zij direct tot de GR toetreden. Het maakt het daarmee mogelijk om taken uit te voeren voor organisates, zonder dat zij direct deelnemer zijn. Het laatste lid van artkel 4 geef wel aan dat dit alleen kan onder voorwaarden die het AB van de gemeenschappelijke regeling Sociaal bepaalt. Artkel 4 biedt een basis om taken voor andere organisates, meest waarschijnlijk gemeenten, uit te voeren, zonder dat die per sé deelnemer moeten worden in de GR en dus ook een plek krijgen in het bestuur. Stel dat een niet deelnemende gemeente een onderdeel van hun sociaal beleid door de GRS wil laten uitvoeren op basis van een Dienstverleningsovereenkomst, zonder meteen deelnemer te worden, dan kan dat op basis van dit lid. Het AB spreekt daarvoor de voorwaarden af. 10

Tevens regelt artkel 4 zoals gezegd de basis voor het overdragen (delegate) van taken en het opdragen (mandatering en volmacht) van taken. Daarbij is van belang om te besefen dat alle gezamenlijke afspraken van de zeven gemeenten worden vastgelegd in de GR op een eenduidige en overzichtelijke manier. Dit gemeenschappelijke takenpakket vormt de kern van de gemeenschappelijke regeling en de samenwerking onderling. Alleen het noodzakelijke is vastgelegd, onnodige details worden vermeden. Als slechts enkele van de deelnemende gemeenten een afspraak over de uitvoering van aanvullende taken met de GR Sociaal willen maken is dit niet opgenomen in de tekst van de GR, maar wordt dit in een aparte DVO afgesproken (artkel 4, lid 1 onder c). Hoofdstuk 2 Taken (artikelen 5 en 6) Artikel 5 aaken Voor de verdeling van taken wordt onderscheid gemaakt in delegate en mandatering. Onder delegatie wordt verstaan: het door een bestuursorgaan overdragen van zijn bevoegdheid besluiten te nemen aan een ander, die deze onder eigen verantwoordelijkheid gaat uitoefenen (artkel 10:13 Awb). Eepliciet kenmerk van delegate is dus dat de verantwoordelijkheid voor de uitoefening overgaat van het bestuursorgaan dat de bevoegdheid delegeert (het college van burgemeester en wethouders) naar het bestuursorgaan dat de bevoegdheid gedelegeerd krijgt (het bestuur van de GR).

De Wet gemeenschappelijke regelingen kent daarvoor eigen verantwoordingsregels. Het college is dus niet langer verantwoordelijk voor de taakuitoefening, maar blijf natuurlijk wél volledig verantwoordelijk voor de delegate en het al dan niet intrekken van de delegate. Onder mandaat wordt verstaan de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen (artkel 10:1 Awb). Anders dan bij delegate, blijf bij mandaat de mandaatgever (het college van burgemeester en wethouders) verantwoordelijk en worden besluiten aan hem toegerekend. Dat betekent dat het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk blijf voor de uitoefening van de bevoegdheden door ambtenaren van de sociale dienst. Dat vraagt meer van het opdrachtgeverschap en de lokale gemeentelijke capaciteit. Het college blijf dus geheel verantwoordelijk voor de taakuitoefening. Afhankelijk van de te maken keuzes in delegate en mandaat op de nadere regels 1 en de uitvoering kan de verantwoordelijkheid (op onderdelen) lokaal en/of regionaal liggen. Bij delegate is formele sturing op casusniveau uitgesloten, bij mandaat kan dit wel én kan het college zelf de bevoegdheid uitoefenen. Opgemerkt wordt verder dat het kaderstellend beleid, door de keuze voor een collegeregeling, altjd lokaal belegd is. Nadere regels kunnen enkel gedelegeerd worden en niet gemandateerd.

Het is mogelijk om verschil aan te brengen tussen delegate en mandaat per bevoegdheid, per wet en per taak én vervolgens ook per gemeente te maken. Dat zou echter strijdig zijn met de uitgangspunten van het principebesluit (zoals robuustheid). In artkel 5, lid 1 zijn er daarom daarin geen verschillen tussen gemeenten opgenomen. De verdeling van taken zoals 1 Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschrifen ter uitwerking van onderdelen van de verordening. Zaken die in de verordening op hoofdlijnen zijn benoemd, kunnen worden uitgewerkt in nadere regels.

11

deze zijn opgenomen in artkel 5 van de GR tekst, bieden voldoende lokale ruimte enerzijds en voldoende robuustheid regionaal anderzijds. Het is een gebalanceerde mie van onderwerpen waarvoor de verantwoordelijkheid lokaal blijf en waar die bij de gemeenschappelijke regeling komt te liggen. Het is in het licht van de vernieuwde regels belangrijk te besefen dat de GR Sociaal niet een GR is die vanaf nul wordt opgebouwd. De bestaande Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden is omgebouwd. Dat betekent ook dat elke wijziging in taken en bevoegdheden afspraken met zich meebrengen over mogelijke meer- of minderkosten. Of iets uitreden of een beperking in de afname van diensten, taken of bevoegdheden is of dat er sprake is van maatwerk, maakt voor het feit dat er afspraken gemaakt moeten worden over kosten niet uit. Door vroegtjdig te melden dat er andere behoefen zijn kunnen vraagverhelderingsgesprekken plaatsvinden tussen de vragende gemeente(n) en GR. Zo wordt informate en kennis gedeeld en wordt met elkaar aangescherpt wat de eventuele consequentes zijn van de vraag. Als de wens is om bepaalde taken niet meer af te nemen in de toekomst, kunnen door deze tjdige melding, gesprekken en afspraken de kosten (zeer) beperkt blijven. Het valt of staat met transparante, een gedegen proces en samenwerking.

Als deelnemer in de GR is ook elke gemeente eigenaar en verantwoordelijk voor de consequentes van bepaalde keuzes en besluiten. Of en wanneer er sprake is van wijzigen of uitreden wordt toegelicht bij hoofdstuk 10. Tot slot wordt in artkel 5, lid 6 voor Hardineveld Giessendam een uitzondering gemaakt voor deelname aan hetgeen in het artkel onder “sociale werkvoorziening” is opgenomen. Deze uitzondering bestond al in de GR Drechtsteden en is overgenomen in de GR Sociaal. De uitzondering is gebaseerd op artkel 11 van de Wgr. Een en ander komt voort uit het in 2015 genomen besluit van Hardineveld Giessendam dat bij de toetreding tot de GRD de sociale werkvoorziening niet wordt ondergebracht bij de samenwerking in de Drechtsteden. Indien Hardineveld-Giessendam in de toekomst toch wil gaan deelnemen aan de taken rondom de Sociale Werkvoorziening dienen zij dit tjdig kenbaar te maken. Het algemeen bestuur kan hier voorwaarden aan verbinden. Qua voorwaarden kan gedacht worden aan de ingangsdatum, implementatekosten, de wijze van overdracht klanten. Maatwerk in de nieuwe GR Sociaal Artkel 5, leden 3 en 4 geven de basis en kern weer van de ruimte voor feeibiliteit en maatwerk. Maatwerk is één van de sleutelbegrippen in de vernieuwde samenwerking.

Door de behoefe aan maatwerk, zal de samenwerking zo ingericht moeten zijn dat dit maatwerk makkelijker mogelijk is in de toekomst en uitvoerbaarheid meegenomen wordt en robuustheid niet verloren gaat. Er zijn verschillende soorten maatwerk, namelijk maatwerk op individueel klantniveau, maatwerk in de gezamenlijke afspraken op beleid en uitvoering en maatwerk in de vorm van aanvullende afspraken boven op de gezamenlijke afspraken met consequentes op de bedrijfsvoering. Het bieden van maatwerk vraagt enerzijds om feeibiliteit in verband met toekomstge keuzes en anderzijds een goed proces van samenwerking in zowel de beleidsontwikkeling als uitvoering. Voorkomen moet worden dat er een vorm van cherry12

picking ontstaat. De deelnemende gemeenten dragen de lusten én lasten van de regionale samenwerking. In het proces tot vorming van regionaal beleid zal in elk geval duidelijk gemaakt moeten worden waar ruimte is voor lokaal maatwerk of lokaal andere invullingen. Naast maatwerk wordt ook naar meer experimenteerruimte en innovatiekracht gezocht om het voor de inwoners beter te maken en om het sociaal domein in de toekomst betaalbaar te kunnen houden. Met eeperimenten kan ontdekt worden wat wel en niet werkt. Eeperimenten kunnen gepositoneerd worden als de opte maatwerk via een DVO. Op basis van de contouren en de input van de gemeenten zijn de spelregels feeibiliteit en maatwerk uitgewerkt. In het traject bij de totstandkoming van het wijzigingsbesluit hebben meerdere gemeenten aangegeven dat zij behoefe hebben aan een duidelijk kader. Deze tref u in bijlage 1 aan bij deze memorie aan. Uitvoeringstoets In artkel 5, leden 3 en 4 is een uitvoeringstoets door de GR Sociaal opgenomen. Eventuele verschillen in verordeningen, andere algemeen verbindende voorschrifen en beleidsregels die aansluiten op lokale wensen en behoefen worden op die manier uitgewerkt.

Met een uitvoeringstoets wordt in beeld gebracht wat de gevolgen zijn van de keuze (voor maatwerk) op de bedrijfsvoering, de efecten op de inwoners die met de maatwerkvraag geraakt worden (bv armoedeval of juist een hoger besteedbaar inkomen) en eventueel de efecten voor de andere gemeenten. De vragende gemeente(n) heef zelf uiteraard ook een doel en een beoogd maatschappelijk efect. Zij worden gevraagd dit te duiden bij de maatwerkvraag, zodat dit ook aan de toets toegevoegd kan worden. Er wordt ook aandacht besteed aan mogelijk overgangsrecht voor inwoners en aan mogelijke eenmalige kosten vanwege meerwerk implementate. Er wordt in ieder geval een uitvoeringstoets uitgevoerd als er gevolgen zijn te verwachten voor de bedrijfsvoering (bijvoorbeeld meer of minder uitvoeringskosten), als er vragen zijn over de rechtmatgheid of als er (beleids)efecten zijn voor de andere gemeenten in de GR Sociaal.

In de toets, die de GR Sociaal zal uitvoeren, worden de volgende elementen meegenomen: 1. Doel / achterliggende gedachte en beoogd efect maatwerkvraag (aan te leveren door vragende gemeente) 2. Juridische consequentes voor de vragende gemeente, de andere deelnemende gemeenten in de GR én de GR Sociaal zelf 3. Financiële consequentes voor de vragende gemeente, de andere deelnemende gemeenten in de GR én de GR Sociaal zelf 4. Gevolgen voor inwoners op korte / lange termijn en daaraan gekoppeld een mogelijk overgangsrecht 5. Gevolgen bedrijfsvoering GR (onder ander organisate, implementate). 6. Prijs van het gevraagde maatwerk 7. Mogelijke risico’s of randvoorwaarden die van belang zijn 13

8. Deinitef advies Voor maatwerk is het belangrijk dat bij risico’s voor de bedrijfsvoering van de GR Sociaal, bij risico’s of gevolgen voor de andere gemeenten en voor wat betref de bekostging, het bestuur van de GR Sociaal vroegtjdig betrokken wordt in de verschillen en gevolgen daarvan (vanuit hun rol als eigenaar van de GR). Dit wordt vastgelegd in het reglement van orde van het bestuur. Tot slot leidt het AB stukken door richtng de lokale besluitvorming, dus ook op die manier zien zij vroegtjdig eventuele verschillen en gevolgen en kunnen zij een advies toevoegen. Beleidsontwikkeling in co-create Artkel 5, lid 5 van de GR Sociaal biedt de basis voor de vernieuwde beleidsontwikkeling in co-create. Er is voor de taakverdeling een onderscheid te maken in beleidsontwikkeling (kaderstellend beleid, nadere regels én beleidsregels), beleidsvaststelling en uitvoering:  Bij de beleidsontwikkeling wordt zo vroeg mogelijk in de voorbereiding verbinding en samenwerking met de gemeenten gezocht. Het gaat om een proces van co-create. Dit gebeurt o.a. door inhoudelijk periodiek ambtelijk overleg te organiseren tussen de GR Sociaal en de zeven gemeenten.  De zeven gemeenteraden gaan over de vaststelling van de geldende verordeningen en de overige kaders.

Hierbij wordt opgemerkt dat het voor een samenwerkingsverband essenteel is dat er een zekere mate van harmonisate van kaderstellend beleid wordt bereikt. Zonder die harmonisate wordt de uitvoering zeer complee en kunnen schaalvoordelen verloren gaan.  Onder uitvoering wordt verstaan: “het uitvoeren van de regionaal belegde taken en daarmee het nemen van allerlei besluiten (en beschikkingen) op klantniveau inclusief verwerking/vastlegging in de juiste systemen, het afhandelen van klachten, het afhandelen van bezwaar, beroep en hoger beroepszaken, archivering en inkoop /contractmanagement”. Kaderstellend beleid Met de vorming van de GR Sociaal wordt het beleidsproces ingrijpend veranderd. Een van de uitgangspunten van de vernieuwde samenwerking is het herstellen van het lokale primaat. Daarom is gekozen voor een collegeregeling. Gemeenteraden zijn geen onderdeel meer van de regeling. De raden zijn na de wijziging van de GR vervolgens weer het bevoegd gezag voor het kaderstellend beleid (verordeningen en beleidsvisies). Elke gemeenteraad van de deelnemende gemeenten aan de GR Sociaal stelt zelf de verordeningen en de beleidsplannen in het Sociaal Domein vast.

Globale stappen in dit proces zijn:

14

Nadere regels De stappen in dit proces zijn grotendeels gelijk aan de stappen bij kaderstellend beleid. Het verschil zit hem voor de nadere regels in de besluitvorming en publicate. Afhankelijk van wat er met de bevoegdheden is gebeurd kan dit 2 kanten op gaan.

Uitvoering inclusief beleidsregels De uitvoering is in bijna alle gevallen gedelegeerd naar de GR Sociaal. Het bestuur van de GR Sociaal kan voor die uitvoering regels opstellen. Dit volgt rechtstreeks uit artkel 4:81, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht: een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid. Deze regels kunnen nooit in strijd zijn met de door de gemeenteraden vastgestelde beleidskaders. Artikel 6 Arbitragecommissie Voor de zeven deelnemende gemeenten in de GR Sociaal is er een diversiteit aan behoefe aan maatwerk. Enkele gemeenten waarschuwen voor teveel verschil en vragen om een gedegen proces bij de beoordeling van maatwerkvragen, zodat de robuustheid en kwaliteit in de GR Sociaal niet verloren gaan. Andere gemeenten waarschuwen voor een te beperkte mogelijkheid voor maatwerk. Daarom moet er een balans zijn tussen maatwerk enerzijds en efciënte uitvoering door een robuuste dienst/GR anderzijds. Deze twee uitersten kunnen op momenten op gespannen voet staan met elkaar. Daarom worden 2 nieuwe termen in de GR Sociaal ingevoerd, de uitvoeringstoets en de arbitragecommissie. Op de uitvoeringstoets is ingegaan bij artkel 5.

15

De arbitragecommissie is nieuw. Een belangrijk punt is de ruimte voor maatwerk en de daaraan verbonden risico’s en kosten (indien van toepassing). De uitvoeringstoets geef hier inzicht in en geef ook een advies. Het AB beslist uiteindelijk over het toestaan van het maatwerk en de beprijzing ervan, gegeven de uitvoeringstoets. Onder beprijzing wordt in dit geval verstaan de te verwachte meer of minderkosten van het uitvoeren van het maatwerk. Het gaat hier niet om de prijs van een voorziening of product, maar om de prijs voor het uitvoeren van het maatwerk. De prijs van voorzieningen / producten vindt logischerwijs plaats via landelijke wetgeving, lokaal vastgestelde beleidskaders en inkoopafspraken. Hoeveel er vooraf ook uitgewerkt wordt, er kan verschil van inzicht blijven bestaan over de mogelijkheid, het toestaan van maatwerk en de kosten die de vragende gemeente daarvoor moet betalen. Als deze discussie te lang duurt zet dat de samenwerking fors onder druk. Een onafhankelijk, objectef oordeel helpt dan om het verschil van inzicht te beslechten. In het geval er fundamentele verschillen van opvatng blijven bestaan tussen de vragende gemeente en het AB kan een arbitragecommissie worden ingesteld. De uitspraak van de commissie is bindend. De kosten van deze procedure zijn voor de partj die de arbitrage heef aangevraagd.

De commissie zal ingesteld worden zodra de eerste aanvraag daartoe een feit is. Overigens hoef men er geen gebruik van te maken maar het helpt wel om op een bepaald moment tegen elkaar te kunnen zeggen: we doen het zo of we vragen een eeterne uitspraak maar stoppen met discussiëren. Hoofdstuk 3 Algemeen bestuur (artikelen 7 tot en met 11)

Artikel 7 aamenstelling van het Algemeen Bestuur Het bestuur van de GR Sociaal bestaat straks uit een algemeen bestuur (AB), een dagelijks bestuur (DB) en een voorziter. Het AB staat aan het hoofd van het openbaar lichaam. De voorziter is voorziter van het AB én het DB. Het AB bestaat uit 8 leden. Elke gemeente levert 1 lid, behalve Dordrecht dat 2 leden levert. Er kunnen door de colleges ook plaatsvervangende leden worden aangewezen. De praktjk heef uitgewezen dat dit voorkomt dat lacunes in de samenstelling van het bestuur ontstaan, bijvoorbeeld doordat een lid van het AB afreedt. Als dat gebeurt wijst het betrefende college zo snel mogelijk een nieuw lid aan. Tot dat moment regelt het AB zelf de gevolgen van het afreden. De leden van het AB handelen als opdrachtgever namens hun gemeente en brengen het gemeenteperspectef in het AB in, het dagelijks bestuur (DB) handelt in het belang van de GR Sociaal en vertegenwoordigt het organisatebelang van de GR. Belangrijke punten om rekening mee te houden zijn:  Een AB-lid dat ook DB-lid is, heef in feite twee peten op.

Als AB-lid behartgt hij/zij de belangen van de eigen gemeenteraad en als DB-lid vertegenwoordigt hij/zij het AB en wordt hij/zij geacht de belangen van de GR Sociaal te dienen (contnuuteit van de GR staat centraal);  Omdat sprake is van een collegeregeling worden de AB-leden gekozen door de colleges van de deelnemers, uit hun midden. Zij vertegenwoordigen het bestuursorgaan in het AB en worden geacht het eigen belang van de deelnemer te behartgen; Artikel 8 Aanwijzing van collegeleden voor het Algemeen Bestuur 16

In het tweede lid staat dat een vrijgevallen plaats in het AB wordt ingenomen door het plaatsvervangend lid. Maar omdat het aanwijzen van een plaatsvervangend lid facultatef is (artkel 7, lid 2) kan het voorkomen dat er geen plaatsvervangend lid is. In dat geval regelt het AB de gevolgen van de vrijgevallen plaats, totdat een nieuw lid is benoemd.

Artikel 9 Bevoegdheden van het Algemeen Bestuur Een deel van de bevoegdheden van het AB staat in de Wet gemeenschappelijke regelingen benoemd. Belangrijke punten daarin zijn het vaststellen van de begrotng en jaarrekening. Deze bevoegdheid is conform de Wgr niet overdraagbaar. Het AB besluit verder op bepaalde organisatestukken (zoals de controleverordening, inanciële verordening, bijdrageverordening) en over de nadere regels die gedelegeerd zijn. In artkel 9 worden verdere bevoegdheden uitgewerkt, die hieronder worden toegelicht:  In artkel 9c is opgenomen dat het AB kan partciperen in organisates, alliantes, regionale -, bovenregionale -, landelijke – en Europese netwerken. Deze bepaling geef aan dat het bestuur van de GR Sociaal de ruimte heef om het Drechtstedelijk belang in het sociaal domein te behartgen in netwerken die daartoe belangrijk en behulpzaam zijn. Ook om een beroep op Europese subsidies mogelijk te maken kan deze bevoegdheid van belang zijn. Dat de GR Sociaal veel in Europese netwerken zal opereren is minder waarschijnlijk maar ook weer niet uitgesloten. Door het in de tekst op te nemen, wordt voorkomen dat de mogelijkheid aan de voorkant wordt uitgesloten. De bevoegdheid onder c sluit aan bij de bevoegdheid onder d, om afspraken te maken met Rijk en andere organisates.

Ook daarin komt tot uitng dat de GR Sociaal bevoegd is het Drechtstedelijk belang langs die weg te behartgen.  In artkel 9e is het aangaan van overeenkomsten en convenanten opgenomen. Hiertoe is aangesloten bij een werkwijze waarin het AB van de GRS convenanten (bestuursovereenkomsten) aangaat.  In art 9f is opgenomen dat het AB een uitsluitend recht mag vestgen. Deze bevoegdheid wordt door de GR Sociaal gebruikt om diensten af te nemen bij de servicegemeente Dordrecht.  Op grond van artkel 9g kan het AB vanuit het Drechtstedelijk belang reageren op beleidsnota's van het Rijk en provincie en, desgewenst, zienswijzen inbrengen.  In artkel 9h is opgenomen dat het AB stchtngen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperates en onderlinge waarborgmaatschappijen kan oprichten, dan wel hieraan kan deelnemen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartging van het daarmee te dienen openbaar belang. Een en ander voor zover de toepassing van deze bevoegdheden bijdraagt aan het behartgen van de belangen als genoemd in artkel 3, tweede lid en past binnen de aan het bestuur van de GR Sociaal gedelegeerde en gemandateerde taken als genoemd in artkel 5. Bestaande vennootschappen zoals Stroomlijn BV en BB Deta blijven onder de gewijzigde GR Sociaal vallen en zijn verbonden partjen aan de GR Sociaal op grond van artkel 9g.

Het AB van een gemeenschappelijke regeling heef de bevoegdheid om stchtngen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperates en onderlinge waarborgmaatschappijen op te richten, dan wel hieraan deel te nemen op grond van 17

artkel 31a Wgr. In het tweede lid van artkel 31a staat het volgende: Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het AB van het openbaar lichaam of het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisate te brengen. De raden worden dus aan de voorkant betrokken bij een dergelijk besluit, dit volgt rechtstreeks uit de wet en is daarom niet eetra in de tekst opgenomen. Artikel 10 eeglement van orde Spreekt voor zich.

Artikel 11 Beraadslaging en stemming De stemverhouding is gestoeld op het aantal inwoners. Deze wordt vastgesteld op basis van de CBS-gegevens van 1 januari van het jaar waarin gemeenteraadsverkiezingen plaats vinden. De stemverhoudingen voor 2022 zijn vastgesteld op basis van de inwoneraantallen per 1 januari 2020. Daarnaast is in de tekst van de regeling vastgelegd dat de grootste deelnemer maeimaal 49% van de stemmen in het AB mag hebben. De stemverhouding voor 2022 ziet er als volgt uit: remeenten

Inwoneraantal per 1-1- Percentage 20 20 , CBa Alblasserdam 20.165 Dordrecht 119.284 Hardinxveld riessendam 18.295 Hendrik Ido Ambacht 31.202 Papendrecht 32.137 aliedrecht 25.220 Zwijndrecht 44.737 aOaAAL 291.0 40

atemmen 6,93% 40,99% 6,29% 10,72% 11,04% 8,67% 15,37% 10 0 %

7 41 (2 e 20,5) 6 11 11 9 15 10 0 (meerderheid 51)

In het gekozen model voor de stemverhouding kon de samenstelling van het dagelijks bestuur een aandachtspunt zijn, als het aantal leden zeven in plaats van acht was geweest. Wanneer Dordrecht in dat geval ook een lid in het dagelijks bestuur levert dan kan, afhankelijk van de andere leden, het dagelijks Bestuur een meerderheid in het AB hebben, wat in strijd is met de Wgr. Om te voorkomen dat bovenstaand probleem ontstond, is ervoor gekozen om het AB standaard uit te breiden naar twee leden voor Dordrecht in het AB, waarvan er maar één in het Dagelijks Bestuur zitng kan nemen. Op die manier heef het Dagelijks Bestuur niet langer een meerderheid in het Algemeen Bestuur. Alle gemeenten kunnen zich hier in vinden, omdat het tegelijkertjd voorkomt dat zij op voorhand zijn uitgesloten van deelname in het Dagelijks Bestuur, vanwege mogelijke problemen met een meerderheid qua stemmen. In de regeling is, vanwege de grote verwevenheid tussen inanciën en beleid, opgenomen dat er voor de besluitvorming over begrotng, begrotngswijzigingen en bijdrageverordening een gekwaliiceerde meerderheid nodig is. Naast een gewone meerderheid van stemmen moeten minimaal drie gemeenten instemmen. 18

Enige relatvering op de stemverhoudingen en de rol van het Algemeen Bestuur is ook op zijn plaats. Ten eerste blijf de insteek dat er naar consensus wordt gestreefd. Consensus die makkelijker wordt door de ruimte voor maatwerk. Maar nog belangrijker, door de wijziging naar een collegeregeling gaan de gemeenteraden straks over de kaderstelling via beleidsvisies en verordeningen. Zoals de bedoeling was, ligt het primaat dus weer lokaal. Het AB krijgt wel een nadrukkelijke rol bij het doorgeleiden van stukken/voorstellen naar de gemeenten ter besluitvorming en kan bij dergelijke stukken ook nog een advies toevoegen. In een uiterste geval (als er onacceptabele risico's voor de gemeenschappelijk regeling of de andere deelnemende gemeenten in de GR zijn) kan het AB besluiten niet mee te werken aan gevraagd maatwerk van één of meer gemeenten. Een dergelijk besluit zal altjd gemotveerd worden en op dat moment zal de gemeente die het maatwerk vraagt ook moeten beslissen of zij wel of geen arbitragecommissie in wil roepen, conform artkel 6 van de GR tekst Sociaal.

De rol van het AB bij de vorming van beleid ziet er verder als volgt uit:  Zodra de startnotte klaar is wordt deze besproken in het AB zodat alle AB-leden goed geunformeerd zijn. De start zelf van deze notte is zonder inhoudelijke richtlijnen of wensen van het AB. Er wordt input geleverd vanuit de GR Sociaal, input opgehaald bij alle gemeenten (die daar hun eigen proces voor organiseren) en alle informate wordt verwerkt in de startnotte. Het AB wordt uiteraard ook regelmatg geunformeerd over de voortgang.  Het AB stuurt de startnotte naar de zeven colleges. Het college organiseert het gesprek met de gemeenteraad (en eventuele andere stakeholders). De GR Sociaal ondersteunt waar nodig en gevraagd de gemeente, zodat de beschikbare kennis (van de wet en van de lokale omstandigheden) goed gecombineerd wordt. Omdat de colleges verantwoordelijk zijn voor het ophalen van de input bij de gemeenteraad is het weinig zinvol om bepaalde informate die lokaal al is aangeleverd niet mee te nemen in de startnotte (die kan het college immers zelf zo weer toevoegen). Wel kan het AB er een eerste advies bijleggen. Bijvoorbeeld door aan te geven dat hun verwachtng is dat bepaald maatwerk besparingen kan opleveren, meer kan kosten of dat er bepaalde risico's aankleven. Dit om te zorgen dat de gemeenteraad over voldoende informate beschikt om de juiste input voor het vervolg mee te kunnen geven.

 Alle opbrengsten van het overleg met de lokale raden omtrent beleid en kaderstelling en de uitwerking leiden tot een voorstel, dat het AB doorstuurt naar de colleges. De colleges bieden het dan aan de raden aan. Het voorstel geef een overzicht van de discussie, het uiteindelijke voorstel en het advies van het AB. Het kan dan zijn dat de risico's van bepaald maatwerk niet acceptabel zijn voor het AB en dat dit dus in het voorstel terugkomt met argumentate waarom hier door het AB niet voor wordt gekozen. Het komt altjd herkenbaar terug in het stuk. Mocht het college niet overtuigd zijn van de argumentate van het AB is dat het moment om met de raad te bespreken of men voor de opte van arbitrage kiest.  Het AB is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de stukken die doorgeleid worden. 19

Hoofdstuk 4 Dagelijks bestuur (artikelen 12 tot en met 15)

Artikel 12 aamenstelling Leden van het DB worden gekozen uit en door het AB en blijven deel uitmaken van het AB. De aangewezen leden van het dagelijks bestuur mogen niet allen afomstg zijn uit dezelfde gemeente en de leden van het dagelijks bestuur mogen nimmer de meerderheid van het AB uitmaken. Er is gekozen voor een dagelijks bestuur van 3 leden, zonder eeterne leden en elk lid afomstg uit een andere deelnemende gemeente. In de GR-tekst wordt, conform de Wgr, geregeld dat het DB verantwoordelijk is voor de bedrijfsvoering en de praktsche uitvoering van de taken. Zij bereiden tevens de agenda voor van het AB. In de leden 4 en 7 is de waarneming geregeld van DB-leden die afreden of langdurig afwezig zijn. In dat geval neemt de door het college aangewezen plaatsvervanger de plaats in van het ontbrekende of afwezige DB-lid. Hierbij geldt weer dat dit alleen kan als er een plaatsvervanger is aangewezen. Als dat niet het geval is, regelt het DB de wijze waarop in de taken van het betrefende lid wordt voorzien. Artikel 13 Werkwijze Aangezien de onderwerpen waarover eventueel gestemd zou moeten worden vooral betrekking hebben op de bedrijfsvoering is er voor gekozen om elk DB-lid 1 stem te geven. Voorwaarde is wel dat als er gestemd moet worden, alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Vertegenwoordiging kan plaatsvinden door een ander DB-lid te machtgen.

Ook is het mogelijk dat de plaatsvervanger deelneemt aan de vergadering.

Artikel 14 Bevoegdheden van het Dagelijks Bestuur Een deel van de bevoegdheden van het DB staat in de Wet gemeenschappelijke regelingen benoemd. Belangrijke punten daarin zijn o.a. het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het AB hiermee is belast, beslissingen van het AB voor te bereiden en uit te voeren en regels vast te stellen over de ambtelijke organisate van het openbaar lichaam. In artkel 14 van de GR tekst Sociaal zijn verdere bevoegdheden uitgewerkt, die hieronder worden toegelicht:  Artkel 14, lid 2 a: de bevoegdheid tot het vaststellen van uitvoeringsregels, voor zover het de in artkel 5 aan het dagelijks bestuur gedelegeerde en gemandateerde bevoegdheden betref. Die bevoegdheid volgt rechtstreeks uit artkel 4:81 van de Awb en kan niet elders belegd worden.  Artkel 14, lid 2 b gaat over de bevoegdheid tot het nemen van besluiten als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. Het gaat hier over uitvoeringsbesluiten, zoals het nemen van besluiten op aanvragen om uitkeringen. Die taak sluit aan bij de bevoegdheden van het dagelijks bestuur die volgt uit artkel 33b van de Wgr, namelijk het voeren van het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam. De bevoegdheid tot het nemen van besluiten zal in de praktjk worden gemandateerd aan de ambtelijke organisate. Net zoals dit bij gemeenten gebeurt.

Het is bijzonder onpraktsch om dat voor te behouden aan het AB, omdat de GRS jaarlijks duizenden Awb-besluiten neemt en het onwenselijk is om die allemaal via het AB te laten lopen. Daarom is gekozen om deze bevoegdheid bij het DB te beleggen die het daarna mandateert aan de ambtelijke organisate. 20

Artkel 14, lid 2 c regelt het verlenen en vaststellen van subsidies. Ook dit is een bevoegdheid die in de praktjk waarschijnlijk wordt gemandateerd aan de ambtelijke organisate, zoals bijvoorbeeld de secretaris. Het is net als bij artkel 13 lid 2 b bijzonder onpraktsch om dat voor te behouden aan het AB. In de praktjk moet de verdeling van taken en bevoegdheden goed uitvoerbaar zijn. Daarom is gekozen om ook deze bevoegdheid bij het DB te beleggen. Artkel 14, lid 2 d geef het DB de bevoegdheid om verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur af te handelen. Dat is nodig omdat elke bevoegdheid die het bestuur nodig heef eepliciet moet worden gemandateerd of gedelegeerd. Toegevoegd is dat de bevoegdheid ook blijf gelden als de Wet openbaarheid van bestuur wordt vervangen door een andere wet, zoals de Wet open overheid. Aangezien de ttel van een wet pas vaststaat als dat bij wet is vastgesteld, is ervoor gekozen om geen concrete naam op te nemen. Op grond van artkel 14, lid 2 e mag het DB zelf klachten afdoen die tegen (medewerkers van) de organisate worden ingediend. Als die bevoegdheid niet wordt opgenomen moeten klachten worden afgedaan door een gemeente. Dat is om meerdere redenen onwenselijk.

Ten eerste rijst dan de vraag, door welke gemeente? En ten tweede is uiteindelijk de secretaris verantwoordelijk voor het functoneren van de organisate en daar hoort ook het behandelen van klachten bij. Bovendien zijn klachten een middel om de bedrijfsvoering van de organisate te verbeteren en ook daarom is het beter dat klachten door de organisate zelf worden behandeld. Artkel 14, lid 2 f gaat over verzoeken van betrokkenen als bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming. De GR Sociaal is voor een deel van haar taken zelf verwerkingsverantwoordelijke en daar hoort deze bevoegdheid bij.Artkel 14, lid 2 h regelt dat het DB de regio kan vertegenwoordigen in overlegsituates. Het dagelijks bestuur vertegenwoordigt enkel de Drechtsteden voor die taken die door de GR worden uitgevoerd. Het gaat hier bijvoorbeeld om overleg met de VNG en het Rijk waarbij gesproken wordt over beleidsmatge onderwerpen zoals de mogelijke afschafng van het abonnementstarief in de Wmo of de kostendelersnorm bij de Partcipatewet. Door als Drechtstedengemeenten gezamenlijk op te treden vanuit de GR Sociaal op de onderwerpen waarop wordt samengewerkt hebben we meer invloed dan wanneer gemeenten individueel aan tafel ziten. De bevoegdheden in artkel 14, lid 2 g tot en met j spreken voor zich maar moeten wel worden benoemd.

Artikel 15 eeglement van orde Spreekt voor zich. Hoofdstuk 5 De voorzitter (artikel 16) Artikel 16 Benoeming en positie De voorziter van het gemeenschappelijk openbaar lichaam is een zelfstandig bestuursorgaan, zoals ook de burgemeester dat is binnen de gemeente. De voorziter wordt door en uit het AB aangewezen (art. 13, lid 9 Wgr). Door de toevoeging “en uit” blijkt dat de voorziter dus altjd een lid van het AB moet zijn. De voorziter is van rechtswege lid van het DB (art. 14, lid 1 Wgr) én ook de voorziter van het DB (art. 12, lid 3 Wgr). Uit de Wgr volgt daarmee dus dat het AB de voorziter aanwijst. In de GR tekst kunnen daartoe kaders worden meegegeven, waar het AB aan gebonden is. 21

Gelet op de omvang en inbreng van Dordrecht is in artkel 16 opgenomen dat de voorziter door het AB uit zijn midden en uit een van beide leden die door het college van Dordrecht zijn benoemd, worden aangewezen. Bij afwezigheid van de voorziter zal in die gevallen de plaatsvervangend voorziter optreden. Hoofdstuk 6 Betrekken van raden, ingezetenen en belanghebbenden

Artikel 17 remeenschappelijke raadscommissie (artikel 17) Artkel 17 van de GR tekst maakt het mogelijk om een raadscommissie in te richten. Het betref een “kan-bepaling”, zodat als de wens er is, dit ook ingeregeld kan gaan worden en het bestuur de facilitering ervan en het proces met raden verder op kan pakken. De term sluit aan bij de term die in de Wgr wordt opgenomen. Het gaat hier om een gemeenschappelijke raadscommissie die op grond van de wet twee rollen heef: 1. het adviseren van de gemeenteraden in de uitoefening van hun bevoegdheden; 2. het adviseren van het AB van het samenwerkingsverband. De instelling van deze commissie vindt door het AB van de gemeenschappelijke regeling plaats omdat de raadscommissie onderdeel van de regeling is en daardoor bij de organisate van het samenwerkingsverband hoort en niet bij de gemeentelijke organisate. Het is aan de raden van de deelnemende gemeenten om te bepalen of er behoefe is aan een dergelijke commissie. De commissie bestaat uit leden die per deelnemende gemeente door de raad uit zijn midden zijn gekozen. Vanuit de gedachte achter de gemeenschappelijke raadscommissie ligt deelname vanuit de raden van alle deelnemende gemeenten voor de hand. Een gemeenteraad is echter niet verplicht een raadslid af te vaardigen. De raden kiezen zelf de leden van de commissie.

Wie voorziter is van de raadscommissie is niet wetelijk geregeld (in het wetsvoorstel). Maar het ligt voor de hand dat dit een van de leden is, naar analogie van wat nu (nog) voor raadscommissies in de Gemeentewet geldt. Een bestuurder van het samenwerkingsverband ligt in elk geval niet voor de hand. Dat past niet bij de status van de commissie als adviseur van en voor raden. Het past evenmin bij het zijn van een spil tussen raden en AB, omdat een bestuurder zelf ook weer een belang heef als lid van het AB. Normaliter kan het college bij de voorbereiding de gemeenteraad of een raadscommissie betrekken. De raadscommissie heef geen formele bevoegdheid en komt niet in plaats van de verantwoordelijkheid van de gemeenteraden noch van de colleges. Via de raadscommissie kunnen de raadsleden van de verschillende gemeenten met elkaar de uitgangspunten en beleidswensen delen en zo adviezen geven aan de gemeenteraden over de door de colleges voorgestelde beleidskeuzes. De gemeenteraden kunnen die adviezen, en hetgeen daarbij is besproken, meewegen in hun besluitvorming. Het AB bij de afstemming van voorstellen natuurlijk de politeke adviezen van de raadscommissie meewegen. Artikel 18 Participatie Voor wat betref burgerpartcipate is de kern in artkel 18 opgenomen.

Zowel de partcipatewet als de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) regelen in de wet het een en ander rondom cliëntenpartcipate. In de partcipatewet staat hier het een en ander over in artkel 47. Bij de Wmo staat het een en ander hierover in artkel 2.1.3, lid 3. 22

Gelet op de principes én de contouren van het beleidsproces is gekozen voor zowel een lokale cliëntenraad als een regionale cliëntenraad. Er zijn daarmee straks zeven lokale raden en vanuit daar wordt ook de regionale raad gevormd. Er worden afspraken gemaakt over wie waarover adviseert en hoe de betrokkenheid geborgd wordt. In de huidige praktjk kennen we regionaal op dit moment (2021) nog een aparte adviesraad voor de Wmo en voor de Partcipatewet. Het is de wens om deze in de toekomst samen te voegen tot één regionale raad. Dit is voor de start van de GR Sociaal, 1-1-2022, nog te vroeg om al te realiseren. De lokale cliëntenraden kunnen straks goed betrokken worden aan de voorkant van het proces bij de formulering van uitgangspunten en de lokale keuzes/invulling. Door ook te kiezen voor een regionale cliëntenraad, die dan bestaat uit vertegenwoordigers van de lokale cliëntenraden aangevuld met ervaringsdeskundigen (en evt een onafhankelijk voorziter) kan deze regionale cliëntenraad juist later in het proces het advies uitbrengen zodra het voorstel geschreven is. Hun advies kan dan mee in het verdere proces (DB, AB, lokale besluitvorming). Aandacht in dit advies voor speciieke gemeenten, kan op die manier goed geborgd worden.

Het vraagt daarin een goede samenwerking tussen de lokale en regionale cliëntenraden en oog voor het lokale maatwerk enerzijds en het regionale anderzijds. Daarnaast zal de regionale cliëntenraad ook adviseren op de gedelegeerde nadere regels en kunnen zij gevraagd of ongevraagd advies uitbrengen over de uitvoering van taken in de GR. Een en ander vindt zijn verdere uitwerking in de inhoudelijke wetelijke stukken van de Wmo en de Partcipatewet. Hoofdstuk 7 Verantwoording (artikelen 19-21) Artikelen 19 en 20 verantwoording Dagelijks Bestuur en verantwoording Algemeen Bestuur De Wet gemeenschappelijke regelingen regelt het nodige rondom inlichtngen en verantwoordingen van het bestuur van de GR aan de deelnemende gemeenten. Dit wordt daarom niet allemaal herhaald in de tekst voor de GR Sociaal. In de kern is het volgende van belang:  Bij een collegeregeling geldt dat de leden van het AB van de GR inlichtngen verschafen en verantwoording afeggen aan het college dat hen heef aangewezen.  Het AB en DB hebben beiden ook een inlichtngenplicht aan alle raden van de deelnemende gemeenten.  Bovendien zijn de leden van het AB inlichtngen en verantwoording verschuldigd aan (de leden van) de raad in de gemeente waaruit zij afomstg zijn.  Het wetsontwerp herziening Wgr voert, zodra deze in werking treedt, een acteve informateplicht van het DB aan het AB in.

Deze informate is openbaar en ook voor gemeenteraden opvraagbaar.  Tot slot legt het DB van een GR slechts aan het AB verantwoording af. Artikel 21 Auditcommissie Artkel 21 van de GR tekst biedt de opte om een auditcommissie in te stellen. De Auditcommissie is een commissie met als doel het AB van de GR te adviseren over alle 23

inanciële en bedrijfsvoeringsaspecten zonder daarin een politeke rol te nemen. In bijna alle gevallen betref het een bestuurlijke commissie bestaande uit wethouders, al dan niet (deels) afomstg uit het AB. In het land zien we ook dat in sommige gevallen andere eeperts op het gebied van inanciën worden toegevoegd. De Auditcommissie kan de taken op het gebied van inancieel beheer en de inrichtng van de inanciële organisate - die aan het AB zijn toegekend - voorbereiden. Ook kan de Auditcommissie een klankbord zijn voor het bestuur als het gaat om de administrateve organisate van de GR. Nadere regels over de auditcommissie kunnen in een aparte verordening worden opgenomen, die door het AB wordt opgesteld en vastgesteld. Daarin kan ook opgenomen worden hoe de samenstelling er uitziet. Hoofdstuk 8 Secretaris / organisatie (artikelen 22-23) Artikel 22 De taken van de secretarisaalgemeen directeur De GR heef een secretaris. De secretaris is verantwoordelijk voor de optmale ondersteuning van zowel het DB als het AB van de Gemeenschappelijke regeling. De secretaris tekent de stukken en besluiten mee van het AB en DB en is verantwoordelijk voor een gedegen proces aan bestuurlijke besluitvorming. Naast deze taken geef de secretaris/algemeen directeur ook leiden aan de organisate, is eindverantwoordelijk voor de ontwikkeling innovate en bedrijfsvoering van de regeling.

Tot slot is de secretaris/algemeen directeur de bestuurder als bedoeld in de wet op de ondernemingsraden. Artkel 22 regelt de bevoegdheden en taken. Artikel 23 oormatie, organisatie en rechtspositie Artkel 23 gaat kort in op de omvang van de organisate van de GR Sociaal, hoe dit vastgesteld wordt en wie de rechtsposite en bezoldiging vaststelt. Hoofdstuk 9 Financiën (artikelen 24-33) Voor gemeenten is de verdeling van kosten over deelnemende organisates in de GR een belangrijk aandachtspunt. Een transparante en faire verdeling wekt vertrouwen en voorkomt “scheve gezichten” tussen deelnemers. Kostenverdeling is primair een bestuurlijk vraagstuk. Als vervolg op de ontwikkeling van een nieuw inancieel kader GRD/SDD zijn de huidige verdeelsleutels tegen het licht gehouden. In 2021 liep er een apart project op dit onderwerp in de regio met de opdracht om te komen tot “een nieuwe set aan verdeelsleutels voor de gemeentelijke bijdragen aan GRD/SDD die gebaseerd is op eenduidige principes en die breed draagvlak heef bij de betrokken gemeenten". Met name bij de behandeling van de jaarlijkse begrotng is het van belang dat er breed draagvlak is voor de wijze waarop de kosten van de GR Sociaal aan de deelnemers wordt toebedeeld. Het helpt bestuurders om met een regionale blik naar de organisate en haar dienstverlening te kijken in plaats van te focussen op lokale efecten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10737956/1