Bijlage 2 bij nr. 4 Ruimtelijke onderbouwing uitbreiding dierenpension
Tekst van het document
Scenarios Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A16, een spoorlijn en twee hogedruk aard gastransportleidingen. Ten gevolge van een incident op de weg of het spoor kan zich een plas brandscenario, BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) of toxisch scenario 33
voordoen. Een incident met de hogedruk aardgastransportleiding kan een fakkelbrand tot gevolg hebben. De gevolgen van deze scenarios zijn verschillend. Deze scenarios worden onderstaand verduidelijkt. Plasbrandscenario Het effect dat optreedt bij een ongeval met enkel brandbare vloeistoffen is vooral warmtestraling door een (plas)brand. Het invloedsgebied is circa 45 meter, uitgaande van een calamiteit waarbij de gehele wagen of tankinhoud vrijkomt. De omvang van het effect wordt beïnvloed door de oppervlakte van de plasbrand. BLEVE (boiling liquid expanding vapour explosion) Er zijn twee soorten BLEVEs die op kunnen treden. Een koude BLEVE en een warme BLEVE. Een koude BLEVE wordt veroorzaakt door een externe beschadiging, bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor scheurt de ketel open. LPG komt vrij en ontsteekt direct. Een warme BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de ketel doet oplopen De effecten van een warme BLEVE kunnen verder reiken dan de effecten van een koude BLEVE. Door de maatregelen uit de Safety Deal hittewerende bekleding op LPG autogastankwagens zijn tankauto's voorzien van een hittewerende coating die de kans op een warme BLEVE gedurende ten minste 75 minuten voorkomt. De brandweer is daardoor in staat de tank tijdig te koelen.
Voor beide scenarios geldt dat er een vuurbal en een drukgolf ontstaat, met hittestraling, overdruk en scherfwerking tot gevolg. Fakkelbrand Bij het scenario fakkelbrand wordt uitgegaan van directe ontsteking van het uitstromende gas door statische of kinetische energie. Hierdoor ontstaat een fakkelbrand. Een fakkelbrand heeft hittestraling tot gevolg. De eerste fase, de eerste 20 seconden na de breuk, is de warmtestraling het grootst. Het uitstroomdebiet loopt binnen enkele minuten na de breuk terug totdat een stabiel uitstroomdebiet wordt bereikt. Dit stabiele uitstroomdebiet blijft aanwezig totdat de leiding beheerder het getroffen leidingdeel met afsluiters inblokt. Afhankelijk van de locatie van de breuk, het soort leiding en de aan of afwezigheid van andere leidingen in de omgeving, kan dit enkele uren duren. Na het inblokken blijft de fakkel branden totdat de druk in de leiding gelijk is aan de omgevingsdruk. Gifwolk Een gifwolk heeft een groot invloedsgebied en drijft af met de wind. Het invloedsgebied van een gifwolk kan daarmee meerdere kilometers strekken. Afhankelijk van de eigenschappen van de toxische stoffen, kan een persoon bij inademen van de gifwolk komen te overlijden of schade aan de luchtwegen ondervinden.
Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario.
34
Gerichte risicocommunicatie (bijvoorbeeld via NL Alert) met bewoners en gebruikers van het gebied kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten). Bij een dreigend incident, kan vluchten de beste optie zijn. Om goed te kunnen vluchten bij brand in het gebouw, zijn er vanuit het Bouwbesluit eisen gesteld aan de ontvluchtingsmogelijkheden. Deze voorzieningen moeten gerealiseerd worden. In geval van een (dreigend) incident bij de weg of een van de hogedruk aardgastransportleidingen zijn de vluchtdeuren richting de weg en/of hogedruk aardgastransportleidingen niet geschikt voor gebruik. Het is daarom belangrijk dat de vluchtcapaciteit die aan deze zijde hierdoor wegvalt, te compenseren met extra vluchtmogelijkheden aan de andere zijden. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een plasbrand Bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen moeten aanwezige personen zich in veiligheid brengen op een afstand van ten minste 45 meter (en bij voorkeur op een grotere afstand), buiten het invloedsgebied van brandbare vloeistoffen. Personen binnen dit gebied kunnen ernstige (dodelijke) brandverwondingen oplopen.
De beoogde uitbreiding van het dierenpension kent qua opzet een open karakter waardoor het mogelijk is om van de risicobron af te vluchten (richting het zuiden (van de weg af)). De nieuwe gebouwen bevinden zich zoals geconcludeerd niet binnen het wettelijk vastgelegde plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. De gebruikers/bezoekers van het dierenpension vallen niet specifiek onder de niet (of beperkt) zelfredzame personen. Hierdoor hoeft zelfredzaamheid ten aanzien van beperkt zelfredzame personen niet nader beschouwd te worden. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een koude BLEVE scenario Een koude BLEVE kan plaatsvinden zonder enige aankondiging vooraf. Hierdoor is er geen tijd om te vluchten. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een warme BLEVE scenario Bij een dreigende BLEVE is het gewenste handelingsperspectief vluchten van de risicobron. Dankzij de maatregelen uit de Safety Deal hittewerende bekleding op LPG autogastankwagens en gerichte crisiscommunicatie kunnen de aanwezigen tijdig gealarmeerd worden en vluchten. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een fakkelbrand In het geval van een fakkelbrand is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen binnen de 100 procent letaliteitscontour slachtoffer worden. De 100 procent letaliteitscontour ter hoogte van het plangebied varieert van 70 tot 190 meter.
De uitbreiding van het dierenpension bevindt zich deels binnen deze afstand waardoor iedereen (onbeschermd) binnen dit gebied zal komen te overlijden. Afhankelijk van de richting van de fakkelbrand kan er geschuild worden in het gebouw of in de schaduw van het gebouw (ten opzichte van de fakkelbrand).
35
Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een gifwolk In het geval van een gifwolk dient men te schuilen in een gebouw en de ramen en deuren gesloten te houden. Gebouwen kunnen geschikt worden gemaakt als schuillocatie. De geschiktheid als schuillocatie wordt verhoogd wanneer mechanische ventilatie voorzien wordt van een (centraal bediende) noodschakelaar. Het is een goedkope maatregel die bij een calamiteit met giftige stoffen zeer effectief kan zijn. In de omgevingsvergunning kan een verplichting worden opgenomen waarin is aangegeven dat de mechanische ventilatie uitgeschakeld kan worden. Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenarios vragen allen een ander aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). Het dierenpension en de beoogde uitbreiding zijn, zoals te zien is in de inrichtingstekening van bijlage 1 van deze onderbouwing, goed bereikbaar voor de brandweer. Bij een ongeval met brandbare vloeistoffen, waarbij een plasbrand kan ontstaan, kan de brandweer snel ter plaatse zijn. Een plasbrand is dan goed te bestrijden.
Door het tijdig arriveren van de brandweer wordt voorkomen dat het vuur zich snel kan uitbreiden en kan overslaan op gebouwen. Het ontstaan van een koude BLEVE is niet te bestrijden, omdat de tank meteen explodeert. De branden die door de explosie ontstaan, kunnen wel bestreden worden. In geval van een fakkelbrand spuit aardgas onder hoge druk uit de leiding en/of uit de ketelwagen. Voor de brandweer bestaat geen bestrijdingsstrategie om de bron te doven. De Gasunie zal op afstand de leiding afsluiten waarna het gas tussen de inblokking moet opbranden en de fakkelbrand na verloop van tijd redden van slachtoffers, het koelen van panden in de omgeving en het bestrijden van secundaire branden. Een gifwolk is lastig te bestrijden. In sommige gevallen is het mogelijk om een gifwolk neer te slaan met een watergordijn. De Veiligheidsregio Zuid Holland Zuid heeft overigens protocollen voor het bestrijden van deze scenarios. In het kader van de beoordeling van het ingediende bouwplan en deze ruimtelijke onderbouwing kan de Veiligheidsregio door de gemeente om advies worden gevraagd. De eindconclusie is dat het aspect Externe Veiligheid geen belemmering oplevert voor de uitbreiding van het dierenpension. Beleidskader elektromagnetische straling Voor hoogspanningslijnen is het beleidskader beschreven in het Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen (Min. VROM d.d.
5 oktober 2005 en het verduidelijkingsadvies VROM 2008). Hierin adviseert de Staatssecretaris van VROM het in acht nemen van een veiligheidszone, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. 36
Voor zendmasten (omroep/GSM/UMTS) zijn in de EU publicatie 1999/519/EG blootstellingslimieten aanbevolen voor personen die permanent in de nabijheid van zendmasten verblijven. Nederland heeft deze aanbeveling overgenomen en opgenomen in de Telecommunicatiewet.
Figuur 18 afbeelding Antenneregister
Conclusie Uit de gegevens op de website www.antennneregister.nl blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen zendmasten aanwezig zijn die overschrijdingen kunnen veroorzaken van de geldende blootstellinglimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten. 4.2.8 Duurzaam bouwen Rijksbeleid Duurzaam bouwen is een manier van bouwen waarbij het milieu minder wordt belast, er een goede leefkwaliteit wordt gerealiseerd en het gebouw een lange levensduur heeft (bijvoorbeeld door flexibiliteit of goede materiaalkeuze). Voor nieuwbouw na 1 januari 2021 geldt dat vergunningaanvragen voor utiliteitsbouw moeten voldoen aan de BENG. Dit is een voortvloeisel uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD. Gemeentelijk beleid De gemeente volgt het Rijksbeleid als het gaat om wetgeving over lucht , geluid en bodemkwaliteit. Daarnaast wil de gemeente Hendrik Ido Ambacht een extra inspanning leveren. Daarom heeft de gemeente in september 2019 het actieplan Duurzaamheid 2019 2022 opgesteld. De volgende thema's en ambities zijn in het plan opgenomen:
37
Energie: Samen met de regio werken we naar een energieneutrale gebouwde omgeving in 2035 en een energieneutraal Drechtsteden in 2050. o Energieneutraal en aardgasvrij in 2050. o Energiebesparing waar mogelijk, eerst in de gebouwde omgeving. o Duurzame energie opwekking waar mogelijk. o Een warmtenet is een serieus alternatief. Klimaatadaptatie: We benutten kansen en zetten realiseerbare en goed zichtbare stappen waarmee we als samenleving in Hendrik Ido Ambacht steeds klimaatbestendiger worden. o In 2020 zijn de klimaatopgaven en maatregelen bekend en handelen we daarnaar. o In 2050 is Hendrik Ido Ambacht klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. o We richten ons openbaar gebied duurzaam in en versterken de biodiversiteit. Luchtkwaliteit: We spannen ons samen met de regio in voor een schone lucht, die minimaal voldoet aan de wettelijke normen en waar mogelijk aan de gezondheidsnormen (WHO normen). o Verbeteren van de luchtkwaliteit. o Verbeteren van het binnenklimaat in scholen, publieke gebouwen en bij bedrijven. Circulaire economie en afval: We zorgen ervoor dat meer afval opnieuw gebruikt kan worden als grondstof en werken toe naar circulair inkopen. o Verminderen restafval bij inwoners en bedrijven. o Verbeteren afvalscheiding bij inwoners en bedrijven. o Zwerfafval tegengaan en bestrijden.
o In beeld brengen wat we verstaan onder circulair inkopen en hoe we dit gaan realiseren (in samenwerking met regionale inkooppartners). Conclusie De ingediende aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit Bouwen zal voldoen aan de wettelijke verplichting van het Bouwbesluit, Gaswet en de BENG. In welke mate wordt bijgedragen aan het realiseren van de gemeentelijke ambitie op het gebied van duurzaam bouwen en het gemeentelijke actieplan zal blijken na afronding van het bouwplan in de fase aanvraag omgevingsvergunning. Hierover zal overleg met de gemeente plaatsvinden. Aanvrager heeft in ieder geval de opzet om het plangebied klimaatadaptief in te richten door toepassing van waterdoorlatende bestrating en beperking van verhard oppervlakte en waterberging te realiseren door infiltratie en waterpartijen. 4.2.9 Water De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten.
Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat gemeente en waterschap (voor het plangebied is dat Waterschap Hollandse Delta) samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. 38
De watertoets is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en is hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets omvat onder meer overleg met de waterbeheerder en de opname van een waterparagraaf. De voorliggende paragraaf is de in het kader van de wet verplichte waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van provincie, het waterschap Hollandse Delta en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Omgevingsvisie Beleid provincie Zuid Holland In de Omgevingsvisie van 1 april 2019 zijn de provinciale uitgangspunten opgenomen over het beleid ten aanzien van het aspect water. De Omgevingsvisie geeft invulling aan het wettelijk verplichte regionale waterplan. De provincie kiest voor een duurzaam waterveiligheidsbeleid door in te zetten op sterke keringen en aanpassing in ruimtegebruik, en door te anticiperen op de potentiele gevolgen van overstromingen.
Een andere doelstelling is het bevorderen van een leefomgeving die de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen kan opvangen. Beleid waterbeheerder Waterschap Hollandse Delta Het Waterschap Hollandse Delta heeft een Waterbeheerplan opgesteld voor de periode 2016 2021. In het Waterbeheerplan geeft het waterschap onder andere aan wat de doelstellingen voor de lange termijn zijn voor het waterbeheer. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het Waterbeheerplan bevat doelen en maatregelen voor de themas Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema Water en Ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor het Waterschap Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming. 39
Conclusie Ten aanzien van de uitbreiding van het dierenpension met bijbehorende voorzieningen geldt dat van belang is dat voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een compensatieplicht geldt van 10% open water voor nieuw aan te leggen verhard oppervlak. Het plangebied biedt voldoende ruimte om de watercompensatie op eigen terrein te realiseren. Bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing geeft inzicht in het te compenseren wateroppervlakte, de wijze waarop deze compensatie is afgestemd op de waterhuishouding ter plaatse en hoe het water landschappelijk wordt ingepast. Keurverordening Waterschap Hollandse Delta Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen, waterkeringen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het waterschap zijn gebods en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Conclusie De uitbreiding van het dierenpension is van invloed op de waterhuishouding. Bestaande watergangen worden mogelijk verbreed en nieuwe watergangen aangelegd. Ook de inrichting van de toegangsweg naar het plangebied die eigendom is van het waterschap wijzigt als gevolg van de aanleg van in en uitritten.
Indien aan de orde zullen in samenhang met de aanvraag omgevingsvergunning die is ingediend bij de gemeente Hendrik Ido Ambacht, bij het waterschap de benodigde vergunningen worden aangevraagd. Gemeentelijk beleid Waterplan Van H tot Z (2003) Voor de gemeenten Hendrik Ido Ambacht en Zwijndrecht is één gezamenlijk waterplan opgesteld, omdat de stedelijke watersystemen van beide gemeenten een zodanige samenhang vertonen dat ze niet los van elkaar gezien kunnen worden. Het doel van het plan is om te komen tot een goed beheersbaar en aantrekkelijk watersysteem met helder water van voldoende kwaliteit en gevarieerde veilige oevers dat op de gewenste gebruiksfuncties is afgestemd. Deze doelstelling wordt in het plan geconcretiseerd en vastgelegd. Vervolgens worden doelen vertaald naar de benodigde maatregelen (tot 2010) om deze te realiseren. Het plan geeft aan op welke termijn de maatregelen worden gerealiseerd, wie ze uitvoert en hoe ze worden gefinancierd. Daarnaast is een toekomstvisie voor de langere termijn (2020) voor het bestaand stedelijk gebied opgesteld. Gemeentelijk rioleringsplan 2019 2023 Het GRP is als strategisch en beleidsmatig planningsinstrument de basis voor onze rioolwerkzaamheden.
Het doel van het GRP is dat beleidsvoornemens en de daaruit volgende maatregelen voor inzameling, transport en (lokale) verwerking van stedelijk afval , hemel en grondwater voor de periode 2019 2023 worden vastgelegd.
40
In het GRP wordt de huidige situatie van de riolering beschreven, zoals die ontstaan is na uitvoering van het rioleringsbeleid van de afgelopen periode. De strategie voor de komende planperiode wordt uitgewerkt in concrete maatregelen zoals beheerplannen en onderzoeksmaatregelen. Een nadere uitwerking van de in het GRP beschreven strategie zal jaarlijks plaatsvinden in operationele programmas waarvan het college jaarlijks gedurende de planperiode op de hoogte zal worden gehouden. Conclusie Het plangebied bevindt zich binnendijks tussen de Achterambachtseweg, A16 en de Rijksstraatweg. Het plangebied bevindt zich niet in een beschermingszone van een regionale waterkering. Het plangebied wordt aan drie zijden omgeven met watergangen. De oostelijk en westelijke watergangen worden onderhouden worden door het waterschap. De watergangen die zuidelijkwestelijk en zuidoostelijk direct aan de huidige opstallen grenzen dienen te worden onderhouden te worden door de aangrenzende eigenaren.
Figuur 19 Uitsnede uit de legger water en kunstwerken van het waterschap Hollandse Delta
Kunstwerken Er zijn geen kunstwerken van betekenis in het plangebied aanwezig. Grondwateronttrekking Er is geen sprake van het (tijdelijk) onttrekken van grondwater. Rioolstelsel en waterkwaliteit Conform het gemeentelijke en waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke drukriolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: 41
hemelwater vasthouden voor benutting, (in ) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Uitgaande van aansluiting op de huidige drukriolering is afkoppeling van schoon (hemel)water aan de orde en verplicht. Door de nabijheid van watergangen en het graven van extra water in het plangebied is dit eenvoudig realiseerbaar. Met betrekking tot de nieuwe bebouwing wordt door initiatiefnemer aandacht besteed aan het beperken van uitlogende materialen die in aanraking komen met hemelwater, zoals koper, lood of zink als dakbedekking en in goten/pijpen. Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. De planontwikkeling voorziet hierin. Er wordt extra water gegraven wat bijdraagt aan de leef , verblijf , en voortplantingsmogelijkheden. Watertoets De watertoets is op 15 oktober 2021 uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn als bijlage 4 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. De conclusie is dat er geen grote waterbelangen spelen. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat.
4.2.10 Wet Natuurbescherming (Wnb) Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura 2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000 gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, 42
onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000 netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Strategische reservering natuur De strategische reservering natuur betreft de nog te realiseren nieuwe natuur die substantieel bijdraagt aan de Natura2000 en/of Kaderrichtlijn Water doelen, maar waarvoor tot 2027 onvoldoende zekerheid van realisatie is.
Daarom maakt de strategische reservering natuur (nog) geen deel uit van het NNN. Deze gebieden zijn volledig voor de agrarische functie te gebruiken, maar er moet worden voorkomen dat andere functies kunnen worden gerealiseerd die leiden tot waardevermeerdering ten opzichte van de agrarische functie. Karakteristieke landschapselementen Het landschap in Zuid Holland staat door de huidige technische en economische ontwikkeling onder druk. Het karakter en de herkenbaarheid van de verschillende landschapstypen in Zuid Holland dreigen meer en meer verloren te gaan. Landschapselementen zijn niet alleen voor het landschappelijk beeld, maar ook vanwege hun ecologische waarde belangrijk voor het landschap. De Provincie Zuid Holland hecht grote waarde aan deze elementen en wil ze zoveel mogelijk in stand houden en versterken. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De 43
voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Conclusie Door Bureau Stadsnatuur is op 13 september 2019 een flora en fauna Quick scan uitgevoerd voor het plangebied en directe omgeving. Dit verkennende onderzoek maakt vooraf aan de werkzaamheden inzichtelijk welke beschermde soorten in het plangebied voorkomen. Daarnaast is geanalyseerd of de ruimtelijke ontwikkeling negatieve effecten heeft op beschermde natuurgebieden en beschermde houtopstanden. De Quick scan is uitgevoerd op basis van een veldbezoek, gecombineerd met een literatuurstudie. De resultaten van het onderzoek zijn als bijlage 5 bijgevoegd. Bij de realisatie van de uitbreiding van het dierenpension en de terreininrichting zal rekening worden gehouden met de aanbevelingen uit de quick scan. Daarnaast zal door aanvrager in het kader van de uitwerking van het bouwplan worden bezien in hoeverre beschermde flora en fauna kan worden versterkt door het concept van natuurinclusief bouwen toe te passen (Vink, Vollaard & de Zwarte 2017). Dit houdt in dat vanaf de ontwerpfase gekeken wordt naar mogelijkheden voor flora en fauna, zoals nestvoorzieningen voor vogels of verblijfplaatsen van vleermuizen.
Programma Aanpak Stikstof Op 1 juli 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. De depositie van stikstof is een van de belangrijkste belemmeringen om de Europese natuurdoelen te halen. Stikstofdepositie leidt tot vermesting en/of verzuring van de bodem. In natuurgebieden kan dit negatieve effecten hebben op de aanwezige, beschermde flora en fauna. Uitspraak Afdeling Bestuursrecht Raad van State inzake Programma Aanpak Stikstof De Afdeling heeft op 29 mei 2019 uitgesproken dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer mag worden gebruikt als toetsingskader voor projecten nabij Natura 2000 gebieden. Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten 44
die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Het vooraf daarvoor toestemming verlenen is in strijd met Europese regelgeving. Positieve gevolgen moeten vanaf heden bij een passende beoordeling (wetenschappelijk) vast staan. Alhoewel het merendeel van de zaken over veehouderijen gaat, zijn de uitspraken ook van belang voor projecten voor andere activiteiten zoals wonen, fabrieken, bedrijven, kantoren en infrastructuur nabij Natura 2000 gebieden. Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw sloop en eenmalige aanlegactiviteiten, in het kort de bouwvrijstelling. Dit betekent in het vergunningstraject dat voor het aspect stikstof alleen nog de neerslag (depositie) in de gebruiksfase een rol speelt. Conclusie Het plangebied ligt op grote afstand van Natura 2000 gebieden. De dichtstbijzijnde gebieden zijn de Boezems van Kinderdijk ten noorden van het plangebied en rivier de Oude Maas ten zuiden ervan; elk op circa 4 kilometer afstand. Gezien de grote afstand tot de Natura 2000 gebieden, de relatief beperkte omvang van de ontwikkeling in het plangebied en het gebruik kunnen negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van de beschermde natuurgebieden redelijkerwijs uitgesloten worden.
4.2.11 Archeologie en Cultuurhistorie Rijksbeleid Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie is opgenomen dat de provincie Zuid Holland zorg draagt voor het beschermen en bewaren van archeologische waarden. Dit om te zorgen voor beschermd, benut, en beleefbaar cultureel erfgoed.
De provincie regelt dit door kaders te stellen via de omgevingsverordening. Doel hierbij is deze waarden in situ te behouden, dat wil zeggen dat het archeologisch erfgoed in principe niet verstoord mag worden. 45
Gemeentelijk beleid De gemeente Hendrik Ido Ambacht heeft een archeologiebeleid geformuleerd, dat op 13 januari 2014 is vastgesteld door de gemeenteraad. Dit archeologiebeleid bestaat uit de beleidsnota, een archeologische verwachtings en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies. De nota gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument. Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit.
Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Vigerende bestemmingsplan Op grond van het bestemmingsplan Landelijk gebied Sandelingen Ambacht, vastgesteld door de gemeenteraad van Hendrik Ido Ambacht op 10 september 2012 geldt ter plaatse van het plangebied een archeologische dubbelbestemming. Op grond van artikel 19 van de planregels geldt een onderzoeksverplichting indien sprake is van een bodemverstoring van meer dan 100 m2 met een diepte van meer dan 0,3 meter beneden het maaiveld. Conclusie Door SOB Research is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is in bijlage 6 van de toelichting opgenomen. Doel van het archeologisch vooronderzoek was vast te stellen of er in het plangebied sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de ingrepen verstoord dreigen te worden en, indien mogelijk, uitspraken te doen over de waarde hiervan in termen van fysieke en inhoudelijke kwaliteit zoals zeldzaamheid en gaafheid. Op grond van het uitgevoerde onderzoek wordt door de archeologisch deskundige geconcludeerd dat archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk is.
Gelet op de onderzoeksresultaten (rapport BOOR uit 2007 en recente rapport SOB Research) bestaat er ter plaatse van de beoogde uitbreiding van het dierenpension geen risico op verstoring van archeologische resten. 4.12 Onderzoeksplicht vanwege mer wetgeving In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan m.e.r. plichtig, project m.e.r. plichtig of m.e.r. beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije 46
m.e.r. beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 7 juli 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r. beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r. beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r. beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r. beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r. beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r. beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). Dit geldt ook voor een landinrichtingsproject van meer dan 125 ha (Bijlage onderdeel D9).
De beoogde ontwikkeling bestaat uit de uitbreiding van een dierenpension met bijbehorende voorzieningen die qua oppervlakte ruim onder de genoemde drempelwaarden blijft. Uit de uiteenzetting van voorgaande milieuparagrafen blijkt dat beoogde uitbreiding van het dierenpension geen onderdelen bevat die in hoge mate bijdragen aan de aspecten cumulatie met andere projecten, de locatie van het plan, verontreiniging en hinder, risicos van zware ongevallen en risicos voor de menselijke gezondheid. Aspecten die voorgaand niet zijn behandeld, worden hieronder nader toegelicht. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Tijdens de ontwikkeling van het plan wordt gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen, dit zou echter op elke willekeurige locatie het geval zijn. De productie van afvalstoffen Het ontstaan van afval tijdens de bouw is tevens vanzelfsprekend. Dit is op elke willekeurige locatie het geval. Verontreiniging en hinder (geur, energie en verwerking van afvalstoffen) Er vinden bij de voorgenomen activiteit geen geur veroorzakende werkzaamheden plaats. Tijdens de bouw wordt vanzelfsprekend energie gebruikt, dit zou echter op elke willekeurige locatie het geval zijn. De afvalstoffen worden zo veel mogelijk gescheiden ingezameld en afgevoerd. Afvoer geschiedt door een erkende inzamelaar.
47
Relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen wordt verstaan alle van nature aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn (zoals zoet water, delfstoffen, bos als houtleverancier). Voor zover natuurlijke hulpbronnen aanwezig zijn, worden deze niet aangesproken of beïnvloed door de voorgenomen activiteiten. Op basis van de inhoud van deze toelichting en uitgevoerde onderzoeken kan vastgesteld worden dat gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, er geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.
5. Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet op grond van het Bro onderzocht worden respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn gedekt dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of 1) de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en 2) het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken partijen, vanuit financieel economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen. Met betrekking tot de dekking van de door de gemeente te maken kosten kan worden vastgesteld, dat de gemeentelijke kosten via de te betalen legesvergoeding worden gedekt. 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het ontwerp van de omgevingsvergunning en de ruimtelijke onderbouwing worden voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens de termijn van terinzagelegging kan een zienswijze worden ingediend tegen de ontwerp omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing. Dit kan schriftelijk of mondeling.
Op grond van de artikelen 6.18 Bor en 3.1.1 Bro wordt over een project overleg gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het project in het geding zijn. Volgens de nota van toelichting bij artikel 3.1.1. van het Bro (blz. 54; Stb. 2008, 145) kan het overleg beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt geschaad. Onderhavig plan wordt in het kader van dit vooroverleg voorgelegd aan: Provincie Zuid Holland; Waterschap Hollandse Delta Veiligheidsregio Zuid Holland Zuid. 48