CConstaterende datHendrik-Ido-Ambacht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 bij Raadsvoorstel 9.3 Nota van zienswijzen en ambtelijke wijzigingen

raadsvergadering openbaar 2 juni 2025, gemeente Hendrik-Ido-AmbachtBij agendapunt: Raadsvoorstel eerste omgevingsplanwijziging: zes gebruiksactiviteiten & bodemkwaliteit8.073 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota van zienswijzen en ambtelijke wijzigingen Beantwoording van de binnengekomen zienswijzen en doorgevoerde ambtelijke wijzigingen voor de 'Eerste wijziging omgevingsplan HendrikIdo-Ambacht: 6 gebruiksactiviteiten & bodemkwaliteit'.

1. Inleiding Op 21 januari 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders de ontwerp 'Eerste omgevingsplanwijziging Hendrik-Ido-Ambacht: 6 gebruiksactiviteiten & bodemkwaliteit' 1 vrijgegeven voor terinzagelegging. Het ontwerp is gepubliceerd via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Dit is het systeem achter het Omgevingsloket. In het Omgevingsloket kunnen initiatiefnemers snel zien wat er wel of niet mag in de fysieke leefomgeving, zo ook binnen de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht. Het ontwerp was in te zien via de module 'Regels op de Kaart' op het Omgevingsloket inzien. Daarnaast was het ontwerp met alle daarbij behorende stukken te raadplegen via de gemeentelijke website. Het ontwerp heeft van 4 februari 2025 tot en met 17 maart 2025 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn van zes weken kon eenieder reageren op het ontwerp door hun zienswijze bij de gemeente naar voren te brengen. In totaal zijn er drie reacties ontvangen. Alle drie betreffen zij het thema bodemkwaliteit. In de Nota van zienswijzen en ambtelijke wijzigingen worden zienswijzen in samengevatte vorm weergegeven. Per zienswijze is aangegeven op welke manier de ontvangen zienswijze is beoordeeld en of de reactie heeft geleid tot een aanpassing van het omgevingsplan. Daarnaast is in de nota een overzicht opgenomen van de wijzigingen die ambtelijk zijn doorgevoerd.

Het doel van de nota is om op een korte maar heldere manier inzichtelijk te maken op welke wijze het omgevingsplan is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp. In de nota wordt verduidelijkt hoe deze wijzigingen tot stand zijn gekomen en waarom. Dit alles om het proces zo transparant als mogelijk weer te geven.

1

hierna: het ontwerp

2. Beantwoording zienswijzen Zienswijze 1: HVC Zienswijze Reclamant geeft aan dat in deze zienswijze uitgelegd zal worden dat een algeheel verbod om AVI-bodemassen toe te passen als bouwstof niet nodig én niet wenselijk is. Een verbod zal reclamant en dus ook de gemeente, aandeelhouder van reclamant, belemmeren in het bereiken van haar doelstellingen op het gebied van het recyclen van grondstoffen. Dit verbod brengt de afzet in gevaar en strookt niet met het landelijke beleid. Reclamant stelt voor om een uitzondering te maken voor gereinigde bodemassen die voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen, zodat tevens het belang van het milieu wordt gediend. Met oog op het beschermen van het milieu reinigt reclamant al sinds 2016 haar bodemassen. Zij vormt al jaren de voorhoede als het gaat om het integraal wassen van haar AVIbodemassen en heeft als eerste afvalenergiecentrale (hierna 'AEC') invulling gegeven aan de Green Deal Verduurzaming nuttige toepassing AEC-bodemas. Op basis van het voorbeeld in 2021 in Katwijk waarbij batterijen in het eindproduct zijn aangetroffen, ondanks dat het voldeed aan de normen, heeft reclamant daarna het reinigingsproces stelselmatig verbetert. Daardoor voldoen de bodemassen aan de kwaliteitseisen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 en aangekondigde strengere normen voor restmetaal en batterijen.

Reclamant geeft aan dat het reinigen van bodemassen aanzienlijk duurder is dan geïmmobiliseerde toepassing. Om die reden kiezen veel andere AEC's voor de goedkopere route van immobiliseren. De landelijke overheid vindt dit onwenselijk. Daarbij verwijst reclamant naar het ontwerp-Circulair Materialenplan waarin staat dat gestuurd gaat worden op het reinigen van bodemassen tot een materiaal dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen. En dat voor AVI-bodemassen die na het opwerken voldoen aan deze kwaliteitseisen het ontwerp-CMP geen beperkingen kent. De keuze van de gemeente om een algeheel verbod om AVI-bodemassen toe te passen op te nemen is niet in lijn met het ontwerp-Circulair Materialenplan. Reclamant verwijst daarbij naar een bijeenkomst met partijen als de VNG, ODNL en bedrijfstak waarin staat: 'Actief uitdragen dat vergunningsplicht niet geldt voor gereinigde bodemas'. Reclamant geeft aan dat op een andere wijze moet worden voorzien in een uitzondering op het verbod op het toepassen van AVI-bodemassen als bouwstof voor zover het gaat om gereinigde bodemassen. Een algeheel verbod en daarmee vergunningplicht (BOPA) zal in de praktijk niet werken en uiteindelijk leiden tot het toepassen van schaarse primaire grondstoffen, zoals schoon zand.

Reclamant geeft aan dat gereinigde bodemassen hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend worden toegepast als ophoogmateriaal. Voor de gebruikers van dit materiaal is er (te) weinig tijd tussen het moment van vergunningverlening en het moment van uitvoering. Vergunningverlening blijkt in de praktijk bovendien een onzekere factor te zijn en dat heeft grote gevolgen voor de planning. Niet in de laatste plaats, omdat het toepassen van gereinigde bodemassen in het begin van het project zit. In de praktijk wordt ophoogmateriaal zo snel als mogelijk aangebracht, om zettingen voldoende tijd te geven om grotendeels uit te werken. Het finale ontwerp is dan nog niet uitgekristalliseerd.

Reactie Naar aanleiding van deze zienswijze is de regeling voor bouwstoffen uit het ontwerpbesluit heroverwogen. Wij kunnen ons voorstellen, in lijn met het bezwaar van reclamant, dat een absoluut verbod een ingrijpend en zwaar instrument is. Daarom is het voorstel om de zienswijze deels tegemoet te komen door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen en met beoordelingsregels duidelijk te maken onder welke voorwaarden een activiteit vergunbaar is. Aan de andere kant houden wij daarmee voldoende beoordelingsruimte en dragen we hiermee bij aan het doel van de Omgevingswet en onze omgevingsvisie om te streven naar een gezonde leefomgeving. Wij begrijpen dat wij daarmee niet helemaal tegemoetkomen aan het verzoek van reclamant, waarin gevraagd wordt om een uitzondering voor gereinigde bodemassen. Deze bouwstoffen zijn, als voldaan wordt aan het Bal en de Regeling Bodemkwaliteit 2022, vrij toepasbaar. In de praktijk heeft dat in een aantal gevallen tot incidenten geleid waarbij de bodem, het grondwater en/of het oppervlaktewater verontreinigd is geraakt. Daarnaast zijn er meerdere onderzoeksrapporten verschenen die een zorgelijk beeld over de vrije toepasbaarheid en de geldende regels schetsen. De regels schieten naar onze mening te kort. Dat geldt ook voor de regels voor gereinigde bodemassen.

Wij zien daarom geen mogelijkheid om een uitzondering voor deze categorie te maken. In bijlage 2 van de motivering wordt uitgebreid ingegaan op deze zorgelijke signalen. De huidige landelijke regels bieden onvoldoende bescherming in onze ogen. Daarmee beroepen wij ons op het voorzorgbeginsel en nemen een binnenplanse vergunningplicht op. Ons doel is om zorgwekkende situaties te voorkomen. Het landelijke Besluit activiteiten leefomgeving is zo opgesteld dat gemeenten op decentraal niveau ruimte krijgen om maatwerkregels te stellen voor bodemactiviteiten. Als de lokale omstandigheden en lokaal beleid daarom vragen zijn gemeenten bevoegd om strengere regels te stellen dan het Besluit activiteiten leefomgeving. Een maatwerkregel kan ook een verbod of vergunningplicht inhouden. De wetgever heeft daar niet gekozen voor een landelijke aanpak. Alleen de basis is door de wetgever geregeld. Wij zijn van mening dat een binnenplanse vergunningplicht het meest geschikte instrument is om grip te krijgen op deze problematiek. In bijlage 2 van de motivering zijn de verschillende instrumenten afgewogen. Daarin wordt duidelijk dat een informatieplicht of meldplicht onvoldoende is. Een vergunningplicht kan ook voordelen hebben boven een meldplicht met algemene regels, juist omdat er dan nog afwegingsruimte is.

Wij zijn graag bereid met reclamant in overleg te treden om te komen tot een beleidslijn of beleidsregel die het voorspelbaar maakt wanneer wij de vergunning zullen verlenen en wanneer niet. Wij zijn ons ervan bewust dat een vergunningprocedure extra tijd en kosten oplevert voor de praktijk en dat alternatieven dan aantrekkelijker worden waardoor het product van reclamant mogelijk niet meer wordt afgenomen. Door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen wordt duidelijk via beoordelingsregels wanneer de gemeente de vergunning verleend. Het uitgangspunt is dus niet weigering, maar meewerken aan een zorgvuldige toepassing. Daarmee wordt de onzekere factor kleiner. Tot slot zijn wij ons ook bewust van en steunen wij de ontwikkelingen en doelen op het gebied van circulaire toepassing van bouwstoffen. Gereinigde bodemas heeft daarbij zonder meer de voorkeur boven niet-gereinigde bodemas. Voor alle toepassingen geldt dat er voldoende waarborgen moeten zijn om verontreiniging van bodem, grondwater en/of oppervlaktewater te voorkomen. Zoals hierboven aangegeven zijn wij van mening dat de rijksregels op dit punt

op dit moment tekortschieten. Zolang dit de situatie is willen wij met aanvullende regels en de voorgestelde binnenplanse vergunningplicht grip houden op het toepassen van de betreffende bouwstoffen in onze gemeente.

Zienswijze 2: Heros/AKD Onderwerp 1 Reclamant geeft aan een verwerker te zijn van bodemassen afkomstig van afvalverbrandingsinstallaties. Deze bodemassen worden verwerkt tot circulaire bouwstoffen en worden toegepast in de grond-, weg- en waterbouw. Daarnaast produceert reclamant uit de bodemassen secundaire grondstoffen voor de toepassing in beton en betonproducten. Deze toepassing als bouwstof is voorgeschreven in landelijk beleid. Er geldt bovendien een verbod op het storten van bodemas. Reclamant wijst erop dat als gevolg van het Ontwerp de toepassing van AVI-bodemassen binnen de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht ernstig zal worden belemmerd. Deze belemmering is onwenselijk in meerdere opzichten en in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Reclamant verwerkt al vele jaren AVI-bodemassen tot bouwstoffen. Daarbij is veel onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de bouwstoffen en daarmee is steeds gebleken dat een verantwoorde toepassing mogelijk is. Er is geen aanleiding voor een verbod. Reclamant geeft aan dit verder toe te lichten. Reactie Wij begrijpen deze zorgen. In de verdere beantwoording van deze zienswijze wordt ingegaan op deze belemmeringen en strijdigheden. Daarbij nemen wij in acht wat de gevolgen zijn voor het bedrijf van reclamant en dat zonder verbod ook een verantwoorde toepassing mogelijk is.

Onderwerp 2 Reclamant wijst erop dat besluitvorming van het bestuursorganen moet voldoen aan het evenredigheidsbeginsel. Uit vaste rechtspraak volgt dat de bestuursrechter toetst of een bestreden besluit geschikt is om het doel te bereiken, of het een noodzakelijke maatregel is of dat met een minder vergaande maatregel kan worden volstaan, en of de maatregel in het concrete geval evenwichtig is. Reclamant geeft aan dat niet aan de eis van noodzakelijkheid en evenwichtigheid wordt voldaan. Reactie Wij begrijpen deze reactie en hebben daardoor onze regeling in het ontwerpbesluit voor bouwstoffen en de motivering hiervoor heroverwogen. Daarbij hebben wij geconstateerd dat een iets minder vergaand instrument, namelijk de binnenplanse vergunningplicht in de plaats van het verbod, ook kan volstaan. In onze ogen is dit instrument geschikt om het doel te bereiken. Met een binnenplanse vergunningplicht kan duidelijker worden aangeven wanneer meegewerkt wordt aan een toepassing van deze bouwstoffen. Van de andere kant is er voldoende beoordelingsruimte voor het bevoegd gezag om daarmee preventief zorgwekkende situaties te voorkomen. In onze ogen laat de praktijk zien dat zorgvuldige toepassing nodig is om mee te kunnen werken. Wij beroepen ons hiermee op het voorzorgbeginsel. In onze ogen wordt met de regeling voldaan aan de eis van noodzakelijkheid en evenwichtigheid. Onderwerp 3

Reclamant geeft aan dat er sprake zou zijn van bouwstoffen die in opspraak zijn en bij onzorgvuldige toepassing milieuschade veroorzaken. In de toelichting staat de bouwstoffen op dit moment in opspraak zijn en bij onzorgvuldige toepassing milieuschade veroorzaken. Volgens reclamant is deze onderbouwing volstrekt onvoldoende, zeker voor een ingrijpend verbod. Ten onrechte wordt geen enkele uitleg gegeven waaruit de opspraak zou bestaan. Niet is onderbouwd waarom een verbod op de toepassing van AVI-bodemassen nodig zou zijn. Daarbij geeft reclamant aan dat ten onrechte allerlei verschillende bouwstoffen als "aandachtsbouwstoffen" over een kam worden geschoren. Dat klopt volgens reclamant niet, omdat de eigenschappen van bodemassen in vergelijking met bijvoorbeeld staalslakken of grondstabilisatie anders zijn. Een RIVM-rapport over LD-staalslakken kan niet dragend zijn voor een verbod op bodemassen. Voor elke bouwstof afzonderlijk had nader beoordeeld en onderbouwd moeten worden of regelgeving in aanvulling op landelijke regelgeving überhaupt evenredig is en zo ja, welke vorm van regulering dan passend en proportioneel zou zijn. Ook ontbreken volgens reclamant: - een analyse van de geschetste materie en een onderbouwing van de aanpak die daarvoor nodig en evenredig is.

- een onderbouwing ten aanzien van de 20% gewichtsprocenten als bovengrens voor het gehalte AVI-bodemassen in bouwstoffen en voor de "maatregelen ter voorkoming van milieuschade" zoals in de toelichting opgenomen. - onduidelijk is waarom de bouwstof alleen onder een gesloten verharding zou mogen worden toegepast, en waarom de bouwstoffen een oppervlakte van minimaal 1.000 m2 zouden moeten beslaan. Aldus wordt volgens reclamant niet voldaan aan het motiveringsbeginsel. Reactie Terecht wordt opgemerkt dat de onderbouwing voor de regeling bouwstoffen in het ontwerpbesluit onvoldoende is. Dit is hersteld in de vorm van een aanvulling op de motivering. In bijlage 2 van de motivering wordt stilgestaan bij de beweegredenen voor een regeling voor deze specifieke bouwstoffen. In dit onderdeel in de motivering wordt uitleg gegeven over de risico’s van deze bouwstoffen, onderbouwd met voorbeelden, en worden rapportages van onderzoeken duidelijker aangehaald (inclusief bronvermelding). Op deze manier wordt duidelijker gemotiveerd waarom deze bouwstoffen in opspraak zijn. Naar aanleiding van deze zienswijze is ook de regeling, het verbod, in heroverweging genomen en zijn wij tot inzicht gekomen dat dit instrument te ingrijpend is en ook kan worden volstaan met een binnenplanse vergunningplicht.

Daarbij maakt het bevoegd gezag duidelijk onder welke voorwaarden wel meegewerkt kan worden (middels beoordelingsregels) en dus de vergunning wordt verleend. Het uitgangspunt hierbij is een zorgvuldige toepassing. In de gewijzigde motivering is onderbouwd waarom een binnenplanse vergunningplicht noodzakelijk is, en andere instrumenten zoals een informatie- of meldplicht niet kunnen volstaan. Daarin komt terug waarom dit instrument passend is, en proportioneel ten opzichte van de praktijk. Om de volgende reden is voor een grens van 20% gekozen: De grens van 20% wordt vaker gehanteerd in wet- en regelgeving, bijvoorbeeld bij bodemvreemd materiaal bij grond of baggerspecie. Bij grond waarbij minder dan 20% AVI-bodemas in een bouwstof valt, geldt geen vergunningplicht voor het toepassen. In deze gevallen achten wij dit niet nodig omdat

mogelijke nadelige effecten op de fysieke leefomgeving bij toepassing ervan naar verwachting niet significant zijn. Verdere verduidelijking is ook doorgevoerd in de artikelsgewijze toelichting bij de binnenplanse vergunningplicht. Onderwerp 4 Reclamant geeft aan dat een verbod op de toepassing van AVI-bodemassen zal leiden tot een afname van de afzet van bodemas. De bodemassen die door reclamant worden geproduceerd worden afgenomen door aannemers. Reclamant legt uit dat deze aannemers veelal opdrachten moeten binnenhalen via aanbestedingen. Als ten tijde van de inschrijving voor een aanbesteding onzeker is of een omgevingsvergunning wordt verkregen voor de toepassing van AVI-bodemassen, zal een aannemer in zijn aanbieding kiezen voor de toepassing van andere bouwstoffen. Want als een omgevingsvergunning niet wordt verleend, heeft dat grote gevolgen voor prijs en planning van het project. Reclamant geeft aan dat een aannemer dit risico zal willen vermijden. Ook omdat het onzeker is of en onder welke voorwaarden een Bopa wordt verleend. Gezien de eisen in de toelichting is het onhaalbaar. Reclamant verklaart daarom dat feitelijk het verbod tot gevolg heeft dat geen AVIbodemassen meer in Hendrik-Ido-Ambacht zullen kunnen worden toegepast, in strijd met landelijk beleid.

Het gevolg van een verbod zal zijn dat juist minder secundaire bouwstoffen worden gebruikt, terwijl rijksbeleid juist is gericht op een toename van het gebruik van secundaire bouwstoffen in het kader van de doelstelling om in 2050 volledig circulair te zijn. (…) Hierbij verwijst reclamant naar een Kamerbrief van 1 juli 2024. Het effect van het verbod is juist dat het belang van het milieu wordt geschaad, doordat de circulaire doelstellingen niet kunnen worden gehaald. Dat geldt voor de landelijke doelstellingen, maar ook voor de gemeentelijke circulaire doelstellingen. Gemeentelijke projecten zullen voorts duurder worden omdat primaire bouwstoffen in de regel duurder zijn dan secundaire bouwstoffen. Tegelijkertijd wordt ook het bedrijfsbelang van reclamant onevenredig geschaad. De verwerking van bodemassen is het belangrijkste onderdeel van haar bedrijf. Als bodemassen in Nederland niet langer kunnen worden toegepast als bouwstoffen, bedreigt dat de continuïteit van reclamant. Als sprake is geweest van een enkel incident met de toepassing van AVI-bodemas, dan is dat nog geen reden om de toepassing geheel te verbieden. Dat kan wellicht reden zijn voor specifieke maatregelen zoals extra toezicht, of een concrete aanvullende voorwaarde in het omgevingsplan ter voorkoming van herhaling. Met een verbod is het middel erger dan de kwaal.

Voor deze nadelige gevolgen is geen rechtvaardiging, omdat het belang van mens en milieu niet noopt tot de instelling van een verbod. Reclamant licht dit in de volgende onderwerpen verder toe. Reactie Naar aanleiding van dit onderwerp uit de zienswijze is de regeling voor bouwstoffen in het ontwerpbesluit heroverwogen. Wij constateren dat een verbod een ingrijpend en zwaar instrument is en daarmee niet in het omgevingsplan vastgelegd kan worden onder welke voorwaarden bouwstoffen wel toegepast kunnen worden. Daarom is het voorstel om deze

zienswijze tegemoet te komen door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen waarmee met beoordelingsregels duidelijk wordt gemaakt wanneer meegewerkt kan worden met een toepassing van bouwstoffen. Van de andere kant houden wij daarmee voldoende beoordelingsruimte en kunnen daarmee onze doelen uitoefenen. Zo houden we ook aandacht voor een gezonde leefomgeving zoals beschreven in onze omgevingsvisie. Het probleem bij deze bouwstoffen is dat als voldaan wordt aan het Besluit activiteiten leelfomgeving en de Regeling Bodemkwaliteit deze stoffen vrij toepasbaar zijn. Ondanks deze regels vinden er in de praktijk incidenten plaats die verontreiniging veroorzaken van de bodem, grondwater en/of oppervlaktewater. En verschillende onderzoeksrapporten schetsen een zorgelijk beeld over de vrije toepasbaarheid en de geldende regels die tekort schieten. In bijlage 2 van de motivering wordt uitgebreid ingegaan op deze zorgelijke signalen. De huidige landelijke regels bieden onvoldoende bescherming in onze ogen. Daarmee beroepen wij ons op het voorzorgbeginsel en nemen een binnenplanse vergunningplicht op. Ons doel is om te streven naar een gezonde fysieke leefomgeving (omgevingsvisie). Wij zijn van mening dat een binnenplanse vergunningplicht het meest geschikte instrument is om grip te krijgen op deze problematiek.

In bijlage 2 van de motivering zijn de verschillende instrumenten afgewogen. Daarin wordt duidelijk dat een informatieplicht of meldplicht onvoldoende is. Wij begrijpen de zorgen over een afname van de afzet en begrijpen dat aannemers deze weg mogelijk vermijden. Tot nu toe met het voorbereidingsbesluit is dit nog niet onze ervaring en hebben wij een aantal BOPA’s in behandeling. Toch komen wij de praktijk tegemoet want via de beoordelingsregels wordt duidelijk voor de buitenwereld wanneer de vergunning wordt verleend. We hebben in relatie tot dit bezwaar ook de eisen/voorwaarden herzien en anders geformuleerd in de beoordelingsregels t.o.v. het verbod. Naar onze mening is er geen sprake van strijd met het landelijke beleid. Het rijk, de wetgever, heeft gekozen voor decentrale afwegingsruimte en (nog) geen nationale aanpak. Het Besluit activiteiten leefomgeving is zo opgesteld door het rijk dat gemeenten op decentraal niveau ruimte krijgen om maatwerkregels te stellen voor bodemactiviteiten, waaronder bouwstoffen. Als de lokale omstandigheden en lokaal beleid daarom vragen zijn gemeenten bevoegd om strengere regels te stellen dan het Besluit activiteiten leefomgeving. Wat wel landelijk geregeld is, is de basis. Op het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit is geen maatwerk mogelijk door gemeenten.

Daarbovenop zijn ook onze circulaire doelstellingen van toepassing op deze bouwstoffen. In artikel 11.1 (oogmerken) is na te lezen dat de regels zijn gesteld met oog op duurzaam bodembeheer. In de artikelsgewijze toelichting leggen wij uit dat dit gaat over hergebruik. Andere regels in het omgevingsplan dragen hieraan bij. Wat betreft de incidenten en rechtvaardiging van deze regeling, verwijzen wij naar bijlage 2 van de motivering waarin hierop wordt ingegaan. Onderwerp 5 Reclamant geeft aan dat er geen noodzaak is voor een generiek verbod op het toepassen van AVI-bodemas en bouwstoffen die bestaan uit AVI-bodemas. Volgens reclamant is het niet

nodig om ter bescherming van de kwaliteit van de bodem de toepassing van AVI-bodemas te verbieden. Het staat ook haaks op landelijk beleid. Het gaat dan specifiek om de Green Deal, ontwerp Circulair Materialenplan (opvolger Landelijk Afvalstromenplan 3) en nu opgewerkte bodemas die voldoen aan de kwaliteitseisen vanuit de Regeling bodemkwaliteit 2022. In het CMP is toepassing van AVI-bodemas als bouwstof dat voldoet aan de kwaliteitseisen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022, als minimumstandaard voorgeschreven. Reclamant geeft aan dat de wetgever nadrukkelijk niet heeft gekozen voor een verbod en/of een vergunningplicht voor de toepassing van deze bouwstoffen, omdat met de specifieke regeling het belang van mens en milieu voldoende beschermd is, zoals ook te lezen in de toelichting van het Besluit activiteiten leefomgeving. Een informatieverplichting voor AVIbodemassen en immobilisaten wordt als adequaat instrument gezien om toe te kunnen zien op de kwaliteit van de AVI-bodemas en de locatie van toepassing. Bovendien ziet reclamant niet welke specifieke situatie binnen de gemeente Hendrik-IdoAmbacht aan de orde zou zijn die een verbod alsnog nodig maakt. Geen specifieke situatie wordt benoemd. In de toelichting maakt bij Ontwerp geen enkele melding van een specifieke situatie die noopt tot het voorgenomen verbod.

Volgens reclamant voldoet de enkele wijzing naar enkel ‘het in opspraak zijn’ daartoe niet. Enkele incidenten kunnen niet een algeheel verbod rechtvaardigen. Daarbij beschrijft reclamant dat AVI-bodemassen verantwoord kunnen worden toegepast. De noodzaak om de toepassing van AVI-bodemas te verbieden, is kortom niet aangetoond. Voor zover er zorgen zijn omtrent de kwaliteit van de bouwstoffen die worden toegepast, voorziet het Besluit activiteiten leefomgeving erin dat tijdig informatie wordt aangeleverd, zodat de toezichthouder kan vaststellen of inderdaad bouwstoffen worden toegepast binnen de kaders van de wet. De gemeente heeft hier een toezichthoudende taak die binnen het huidige kader adequaat kan worden uitgevoerd. De invoering van een vergunningplicht voegt daar niets aan toe. Reactie Zoals aangegeven bij onderwerp 4 hiervoor, zien wij als gemeente wel een noodzaak voor een regeling voor bouwstoffen. Om het bezwaar gedeeltelijk tegemoet te komen is gekozen om in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen. De noodzaak hiervoor is aangetoond en opgenomen in bijlage 2 van de motivering. De huidige landelijke regels bieden onvoldoende bescherming. In de praktijk vinden incidenten plaats die leiden tot verontreiniging van de bodem, grondwater en/of oppervlaktewater.

Verschillende onderzoeksrapporten schetsen een zorgelijk beeld over de vrije toepasbaarheid. Daarom beroepen wij ons op het voorzorgbeginsel om preventief maatregelen te nemen gericht op het voorkomen van een verslechtering van de bodemkwaliteit. Naar onze mening is er geen sprake van strijd met het landelijke beleid. Het rijk, de wetgever, heeft gekozen voor decentrale afwegingsruimte en (nog) geen nationale aanpak. Het Besluit activiteiten leefomgeving is zo opgesteld door het rijk dat gemeenten op decentraal niveau ruimte krijgen om maatwerkregels te stellen voor bodemactiviteiten, waaronder bouwstoffen. Als de lokale omstandigheden en lokaal beleid daarom vragen zijn gemeenten bevoegd om strengere regels te stellen dan het Besluit activiteiten leefomgeving. Zoals hiervoor aangegeven zijn voorbeelden van incidenten beschreven in bijlage 2 van de motivering, eveneens de noodzaak. Op rijksniveau is een informatieplicht als basis

voldoende geacht, maar dat vinden wij niet voldoende en daarom pakken wij de ruimte om hier maatwerkregels te stellen. De informatieplicht (eveneens een meldplicht) bieden onder andere geen ruimte om de toepassing en de risico’s ervan te beoordelen. Het bevoegd gezag kan alleen aanschrijven op gegevens die missen. De toepassing willen wij op de locatie kunnen afwegen. Ook een maatwerkvoorschrift, dat achteraf wordt opgelegd, biedt geen ruimte om deze zorgvuldigheid te toetsen en/of voorwaarden aan te verbinden. Onderwerp 6 Volgens reclamant is ten onrechte gekozen voor het meest vergaande middel en reclamant stelt alternatieven voor die minder vergaand zijn. Volgens reclamant kan ook via een intensivering van het toezicht de gemeente erop toezien dat toepassingen van AVI-bodemassen voldoen aan de wettelijke eisen, ter voorkoming van een onverhoopt incident. Reclamant verwijst naar de brief van de Minister en het Ontwerp CMP waarin ook op alternatieven wordt gewezen waarmee de zorgen van de gemeenten die een vergunningplicht overwegen kunnen worden ondervangen. Reclamant meent dat de gemeente hendrik-IdoAmbacht deze herijking van de rijksregels ten onrechte doorkruist met de invoering van een verbod. Ook wordt gewezen op het opzetten van een ketenaanpak door de Minister.

Reclamant wijst erop het gesprek dat de minister zal aangaan met gemeenten om te zien wat zij nodig hebben voor een verantwoorde toepassing van secundaire bouwstoffen in het algemeen, af te wachten. Dan kan pas beoordeeld worden of nadere regels op gemeentelijk niveau voor één of meer stoffen opportuun zijn. En als die nadere regels dan toch opportuun worden bevonden, dan hoeft dat niet met een verbod maar kan dat ook worden vormgegeven door het stellen van nadere eisen in het Omgevingsplan, naar evenredigheid toegespitst op de betreffende stoffen. Reactie In lijn met de voorgaande antwoorden op de onderwerpen, zijn de alternatieven voor instrumenten afgewogen door de gemeente. Dit is terug te lezen in bijlage 2 van de motivering. Daaruit blijken een informatie- of meldplicht onvoldoende. Ons doel is preventie en het beoordelen van een zorgvuldige toepassing. Bij toezicht kan alleen ingegrepen worden als de toepassing al heeft plaatsgevonden. Dat sluit niet aan op ons beleid. Het is wel zo dat gekozen is voor een iets minder vergaand instrument dan een verbod, namelijk een binnenplanse vergunningplicht, waarmee duidelijk wordt wanneer het bevoegd gezag een vergunning verleent voor de toepassing van deze bouwstoffen. Reclamant wijst op de landelijke ontwikkelingen.

Op dit moment heeft de wetgever het toegestaan om decentraal maatwerkregels te stellen op de regeling voor bodem in het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor alle toepassingen geldt dat er voldoende waarborgen moeten zijn om verontreiniging van bodem, grondwater en/of oppervlaktewater te voorkomen. Wij zijn van mening dat de rijksregels op dit punt op dit moment tekort schieten. Zolang dit de situatie is willen wij met aanvullende regels en de voorgestelde binnenplanse vergunningplicht grip houden op het toepassen van de betreffende bouwstoffen in onze gemeente. De zorgelijke signalen die wij door krijgen zijn reden om ons te beroepen op het voorzorgbeginsel en een binnenplanse vergunningplicht door te voeren. Dit biedt volgens ons

voldoende bescherming tot er mogelijk landelijk een alternatief wordt doorgevoerd in de landelijke wetgeving.

Onderwerp 7 In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 11.19 moet rekening gehouden worden met een viertal maatregelen. Reclamant geeft aan dat de noodzaak voor deze maatregelen niet wordt onderbouwd. Ten aanzien van deze maatregelen maakt reclamant de volgende opmerkingen: - De voorwaarde dat de bouwstof onder gesloten verharding moet worden toegepast is niet aanvaardbaar. De AVI-bodemas die voldoet aan de kwaliteitscriteria in de Regeling bodemkwaliteit mag vrij worden toegepast. Een deel van die toepassing ligt niet onder een gesloten verharding, maar vormt bijvoorbeeld zelf de verharding. AVIbodemassen worden toegepast in waterpasserende systemen. Er is geen onderbouwing waarom die bewezen toepassing in Hendrik-Ido-Ambacht wordt uitgesloten. - De maatregel dat de bouwstof boven de grondwaterstand moet worden toegepast is onduidelijk omdat het begrip grondwaterstand niet is gedefinieerd. De grens van 1.000 m2 is verder volstrekt willekeurig. - Deze maatregelen kunnen net zo goed als maatwerkregel in het omgevingsplan worden opgenomen, wat minder verstrekkend is dan een verbod. Reactie Er is gekozen om het verbod te wijzigen naar een binnenplanse vergunningplicht. Dit betekent dat de maatregelen die reclamant aanhaalt terugkomen als beoordelingsregels bij deze binnenplanse vergunningplicht. Als hieraan wordt voldaan, wordt de omgevingsvergunning verleend.

De noodzaak voor deze maatregelen (nu beoordelingsregels) is beschreven in bijlage 2 van de motivering. Er zijn beoordelingsregels toegevoegd om zo goed als mogelijk vooraf duidelijk te maken op welke punten een aanvraag wordt beoordeeld. Vanwege de naar onze mening verouderde en onvolledige uitlogingsnormen is in de beoordelingsregels opgenomen dat de bouwstoffen nu en in de toekomst niet in contact mogen komen met het grondwater en ook niet met hemelwater. Daarnaast moet het project onder meer voldoende schaalgrootte hebben en moet ook bij de aanleg uitloging of verontreiniging van de onderliggende bodem, het grondwater of het oppervlaktewater voorkomen worden. De grondwaterstand wordt gedefinieerd als gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Dit is, naar aanleiding van de opmerking van reclamant hierover, opgenomen in de toelichting van de aanvraagvereisten. Naar aanleiding van de opmerking van reclamant over de grens van 1.000 m2 is deze vervangen door de eis dat ‘de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte’. Voldoende schaalgrootte is flexibeler en nader toegelicht in de toelichting bij de beoordelingsregel. Het doel van de schaalgrootte is dat de toepassing herkenbaar en beheersbaar is.

In de artikelsgewijze toelichting bij de beoordelingsregels en aanvraagvereisten is extra toelichting toegevoegd over deze maatregelen, in lijn met het verzoek van reclamant. Als reclamant meent dat een toepassing die niet past binnen onze beoordelingsregels wel zou moeten worden toegestaan, kan hiervoor alsnog een verzoek via een buitenplanse omgevingsvergunning worden aangevraagd.

Onderwerp 8 Volgens reclamant is het mogelijk een sluitende regeling op te nemen in het omgevingsplan die recht doet aan de wens om het belang van mens en milieu bij de toepassing van AVIbodemassen zonder dat een verbod nodig is. Zo verwijst reclamant naar informatie die is aangeleverd in het kader van een Woo-verzoek. Daaruit blijkt dat voor een verbod is gekozen omdat dit de regels simpeler maakt. Reclamant geeft aan dat hiermee een verdere uitwerking in de regels niet onmogelijk werd bevonden. Daarnaast vindt reclamant het argument simpeler onbegrijpelijk. Want het vormt een aanzienlijke belemmering voor de toepassing van secundaire bouwstoffen en de transitie naar circulariteit, terwijl met goed doordachte regels het belang van mens en milieu evengoed gediend kan worden. Reclamant geeft aan dat wanneer een initiatiefnemer vooraf kan inschatten of aan de geldende toetsingscriteria kan voldaan, dit rechtszekerheid geeft en secundaire bouwstoffen zullen worden gekozen waar dat ook volgens de gemeente aanvaardbaar wordt gevonden. Reclamant merkt het volgende op ten aanzien van de gevraagde informatie in de artikelsgewijze toelichting: - Onduidelijk welke concrete informatie overlegd moet worden en wat daarvan de waarde is voor verdere beoordeling. - Waarborging van de eisen van het productcertificaat is nodig, indien een milieuhygiënische verklaring een productcertificaat is.

Reclamant begrijpt dit niet, omdat dit toch juist met het productcertificaat wordt geborgd. - Kritische aspecten zoals grondwater en oppervlaktewater in de nabijheid worden beschreven. Het is volgens reclamant onduidelijk wanneer sprake is van "nabijheid"? Verder is de opsomming niet uitputtend, zodat onduidelijk is wat de gemeente als kritische aspecten beschouwt. Dat is rechtsonzeker. - De "grondwaterstand" is niet gedefinieerd, zodat niet goed kan worden aangegeven wat de toepassingshoogte is ten opzichte van de grondwaterstand. - Informatie over de zetting voor de komende 100 jaar moet worden gegeven. Dit snapt reclamant niet. Dat is in de eerste plaats een overdreven lange periode en vergt een onnodig onderzoeksinspanning. Verder blijkt niet wat de relevantie hiervan is. Reclamant meent dat deze aanvullende informatie op het Bal niet gevraagd hoeft te worden. De noodzaak is ook niet beschreven en zal alleen maar leiden tot onnodige onderzoeksverplichtingen en belemmeringen. Deze verplichting kan eenvoudig in het omgevingsplan opgenomen worden en daarom is geen vergunningplicht nodig. Kortom, de eisen van noodzakelijkheid en rechtszekerheid staan in de weg aan een vergunningplicht voor de toepassing van AVI-bodemas.

Voor zover aanvullende lokale eisen nodig zouden zijn, gebiedt de evenredigheid dat hooguit een eenduidige maatwerkregel wordt opgenomen in het omgevingsplan met lokale aanvullende eisen waaronder AVI-bodemas, als alternatief voor een vergunningplicht. Reactie Naar aanleiding van dit onderwerp is de regeling voor een verbod op het toepassen van bouwstoffen in het ontwerpbesluit heroverwogen. Wij kunnen ons voorstellen, in lijn met het bezwaar van reclamant, dat een absoluut verbod een ingrijpend en zwaar instrument is. Daarom is het voorstel om de zienswijze deels tegemoet te komen door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen waarmee met beoordelingsregels duidelijk wordt wanneer meegewerkt wordt met een toepassing door de gemeente. Van de andere kant houden wij daarmee voldoende beoordelingsruimte en kunnen daarmee onze doelen uitoefenen zoals het steven naar een gezonde fysieke leefomgeving.

Daarmee is het beoordelingskader verandert. Bij een verbod geldt het beoordelingskader dat het moet bijdragen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat is een breed afwegingskader. Bij een binnenplanse vergunningplicht vormt het beoordelingskader de beoordelingsregels in het omgevingsplan. Op deze manier kan vooraf beter ingeschat worden of aan de toetsingscriteria in de beoordelingsregels voldaan kan worden. Wanneer hier sprake van is, wordt de omgevingsvergunning verleend door het bevoegd gezag. Een binnenplanse vergunningplicht geeft meer rechtszekerheid dan een verbod. In lijn met het verzoek van reclamant over de gevraagde informatie en andere onduidelijkheden zijn de beoordelingsregels en aanvraagvereisten aangepast. Ook zijn deze beter afgestemd op de vereiste informatie vanuit het Besluit activiteiten leefomgeving. Ten aanzien van de noodzakelijkheid en rechtszekerheid is de motivering van het besluit aangevuld met bijlage 2. Ook bij de eerdere onderwerpen van deze zienswijze is hierop ingegaan. Onderwerp 9 Tot slot wijst reclamant erop dat de invoering van een verbod geen geschikte maatregel is, omdat daarmee niet op een coherente wijze uitvoering wordt gegeven aan het Nederlandse bouwstoffenbeleid.

Reclamant verwijst naar de eerdere onderwerpen: - Rijksbeleid richt zich op toepassing van secundaire bouwstoffen ten aanzien van circulariteit en voorziet in toepassingsmogelijkheden, haaks op de gemeentelijke regelgeving. - Daarmee dreigt een lappendeken van verschillende regels voor de toepassing van bouwstoffen, of vergelijkbare regels met procedures. Dat alles levert tegenstrijdigheden op, is niet coherent en daarmee ook om die reden in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Reclamant verzoekt daarom af te zien van de vaststelling van paragraaf 11.2.3 en in de plaats maatwerkregels op te stellen waarmee het belang van mens en milieu ook op adequate wijze kan worden behartigd. Reactie In onze ogen is onderbouwd waarom een regeling voor bouwstoffen noodzakelijk en evenredig is. Daarbij zien wij af van een verbod, maar stellen in de plaats een binnenplanse vergunningplicht voor die meer rechtszekerheid biedt naar de buitenwereld, gedeeltelijk tegemoet komt aan deze zienswijze en tegelijk voldoende beoordelingsruimte biedt voor het bevoegd gezag om op basis van het voorzorgbeginsel haar preventieve taken uit te voeren. Op deze manier worden mens en milieu beschermd en wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit verslechterd.

Gemeente Molenlanden Zienswijze Reclamant geeft aan dat deze zienswijze betrekking heeft op de afspraken die zijn gemaakt in het regionale bodembeleid. In het kader van ervaringen ziet reclamant graag een bepaling opgenomen, die aanvullend reguleert dat bij onverhoopte schade aan de omgeving de eigenaar verantwoordelijk is voor de schade én in staat is de kosten voor sanering te dragen.

Conform de gemaakte afspraken wordt verzocht het volgende toe te voegen: De eigenaar dient ten genoegen van het bevoegde gezag (= de gemeente) aan te tonen, dat hij in staat is om de negatieve gevolgen van het toepassen van stoffen in het kader van activiteiten, zoals bedoeld in Paragraaf 11.2.2 Toepassen van grond of baggerspecie, Artikel 11.7 Verbod toepassen thermische gereinigde grond en Paragraaf 11.2.3 Toepassen van bouwstoffen, Artikel 11.19 Verbod toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken, te voorkomen en eventuele uit die toepassing voortvloeiende milieu- dan wel gezondheidsschade volledig te vergoeden. Reclamant vraagt rekening te houden met de gemaakte regionale afspraken en uniformiteit te hanteren rondom het bodembeleid. En de regel in de artikelsgewijze toelichting op Artikel 11.7 Verbod toepassen thermische gereinigde grond en de artikelsgewijze toelichting op Artikel 11.19 Verbod toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken op te nemen. Reactie Wij begrijpen dat reclamant bij onverhoopte schade de eigenaar verantwoordelijk wilt stellen en de eigenaar in staat moet zijn de kosten voor sanering te dragen. Om diverse redenen stellen wij een alternatieve aanpassing van de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 11.7 en 11.19 voor.

Daarbij is het verbod gewijzigd in een binnenplanse vergunningplicht. Bij de aanvraagvereisten van de binnenplanse vergunningplicht zullen wij de volgende informatie eisen: - het akkoord van de opdrachtgever - de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase Met deze informatie is het mogelijk om de verantwoordelijke partijen aan te schrijven/aan te spreken en te wijzen op de zorgplicht. Onze reden voor dit alternatief: - het aantonen, oftewel het laten zien dat er financiële middelen zijn bij de eigenaar, is lastig uitvoerbaar - het is niet duidelijk aan wie vergoed moet worden - de grondeigenaar is niet altijd de verantwoordelijke, er zijn veel partijen betrokken bij een toepassing of er kan sprake zijn van een huurconstructie. De veroorzaker moet opdraaien voor de schade - de zorgplicht uit de Omgevingswet ziet al grotendeels hierop toe. Daar moet bij aangesloten worden (aanschrijven op basis van de zorgplicht) Het voorstel van reclamant voor aanvulling in de artikelsgewijze toelichting over financiële zekerheidsstelling kan in onze ogen in eerste instantie het doel niet bereiken. Ten eerste zal het doel niet gehaald worden als het in de toelichting komt, omdat een artikelsgewijze toelichting formeel geen status heeft, maar een uitleg van een regel is. Het is niet bindend. Ten tweede is er geen praktische invulling te bedenken.

Het is niet duidelijk op welke manier een eigenaar aantoont dat hij eventuele schade kan vergoeden. De schade is niet vooraf bekend, waardoor er geen bedrag kan worden bepaald. Daarnaast leidt eventuele schade over het algemeen tot maatregelen die worden opgelegd en niet tot geld dat uitbetaald moet worden. Bij uitbetaling is niet duidelijk aan wie geld wordt uitbetaald en of die dan ook verantwoordelijk wordt gehouden voor de schade. Ook is niet altijd de eigenaar aansprakelijk voor schade maar kan dit ook de erfpachter, initiatiefnemer, toepasser of andere partij zijn.

Ten derde zijn er betere alternatieven voorhanden. Onder andere zou een beroep kunnen worden gedaan op de algemene zorgplicht uit de Omgevingswet. Verder mag in onze ogen de gewenste bepaling niet worden opgenomen in het omgevingsplan. Wat je als gemeenteraad wel en niet mag opnemen in je omgevingsplan staat in artikel 2.7 Omgevingswet en is verder uitgewerkt in artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit. De volgende regels mogen niet worden opgenomen in het omgevingsplan: 1. Regels die buiten de reikwijdte van de Omgevingswet vallen, 2. Regels op grond van bijzondere wetten en 3. regels genoemd in artikel 2.1, tweede lid van het Omgevingsbesluit. Regels over vergoedingen en financiële zekerheidstelling vallen onder 2 Regels op grond van bijzondere wetten.

3. Overzicht van ambtshalve wijzigingen

Algemene wijzigingen Specifieke activiteit

Nr.

-

1

Gewijzigde locaties of omgevingsnormen

•

De wijziging raakt alle locaties en omgevingsnormen.

Samenvatting

Soort aanpassing

Er zijn een paar wijzigingen doorgevoerd die nodig waren door de manier waarop het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) werkt. Na de publicatie van het ontwerp bleek dat niet alle normen leidde tot het verwachte resultaat in 'Regels op de Kaart' op het Omgevingsloket. Dit is de ‘voorkant’ (het deel dat initiatiefnemers zien) van het DSO.

-

Het probleem was als volgt: Op een aantal plekken werden de juridische regels niet zichtbaar, terwijl deze plek wél in de locatie of in de omgevingsnorm was opgenomen. Om deze technische problemen op te lossen zijn er in het algemeen twee veranderingen doorgevoerd in het omgevingsplan: 1.

Als in een sub van een lid een locatie of omgevingsnorm werd genoemd is deze - waar nodig - verplaatst naar een eigen lid.

De bovenstaande wijziging heeft als gevolg dat er in een paar artikelen een aantal leden zijn toegevoegd. De inhoud van deze leden blijft onveranderd. 2.

Er zijn in een paar paragrafen verboden toegevoegd die duidelijk maken dat er in de

omvang en situering regels worden gesteld over een (sub)activiteit – zoals het exploiteren van een gemakswinkel bij een tankstation. De regels die in het omgevingsplan worden gesteld gelden altijd op een bepaalde locatie. Niet overal mag hetzelfde, zelfs als het om dezelfde gebruiksactiviteit gaat. Zo mag een tankstation enkel een gemakswinkel exploiteren als deze binnen de locatie 'Gemakswinkel' ligt, ondanks dat detailhandel in motorbrandstoffen op meerdere plekken is toegestaan. Uit deze regel volgt dat andere tankstations enkel onbemand mogen zijn. Dit maakt het artikel omvang en situering duidelijk. Door de werking van het DSO worden dit soort regels alleen zichtbaar op die locaties die in de regel zijn genoemd. Op deze manier zijn de voorwaarden die worden gesteld aan een activiteit alleen zichtbaar op die plekken waar die activiteit ook echt mag. Het nadeel hiervan is dat een initiatiefnemer die buiten die locatie klikt niet gelijk ziet dat er in het omgevingsplan regels over het exploiteren van een gemakswinkel staan en dat dit buiten die locatie niet mag. Om deze reden zijn er in een aantal paragrafen verboden toegevoegd. Met een dergelijk verbod wordt inhoudelijk niets anders geregeld dan het ontwerp al deed. In het ontwerp waren deze verboden namelijk al (impliciet) aanwezig.

Het rechtsgevolg blijft in andere woorden hetzelfde, maar het verbod wordt nu uitgeschreven. Daarmee is het voor een initiatiefnemer duidelijker dat er aanvullende regels worden gesteld – en waar die staan in het omgevingsplan. Het bovenstaande laat overigens onverlet dat de locaties en omgevingsnormen tijdens de inzagetermijn raadpleegbaar waren via het Omgevingsloket.

Maatschappelijke activiteiten Specifieke activiteit

Nr.

maatschappelijk basis

2

3

Gewijzigde locaties of omgevingsnormen

•

Locatie 'Maatschappelijke activiteit - Basis'

•

Locatie 'Kerkgebouw van Zuidwende-Zuid'

•

Locatie 'Maatschappelijke activiteit – Basis'

•

Locatie 'Voorziening hulpdiensten'

Samenvatting

Soort aanpassing

De locatie 'Maatschappelijke activiteit – Basis' is uitgebreid, zodat deze ook de plek omvat waar het kerkgebouw op de Zuidwende-Zuid was voorzien. In lijn met het vigerende bestemmingsplan is in het omgevingsplan opgenomen dat de maatschappelijk activiteiten die hier mogen plaatsvinden alleen levensbeschouwelijke en/of religieuze activiteiten betreffen.

Beleidsneutraal

De locatie 'Voorziening hulpdiensten' is toegevoegd. Het gaat om een voorziening voor de Veiligheidsregio die is voorzien bij de eerste fase van de Noordoevers.

Beleidsneutraal

4

•

Locatie 'Maatschappelijke activiteiten alleen op de begane grond'

De locatie omvatte in het ontwerp het gehele winkelcentrum De Schoof. Dit komt niet overeen met de feitelijke situatie, omdat er in delen van het winkelcentrum ook maatschappelijke activiteiten op de verdiepingen plaatsvinden. Deze fout wordt hersteld. Op deze manier is er ook in de toekomst ruimte voor deze activiteiten.

Vernieuwing

Woonactiviteiten alle woonactiviteiten

5

Er is een verbod toegevoegd om motorvoertuigen te parkeren op het gebouwerf van een woning. Hiermee wordt voorkomen dat de gronden rondom een woning in afwijking van het bepaalde in de bestemmingsplannen of een ander ruimtelijk besluit – zonder meer worden ingericht en gebruikt als parkeervoorziening. Via het overgangsrecht blijven bestaande rechten gehandhaafd. Dit betekent dat inwoners die reeds legaal parkeerde in het voor- of achtererfgebied dit gebruik mogen voortzetten. In de tussentijd wordt er gewerkt aan een nieuwe en eenduidige regel voor het parkeren bij woonactiviteiten. Deze regeling zal in de toekomst het verbod vervangen.

Vernieuwing

wonen basis

6

•

Locatie 'Woongebied van Graaf Willemlaan'

Als onderdeel van het project Ambachts Lint wordt in het centrum van het dorp een woongebied ontwikkelt. In het vigerende bestemmingsplan worden er voorwaarden gesteld aan de woningdifferentiatie. Dit is ongewijzigd overgenomen in het omgevingsplan. In bijlage 1 van het omgevingsplan zijn aanvullende definities van sociale koopwoning en sociale huurwoning toegevoegd.

Beleidsneutraal

7

•

Locatie 'Woonactiviteit – Basis'

Vernieuwing

•

Locatie 'Woonactiviteit – Beroep of bedrijf aan huis'

•

Locatie 'Woonactiviteiten alleen op de verdiepingen'

Het bestemmingsplan bood in de Volgerlanden-West ruimte voor het realiseren van woningen, die zich gedeeltelijk boven de grond bevinden. Dit wordt ook wel een overbouw genoemd. Bij het realiseren van de woningen is deze overbouwing er nooit gekomen. Om deze reden worden deze coördinaten verwijderd uit alle locaties die op deze plek betrekking hadden, zoals 'Woonactiviteit – Basis'.

•

Locatie 'Bewoning alleen door een afzonderlijk huishouden'

•

Locatie 'Woonactiviteit – Basis'

In het bestemmingsplan dat vigerend is ter plaatse van het woongebied van het Ambachts Lint bevindt zich een aanduiding 'parkeerterrein'. De gronden die als dusdanig zijn aangeduid worden verwijderd uit de woonlocatie.

Beleidsneutraal

8

9

•

Omgevingsnorm 'Maximum aantal woningen'

In het ontwerp zijn een paar wijzigingen doorgevoerd die samenhangen met de norm 'maximum aantal woningen'.

Beleidsneutraal

Als onderdeel van het project Ambachts Lint mogen er volgens het bestemmingsplan 81 woningen worden ontwikkeld. Inmiddels is dit aantal gestegen. Het maximum bedraagt nu 86. De normwaarde is aangepast om overeen te komen met deze vergunde situatie.

zorgwoning

10

•

Locatie 'Woonactiviteit zorgwoning alleen op de begane grond'

Ter plaatse van een blok met woningen was in het bestemmingsplan 'Krommeweg – de Sandelingen' een regel opgenomen die ervoor zorgde dat zorgwoningen uitsluitend op de begane grond waren toegestaan. Uit nieuwe inzichten blijkt dat deze beperking niet overeen komt met de feitelijke situatie. Het wordt daarom als onnodig ervaren op deze beperking over te nemen in het omgevingsplan. De locatie die dit regelde komt daarom te vervallen. Dit betekent dat activiteiten met betrekking tot het zorgwonen voortaan - ook juridisch gezien - op de verdiepingen zijn toegestaan.

Detailhandelsactiviteiten

Vernieuwing

detailhandel in motorbrandstoffen

11

•

Locatie 'Mobilityhub'

Alle ondergeschikte activiteiten zijn opgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Dit is gedaan, omdat er ter plaatse van de Mobilityhub voor het bedrijf een maximum geldt voor de gezamenlijke vloeroppervlakte van alle ondergeschikte activiteiten. Dit maximum is ongewijzigd overgenomen in het omgevingsplan.

Beleidsneutraal

12

•

Locatie 'Detailhandelsactiviteit – Detailhandel in motorbrandstoffen'

Het tankstation aan de Noordeinde 158 is toegevoegd, conform de verleende omgevingsvergunning.

Actualisering

•

Locatie 'Gemakswinkel'

De omgevingsvergunning maakt enkel een onbemand tankstation mogelijk. Dit betekent dat niet alle regels uit het ontwerp meer voor alle tankstations opgaan. Zo is het op deze locatie niet toegestaan om een gemakswinkel te exploiteren. Om deze reden is aan de paragraaf een verbod toegevoegd. Dit verbod maakt duidelijk dat het exploiteren van een gemakswinkel bij een tankstation niet is toegestaan, tenzij er aan enkele voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden worden vervolgens gekoppeld aan de locatie 'Gemakswinkel'. Door de manier waarop het DSO werkt zijn de voorwaarden alleen zichtbaar binnen de locatie 'Gemakswinkel'. Door het verbod op te nemen blijft het voor een initiatiefnemer – die buiten die locatie een gemakswinkel wil exploiteren– toch duidelijk dat er over deze activiteit regels staan in het omgevingsplan.

Horeca-activiteiten lichte horeca

middelzware horeca

13

•

Locatie 'Horeca-activiteit – Lichte horeca'

De locatie ‘Horeca-activiteit – Lichte horeca’ wordt uitgebreid om ook alle plekken binnen de gemeente te omvatten waar middelzware horeca is toegestaan. Het verschil is enkel en alleen aangebracht om aan te duiden welke bovengrens er voor horeca-activiteiten geldt op een locatie. Het is niet bedoeld om daarmee lichtere horeca-activiteiten uit te sluiten.

Beleidsneutraal

14

•

Locatie 'Horeca-activiteit – Lichte horeca'

De mogelijkheid om ter plaatse van het gebouw op het parkeerterrein van de Sandelingen-Oost een horecabedrijf te vestigen blijft intact. Het gaat hier om een gebouw aan de snelweg in tegenovergestelde richting van de McDonalds. In het vigerende bestemmingsplan had dit de enkelbestemming 'Horeca'. Met het aanpassen van de locatie is dit overgenomen.

Beleidsneutraal

15

•

Locatie 'Horeca-activiteit – Lichte horeca'

Het winkelcentrum Louwersplein en het blok in noordoostelijke richting daarvan (langs de straat Avelingen) waren in de vigerende regelgeving aangewezen als plekken voor lichte horeca. De locatie wordt uitgebreid om deze praktijk te weerspiegelen.

Beleidsneutraal

16

•

Locatie 'Horeca-activiteit – Middelzware horeca'

Beleidsneutraal / Actualisering

•

Locatie 'Horeca-activiteiten alleen op de begane grond'

Het waterbusplein, het cultureel centrum Cascade en de Ridderhal zijn opgenomen. Ook is de locatie uitgebreid met de aanduiding 'horeca' ter plaatse van de eerste fase van de Noordoevers. Het gaat hier om veranderingen die deels volgen uit de bestemmingsplannen en deels naar aanleiding zijn van de inmiddels verleende omgevingsvergunningen.

Daar waar horeca is toegestaan ter plaatse van de Noordoevers geldt dat dit alleen op de begane grond plaatsvindt. Dit komt voort uit het bestemmingsplan.

17

•

Omgevingsnorm 'Maximum vloeroppervlakte van horeca-activiteiten'

Daar waar horeca-activiteiten mogen plaatsvinden ter plaatse van het Waterbusplein, de Ridderhal en de Noordoevers is een norm opgenomen. Met deze norm wordt de maximale vloeroppervlakte van de horecaactiviteiten bepaald.

Beleidsneutraal

In het geval van het Waterbusplein gaat het om 2500 m2. Bij de Noordoevers geeft de norm een maximum van 385 m2 aan en bij de Ridderhal geldt 190 m2 als de bovengrens voor alle horeca. hotel en pension

18

•

Locatie 'Horeca-activiteit – Hotel en pension'

Na vaststelling van het vigerende bestemmingsplan is aan de Hoogtstraat 1 een hotel vergund. De locatie is gewijzigd om deze feitelijke situatie te weerspiege

Actualisering

Bodemactiviteiten toepassen van grond en baggerspecie

19

•

Locatie 'Bodembeheergebied grond en baggerspecie'

•

Locatie 'Circulair Bedrijvenpark Ambachtsezoom'

De gemeente kan ervoor kiezen om een uitzondering te maken op de afwijkende kwaliteitseisen die in het omgevingsplan zijn opgenomen voor het toepassen van grond of baggerspecie op een industrieterrein of een bedrijventerrein. Ten opzichte van het ontwerp is deze bepaling slechts verplaatst. Dit wordt niet langer geregeld in artikel 11.13, maar wordt nu achterin het omgevingsplan gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. Als uitzondering op deze regel is Bedrijvenpark Ambachtsezoom al in het omgevingsplan opgenomen. Het college is vervolgens

Vernieuwing

bevoegd om te bepalen of er andere locaties zijn, waarvoor deze uitzondering moet worden gemaakt. nazorg

20

•

Locatie 'Locaties nazorg Omgevingswet'

In het omgevingsplan kunnen er locaties worden aangewezen waar nazorg verplicht is. Nazorg kan nodig zijn als er na het saneren van de bodem nog verontreiniging in de bodem aanwezig is, waardoor er maatregelen moeten worden genomen. Gedacht kan worden aan het aanbrengen van een afdeklaag. Via een delegatiebepaling krijgt het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid om dit soort nazorglocaties aan te wijzen. Daarmee kan het college iemand verplichten om de getroffen maatregelen voor onbepaalde tijd in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit met oog op de gezondheid.

Vernieuwing

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15594398/1