CConstaterende datHendrik-Ido-Ambacht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 bij raadsvoorstel 9.4 NL.IMRO.0531.bp47WlgDeNoorden-3001 Toelichting

raadsvergadering openbaar 3 oktober 2022, gemeente Hendrik-Ido-AmbachtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden17.201 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

31

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

op overstromingen klein. De opgehoogde bouwkavels liggen ook circa 50 cm hoger dan hun omgeving. Bij 20 cm verhoging van het streefpeil treedt geen schade op aan gebouwen en blijven de hoofdwegen begaanbaar. Risico op hitte(stress) Tenminste 50% van de verblijfsplekken en gebieden waar langzaam verkeer zich verplaatst heeft schaduw bij de hoogste zonnestand, minimaal 40% is verkoelend ingericht (onverharde tuinen, openbaar groen, water). De eventuele koeling van gebouwen leidt niet tot opwarming van de (verblijfs)ruimte in de directe omgeving. Risico op droogte Doordat het gehele plangebied direct omgeven is door oppervlaktewater met een (nagenoeg) vast peil zakt, ook in tijden van droogte, de grondwaterstand niet onder -1,0 NAP. Door deze relatief hoge grondwaterstand en de nabijheid van oppervlaktewater is er ook tijdens droogte voldoende zoetwater beschikbaar.

4.6

Bodem

Aanleiding Aan Arcadis Nederland B.V. is gevraagd een vooronderzoek bodem uit te voeren voor De Noorden. Voor het plangebied zijn in het verleden verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd, namelijk: Verkennend bodemonderzoek Achterambachtseweg 47b te Hendrik-Ido-Ambacht, Inventerra BV, kenmerk 06-2101-R01JV, d.d. 4 december 2006. Verkennend bodemonderzoek Achterambachtseweg 47 te Hendrik-Ido-Ambacht, Inventerra, kenmerk 12-2033-R01JV, 17 sep 2012. Actualiserend onderzoek Waterlandgoed De Noorden, Achterambachtseweg 47 te Hendrik-IdoAmbacht, Royal Haskoning DHV, kenmerk I&BBF6339-101F01.1, d.d. 25 januari 2018. De rapportages uit 2018 en 2012 zijn uitgevoerd in het kader van het vigerende bestemmingsplan en omvatten het gehele plangebied. Op basis van deze onderzoeken is er door Arcadis oplegnotitie geschreven (zie Bijlage 4) waarin de bodemkwaliteit van het te ontwikkelen vanuit de beschikbare rapporten wordt samengevat en beoordeeld op risico's, zoals mogelijke sanerings- en grondafvoer-kosten, onverwachte verontreinigingen en de weigering van een omgevingsvergunning of bestemmingsplanwijziging. Resultaat Alle rapportages geven hetzelfde en een eenduidig beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De verdachte terreingedeelten zijn in totaliteit voldoende onderzocht en besproken.

Tussen de verschillende bodemonderzoeken zijn er, tenzij onderzocht en/of besproken, geen (bedrijfs)activiteiten op het terrein uitgevoerd die aanleiding zijn om een andere dan de beschreven bodemkwaliteit te verwachten. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er enkele verdachte plekken in het plangebied zijn, maar deze zijn in de uitgevoerde onderzoeken voldoende onderzocht. Uit de onderzoeken is gebleken dat er over het algemeen geen verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden voorkomen in de boven- en ondergrond van het plangebied. De bodemkwaliteit van De Noorden is geschikt voor de voorgenomen ontwikkeling. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, naftaleen en/of zink. Ook is er in het actualiserend bodemonderzoek gekeken naar PFAS. Hieruit is gebleken dat de gemeten waarden de toepassingswaarde voor gebieden met de bestemming landbouw/natuur overschrijden, maar voldoen aan de toepassingswaarde voor Wonen/Industrie. In het oostelijke deel (in het zuiden) van het plangebied heeft een aardappelschuur gestaan die is afgebrand. Op deze schuur lagen asbesthoudende golfplaten. Voor zover bekend is bij zowel de brand als de sloop geen asbest vrijgekomen. Op het maaiveld en in

32

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

de bodem zijn tijdens dit onderzoek uit 2018 geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Dit terreindeel is daarmee beoordeeld als een niet-asbestverdachte locatie. De bodem rond deze afgebrande en gesloopte schuur is derhalve niet, zoals aanbevolen in het rapport uit 2012, onderzocht op asbest in grond. Er is een zeer kleine kans dat er een (minimale) hoeveelheid asbest in de bodem aanwezig is ter plaatse van de afgebrande schuur. In voorgaand onderzoek zijn ten slotte geen waarnemingen gedaan waaruit blijkt dat er asbest op het maaiveld of in de bodem aanwezig is. Daarnaast is het verdachte terreingedeelte inmiddels opgehoogd en afgedekt met een laag zand. Onderzoek naar asbest in de bodem zal hierrdoor lastig uitvoerbaar zijn. De kans op het aantreffen van asbest in de bodem is gering. Conclusie De bodemkwaliteit van het plangebied De Noorden is geschikt voor de voorgenomen ontwikkeling. Grond die tijdens werkzaamheden vrijkomt kan binnen de perceelsgrenzen worden verspreid of afgevoerd worden naar een geschikte hergebruikslocatie. Tijdens grond- en graafwerkzaamheden mag de (voorlopige) veiligheidsklasse basishygiëne gehanteerd worden. De beoordeelde rapporten van de relevante bodemonderzoeken zijn volledig en actueel voor het vaststellen van de chemische bodemkwaliteit.

Vanuit de uitgevoerde bodemonderzoeken zijn geen risico's of belemmeringen voor de geplande ruimtelijke ontwikkeling aan te wijzen.

4.7

Archeologie

Aanleiding In opdracht van Bolflex Beheer BV. heeft Arcadis Nederland B.V. een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 7) voor plangebied Waterlandgoed De Noorden aan de Achterambachtseweg te Hendrik-Ido- Ambacht. Het plangebied De Noorden ligt op de archeologische beleidskaart van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht in beleidszones AW1, VAW1 en VAW2. Voor AW1 en VAW 1 kent deze een vrijstellingsgrens van 100 m2 en 35 cm -Mv. De geplande ingreep heeft een oppervlakte groter dan 100 m2 en een dieper dan 35 cm -Mv en is hiermee onderzoeksplichtig. Het bureauonderzoek heeft als doel inzicht te verschaffen in de archeologische waarden die zich in het plangebied kunnen bevinden. Resultaat Het plangebied ligt op de stroomrug van de Oude Waal, die omstreeks 200 na Chr. (1800 BP) is ontstaan. Uit het eerdere karterende booronderzoek is naar voren gekomen dat binnen het plangebied de bovenste 40 cm wordt gevormd door de bouwvoor (Nales e.a. 2012). In de omgeving van het plangebied liggen meerdere vindplaatsen uit de Romeinse tijd, Vroege Middeleeuwen (450 – 1050 na Chr.) en Late Middeleeuwen (1050 – 1500 na Chr.). Verspreid over het plangebied zijn 12 aardewerkvondsten gedaan, die uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd dateren. Deze houden mogelijk verband met nog onbekende nederzettingen.

Tijdens het karterend booronderzoek zijn baksteenfragmenten, sintels en roodbakkend aardewerk (al dan niet met loodglazuur) uit de Nieuwe tijd, dat uit de bouwvoor afkomstig is (0 – 40 cm –Mv), aangetroffen. Tevens zijn sporen van oude woongronden gevonden. Op basis van de landschappelijke setting (oever- op beddingafzettingen van de meandergordel van de Waal) kunnen archeologische resten vanaf de Romeinse Tijd voorkomen. Eventuele oudere resten zullen geërodeerd zijn door deze meandergordel. Voor de periode Romeinse tijd tot en met Nieuwe Tijd geldt een hoge archeologische verwachting. In het plangebied worden zowel onverhoogde als verhoogde nederzettingsterreinen verwacht (zie onderstaande tabel), waaronder oude woongronden en huisterpen. Laatstgenoemde is in het plangebied al feitelijk aangetoond door eerdere karterende boringen. Daarnaast is de aard van de vele vondsten tijdens het onderzoek die verspreid over het plangebied zijn gedaan, onbekend. Deze kunnen samenhangen met één of meerdere nederzettingen of huisterpen, waarvan de ligging vooralsnog onbekend is. Over het algemeen zijn vondsten onder de bouwvoor aan te treffen vanaf een diepte van 40

33

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

cm –Mv tot circa 110 cm -Mv. De top van eventueel aanwezige archeologische waarden kan enigszins zijn aangetast door egalisatie of afkleien. Daarbij kunnen delen van eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen zijn verdwenen, maar niet volledig vernietigd.

Tabel: Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel voor het plangebied

Er is tijdens een karterend booronderzoek uit 2013 al een groot gedeelte van het plangebied meegenomen. In het stedenbouwkundig ontwerp uit 2020 zijn er een paar nieuwe bouwvlakken geplaatst ten opzichte van het ontwerp uit 2012. Hierdoor zouden verwachte archeologische vindplaatsen kunnen worden bedreigd door de geplande ontwikkelingen van het nieuwe ontwerp, omdat deze nog niet in beeld zijn. Conclusie Uit het archeologische bureauonderzoek blijkt het effect van fysieke aantasting van archeologische verwachtingswaarden beperkt, met uitzondering van de gearceerde zones (zie afbeelding hieronder). Het totale verstoringsoppervlak van de mogelijke heipalen blijft waarschijnlijk onder de vrijstellingsgrenzen van 100 m2 en 500 m2. Voor de activiteiten van het aanleggen van funderingen, sloten, bekabeling, etc. waarbij wordt vergraven tot 35 cm – Mv is geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk. Waar de grond is opgehoogd geldt bij het vergraven tot 85 cm – Mv dat er geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is. Er wordt in die gevallen geen vervolgonderzoek geadviseerd. Dit advies sluit niet uit dat er bij graafwerkzaamheden (niet voorspelbare) archeologische toevalsvondsten vondsten kunnen worden aangetroffen, zoals bedoeld in artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016. In dat geval moet hiervan melding worden gedaan bij het Bevoegd Gezag.

34

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

Afbeelding: Archeologische advieskaart vervolgonderzoek.

Voor vergravingen dieper dan 35 cm – Mv binnen de gearceerde zones (geel) op de advieskaart, is het advies om voor deze locaties karterend booronderzoek uit te voeren. Voor locatie D is geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek voorafgaand aan de werkzaamheden uit te voeren. Dit advies zal nog worden voorgelegd aan het Bevoegd Gezag, in dit geval de Gemeente Hendrik-Ido-Ambacht. Het Bevoegd Gezag kan van het door Arcadis gegeven advies afwijken. Aanbevelingen Voor de volgende activiteiten en locaties worden de volgende Het effect van fysieke aantasting van archeologische verwachtingswaarden is beperkt en het totale verstoringsoppervlak van de palen blijft waarschijnlijk onder de vrijstellingsgrenzen van 100 m2 en 500 m2. Er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Dit advies sluit niet uit dat er bij graafwerkzaamheden (niet voorspelbare) archeologische toevalsvondsten vondsten kunnen worden aangetroffen, zoals bedoeld in artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016. In dat geval moet hiervan melding worden gedaan bij het Bevoegd Gezag. Voor de activiteiten van het aanleggen van funderingen, sloten, bekabeling, etc. waarbij wordt vergraven tot 35 cm – Mv is geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk. Waar de grond is opgehoogd geldt bij het vergraven tot 85 cm – Mv dat er geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is.

Vergravingen dieper dan 35 cm – Mv of 85 cm - Mv bij de opgehoogde gronden binnen de gearceerde zones op de advieskaart, is het advies om voor deze locaties karterend booronderzoek uit te voeren. Het advies uit het rapport uit 2013 voor Woongrond E (bij de ingang van het terrein, zie advieskaart) luidde om een archeologische begeleiding onder KNA-protocol proefsleuvenonderzoek uit te voeren bij ingrepen dieper dan 40 cm -Mv. Echter blijkt dat er nog geen karterend booronderzoek is uitgevoerd op deze locatie. Daarom wordt ook bij Woongrond E bij ingrepen dieper dan 35 cm- Mv karterend booronderzoek geadviseerd, voordat er bijvoorbeeld een proefsleuvenonderzoek moet

35

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

plaatsvinden. In het advies uit het rapport uit 2013 komt naar voren dat op een paar woongronden beperkt karterend booronderzoek is gedaan, omdat in het stedenbouwkundig ontwerp op deze locaties nog geen grondactiviteiten waren gepland. In het stedenbouwkundig ontwerp van 2020 komen gedeelten van deze woongronden in aanmerking voor grondactiviteiten. Daarom wordt voor woongronden A, B, F en G karterend booronderzoek geadviseerd. Voor zone Woongrond D (bij kavel 4) luidde het advies uit het karterend booronderzoek uit 2013 om een archeologische begeleiding onder KNA-protocol proefsleuvenonderzoek uit te voeren bij vergravingen. Om het risico van stilleggen van de werkzaamheden te voorkomen, adviseren wij om een proefsleuvenonderzoek voorafgaand aan de werkzaamheden uit te voeren.

4.8

Ecologie

4.8.1

Gebiedsbescherming

Natura 2000 De geplande ontwikkeling van De Noorden ligt op enige afstand van Natura 2000-gebieden, waardoor er geen sprake is van ruimtebeslag op Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000- gebied 'Boezems Kinderdijk' ligt op circa 2,5 kilometer afstand van de voorgenomen ontwikkeling (zie onderstaand afbeelding). Het ondernemen van projecten of activiteiten in en/of in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Negatieve effecten van verstoring door geluid, licht, trillingen etc. zijn op voorhand uit te sluiten door de afstand tot de Natura 2000-gebieden.

Afbeelding:Het plangebied De Noorden met omliggend Natura 2000-gebied

Mogelijk kunnen er indirecte negatieve effecten optreden op Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door de emissie van stikstof in de realisatie- en/of gebruiksfase. Voor de voorgenomen ontwikkeling is beschouwd of er sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase Voor de gebruiksfase zijn de emissies van gebouwen en de verkeersaantrekkende werking van de ontwikkeling relevant en meegenomen in de Aerius-berekening. De te ontwikkelen woningen worden volledig gasloos opgeleverd (volgens de BENG normen), dit betekent dat alle installaties (bijvoorbeeld verwarming en open haard) in de woningen elektrisch zijn en de woningen worden opgeleverd zonder

36

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

rookgaskanalen. Bij de inzet van elektrische installaties wordt geen NOx en NH3 uitgestoten, hierdoor is er geen sprake is van stikstofdepositie. In de Aerius-berekening is daarom alleen de verkeersaantrekkende werking in de gebruiksfase van De Noorden meegenomen. Voor de berekening is uitgegaan van 86 verkeersbewegingen per etmaal (zie voor de uitgangspunten Bijlage 8). Uit de Aerius-berekeningen (zie Bijlage 9) voor de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Hiervoor bedraagt de depositie op de omliggende Natura 2000-gebieden nergens meer dan 0,00 mol N/ha/jr. Aanlegfase Met ingang van 1 juli 2021 is er geen stikstofberekening meer nodig voor de realisatiefase. Dit is bepaald in de wet stikstofreductie en natuurherstel. Het wetsvoorstel bevat een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningsplicht voor de bouwsector. De vrijstelling geldt voor bouwactiviteiten in de bouw-, aanleg- en sloopfase, waarin emissies tijdelijk en beperkt zijn. Om deze vrijstelling mogelijk te maken reserveert het kabinet in de periode 2021-2030 500 miljoen euro voor stikstofreductie in de bouw en 500 miljoen euro voor aanvullende maatregelen binnen of buiten de bouw, waarmee eventuele negatieve effecten landelijk worden aangepakt.

Conclusie Uit de stikstofberekening blijkt dat er geen stikstof depositie wordt berekend boven de 0.00 mol/ha voor de gebruiksfase. Geconcludeerd kan worden dat er geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zullen plaats vinden door voorgenomen ontwikkeling. Er zijn geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wet natuurbescherming. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet in een gebied dat onderdeel uitmaakt van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN-gebied Crezéepolder ligt op circa 1,2 kilometer afstand. Een ander NNN-gebied Natuureiland Sophiapolder ligt op ruim 2,3 kilometer afstand. Er treden geen effecten op het NNN op.

4.8.2

Soortenbescherming

Uit de ecologische quickscan (zie Bijlage 10) is naar voren gekomen dat in de buurt van de voorgenomen ontwikkeling verschillende beschermde diersoorten voorkomen. Dit betreffen: broedvogels (nest jaarrond beschermd) namelijk de ransuil en steenuil, broedvogels (nest beschermd gedurende broedperiode), muisachtigen, wezel, hermelijn, vleermuizen, rugstreeppad. De aanwezigheid van andere beschermde soorten (flora en fauna) is op basis van de ecologische quickscan uitgesloten. Elke soort kan door een aantasting/verstoring een negatief effect ondervinden. In onderstaande tabel is per effect aangegeven welke in het plangebied aanwezige soort hier mogelijk last van heeft. Na de tabel wordt per soortgroep ingegaan op de mogelijke aantasting/verstoring en effecten op de soort.

37

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

Voor een aantal mogelijk voorkomende grondgebonden zoogdieren (zoals muisachtigen, wezel en hermelijn) en amfibieën (gewone pad, bruine kikker, bastaard kikker, meerkikker en kleine watersalamander) geldt binnen de provincie Zuid-Holland een algehele vrijstelling. Wel blijft voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Broedvogels (nest beschermd gedurende broedperiode)

38

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

Binnen het projectgebied kunnen mogelijk broedvogels, waarvan het nest gedurende broedperiode beschermd is (zoals houtduif, ekster en merel) voorkomen. Er kunnen mogelijk negatieve effecten op deze broedvogels optreden door verstoring en aantasting van nestplaatsen. Daarnaast kunnen jonge dieren gedood worden tijdens de realisatiefase. Om negatieve effecten te voorkomen dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden. Dit is van toepassing op kavel 6, 7, 8, 9 en 10. Mitigerende maatregelen die opgevolgd moeten worden zijn: Voer werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen uit of begin de meest verstorende werkzaamheden in ieder geval voorafgaand aan het broedseizoen zodat vogels kunnen uitwijken. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 augustus, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. Het is mogelijk om in binnen de broedperiode te werken indien potentiële nestplaatsen voor het broedseizoen ongeschikt gemaakt worden en gedurende de werkzaamheden ongeschikt blijven. Een andere optie is dat een deskundig ecoloog voorafgaand, en binnen de broedperiode, onderzoekt of broedgevallen aanwezig zijn. Indien aanwezig dient door de deskundig ecoloog een passende maatregel bedacht te worden. Indien deze mitigerende maatregelen getroffen worden zijn verdere vervolgstappen, in het kader van de Wnb, niet aan de orde.

Broedvogels (nest jaarrond beschermd), ransuil, buizerd, sperwer en steenuil Voor de ontwikkeling binnen kavel 6, 7, 8, 9 en 10 dient rekening gehouden te worden met potentieel foerageergebied steenuil. Om negatieve effecten te voorkomen dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden in zowel de realisatie als gebruiksfase, namelijk: Realisatiefase: Voorkom het gebruik van kunstlicht tussen een half uur voor zonsondergang en een half uur na zonsopkomst. Gebruiksfase: Voorkom binnen de kavels en de omgeving uitstraling van kunstlicht richting de boomkronen en de waterpartijen. Daarnaast dienen de tuinen in het landschap te passen door aanplant van groenelementen. Voorkomen dient te worden dat de tuinen betegeld worden. Dit dient privaatrechtelijk te worden vastgelegd. Indien de voorgestelde mitigatie voor foerageergebied steenuil binnen de betreffende kavels uitgevoerd wordt, zijn verdere vervolgstappen niet aan de orde. Voor kavel 6 dient er ook rekening te worden gehouden met broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is, zoals buizerd, sperwer en ransuil. Negatieve effecten op potentiële nestplaatsen van deze broedvogels en potentiële roestplaats van ransuil zijn niet te mitigeren. Aanvullend onderzoek dient uit te wijzen of kavel 6 een essentiële functie heeft voor deze broedvogels.

Uit dit onderzoek blijkt of en zo ja, welke vervolgstappen, in het kader van de Wnb, getroffen dienen te worden. Aangezien kavel 6 als laatste kavel wordt ontwikkeld en het nog niet duidelijk is of en wanneer deze wordt ontwikkeld, wordt het aanvullende soortenonderzoek pas uitgevoerd wanneer er daadwerkelijk ontwikkelingsplannen zijn voor kavel 6. In 6.5.2 is geborgd dat er voor de realisatie van de woning een soortgericht onderzoek uitgevoerd moet worden. Vleermuizen Voor de ontwikkeling binnen kavel 6, 7, 8, 9 en 10 dient er rekening te worden gehouden met potentieel foerageergebied van vleermuizen. Om negatieve effecten te voorkomen dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden in zowel de realisatie als gebruiksfase, namelijk: Realisatiefase: Voorkom het gebruik van kunstlicht tussen een half uur voor zonsondergang en een half uur na zonsopkomst. Gebruiksfase: Voorkom binnen de kavels en de omgeving uitstraling van kunstlicht richting de boomkronen en de waterpartijen. Daarnaast dienen de tuinen in het landschap te passen door aanplant van groenelementen. Voorkomen dient te worden dat de tuinen betegeld worden. Dit dient privaatrechtelijk te worden vastgelegd. Binnen kavel 6 is er mogelijk ook potentieel foerageergebied aanwezig van de gewone grootoorvleermuis. De voorgenomen ontwikkeling kan hier negatieve effecten op hebben die niet vooraf te

39

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

mitigeren zijn. Om aan te tonen of de kavel daadwerkelijk potentieel foerageergebied is voor de gewone grootoorvleermuis dient er een aanvullend vleermuisonderzoek uitgevoerd te worden. Uit dit onderzoek blijkt of en zo ja, welke vervolgstappen in het kader van de Wnb getroffen dienen te worden. Aangezien kavel 6 als laatste kavel wordt ontwikkeld en het nog niet duidelijk is of en wanneer deze wordt ontwikkeld, wordt het aanvullende vleermuisonderzoek pas uitgevoerd wanneer er daadwerkelijk ontwikkelingsplannen zijn voor kavel 6. In artikel 6.5.2 is geborgd dat er voor de realisatie van de woning een vleermuisonderzoek uitgevoerd moet worden uitgevoerd. Amfibieën (rugstreeppad) Indien plasvorming ontstaat, kan de rugstreeppad zich binnen het projectgebied vestigen en zich voortplanten, dit leidt mogelijk tot negatieve effecten zoals verstoren, verwonden, aantasting en/of doden. Deze negatieve effecten kunnen voorkomen worden door de vestiging van de rugstreeppad te weren door plasvorming gedurende de voortplantingsperiode (april t/m juli) tijdens de realisatiefase tegen te gaan. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat in het kader van de soortbescherming van de Wnb er voor een groot deel van het plangebied geen vervolgstappen noodzakelijk zijn, indien tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de in genoemde mitigerende- en zorgplichtmaatregelen.

Enkel voor kavel 6 geldt dat negatieve effecten op de gewone grootoorvleermuis en Broedvogels (nest jaarrond beschermd) zoals buizerd, sperwer en ransuil, op voorhand niet zijn uitgesloten en te mitigeren. Aangezien kavel 6 als laatste kavel wordt ontwikkeld en het nog niet duidelijk is of en wanneer deze wordt ontwikkeld, wordt het aanvullende soortenonderzoek pas uitgevoerd wanneer er daadwerkelijk ontwikkelingsplannen zijn voor kavel 6. Artikel 6.5.2 borgt dat er voor realisatie van de woning vervolgonderzoek wordt uitgevoerd.

4.9

Verkeer en parkeren

Verkeer Het landgoed wordt vanaf de Achterambachtseweg ontsloten. Ten behoeve van de ontsluiting is de woning Achterambachtseweg 47B gesloopt. Voor de ontsluiting zijn geen aanpassingen aan de Achterambachtseweg nodig. De verkeersgeneratie van de woningen levert een maximale verkeerbeweging op van 86 motorvoertuigen per etmaal. Verwacht wordt dat het bestaande wegennet voldoende capaciteit heeft om deze geringe verkeerstoename af te wikkelen. Er worden geen negatieve effecten verwacht op de verkeersafwikkeling. Op het landgoed is geen sprake van openbare wegen. Het landgoed bestaat uit private gronden waarvan een deel wordt opengesteld voor voetgangers tussen zonsopgang en zonsondergang. Parkeren De parkeerbehoefte wordt op eigen terrein bij iedere landgoedwoning gerealiseerd. In plannen is de mogelijkheid opgenomen, als daar behoefte aan is, om nabij de entree van het landgoed enkele parkeerplaatsen en te kunnen realiseren voor bezoekers van het landgoed. Daarnaast wordt de Noorden niet openbaar toegankelijk voor autoverkeer waarmee enkel de parkeergelegenheid van bewoners en mogelijk bezoekers moet worden geregeld. Door de grote ruime kavels kan dit op eigen terrein, op de opritten. In de regels van het bestemmingsplan wordt geborgd dat bij de ontwikkeling van de woningen wordt voldaan aan de parkeernorm in de CROW.

Voor de bezoekers, die mogelijk parkeren om te wandelen over het landgoed, wordt een parkeervoorziening voor de slagboom gerealiseerd. Conclusie Verwacht wordt dat het bestaande wegennet voldoende capaciteit heeft om deze geringe verkeerstoename af te wikkelen. Door de ruime opzet van de kavels, met eigen oprit, wordt verwacht dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein ontwikkeld wordt. De ontwikkeling staat hiermee een goede ruimtelijke ordening niet in de weg.

40

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

4.10

Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. In onderstaande tabel zijn de grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen weergegeven.

In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd onder welke voorwaarden bestuursorganen de bevoegdheden uit lid 2 mogen uitoefenen. Als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde (grenswaarde zoals vastgelegd in titel 5.2 en bijlage 2 Wet milieubeheer); een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt "niet in betekenende mate" (NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, wat inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 1% verslechtert; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. In de Regeling NIBM (niet in betekende mate bijdragen) is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit betekent dat ontwikkelingen op dit gebied zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Het plan betreft de ontwikkeling van een nieuwe woningbouwlocatie. Door de ontwikkeling worden maximaal tien woningen gerealiseerd. Hiermee valt de ontwikkeling onder categorie 3A.2 overeenkomstig bijlage 3a van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Volgens de regeling draagt een project, waar minder dan 1.500 woningen en/of minder dan 100.000 m² bvo kantoor wordt gerealiseerd, niet in betekende mate (NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende wegen zijn de Pruimendijk en Achterambachtseweg. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie

41

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

De voorgenomen ontwikkeling van Waterlandgoed De Noorden draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging omdat er geen sprake is van een substantiële toename van het aantal verkeersbewegingen. Daarnaast is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat, gezien de daar gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof. De luchtkwaliteitsaspecten vormen daarmee geen belemmering voor het project.

4.11

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv beschermt geurgevoelige objecten, zoals woningen, tegen geuroverlast. Dit kan beperkingen stellen aan de mogelijkheden (milieugebruiksruimte) voor her- en nieuwvestiging van veehouderijbedrijven, of voor nieuwbouw en herontwikkeling van geurgevoelige objecten. Voor de agrarische bedrijven die niet tot de intensieve veehouderij behoren (bijvoorbeeld rundveehouderij) geldt een afstandsnorm van 50 meter tot gevoelige objecten in het buitengebied. Binnen de bebouwde kom geldt een afstandsnorm van 100 meter. Voor IV-bedrijven die tot de intensieve veehouderij behoren, wordt deze norm niet uitgedrukt in een afstandsnorm, maar in een geurcontour, die een grillige vorm kan hebben. Voor IV bedrijven geldt de standaardnorm van 3 OU binnen de bebouwde kom en 14 OU buiten de bebouwde kom. Binnen de Provincie Zuid-Holland is het Geurbeleid in 2019 geactualiseerd. Het beleidskader legt de systematiek vast waarmee de grens van hinder en ernstige hinder wordt bepaald. Ook gaat het beleidskader in op het vastleggen van het aanvaardbaar hinderniveau.

In de provincie Zuid-Holland worden bij het afwegingsproces voor de vaststelling van het aanvaardbaar hinderniveau de volgende twee grenzen gehanteerd: Hindergrens, de geurbelasting (in ouE/m3 bij een bepaald percentiel) waar beneden geurhinder verwaarloosbaar is (0 % hinder). Vanaf deze geurbelasting begint in feite de geurhinder; Ernstige Hindergrens, de geurbelasting (in ouE/m3 bij een bepaald percentiel) waar boven ernstige geurhinder waarschijnlijk is. Boven deze geurbelasting is de geurhinder voor geurgevoelige objecten op voorhand onacceptabel. Klachten nemen zeer sterk toe als de geurbelasting toeneemt boven deze Ernstige Hindergrens. Tabel aanvaardbaar hinderniveau

42

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

Voor gevoelige objecten maakt de Provincie Zuid-Holland onderscheidt tussen meer en minder gevoelige objecten (zie onderstaande tabel). Voor minder geurgevoelige objecten is een hogere geurbelasting toelaatbaar dan voor de meest geurgevoelige objecten. Voor geurgevoelige objecten van het type 2 is een driemaal zo hoge geurbelasting toelaatbaar dan voor objecten van het type 1. Tabel geurgevoelige objecten

43

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

De voorgenomen ontwikkeling, Waterlandgoed de Noorden, van 10 woningen valt onder Type 1: meest gevoelige objecten. In de directe omgeving zijn geen milieucontouren gelegen. Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom, waarbij vanuit de landelijke wet- en regelgeving een minimale afstand van 50 meter tussen de woningen en de agrarische geurbron aangehouden moet worden. Het dichtsbijzijnde agrarische bedrijf is een glastuinbouwbedrijf met kassen op circa 200 meter, hiervoor geldt een geurcontour van 10 meter (vanuit de VNG-richtlijnen) . Op circa 0,6 kilometer afstand is nog een paardenfokkerij gelegen. Voor deze inrichting geldt een geurcontour van 50 meter (uit de VNG-richtlijnen). Conclusie De te ontwikkelen woningen hebben voldoende afstand tot (mogelijke) geurbronnen in de omgeving. aspect geur vormt daarmee geen belemmering voor het voornemen.

4.12

Externe veiligheid

Bij de ontwikkeling van De Noorden worden kwetsbare objecten, namelijk woningen, gerealiseerd. De ontwikkeling kent van sich geen externe veiligheidsrisico's. Voor het bestemmingsplan is in het kader van externe veiligheid een inventarisatie uitgevoerd, waarin is gekeken of en welke risicobronnen in de omgeving liggen In de omgeving van het plangebied zijn drie relevante risicobronnen aanwezig LPG-tankstation; Vervoer gevaarlijke stoffen over de A15; Vervoer gevaarlijke stoffen over de N915. Lpg-tankstation Aan de noordzijde van het plangebied ligt het tankstation Shell aan de Rijksweg A15 waar ook LPG wordt verkocht (bron: www.risicokaart.nl). Deze inrichting valt onder het werkingssfeer Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en heeft een van 150 meter. Daarnaast valt een LPG-tankstation ook onder de werkingssfeer van de Circulaire effectafstanden LPGtankstation (Celt), waarvoor een maximale effectafstand van 160 meter geldt. Het plangebied ligt echter op een afstand van ruim 170 meter en valt

44

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

daarmee buiten het invloedsgebied en de werkingssfeer van de Celt. Verdere verantwoording is derhalve dan ook niet noodzakelijk. Door de afstand worden geen negatieve effecten verwacht. Vervoer van gevaarlijke stoffen Nabij het plangebied zijn er verschillende verbindingen waarover gevaarlijke stoffen, toxische vloeistoffen en –gassen (LT1, LT2 en GT3), worden vervoerd, dit zijn de A15, N915, de Betuweroute en het spoortraject bij Kijfhoek (Route 203). Deze worden hieronder nader toegelicht: De A15 en de N915 De A15 vormt een internationale verbinding voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Op circa 330 m afstand van het plangebied is de A15 aanwezig met in de nabijheid de Noordtunnel. In verband met de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen door tunnels gelden op grond van de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (WVGS) beperkingen. Door de Noordtunnel mogen geen lpg-tankwagens rijden, deze worden geleid via de omleidingsroute over de N915 Rotterdamseweg. Voor de A15 ter hoogte van het projectgebied, afrit 21 (Hendrik-Ido-Ambacht) – A15 afrit 22 (Alblasserdam) (incl. Noordtunnel) (wegvak Z76) geldt een PR10-6 contour van 13 m en een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 m. Uit het basisnet blijkt dat het groepsrisico van de A15 ter hoogte van het wegvak Z76 kleiner is dan 0,1 maal de oriënterende waarde. De N915 kent volgens het basisnet geen plasbrandaandachtsgebied.

Dit omdat tankwagens met vloeibare brandstoffen geen gebruik hoeven te maken van de omleidingsroute. De PR10-6 risicocontour van de N915 bedraagt 15 m. Het groepsrisico ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen op de N915 is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het plangebied ligt niet binnen de PR10-6 risicocontouren van de A15/N915. Deze vormen dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Voor zowel de A15 (wegvak Z76) als de N915 geldt dat het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriënterende waarde. In de toekomstige situatie is sprake van een beperkte toename van het aantal personen. Desondanks zal het groepsrisico van de A15/N915 ook in de toekomstige situatie kleiner zijn dan de 0,1 maal de oriënterende waarde en is een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk. Door het vervoer van toxische vloeistoffen over de A15/N915 bedraagt het invloedsgebied 880 m. Vanwege de ligging van het projectgebied binnen het invloedsgebied is wel een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk De Betuweroute en het spoortraject bij Kijfhoek (Route 203) De Betuweroute ligt in de Sophiaspoortunnel op ongeveer 2,4 kilometer ten zuidoosten langs het plangebied. Dit trajectgedeelte is niet relevant voor omgevingsveiligheid, vanwege de ondergrondse ligging.

Echter op circa 3,5 kilometer ten oosten van het plangebied ligt de ingang van deze spoortunnel bij Papendrecht en op ca. 2,8 kilometer ten zuiden van het plangebied is de ingang van de spoortunnel bij Kijfhoek gelegen. Het spoortraject bij Kijfhoek (Route 203) ligt op circa 2,7 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Over deze spoortrajecten worden toxische vloeistoffen en –gassen (B3 en D4) vervoerd. Deze stofcategorieën kennen een invloedsgebied (1%-letaliteitsafstand) van meer dan 4 kilometer. Daarmee zijn deze spoortrajecten relevant voor de omgevingsveiligheid. Vanwege de ligging van het projectgebied binnen het invloedsgebied is wel een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Groepsrisico Voor het groepsrisico vanuit het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A15, N915, de Betuweroute en het spoortraject bij Kijfhoek (Route 203) geldt een standaardadvies die van toepassing is bij: het initiatief zich bevindt binnen het invloedsgebied van een Basisnetroute, maar buiten de 200 meterzone en/of buiten de brand- en/of explosieaandachtsgebieden van transportroutes; het initiatief binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen ligt, maar buiten de PR 10-8 contour (bijvoorbeeld bij Dupont/Chemours) en/of buiten de brand- en/of explosieaandachtsgebieden van inrichtingen.

45

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

Er wordt daarom vanuit de veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid geadviseerd om de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie, conform artikel 4.124, lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bkl). Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld. Dit is noodzakelijk bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er bij nieuwbouw voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). De veiligheidsregio wil graag betrokken blijven bij de inrichtingsplannen van het gebied om gezamenlijk de zelfredzaamheid van de gebruikers en de beheersbaarheid door de hulpverleners te kunnen optimaliseren. Het team 'Veilig bouwen en gebruiken' binnen de veiligheidsregio wil daarnaast zo vroeg mogelijk betrokken zijn bij de uitwerking van de plannen voor (woon)gebouwen met een inzetdiepte van meer dan 60 meter. Zodoende kunnen de keuzes voor de realisatie van een voldoende brandveilig gebouw op tijd worden meegenomen. Buisleidingen Op 400 meter afstand aan de westzijde van het plangebied ligt een aardgastransportleiding van Gasunie, namelijk de leiding W-507-01-KR .

Uit de gegevens van de risicokaart blijkt dat het invloedsgebied van deze leiding 140 meter bedraagt. Het plangebied valt daarmee ruimschoots buiten het invloedsgebied. Door de afstand worden er geen negatieve effecten verwacht. Conclusie Het veiligheidsrisico vormt, met inachtneming van de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid, geen beperking voor de verdere planontwikkeling. Er treden geen belangrijke nadelige gevolgen op voor het aspect externe veiligheid.

4.13

Bedrijven en milieuhinder

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.

Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. De omgeving van het plangebied is een rustig buitengebied. Als gevolg van het bestemmingsplan wordt een aantal woonbestemmingen, zijnde milieugevoelige functies, mogelijk gemaakt. De dichtstbijzijnde bedrijven liggen op circa. 200 meter afstand van het plangebied. Het betreft milieucategorie 1 en 2 bedrijven. De richtafstand die op grond van de VNG-Uitgave bedrijven en milieuzonering, editie 2009, geldt geeft geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

46

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg, ter plaatse van de beoogde woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De ontwikkeling van de beoogde woningen vormt tevens geen beperking voor omliggende bedrijven.

4.14

Beeldkwaliteitsparagraaf

De provincie Zuid-Holland geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De Kwaliteitskaart geeft aan dat stads- en dorpsranden gebieden zijn waar men de kwaliteit van de stad of de kwaliteit van het luwe gebied in eerste instantie beleeft. In deze gebieden is nadrukkelijk aandacht nodig voor de doorgaande landschappelijke structuren, de recreatieve verbindingen tussen stad en land en het ontwerp en de inrichting van de stads- en dorpsrand zelf. Waterlandgoed De Noorden ligt tegen zo'n dorpsrand aan. Bij het ontwerpen van het plan voor Waterlandgoed De Noorden (zie Bijlage 11) zijn de richtpunten voor de ruimtelijke kwaliteit als genoemd in de Kwaliteitskaart als uitgangspunt meegenomen.

Hieronder wordt per kaartlaag en aan de hand van de relevante richtpunten, aangegeven hoe het plan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen. Het plan sluit aan bij de richtpunten door 't Waaltje, als belangrijke (water)structuur in het gebied, beter herkenbaar (en beleefbaar) te maken. De oever van 't Waaltje wordt zodanig ingericht, dat zowel de ecologische als recreatieve waarden toenemen. Ook blijft de dominante kavelrichting, namelijk haaks op 't Waaltje, herkenbaar. In de laag van de cultuur- en natuurlandschappen is het plangebied aangeduid als 'zeekleipolders algemeen'. Het plan voor De Noorden sluit aan bij de richtpunten voor deze gebieden doordat de bebouwing zich concentreert bij de compacte kern van Hendrik-Ido-Ambacht. In de laag van de beleving is het plangebied aangeduid als 'recreatiegebied' en 'groene buffer'. Recreatieterreinen liggen veelal op de overgang van de stedelijke dynamiek naar het luwe buiten. De kwaliteit van deze overgangen kan versterkt worden door het vergroten van de robuustheid, continuïteit, beleefbaarheid en aantrekkingskracht van zowel de recreatie- als de natuurgebieden. Ontwikkelingen vergroten de diversiteit in ruimtelijke inrichting en programma tussen de verschillende recreatie- en groengebieden.

Het plan voorziet in een recreatieve route die bijdraagt aan een betere verbinding met de stedelijke groen- en waterstructuur. Wandelaars kunnen hierdoor de oevers van 't Waaltje bereiken. Door privatisering van de oevers, is deze elders verder nauwelijks beleefbaar voor inwoners van Hendrik-Ido-Ambacht. De ontwikkeling van de wandelmogelijkheid draagt ook bij aan het verbeteren van de kwaliteit ter plaatse en de samenhang tussen het binnenstedelijk en buitenstedelijk groen. Tot slot versterkt deze ontwikkeling de openbaarheid van het gebied. De groene buffer is een niet verstedelijkt landschap van relatief beperkte omvang tussen of grenzend aan de steden. De bufferende werking hiervan is van grote waarde. De kwaliteit “niet-verstedelijkt gebied" of luwte blijft behouden of wordt waar mogelijk versterkt. Het plan sluit hierop aan. Door het kleinschalige karakter (ongeveer 10 woningen) en de ruime opzet vinden er geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen plaats in de bufferzone. Bovendien draagt de nieuwe ontwikkelingen bij aan de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied doordat wordt voorzien in een wandelroute en het openbaar maken en ecologisch inrichten van een deel van de oever van 't Waaltje. Resumerend draagt het plan bij aan de beeldkwaliteit als bedoeld in de Kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland.

Met name de wandelroute door het plangebied en het openbaar maken en ecologisch inrichten van een deel van de oever van 't Waaltje dragen hieraan bij.

47

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader voor het plangebied. Op basis van dit bestemmingsplan zal de beoogde ontwikkeling zonder verdere uitwerking van de bestemmingen of andere planologisch-juridische procedures kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vervult het plan, na realisatie van de herinrichting, een belangrijke beheer- en gebruiksfunctie. Iedere functie in het plangebied is voorzien van een daarop toegesneden bestemmingsregeling. De planopzet biedt flexibiliteit voor de beoogde herinrichting en tegelijkertijd rechtszekerheid voor de gebruikers van de aangrenzende gebieden. De omvang van de woningen is afgestemd op de uitgangspunten uit het beeldkwaliteitsplan. Door deze wijze van bestemmen is de woonfunctie ruimtelijk begrensd. Ingevolge de Wro, het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd en gepresenteerd te worden en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. Er is een aantal standaarden door het Ministerie van VROM ontwikkeld, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). In dit bestemmingsplan is van deze standaarden voor zover van toepassing gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend.

Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Hiernaast is het plan afgestemd op de gemeentelijke standaard.

5.2

Opbouw regels

De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene regels. De overgangs- en slotregel maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.

5.3

De bestemmingen

In het bestemmingsplan zijn verschillende bestemmingen toegekend aan het plangebied. Hieronder wordt ingegaan op de inhoud van deze bestemmingen. Groen - Landgoed Deze bestemming is gegeven aan het grootste deel van het landgoed, met uitzondering van de bouwpercelen en het gebied waar natuurontwikkeling plaatsvindt langs de Waal. De gronden zijn bestemd voor groen, water en het behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden op het landgoedterrein. Daarnaast zijn paden en wegen toegestaan ter ontsluiting van de woningen en het recreatiegebied langs de Waal. Er mag hier niet worden gebouwd, met uitzondering van maximaal 50 m2 aan gebouwen voor beheer en onderhoud en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals kleinschalige voorzieningen voor beheer, bewegwijzering, zitelementen en dergelijke. Daarnaast biedt de bestemmingsomschrijving de mogelijkheid enkele parkeerplaatsen te realiseren in relatie tot de openstelling van delen van het landgoed voor wandelaars. Voor het bouwen van een tuin-/boothuis is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Een vergunning voor een dergelijk bijgebouw kan uitsluitend worden verleend op gronden behorend bij een naastgelegen bouwperceel en met een maximale omvang van 30 m2.

48

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

Natuur Een deel van het landgoed heeft de bestemming 'Natuur' gekregen. Binnen deze bestemming wordt de aanleg van een nieuw natuurgebied mogelijk gemaakt. Na aanleg is voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden een vergunning vereist. Water De hoofdwatergangen in het plangebied zijn als 'Water' bestemd. Deze gronden zijn bestemd voor waterpartijen ten behoeve van de waterhuishouding. De bestemming maakt tevens behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden mogelijk. Voor de belevingswaarde van het landgoed worden extensieve dagrecreatie en verkeer te water toegestaan. Wonen - Landgoed De te realiseren bouwpercelen zijn bestemd met de bestemming 'Wonen - Landgoed'. De hoofdgebouwen dienen binnen de op de verbeelding opgenomen bouwvlakken te worden gerealiseerd. Buiten de bouwvlakken zijn ook aan- en uitbouwen en bijgebouwen toegestaan. Naast maatvoeringen voor de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn bepalingen voor ondergronds bouwen en voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Ondergrondse bouwwerken zijn alleen toegestaan ter plaatse van bovengrondse bebouwing. Met een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken voor toegangen naar ondergrondse ruimtes en ondergrondse verbindingen tussen hoofdgebouwen en vrijstaande bijgebouwen.

Een voorwaardelijke verplichting is opgenomen voor de kavels 2, 3, 4, 7, 8, 9 en 10 om te kunnen voldoen aan de Wet geluidhinder. Voor deze woningen moeten afdoende dove gevels en/of maatregelen worden gerealiseerd dan wel moet worden voldaan aan de maximaal vastgestelde ontheffingswaarden ten aanzien van geluid. Daarnaast is er ook een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor alle kavels, met de bestemming 'Wonen - Landgoed', om te voldoen aan het gemeentelijk geluidbeleid. Voor alle woningen dient bij de bouwaanvraag aangetoond te worden dat er sprake zal zijn van een geluidluwe buitenruimte. In de nadere eisen regeling wordt een koppeling gelegd met het beeldkwaliteitplan. Hierdoor hoeft in het bestemmingsplan een aantal zaken ten aanzien van bijvoorbeeld situering en vormgeving van gebouwen niet te worden vastgelegd. Zo kan optimaal worden ingespeeld op de kwaliteiten die het gebied zal gaan bieden. Tenslotte geldt voor de locatie voor de woning in het zuiden (kavel 6) een aanduiding ecologische waarde. Binnen deze aanduiding dient te worden aangetoond dat er geen schade zal worden berokkend aan de ecologische waarden aldaar. Dubbelbestemming Waarde - Archeologie Het plangebied heeft een middelhoge tot hoge kans op archeologische sporen. Ter bescherming van mogelijke aanwezige archeologische waarde, is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen.

Deze bestemming regelt dat bij nieuwbouw (geen vervangende nieuwbouw) van gebouwen met een oppervlakte van ten minste 100 m2 en bij graafwerkzaamheden dieper dan 35 cm, archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. Indien uit dit onderzoek blijkt dat ter plaatse geen waarden aanwezig zijn, kunnen de bouwwerkzaamheden alsnog doorgang vinden. Dubbelbestemming Waterstaat De dubbelbestemming 'Waterstaat' is opgenomen ter plaatse van de Waal aan de noordkant van het plangebied. Deze dubbelbestemming beschermt de waterstaatkundige functie van de Waal. Bouwwerken binnen deze dubbelbestemming mogen slechts worden opgericht, indien de belangen van de waterstaatkundige voorziening dat toelaat.

49

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

Hoofdstuk 6

6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Gelet op artikel 3.1.6 lid 1, sub f Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. Wat dit betreft zijn de de aspecten kostenverhaal en planschade relevant. Wanneer een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet als het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Het verhalen van door de gemeente gemaakte kosten bij de (her)ontwikkeling van een gebied of locatie is met de inwerkingtreding van de Wro verplicht. Dit kan middels een anterieure overeenkomst met ontwikkelende partijen of publiekrechtelijk via het exploitatieplan. Met betrekking tot deze ontwikkeling is bij het huidige vigerend bestemmingsplan een anterieure overeenkomst afgesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht. Voor de herziening van het plan wordt een addendum opgesteld, die wordt bijgevoegd aan de anterieure overeenkomst. De intiatiefnemer en de gemeente zijn het met elkaar overeengekomen met betrekking tot de aanvulling op de anterieure overeenkomst voor de voorgenomen ontwikkeling.

Alle kosten van de ontwikkeling van de bebouwing komen voor rekening van de initiatiefnemer, die hiertoe ook de middelen heeft. De financieel-economische uitvoerbaarheid is daarmee gewaarborgd, zodat het plan kan worden gerealiseerd. Er wordt daarom ook geen exploitatieplan vastgesteld.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro). Gronden binnen het plangebied zijn in eigendom van Bolflex b.v. zodat de uitvoering van het plan feitelijk gerealiseerd kan worden. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Hiervoor is het voorontwerpbestemmingsplan aan de gebruikelijke overlegpartners van de gemeente (namelijk de Provincie Zuid-Holland, Waterschap Hollandse Delta en Rijkswaterstaat) verzonden. Er zijn geen inhoudelijke reacties gekomen op het plan. Het vooroverleg heeft niet geleid tot aanpassingen van het plan. Participatieproces Op 27 juli 2021 heeft er een digitale informatieavond plaatsgevonden (zie Bijlage 12).

In verband met de Corona regels is destijds uitgeweken naar een digitale bijeenkomst. Tijdens de bijeenkomst zijn de aangepaste plannen voor de ontwikkeling van tien woningen op het Waterlandgoed de Noorden nader toegelicht. Vervolgens is de bestemmingsplanprocedure toegelicht en zijn de uitkomsten van de uitgevoerde onderzoeken besporken. Tijdens de bijeenkomst konden de aanwezigen tijdens de presentatie vragen stellen en aan het einde van de presentatie was er voldoende ruimte voor een omgevingsdialoog. Hierin is het gehad over de openstelling van het terrein, de landschappelijke

50

bestemmingsplan Waterlandgoed De Noorden Herziening 2022 (ontwerp)

inpassing, geluid en de planning. Op dinsdag 13 juli 2021 hebben de bewoners van de Pruimendijk (nr 192 t/m 202) een bezoek aan Waterlandgoed De Noorden gebracht, omdat zij niet in de gelegenheid waren om deel te nemen aan de informatieavond via Teams en omdat zij voorafgaand aan de informatieavond een brief hadden gestuurd met daarin een 3-tal vragen. Het bezoek startte om 18.00 uur en eindigde om 19.00 uur, waarbij het volledige gebied is rondgewandeld en de bewoners uitgebreid de mogelijkheid hebben gekregen om alles te bekijken (zie ook Bijlage 12). Vaststellingsprocedure Na het vooroverleg is het voorontwerpbestemmingsplan opgewerkt naar een ontwerpbestemmingsplan. Dit ontwerp bestemmingsplan is ter inzage gelegd op 2 juni. De kennisgeving voor het plan is gepubliceerd in het Gemeenteblad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht in de Staatscourant. In de periode 2 juni 2022 tot en met 13 juli 2022 heeft het ontwerp bestemmingsplan ter voldoening aan artikel 3.8. van de Wet op de ruimtelijke ordening voor een ieder ter inzage gelegen. Daarnaast is het ontwerp digitaal raadpleegbaar geweest via www.ruimtelijkeplannen.nl. Er zijn in deze periode geen zienswijzen ingediend op het plan. Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd.

Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

51

Arcadis Nederland B.V. www.arcadis.com C05022.214233

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11806465/1