CConstaterende datHendrik-Ido-Ambacht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 bij raadsvoorstel 9.3 Toelichting Margrietstraat e.o.

commissie RZ-de Volgerlanden openbaar 20 september 2022, gemeente Hendrik-Ido-AmbachtBij agendapunt: Bestemmingsplan Margrietstraat e.o.17.242 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Margrietstraat e.o. Gemeente Hendrik-Ido-Ambacht

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.0531.bp49Margrietstreo-3001

Datum:

2022-08-25

Contactpersoon Buro SRO:

R. van der Made

Kenmerk Buro SRO:

SR200395

Opdrachtgever:

Rhiant

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Vigerende bestemmingsplannen ........................................................................................................................ 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 14 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 14 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 16 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 19 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 20

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 22 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 22 4.2 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 23 4.3 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 24 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 25 4.5 Bodem ............................................................................................................................................................... 27 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 28 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................

30 4.8 Archeologie ....................................................................................................................................................... 33 4.9 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 35 4.10 Water .............................................................................................................................................................. 35 4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie ................................................................................................................ 37 4.12 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 41

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 44 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 44 5.2 Plansystematiek ................................................................................................................................................ 44

6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 47 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 47 6.2 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 47

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Woningcorporatie Rhiant is voornemens om een deel van de Oranjebuurt te Hendrik-Ido-Ambacht te herstructureren. Daarbij worden de 85 sociale huurwoningen aan de Margrietstraat, de Marijkestraat en de Willem de Zwijgerstraat gesloopt. Hiervoor in de plaats worden in totaal 115 nieuwe sociale huurwoningen gebouwd, bestaande uit grondgebonden woningen en appartementen. In het vigerende bestemmingsplan 'Centrum', vastgesteld op 11 juni 2012 door de gemeenteraad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht zijn de gronden in het plangebied grotendeels voorzien van de bestemming 'Wonen'. In de voorgenomen ontwikkeling passen de nieuwe woningen niet volledig binnen de bestemmingsen/of bouwvlakken van de bestemming 'Wonen'. Daarmee is de voorgenomenontwikkeling niet toegestaan binnen het vigerende bestemmingsplan 'Centrum'. Om de beoogde herstructurering juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een partiële herziening van het bestemmingsplan vastgesteld te worden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan betreft een deel van de Oranjebuurt in de wijk Oostendam te Hendrik-Ido-Ambacht. Het plangebied bestaat uit (delen van) de Margrietstraat, de Marijkestraat en de Willem de Zwijgerstraat. De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)

5

Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)

1.3 Vigerende bestemmingsplannen Het plangebied ligt binnen de grenzen van het vigerende bestemmingsplan 'Centrum', vastgesteld op 11 juni 2012 door de gemeenteraad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan 'Centrum'.

Uitsnede bestemmingsplan 'Centrum', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

6

De gronden van het (dubbel)bestemmingen:

• • • •

plangebied

hebben

in

het

vigerende

bestemmingsplan

de

volgende

'Tuin'; 'Verkeer - Verblijfsgebied'; 'Wonen'; 'Waarde - Archeologie 2'.

Verder is voor het hele plangebied de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' opgenomen. Binnen deze zone mogen geen nieuwe geluidgevoelige objecten worden gerealiseerd. Het vervangen van bestaande geluidgevoelige objecten is wel toegestaan indien wordt voldaan aan de bepalingen van de Wet geluidhinder. De beoogde herstructurering van het plangebied, waarbij de 85 bestaande woningen worden gesloopt en 115 nieuwe woningen worden gebouwd, past niet binnen de mogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan. De beoogde woningen zijn gedeeltelijk buiten de bouwvlakken van de bestemming 'Wonen' voorzien. Om de herstructurering juridisch-planologisch mogelijk te maken is een partiële herziening van het bestemmingsplan nodig. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin. Naast het bestemmingsplan 'Centrum' gelden voor het plangebied de bestemmingsplannen 'Parapluherziening Geluid Aan de Noord - Hendrik-Ido-Ambacht' en 'Parapluherziening parkeernormen Hendrik-Ido-Ambacht'. Het bestemmingsplan 'Parapluherziening Geluid Aan de Noord - Hendrik-Ido-Ambacht' is op 6 februari 2017 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht. In dit bestemmingsplan is de geluidzone van het industrieterrein 'Aan de Noord' juridisch-planologisch vastgelegd. De regels van het bestemmingsplan 'Centrum' zijn verder van toepassing.

Het bestemmingsplan 'Parapluherziening parkeernormen Hendrik-Ido-Ambacht' is op 8 juli 2019 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht. Met dit paraplubestemmingsplan wordt geregeld dat in voldoende parkeergelegenheid conform de 'Parkeernota Nieuwe ontwikkelingen 2018' voorzien moet worden.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de voorgenomen ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 komen de verschillende relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische aspecten. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie In de huidige situatie bestaat het plangebied uit 85 sociale huurwoningen in de Oranjebuurt in Hendrik-IdoAmbacht. De woningen zijn gelegen aan de Margrietstraat, de Marijkestraat en de Willem de Zwijgerstraat. De 85 woningen zijn verdeeld over elf bouwblokken met rijwoningen. Elke woning bestaat uit twee bouwlagen met een kap. De woningen zijn voorzien van een kleine voortuin en een achtertuin. Voor de straten binnen het plangebied geldt een snelheidsregime van 30 km/uur. De meeste straten zijn niet voorzien van parkeervakken. Er wordt langs de straten tegen het trottoir geparkeerd. Alleen aan de Willem de Zwijgerstraat zijn langsparkeervakken aanwezig. De navolgende afbeeldingen tonen impressies van de Margrietstraat en de Willem de Zwijgerstraat in de huidige situatie.

Huidige situatie Margrietstraat (bron: Cyclorama)

8

Huidige situatie Willem de Zwijgerstraat (Cyclorama)

Het plangebied is gelegen in de wijk Oostendam. Deze wijk bestaat uit woningen van verschillende typen, zoals rijwoningen, appartementen en twee-onder-een-kapwoningen. Ten zuidoosten van het plangebied ligt winkelcentrum de Schoof, waar de nodige winkels en supermarkten aanwezig zijn.

9

2.2 Toekomstige situatie Stedenbouwkundig plan In de toekomstige situatie worden 85 sociale huurwoningen in de Oranjebuurt gesloopt. Hiervoor in de plaats worden in totaal 115 sociale huurwoningen teruggebouwd. De ontwikkeling bestaat uit 57 grondgebonden rijwoningen en 58 appartementen. De openbare ruimte krijgt een groene inrichting met bomen en struiken. De navolgende afbeeldingen tonen een situatietekening en vogelvlucht van de toekomstige situatie.

Situatietekening toekomstige situatie (bron: KAW architecten)

10

Vogelvlucht toekomstige situatie (bron: KAW architecten)

Woningen De woningen worden verdeeld over zeven bouwblokken, waarvan één appartementengebouw. Aan de Willem de Zwijgerstraat, in het zuidelijke gedeelte van het plangebied, wordt één woonblok (blok A) gerealiseerd. Deze woningen bestaan uit drie bouwlagen en beschikken over een voor- en achtertuin. De navolgende afbeelding toont een impressie van de beoogde woningen.

Impressie blok A (bron: KAW architecten)

Voor het middelste bouwblok (blok B-1) en de twee bouwblokken aan de Margrietstraat (blokken B-2 en B-3) in het noordelijke gedeelte van het plangebied geldt dat de rijwoningen bestaan uit twee bouwlagen met een kap. De hoekwoning aan de Willem de Zwijgerstraat (blok B-1) wordt uitgevoerd in drie bouwlagen met een plat dak. Hiermee wordt aangesloten op de overige bouwblokken aan deze straat. De meeste rijwoningen van deze blokken hebben enkel een achtertuin. De voorgevels grenzen direct aan de openbare ruimte. Enkele woningen beschikken ook over een voortuin. De navolgende afbeelding toont een impressie van de beoogde woningen.

11

Impressie blok B-1 (bron: KAW architecten)

In het westelijke gedeelte van het plangebied bevinden zich aan de Margrietstraat twee langere bouwblokken (blokken C-1 en C-2). De woningen in deze bouwblokken zijn voorzien van één bouwlaag met een kap. De woningen worden voorzien van een voor- en achtertuin. De navolgende afbeelding toont een impressie van de beoogde woningen.

Impressie blokken C (bron: KAW architecten)

Het appartementengebouw met 58 woningen wordt in het oostelijke deel van het plangebied gerealiseerd. Het appartementengebouw bestaat grotendeels uit drie bouwlagen. De zijde aan de Willem de Zwijgerstraat en de Marijkestraat bestaat uit vier bouwlagen. Het woonoppervlak van de appartementen bedraagt 60-80 m². In het midden van het bouwblok is ruimte voor groen, bijvoorbeeld in de vorm van een moestuin. De navolgende afbeelding toont een impressie van het appartementengebouw.

12

Impressie appartementen (bron: KAW architecten)

Verkeer en parkeren De woningen worden ontsloten via de bestaande wegen in het gebied. Hiertoe is een verkeersonderzoek uitgevoerd, waarop in toelichting paragraaf 4.12.1 uitgebreider ingegaan wordt. De parkeerplaatsen binnen het plangebied worden in de openbare ruimte (binnen het plangebied) gerealiseerd. Er worden op in totaal vier parkeerhofjes aan de Margrietstraat en Willem de Zwijgerstraat aangelegd. Daarnaast worden er langs- en haaksparkeerplaatsen langs de Margrietstraat, Willem de Zwijgerstraat en Marijkestraat gerealiseerd. In totaal worden er binnen het plangebied 173 parkeerplaatsen aangelegd. Het aspect parkeren wordt in toelichting paragraaf 4.12.2 nader toegelicht. Duurzaamheid en klimaatadaptatie De nieuwe woningen zullen gasloos uitgevoerd worden en aan de BENG-normen voldoen, waardoor ze bijna energie neutraal zijn. Om de woningen te voorzien van energie zullen er duurzame maatregelen genomen worden. Hierbij kan gedacht worden aan warmtepompen en PV-panelen. Daarnaast worden de woningen voorzien van een goede isolatie. Het beoogde plan houdt rekening met het toekomstige klimaat. Binnen de ruimtelijke en financiële randvoorwaarden is gezocht naar maximale vergroening. Dit is goed voor de lokale regenwaterberging, het beperken van hitte, het vergroten van de biodiversiteit en het verhogen van de leefkwaliteit.

In aanvulling op het bovenstaande heeft Atelier Groenblauw een notitie over klimaatadaptieve maatregelen opgesteld (januari 2022, Atelier Groenblauw, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8). In deze notitie is opgenomen welke maatregelen nu al in het plan verwerkt zijn, welke maatregelen in de verdere uitwerking nog opgenomen zullen worden en welke extra maatregelen toegepast kunnen worden. In toelichting paragraaf 4.11 wordt nader ingegaan op de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptatie.

13

3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is de NOVI niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het realiseren van nieuwe woningen. Er wordt aangesloten bij prioriteit 1 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie', waar in toelichting paragraaf 4.11 nader op ingegaan wordt. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is, gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, het project niet van nationaal belang. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.

14

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:

•

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

•

Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.

•

Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Met het voorliggende plan worden er 85 sociale huurwoningen gesloopt. Hiervoor in de plaats worden 115 nieuwe sociale huurwoningen terug gebouwd. In totaal neemt het aantal woningen dan ook met 30 woningen toe. Derhalve wordt het plan gezien als stedelijke ontwikkeling en dient het plan getoetst te worden aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Bestaand stedelijk gebied Het bestaand stedelijk gebied wordt volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als volgt gedefinieerd: ’bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Het plangebied is gelegen in de wijk Oostendam te Hendrik-Ido-Ambacht.

In deze wijk zijn voornamelijk woningen aanwezig, maar ook voorzieningen. De gronden in het plangebied zijn in de bestaande situatie grotendeels in gebruik ten behoeve van wonen. Geconcludeerd kan worden dat de planlocatie binnen bestaand stedelijk gebied ligt. Behoefte Uit de regionale Woonvisie 2017-2031 (zie toelichting paragraaf 3.3.1) blijkt dat er tot 2031 een behoefte aan minimaal 9.560 nieuwe woningen is. In de regionale woonvisie wordt gesteld dat de behoefte aan sociale huurwoningen licht toeneemt. Daarnaast is het percentage sociale huurwoningen relatief laag in de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht in vergelijking met de andere Drechtsteden. Er kan dan ook gesteld worden dat er een behoefte aan sociale huurwoningen is. Tevens bestaat de ambitie om de sociale huurvoorraad te verduurzamen. Het voorliggende plan draagt hieraan bij.

15

Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen project voldoet aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 augustus 2020. Op 1 augustus 2021 is de Koers 2020 in werking getreden. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

• • •

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen; de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur;

• • • •

de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;

2.

Ambities en sturing

de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

naar een klimaatbestendige delta;

3.

Omgevingskwaliteit

naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;

16

•

een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;

•

een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling. 3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullende de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. Laag van de ondergrond Het plangebied bevindt zich in het 'rivierdeltacomplex - rivierklei/veen'. Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden. Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar. De planlocatie ligt in een woonwijk in het bebouwd gebied van Hendrik-Ido-Ambacht. De verschillen tussen de komgronden en oeverwallen zijn dan ook niet meer herkenbaar. Gesteld kan worden dat de herstructurering van de planlocatie geen invloed heeft op het rivierdeltacomplex. Laag van de stedelijke occupatie Op de kaart van de 'Laag van de stedelijke occupatie' is het plan aangeduid als 'steden en dorpen'. Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op de karakteristieke structuur van en ligging in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, omdat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van het dorp.

Daarnaast draagt een ontwikkeling bij aan de versterking van het stedelijk groen en het waterbergend vermogen door de toename aan groen en de afname aan verharding. Met het voorliggende plan worden de bestaande rijwoningen gesloopt. Hiervoor in de plaats worden nieuwe rijwoningen en appartementen gerealiseerd. De nieuwe woningen zullen qua maat en schaal aansluiten op de woonwijk. 4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Echter valt het plangebied niet binnen een gebiedsprofiel, waardoor er geen relevante kaarten voor het plangebied zijn.

17

Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. Het beoogde initiatief zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en past dan ook binnen de Omgevingsvisie ZuidHolland en is in lijn met de ambities van de provincie. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 augustus 2020 in werking getreden. Op 1 augustus 2021 is de Koers 2020 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i.

c.

zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat het een herstructurering van het plangebied gaat, waarbij bestaande woningbouw vervangen wordt door nieuwbouw. Daarnaast past de herstructurering bij de aard en schaal van het gebied. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria.

18

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat het plangebied binnen het bestaand stads- en dorpsgebied ligt en kleiner dan 3 hectare is. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening. Klimaatverandering In artikel 6.50 'risico's van klimaatverandering' wordt gesteld dat er in een bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de risico's van klimaatverandering. Hierbij dienen onderwerpen zoals wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte behandeld te worden. In toelichting paragraaf 4.11 wordt nader ingegaan op de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptatie. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling vanuit de Omgevingsverordening.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Woonvisie 2017-2031 'Goed wonen in de Drechtsteden' In juli 2017 is de Woonvisie 2017-2031 'Goed wonen in de Drechtsteden' vastgesteld. De regio Drechtsteden is continu in verandering. De regio bestaat uit 7 gemeenten, in een stedelijk cluster met ca. 280.000 inwoners. De Drechtsteden is een maritieme topregio, maar ook een regio waar nog veel kansen te benutten zijn. Met de woonvisie wordt aangesloten op de ambities om economisch sterker te worden, het gebied aantrekkelijk te maken en zorg te dragen aan de zelfredzaamheid van de inwoners van de Drechtsteden. Er is een integrale groeistrategie ontwikkeld, waar wonen een belangrijk onderdeel van is. De ambitie voor de Drechtsteden is in de Woonvisie vertaald in 20 kernpunten. Volgens de prognoses neemt het aantal huishoudens tot 2031 met 9.560 toe. Om het aantal huishoudens in de regio te voorzien van een woning zal minimaal hetzelfde aantal woningen toegevoegd moeten worden aan de woningvoorraad. Planspecifiek In de regionale woonvisie wordt gesteld dat er enkele jaren voor de ondertekening van de Prestatieafspraken Lange Termijn (PALT) afspraken gemaakt zijn om het aantal sociale huurwoningen te reduceren. Echter is in de tussenliggende jaren is de voorraad aan sociale huurwoningen kleiner geworden, maar is de doelgroep toegenomen.

Uit onderzoek dat in het kader van de totstandkoming van de woonvisie is uitgevoerd blijkt dat er bij de woningbehoefte een lichte toename voor de vraag naar sociale huurwoningen is. In de regio zijn er grote verschillen tussen vraag en aanbod per prijsklasse binnen de sociale huur. Het aanbod in de allergoedkoopste (<€ 410) en de duurste (€ 629 - € 711) sociale huurwoningen is ruim voldoende. Echter zijn er tekorten in de andere huurprijsklassen van de sociale voorraad. De omvang van de (sociale) huurvoorraad van alle Drechtsteden gezamenlijk verschilt niet veel met het landelijk gemiddelde. Wel zijn er per gemeente aanzienlijke verschillen. Voor Hendrik-Ido-Ambacht geldt dat er, in vergelijking met de andere Drechtsteden, relatief weinig sociale huurwoningen zijn. Conclusie Gesteld kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de Woonvisie 2017-2031.

19

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Hendrik-Ido-Ambacht, 'Waar de Waal stroomt' Hendrik-Ido-Ambacht is snel gegroeid en groeit nog steeds. De structuurvisie van de gemeente Hendrik-IdoAmbacht is in 2009 vastgesteld door de raad van de gemeente. De visie geeft de ruimtelijke ambities voor de komende tien tot vijftien jaar weer. Samenvattend heeft de structuurvisie de volgende doelen:

•

het toevoegen van een ruimtelijke component aan het lopende traject van de Toekomstvisie en andere beleidsplannen;

• •

het opstellen van een integraal en gemeentebreed beleid op hoofdlijnen; het vormen van een goed communicatiemiddel tussen burger en gemeente.

De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de structuurvisiekaart met het plangebied in het rood omcirkeld.

Uitsnede structuurvisiekaart, plangebied rood omcirkeld (bron: Structuurvisie Hendrik-Ido-Ambacht, 'Waar de Waal stroomt')

Planspecifiek Op de structuurvisiekaart is het plangebied aangeduid als 'bebouwde kom'. De structuurvisie stelt dat nieuwe woningbouw zoveel mogelijk binnen de bestaande bebouwde kom gerealiseerd moet worden en dat er meer herstructurering plaats moet vinden. Daarnaast dient er kwaliteit ingebracht te worden in de sociale sector. De beoogde herstructurering van de planlocatie, waarbij 85 sociale huurwoningen gesloopt worden en hiervoor in de plaats 115 sociale huurwoningen worden teruggebouwd, is dan ook passend bij de ambities van de gemeente. Conclusie Er dien geconcludeerd te worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke structuurvisie. 3.4.2 Woonvisie Hendrik-Ido-Ambacht 2019-2025 In de Woonvisie Hendrik-Ido-Ambacht 2019-2025 is visie van de gemeente voor de komende jaren zien op het gebied van wonen verwoord. Het doel van deze visie is ervoor te zorgen dat de gemeente een fijne gemeente blijft om in te wonen. Dit geldt voor iedereen die al in Hendrik-Ido-Ambacht woont, maar ook iedereen die er wil komen wonen.

20

De essentiële verhouding tussen wonen en groen en blauw staat hierbij centraal. Er dient weloverwogen gebouwd te worden, met als doel het realiseren van een balans tussen groen en wonen. De gemeente ontwikkelt een evenwichtige woningvoorraad, waarbij niemand wordt uitgesloten en waarbij de kwaliteit van wonen voorop staat. Planspecifiek Bij herstructurering van sociale woningbouw dient in samenspraak met de woningcorporatie onderzocht te worden of er mogelijkheden zijn voor verdichting. Tegen iedere reguliere sociale huurwoning die gesloopt wordt dient een sociale huurwoning teruggebouwd te worden, met de mogelijkheid voor verdichting. De beoogde doelgroep is jongeren, ouderen en gezinnen. Eén van de hoofdbehoeften in Hendrik-Ido-Ambacht zijn sociale huurwoningen tussen de € 442,46 en € 678,66 (prijspeil 2022). Met de beoogde herstructurering van het plangebied worden 85 sociale huurwoningen gesloopt. Hiervoor in de plaats worden 115 sociale woningen teruggebouwd. Met de ontwikkeling worden er 30 sociale huurwoningen aan de woningmarkt van Hendrik-Ido-Ambacht toegevoegd. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de ambitie tot verdichting bij sloop van sociale huurwoningen. Met de ontwikkeling vindt er een verduurzaming plaats van het bebouwd gebied. De gronden worden efficiënter gebruikt en de nieuwe woningen zijn duurzamer ten opzichte van de huidige woningen.

Conclusie Gesteld kan worden dat de ontwikkeling in lijn is met de Woonvisie Hendrik-Ido-Ambacht 2019-2025.

21

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Met de voorgenomen ontwikkeling worden 85 sociale huurwoningen gesloopt. Hiervoor in de plaats worden 115 nieuwe sociale huurwoningen gerealiseerd. Daarmee worden er 30 sociale huurwoningen toegevoegd ten opzichte van de huidige (planologische) situatie. Echter nemen de bebouwingsmogelijkheden nauwelijks

22

toe ten opzichte van de bestaande (planologische) situatie. In de huidige situatie wordt het plangebied ook gebruikt ten behoeve van wonen, wat niet wijzigt met het voorliggende plan. De effecten die op kunnen treden komen voort uit de (beperkte) toename van de verkeersgeneratie (71,6 extra voertuigbewegingen per etmaal, 17% toename, zie toelichting paragraaf 4.12.1). Gelet op de aard en de omvang is er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.

4.2 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven), zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Met het voorliggende initiatief wordt een gevoelige functie (wonen) mogelijk gemaakt. Er dient beoordeeld te worden of er ter plaatse van deze gevoelige bestemming sprake is van een goed woon- en leefklimaat en milieubelastende activiteiten in de omgeving niet belemmerd worden als gevolg van het plan. Aan de hand van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' is bepaald of er voldaan wordt aan de gestelde richtafstand. De planlocatie betreft een woonwijk in het centrum van Hendrik-Ido-Ambacht, direct

23

grenzend aan een winkelcentrum. De omgeving van het plangebied kan worden getypeerd als 'gemengd gebied'. Ten oosten van het plangebied bevindt zich winkelcentrum De Schoof, met onder andere supermarkten, een apotheek en een bakker. De detailhandel die hier aanwezig is beschikt maximaal over milieucategorie 1, waarbij in een gemengd gebied een richtafstand van 0 m geldt. Het winkelcentrum bevindt zich op een afstand van meer dan 10 m van de beoogde woningen. Daarmee wordt er voldaan aan de gestelde richtafstand. De bevoorrading van de winkels vindt voornamelijk plaats aan de Dillenburg, aan de oostzijde van het winkelcentrum. De zijde aan de Willem de Zwijgerstraat is relatief rustig. De planlocatie ligt binnen de geluidzone van het industrieterrein 'Aan de Noord'. In paragraaf toelichting paragraaf 4.4 wordt nader ingegaan op het aspect geluid (industrielawaai). Conclusie Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde herontwikkeling.

4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.

Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal

24

mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Met de voorgenomen herstructurering worden 30 woningen meer mogelijk gemaakt dan in de huidige situatie is toegestaan. De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van Atlas leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied.

De achtergrondconcentraties over 2019 van fijnstof PM 10, fijnstof PM2,5 en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 18 µg/m³, 10 μg/m³ en 22 μg/m³. Daarmee worden de wettelijke normen niet overschreden. De WHO en GGD hanteren advieswaarden van 20 µg/m³ voor fijnstof PM 10 en 10 µg/m³ voor fijnstof PM2,5, die lager liggen dan de wettelijke grenswaarden. Als aan deze waarden wordt voldaan kan vanuit een goede motivering worden gesproken over acceptabele concentraties en een goed woon- een leefklimaat. Op de planlocatie worden deze advieswaarden niet overschreden. Daarmee kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen;

•

geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen).

andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven);

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

25

Planspecifiek Met de ontwikkeling van woningen wordt een geluidgevoelig object gerealiseerd. De Wgh ziet toe op de bescherming van geluidgevoelige objecten. Spoorweglawaai Het plangebied ligt niet binnen de onderzoekszone van een spoorweg. Nader onderzoek naar spoorweglawaai is niet noodzakelijk. Wegverkeerslawaai De planlocatie ligt binnen de onderzoekszone van de Graaf Willemlaan. De overige wegen in de omgeving zijn 30 km wegen zonder geluidzone. Om die reden is een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd (19 april 2022, Adviesburo Van der Boom, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). De geluidbelasting door wegverkeer op de Graaf Willemlaan bedraagt op de zuidwestgevels van de meest zuidwestelijk gelegen woning (rekenpunt 30) ten hoogste 40 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. Een hogere waarde voor de geluidbelasting door wegverkeer op de Graaf Willemlaan is niet nodig. De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen (inclusief 30 km wegen) samen bedraagt ten hoogste 64 dB zonder aftrek. Industrielawaai Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van het geluidgezoneerde industrieterrein 'Aan de Noord'. De geluidbelasting door industrielawaai ligt naar opgave van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid in 7 rekenpunten hoger dan 50 d(A).

Voor de rekenpunten 13, 38, 39 en 43-46 dient na aftrek van de redelijke sommatie (1 dB) een hogere waarde te worden verleend voor industrielawaai. Goede ruimtelijke ordening De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai en industrielawaai bedraagt ten hoogste 65 dB zonder aftrek. De hoogste gecumuleerde geluidbelasting van 65 dB ligt 1 dB hoger dan geluidbelasting van 64 dB zonder aftrek door wegverkeer (inclusief 30 km wegen) op de gevels van de hoogst geluidbelaste rekenpunten. De gecumuleerde geluidbelasting ligt op lager geluidbelaste rekenpunten ten hoogste 2 dB boven de geluidbelasting door wegverkeer. De gecumuleerde geluidbelasting op de gevels is daarmee niet onaanvaardbaar hoog. De gemeente beoordeelt ten eerste op basis van de cumulatieve geluidbelasting op de gevels of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De geluidbelasting door wegverkeer op de Willem de Zwijgerstraat (30 km/u) is maatgevend voor de cumulatieve geluidbelasting. Het treffen van maatregelen aan de bron is hetzij niet mogelijk (terugbrengen van de verkeerssnelheid) hetzij niet doeltreffend (aanbrengen van een stil wegdek). Het aanbrengen van een verdiepinghoge afscherming langs de Willem de Zwijgerstraat is stedenbouwkundig ongewenst.

De gemeente geeft in haar beleid aan dat 'de kwaliteit van de woon- en leefomgeving' acceptabel is als er een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte aanwezig is. Daarbij is uitgegaan van de gecumuleerde geluidbelasting door wegverkeer (inclusief 30 km wegen) en industrielawaai. Er is sprake van een geluidluwe gevel als de gecumuleerde geluidbelasting door wegverkeer (exclusief aftrek) en industrielawaai kleiner of gelijk is aan 53 dB. De woningen in rekenpunt 14 (tevens rekenpunt 18) hebben geen geluidluwe gevel. Omdat de gevels van de appartementen grenzend aan de Willem de Zwijgerstraat geluidbelast zijn, kan voor de hoekappartementen mogelijk niet voldaan worden aan de eis van een geluidluwe gevel aan de achterzijde. Voor deze woningen en appartementen dient een ontheffing van het gemeentelijk geluidbeleid te worden aangevraagd. Er is sprake van een geluidluwe buitenruimte als de gecumuleerde geluidbelasting door wegverkeer (exclusief aftrek) kleiner of gelijk is aan 53 dB. Woningen met een tuin moeten een geluidluwe tuin hebben van minimaal 20 m². De woningen in rekenpunt 14 (tevens rekenpunt 18) hebben geen geluidluwe buitenruimte. Voor deze woningen dient een ontheffing van het gemeentelijk geluidbeleid te worden aangevraagd.

26

Indien bij de appartementen balkons grenzend aan de geluidbelaste zijde worden gerealiseerd, dan dienen deze te voldoen aan de eisen die het geluidbeleid stelt aan een balkon aan de geluidbelaste zijde. Deze dient te worden voorzien van een gesloten borstwering van ten minste 1,5 m hoogte. Indien aanwezig dient een daarboven liggend overstek, galerij of balkon te worden voorzien van geluidsabsorberend materiaal. Op deze wijze kan conform het geluidbeleid van de gemeente, een beter woon- en leefklimaat worden bereikt. Appartementen met alleen een balkon aan de geluidbelaste zijde zonder aanvullende geluidluwe buitenruimte voldoen niet aan het beleid. Voor appartementen met alleen een balkon aan de geluidbelaste zijde dient derhalve een ontheffing van het beleid te worden aangevraagd. Geluidwering De gecumuleerde geluidbelasting voor wegverkeer en industrielawaai samen bedraagt ten hoogste 65 dB zonder aftrek. Voor gevels met een geluidbelasting van meer dan 53 dB zonder aftrek dienen geluidwerende voorzieningen te worden bepaald. De benodigde karakteristieke geluidwering bij een geluidbelasting van 65 dB bedraagt GA;k 32 dB. Conclusie Er zijn hogere waarden voor industrielawaai benodigd. Gezien het voorgaande is het plan uitvoerbaar vanuit het aspect geluid.

4.5 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder gevoelig bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Om de beoogde herontwikkeling mogelijk te maken moet aangetoond worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen). Om dit aan te tonen is een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd (1 maart 2021, Inventerra, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Uit het onderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen.

•

De bovengrond op het noordelijke, oostelijke en westelijke deel van het terrein is niet verontreinigd met de onderzochte parameters.

•

In de bovengrond op het zuidelijke deel van de locatie zijn lichte verontreinigingen met diverse zware metalen en PAK aangetoond.

• • •

De ondergrond op de locatie is deels licht verontreinigd met nikkel. Het zandige dempingsmateriaal ter plaatse van boring 206 is niet verontreinigd.

•

In het grondwater op de onderzoekslocatie zijn licht tot matig verhoogde concentraties barium en een licht verhoogde concentratie zink aangetoond. Deze worden beschouwd als natuurlijk verhoogde achtergrondconcentraties.

•

Bij het uitgevoerde asbestonderzoek is visueel geen asbest in de bodem aangetroffen. Bij de uitgevoerde analyse zijn op twee plekken asbestgehalten aangetoond juist boven de detectielimiet en daarmee ruim beneden de norm waarboven nader onderzoek nodig is.

In het zandige dempingsmateriaal ter plaatse van boring 208 zijn een matige verontreiniging met zink en lichte verontreinigingen met diverse overige zware metalen, PAK en PCB geconstateerd. Bij het uitgevoerde inkaderende onderzoek zijn zowel in verticale als in horizontale richting ten hoogste lichte verontreinigingen met zink vastgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11806103/1