Bijlage 1 bij raadsvoorstel 9.3 Toelichting Margrietstraat e.o.
Tekst van het document
27
Er zijn plaatselijk licht tot matig verhoogde gehalten in de grond en het grondwater aangetroffen. Bij het karterend van de matige verontreiniging met zink zijn ten hoogste lichte verontreinigingen aangetoond. De matige verontreiniging wordt derhalve als een lokale 'spot' beschouwd. De overige aangetoonde verhoogde gehalten zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek of nadere maatregelen niet noodzakelijk zijn. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Om te kunnen bepalen of in de nabijheid van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart externe veiligheid geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.
28
Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart)
Risicovolle inrichtingen Op een afstand van ca. 520 m ten oosten van het plangebied zijn op het bedrijventerrein 'Aan de Noord' risicovolle inrichtingen gevestigd. Het plangebied ligt niet binnen de PR 10-6-contour. Wel ligt het plangebied volledig binnen het invloedsgebied van Bolidt Kunststoftoepassing BV van 1.088 m. Het groepsrisico ligt in de huidige situatie onder de oriëntatiewaarde. Met de herontwikkeling worden 35% extra woningen mogelijk gemaakt. De personendichtheid zal hierdoor slechts beperkt toenemen. Gezien de beperkte toename van de personendichtheid en de afstand tot de inrichting is een groepsrisicoberekening niet noodzakelijk. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording van het groepsrisico (zie 'Verantwoording groepsrisico'). Transportroutes gevaarlijke stoffen Op een afstand van ca. 680 m ten noorden van het plangebied ligt de A15. Over deze weg vinden transporten van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied is niet gelegen binnen de PR 10-6-contour en het plasbrandaandachtsgebied. Vanwege de ligging op meer dan 200 m van deze weg is een groepsrisico berekening niet noodzakelijk. Met een afstand van ca. 680 m ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van 880 m die geldt voor de A15, waardoor een beknopte groepsrisico verantwoording nodig is (zie 'Verantwoording groepsrisico').
Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een transportroute voor gevaarlijke stoffen over water. Het plangebied ligt met een afstand van ca. 830 m op voldoende afstand (meer dan 200 m), waardoor een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van 1.070 m die geldt voor deze vaarroute. Door de ligging binnen het invloedsgebied is een beknopte groepsrisico verantwoording nodig (zie 'Verantwoording groepsrisico'). Buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleiding aanwezig die van invloed zijn. Verantwoording groepsrisico Bij een incident met toxische stoffen kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Voor wat betreft de bestrijdbaarheid en bereikbaarheid verandert de situatie niet ten opzichte van de huidige situatie. Personen hebben de mogelijkheid om van de
29
risicobronnen af te vluchten. Er kan gebruik worden gemaakt het bestaande wegennet. Er worden geen zeer kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) heeft een advies uitgebracht en kan zich vinden in de voorliggende paragraaf. De veiligheidsregio adviseert verder het volgende:
•
De VRZHZ adviseert de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht.
•
Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020).
•
De VRZHZ wil graag betrokken blijven bij de inrichtingsplannen van het gebied om gezamenlijk de zelfredzaamheid van de gebruikers en de beheersbaarheid door de hulpverleners te kunnen optimaliseren. De VRZHZ wil zo vroeg mogelijk betrokken zijn bij de uitwerking van de plannen voor de woningen, zodat de keuzes voor de realisatie van een voldoende brandveilig gebouw op tijd mee kunnen worden genomen.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde herontwikkeling.
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
• • •
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in het kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
• • •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
30
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
• •
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling vinden sloop- en bouwwerkzaamheden en andere fysieke ingrepen plaats. Om te bepalen of de planlocatie van betekenis is voor beschermde soorten van de Wet natuurbescherming (Wnb) is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (21 februari 2020, Ecoresult, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is ‘Kinderdijk’ op ca. 3,4 km ten noorden van het plangebied. Invloeden (ook van buitenaf) mogen de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000gebieden niet in gevaar brengen. Gezien de verwachte stikstofuitstoot en de aanwezigheid van stikstofgevoelige habitats op ca. 8 km van het plangebied, is een AERIUS-berekening noodzakelijk om de mogelijke stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling in kaart te brengen. Andere negatieve effecten kunnen op basis van de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden worden uitgesloten.
Uit de AERIUS-berekening (22 april 2022, Ecoresult, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4) blijkt dat er in toekomstige situatie (gebruiksfase) geen sprake is van een stikstofdepositie van groter dan 0,00 mol/ha/j op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het beoogde plan leidt niet tot significant negatieve effecten op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Een vergunning voor de Wet natuurbescherming onderdeel stikstof is niet noodzakelijk. Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De wet bevat een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningsplicht voor de bouwsector. De vrijstelling is opgenomen in de Wet en het Besluit natuurbescherming en geldt voor bouwactiviteiten in de bouw- en sloopfase (aanlegfase), waarin emissies tijdelijk en beperkt zijn. De activiteiten gedurende de aanlegfase voldoen aan voorwaarden voor de vrijstelling. Dit betekent dat een onderzoek naar de stikstofdepositie in de aanlegfase geen onderdeel is van de vergunningaanvraag. In de provincie Zuid Holland is geen sprake van externe effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van NNN-gebieden. Gezien het plangebied niet overlapt met NNN gebied hoeft er geen rekening gehouden te worden met externe effecten op deze gebieden. Aanvullend onderzoek is niet nodig. Er is geen sprake van overlap tussen Belangrijk weidevogelgebied en het plangebied.
Op basis van de afstand van dit weidevogelgebied tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op bovengenoemd gebied. Aanvullend (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. Houtopstanden In het plangebied bevinden zich enkele bomen die worden gekapt. Het plangebied bevindt zich echter binnen de bebouwde kom, waarmee de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden, niet wordt overtreden.
31
Soortenbescherming Het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten, namelijk huismus en gierzwaluw. Potenties voor deze soorten bevinden zich onder de dakpannen, waar het dakvlak te bereiken is via de dakgoot of de kopse gevels. Door de sloop zullen de mogelijke nestlocaties permanent worden verwijderd, waardoor de Wet natuurbescherming kan worden overtreden. Aanvullend onderzoek is daarom noodzakelijk. Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen vogels met niet-jaarrond beschermde nesten, zoals pimpelmees. Vogels met niet-jaarrond beschermde nesten (categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5-soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Het plangebied is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden.
Zij kunnen nestelen in bomen en struiken die aanwezig zijn binnen het plangebied. Schadelijke effecten op categorie 5-soorten vogels en algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart - 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Voor vleermuizen is het plangebied potentieel geschikt voor een vaste rust- en verblijfplaats onder de dakpannen, in open stootvoegen, onder het dakoverstek en onder de dakgoot. Aangezien door de sloopwerkzaamheden deze mogelijke verblijfplaatsen permanent zullen worden verwijderd, is overtreding van artikel 3.5 lid 4 van de Wet natuurbescherming mogelijk. Aanvullend onderzoek naar vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger) is daarom noodzakelijk. Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikte habitats. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. In het plangebied bestaan geen potentie voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van beschermde soorten waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt.
Het plangebied is enkel geschikt voor verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van beschermde soorten met een provinciale vrijstelling, onder andere diverse algemene (spits)muissoorten, egel, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Nader onderzoek vleermuis, huismus en gierzwaluw Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan flora en fauna is een nader onderzoek naar vleermuis, huismus en gierzwaluw uitgevoerd (3 september 2021, Ecoresult, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). De resultaten en conclusie van het nader onderzoek zijn: Gewone dwergvleermuis
•
In het plangebied zijn vijf zomerverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aanwezig, waarbij voor één van de vijf verblijfplaatsen geen ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd is. Deze verblijfplaats betreft een kraamkast in fase 2 die ten behoeve van de tijdelijke mitigatie is opgehangen. De kast kan worden weggehaald wanneer de permanente mitigatie in fase 1 is gerealiseerd en wanneer deze vrij is van vleermuizen.
32
•
Buiten het plangebied zijn baltsende dieren waargenomen. De locaties van de bijbehorende paarverblijfplaatsen zijn onbekend maar bevinden zich gezien het baltsgedrag zeker buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.
•
Essentieel functioneel leefgebied is binnen het plangebied afwezig.
Ruige dwergvleermuis
•
In het plangebied en binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden zijn vaste rusten verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied afwezig.
Laatvlieger
•
In het plangebied en binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden zijn vaste rusten verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied afwezig.
Huismus
• •
Binnen het plangebied zijn 18 vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus aanwezig. Binnen het plangebied is essentieel functioneel leefgebied (foerageergebied en kwetterplaatsen) van huismus aanwezig.
Gierzwaluw
•
Binnen het plangebied zijn 13 vaste rust- en verblijfplaatsen van gierzwaluw aanwezig.
Er is een ontheffing bij het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Haaglanden) aangevraagd voor het wegnemen van 4 zomerverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, 18 vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus en 13 vaste rust- en verblijfplaatsen van gierzwaluw.
4.8 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Als de Omgevingswet in werking treedt, zullen onderdelen uit de Erfgoedwet worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Het betreft het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
Planspecifiek Het gemeentelijk archeologiebeleid is opgenomen in de beleidsnota Archeologie Hendrik-Ido-Ambacht uit 2013. Op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart is het plangebied aangeduid als ‘Te Verwachten Archeologische Waarden 4’ (VAW4). Een klein deel van het noordoosten van het plangebied valt binnen een ‘VAW2’. Volgens de beleidskaart geldt voor de zone 'VAW4' dat archeologisch onderzoek
33
verplicht is bij bodemingrepen dieper dan 50 cm -Mv en groter dan 2.500 m². In de zone 'VAW2' zijn bodemingrepen archeologisch onderzoeksplichtig bij een omvang vanaf 500 m² en een diepte van 50 cm Mv of meer. Met de voorgenomen ontwikkeling worden deze normen overschreden. Derhalve is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (17 maart 2022, Transect, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Het archeologisch vooronderzoek is uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek. Bureauonderzoek Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied zich bevindt in het stroomgebied van de Slikkerveer en de Noord stroomgordels. Deze stroomgordels hebben het landschap rond Hendrik-Ido-Ambacht beïnvloed vanaf de Romeinse tijd. In de periode voorafgaand aan de Romeinse tijd bestond de omgeving van het plangebied uit een veenmoeras, doorsneden door enkele veenriviertjes en getijdenkreken. In de directe omgeving van het plangebied zijn nog geen aanwijzingen gevonden voor bewoonbare plaatsen in het veen (veraard veen). Ook zijn nog geen vindplaatsen aangetroffen uit de periode Neolithicum tot en met de IJzertijd. In het wijdere Maasmondingsgebied is echter van dergelijke aanwijzingen en vindplaatsen wel sprake.
Vanwege de onbekendheid met het veen (en op grotere schaal: eventuele getijdenkreken of veenriviertjes) in het plangebied, geldt dan ook vooralsnog een middelhoge verwachting voor de periode Neolithicum tot en met de IJzertijd. Op basis van een recent uitgevoerd milieukundig booronderzoek kan het veen in het plangebied worden aangetroffen vanaf een diepte van 150-220 cm -Mv. In de periode vanaf de Romeinse tijd was het plangebied gelegen in een rivierkomgebied. In de omgeving zijn nog geen aanwijzingen gevonden voor goede bewoningsmogelijkheden. Eventuele vegetatieniveaus kunnen duiden op lokaal goed bewoonbare plaatsen in het komgebied. Direct ten oosten van het plangebied zijn overslaggronden aangetroffen. Deze overslaggronden zijn ontstaan tijdens een dijkdoorbraak in de 14e/15e eeuw. Ze hebben tot aan de Tweede Wereldoorlog aan de oppervlakte gelegen. Ten oosten van het plangebied is de top van de kom- en oeverafzettingen tijdens de dijkdoorbraak weggeslagen. De overslagafzettingen kunnen er echter ook toe hebben geleid dat het landschap is afgedekt met een kleilaag, waardoor eronder gelegen afzettingen juist goed bewaard zijn gebleven. Of in het plangebied van erosie of juist van afdekking sprake is, is niet bekend. Aan de hand hiervan geldt dan ook vooralsnog een middelhoge archeologische verwachting voor de periode Romeinse tijd tot en met de LateMiddeleeuwen-A.
De overslaggronden hebben, op basis van eerder onderzoek ten oosten van het plangebied, waarschijnlijk vanaf de 14e/15e eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog aan het maaiveld gelegen. Pas na de Tweede Wereldoorlog, bij de oprichting van de Oranjebuurt, is een antropogeen ophogingspakket op de overslagafzettingen aangebracht. In de top van de overslagafzettingen zijn in de omgeving onder meer fosfaatvlekken en baksteenresten gevonden. Deze indicatoren duiden op menselijke aanwezigheid in de periode Late-Middeleeuwen-B/Nieuwe tijd. Direct ten oosten van het plangebied zijn de overslaggronden aangetroffen vanaf 70 cm -Mv (1,4 m -NAP). Op welke diepte deze gronden in het plangebied liggen, is vooralsnog onbekend. Voor de periode Late-Middeleeuwen-B/Nieuwe tijd bestaat in deze afzettingen een lage archeologische verwachting. Aan de hand van historische kaarten zullen archeologische resten uit deze periode voornamelijk bestaan uit resten van landgebruik, die dus reeds bekend zijn aan de hand van historisch kaartmateriaal. Er worden geen resten van oude bebouwing verwacht. Uit de periode 18e-begin 20e eeuw worden in het plangebied geen historische bewoningsresten verwacht. Op historische kaarten uit deze periode staat in het plangebied geen bebouwing weergegeven. Het plangebied is in die periode in gebruik genomen als weiland en bouwland.
Uit deze periode kunnen wel sporen van landgebruik aanwezig zijn, zoals sloten. Inventariserend veldonderzoek Uit het veldonderzoek is gebleken dat in het plangebied sprake is van overslag- en komafzettingen op Hollandveen. De fluviatiele afzettingen zijn aangetroffen onder een modern ophoogpakket, op een diepte van 70-110 cm -Mv (1,3-1,8 m -NAP). Het ontbreekt in de fluviatiele afzettingen aan een vegetatieniveau of een bewoningsniveau. Het veen is aangetroffen vanaf een diepte van 180-255 cm -Mv (2,6-3,4 m -NAP). In het veen zijn geen veraarde niveaus aangetroffen die zouden wijzen op gunstige omstandigheden voor bewoning of de daadwerkelijke bewoning van het gebied. Daarom is voor de periode Neolithicum-Late
34
Middeleeuwen-A aan de hand van het veldonderzoek een lage verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten vast te stellen. Advies en conclusie In het plangebied bestaat het voornemen de huidige bebouwing te slopen en een herstructurering door te voeren. In het kader van de herstructurering worden verdeeld over zeven volumes nieuwe woningen gerealiseerd, in de vorm van grondgebonden woningen en een appartementencomplex (in totaal ca. 5.500 m²). Ca. 3.000 m² van de nieuwbouwwerkzaamheden vindt plaats in momenteel onbebouwde grond. De diepte van de bodemverstorende werkzaamheden (zowel sloop als nieuwbouw) is ten tijde van het betreffende onderzoek niet bekend. Op basis van het veldonderzoek is vastgesteld dat in de ondergrond tot een diepte van 4,0 m -Mv geen sprake is van intacte archeologisch relevante niveaus. Daarom wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor eventuele ingrepen in de ondergrond tot een diepte van 3,5 m -Mv, zodat sprake blijft van een bufferzone van minimaal 50 cm tussen de onderzijde van eventuele ingrepen en de bovenzijde van een onontdekt archeologisch relevant niveau. Mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt voor de initiatiefnemer en de uitvoerder van de werkzaamheden de wettelijke plicht dergelijke toevalsvondsten direct te melden bij de bevoegde overheid.
Ter bescherming van archeologische waarden is aan de gronden in het plangebied in het voorliggende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4' toegekend. Ingrepen dieper dan 3,5 m Mv zijn met deze regeling onderzoeksplichting. Voor de oppervlakte wordt, gelijk aan de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart voor de zone 'VAW4', 2.500 m² als onderzoeksgrens aangehouden.
4.9 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- en dorpsgezicht. Ook andere cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn ter plaatse niet aanwezig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde herstructurering.
4.10 Water 4.10.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
35
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.10.2 Waterschap Hollandse Delta Een waterbeheerder is op grond van artikel 4.6 van de Waterwet verplicht om voor de onder zijn beheer staande watersystemen een beheerplan vast te stellen. Het Waterschap Hollandse Delta (hierna: WSHD) heeft haar waterbeheerprogramma voor de periode 2022-2027 vastgesteld op 10 november 2021. In het waterbeheerprogramma worden kaders gesteld voor, onder andere, de waterveiligheid en het voorkomen van wateroverlast. Deze onderdelen van het beheer van het watersysteem zien toe op gebieden waar de waterkering zal worden verlegd en waarin een opgave voor waterberging aanwezig is. Eén van de instrumenten om het waterbeleid vorm te geven is de watertoets. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Hollandse Delta is aangesloten op de landelijke website van de Digitale Watertoets. 4.10.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.
Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Planspecifiek Watercompensatie Het watersysteem dient te voldoen aan het principe van waterneutraal bouwen, dit wil zeggen: waar het verharde oppervlak toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken en infiltratie van water mogelijk te maken. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied en 1.500 m² in niet-stedelijk gebied moet voor hemelwater een watervergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een plan wordt gebruik
36
gemaakt van de vuistregel dat 10% van de toename aan m² verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden. Om te bepalen of er sprake is van een toename aan verharding is er een verhardingsbalans opgesteld, die in een notitie nader wordt toegelicht en gevisualiseerd (20 april 2022, Adcim, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). Deze verhardingsbalans is in de navolgende tabel weergegeven. Onderdeel
Percelen appartementen Openbaar groen Openbaar verhard Halfverharding
Huidige situatie oppervlakte (80% van 15.023 =) 12.018,4 m² 463 m² 4.850 m² -
Totaal verhard oppervlak
16.868,4 m²
Percelen grondgebonden woningen
Toekomstige situatie oppervlakte (90% van 7.038 =) 6.334,2 m² 1.827 m² (100%) 2.544 m² 7.393 m² (50% van 1.709 =) 854,5 m² 16.408,7 m²
Met de beoogde ontwikkeling neemt de oppervlakte aan verharding met in totaal 459,7 m² af. Er zijn daarmee geen compenserende maatregelen benodigd. Watergangen Ten noorden en westen van het plangebied liggen twee watergangen. Echter maken deze watergangen geen onderdeel uit van het plangebied en blijven deze ongewijzigd. Verder is er geen oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied. Waterkering Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen primaire en/of regionale waterkeringen aanwezig. Waterafvoer De afvoer van hemelwater wordt ontkoppeld van de afvoer van afvalwater. De afvoer van het afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel. Er wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Het hemelwater infiltreert zoveel als mogelijk in de bodem. Conclusie Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid met betrekking tot de waterhuishouding zijn.
4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20% reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2020 dient verder de bijdrage van duurzame energie 14% van het totale energieverbruik te zijn. In december 2020 hebben de regeringsleiders van de Europese Unie afgesproken te streven naar een Europees CO2-reductiedoel van 55%. De gebouwde omgeving is goed voor 30% van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden.
37
Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Tot 31 december 2020 werd de energie-efficiëntie uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij werd gestreefd naar EPC = 0,0, waarbij een gebouw energieneutraal is. Vanaf 1 januari 2021 moeten alle gebouwen voldoen aan de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vervangen de EPC en zijn dus ook van toepassing op het voorliggende initiatief. MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. De gebruikte impact van de gebruikte materialen wordt in kaart gebracht aan de hand van productiewijze van de gebruikte bouwmaterialen, het transport, de levensduur van de materialen en de manier van afdanken. Vervolgens worden alle materialen bij elkaar opgeteld. Het resultaat van een dergelijke analyse wordt uitgedrukt in de zogenaamde ‘schaduwkosten’ van het materiaal.
Hoe lager de schaduwkosten, hoe duurzamer het gekozen materiaaltype. Per 1 januari 2018 geldt een maximale totale schaduwprijs van € 1,0/m² bvo. GPR Gebouw Een meetinstrument voor duurzame ontwikkeling en het benutten van het besparingspotentieel is GPR Gebouw. GPR Gebouw is een manier om duurzaam bouwen te concretiseren en doet dit door een rapportcijfer te geven op vijf thema’s: Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Hierbij geldt, hoe hoger het cijfer, hoe duurzamer het gebouw. Door de GPR Gebouw in te vullen wordt meer nagedacht over duurzaamheid tijdens het ontwerpen en (ver)bouwen van gebouwen. GPR Gebouw kan ook gebruikt worden om bestaande woningen en gebouwen te verduurzamen. Na invoering van gegevens in GPR Gebouw betreffende de woningen worden prestaties zichtbaar op de thema’s Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Provinciaal energiebeleid Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Bijbehorende kaders zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Het plangebied is gelegen binnen stedelijk gebied. Ten aanzien hiervan geldt dat bij de toelichting op een ruimtelijk plan een beschrijving bevat op welke wijze rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen.
Daarnaast is er in het huidige omgevingsbeleid, in artikel 6.50 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland (vastgesteld op 15 december 2021), opgenomen dat een bestemmingsplan een paragraaf over klimaatadaptatie moet bevatten. Daarbij wordt onder andere de Leidraad en het Programma van Eisen van het Convenant klimaatadaptief bouwen gebruikt. Convenant Klimaatbestendig Bouwen Klimaatverandering heeft een grote maatschappelijke impact. Daarom is het van groot belang om klimaatadaptief te gaan bouwen. Op 4 oktober 2018 hebben verschillende overheidsinstellingen en bedrijven, waaronder de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht, het Convenant klimaatadaptief bouwen ondertekend. Hierbij zijn afspraken gemaakt om nieuwbouwlocaties, inclusief transformatie- en uitleggebieden, zo klimaatadaptief mogelijk te ontwikkelen. Er wordt gestreefd naar: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
minder wateroverlast; meer biodiversiteit; minder hittestress; minder langdurige droogte en minder nadelige gevolgen ervan; minder bodemdaling en minder nadelige gevolgen ervan; minder kans op overstromingen.
38
Om deze ambities waar te maken is het Programma van Eisen voor de klimaatadaptiviteit van nieuwe ontwikkelingen opgesteld. Het doel van het Programma van Eisen is het opstellen van praktische eisen die partijen in de provincie Zuid-Holland kunnen gebruiken om op korte termijn klimaatbestendig te ontwikkelen. Regionale Energiestrategie Drechtsteden 1.0 In de Regionale Energiestrategie Drechtsteden 1.0 worden de keuzes en afwegingen in relatie tot de energietransitie voor de regio Drechtsteden beschreven. In de Drechtsteden wordt gestreefd naar een energietransitie waar de lusten en lasten eerlijk worden verdeeld. De regio wil de energietransitie realiseren met de hoogst haalbare maatschappelijke opbrengst. Men streeft naar een betaalbare, betrouwbare, duurzame en rechtvaardige energievoorziening, waarbij de balans met onze regionale en lokale economie, leefbaarheid en kwaliteit van landschap en natuur voorop staat. De regio speelt actief in op kansen voor onder andere werkgelegenheid en het versterken van onze sociaal economische positie. De energietransitie en het reduceren van de CO2-uitstoot beginnen bij energiebesparing. Daarnaast kan de warmtetransitie alleen gerealiseerd worden als gebouwen gereed zijn voor de transitie. In 2030 wil de regio ten minste 20% minder energie gebruiken in de gebouwde omgeving ten opzichte van 2020.
Om dit doel te realiseren wordt inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners een handelingsperspectief geboden en worden zij gestimuleerd zoveel mogelijk energie te besparen. Transitievisie Warmte 2021 In het Klimaatakkoord van 2019 is afgesproken dat alle Nederlandse woningen en gebouwen aardgasvrij moeten zijn in 2050. De gemeente Hendrik-Ido-Ambacht heeft onderzocht wat er in de plaats kan komen van het aardgas. In de Transitievisie Warmte 2021 is overzicht van de mogelijkheden en de planning opgenomen. Planspecifiek Naast het Convenant klimaatadaptief bouwen en het Programma van Eisen is de Leidraad klimaatadaptief bouwen opgesteld. De Leidraad klimaatadaptief bouwen heeft tot doel om te ondersteunen bij het opstellen van de klimaatambities en het beoordelen van de gebiedsontwikkeling op de klimaatthema’s, zoals wateroverlast, droogte, hittestress, bodemdaling, biodiversiteit en overstromingen. Wateroverlast Onder wateroverlast wordt de overlast die optreedt als gevolg van (extreme) neerslag. De intensiteit en duur van de neerslag is een van de grootste factoren die invloed heeft op het risico van overlast. Daarnaast is de wijze en mate waarop verschillende oppervlakken het water opnemen of door laten stromen, de riolering en het oppervlaktewater belangrijke factoren.
Voor de herontwikkeling van het plangebied dienen eisen en maatregelen opgenomen te worden waar het plan aan moet voldoen voor wat betreft de opvang en afvoer van het regenwater. Een goed functionerend watersysteem is van groot belang om wateroverlast te voorkomen. Met de ontwikkeling wordt dan ook waar mogelijk gebruik gemaakt van halfverharding, bijvoorbeeld voor parkeerplaatsen en vluchtpaden. Hierdoor heeft het water een betere kans om te infiltreren. De platte daken zijn voorzien van een groen dak voor de opvang van water. Daarnaast is ten zuiden van het appartementencomplex een wadi beoogd. Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Om droogte te voorkomen kunnen onder andere eisen gesteld worden aan het openbaar groen, oppervlaktewater en de gewenste grondwaterstand. Door water binnen het plangebied vast te houden wordt droogte tegengegaan. Het voorliggende plan is voorzien van relatief veel groen ten opzichte van de huidige situatie. De vele groenstroken, bomen en groene daken zullen voor de droogte tegengaan.
39
Hittestress In stedelijk gebied is het thema hittestress van belang. Bij verdichting in stedelijk wordt de kans op hittestress vergroot. Om hittestress te voorkomen kunnen concrete (fysieke) maatregelen genomen worden. Het toevoegen van extra groen (bijvoorbeeld bomen) of oppervlakte water kan bijdragen aan het tegengaan van hittestress. Ondanks dat er met het voorliggende plan meer woningen worden gerealiseerd is er meer ruimte tussen de bebouwing ten opzichte van de huidige situatie. Het plan heeft meer 'open' gebieden en er wordt nieuw groen aangelegd. Het groen binnen het plangebied zorgt voor verkoeling. Op het gebied van hittestress zal de situatie dan ook verbeteren. Bodemdaling In de provincie Zuid-Holland is op veel plekken sprake van bodemdaling. Bodemdaling wordt voornamelijk veroorzaakt door oxidatie van veen, klink en geologische processen in de diepere ondergrond. Daarnaast is zetting van de bodem van belang. Zettingen betreffen het proces waar grond onder invloed van belasting daalt. Volgens de klimaatatlas van Zuid-Holland is de bodem van het plangebied bodemdalingsgevoelig. Echter bedraagt de verwachte bodemdaling 0,00 mm tot 0,03 mm per jaar. Daarmee is er geen sprake van een geval van sterke bodemdaling. In de huidige situatie is het plangebied vrijwel volledig bebouwd.
Met de herontwikkeling wordt de bestaande bebouwing gesloopt en hiervoor in de plaats wordt nieuwe bebouwing terug gebouwd. Er kan dan ook gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling nauwelijks invloed heeft op bodemdaling. Biodiversiteit Voor wat betreft beschermde soorten en biodiversiteit binnen het plangebied is een ecologische quickscan en een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Voor het thema biodiversiteit en ecologie wordt verwezen naar toelichting paragraaf 4.7. Om de biodiversiteit te verbeteren worden in de kopgevels en dichte gevelvlakken nestkasten gerealiseerd. Naast de wadi ten zuiden van het appartementencomplex is een insectenhotel beoogd. Insecten zijn belangrijk voor de biodiversiteit in een gebied. Daarnaast wordt er meer groen gerealiseerd ten opzichte van de huidige situatie. Overstromingen De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat voor het plangebied geldt een zeer kleine kans op overstromingen van tussen de 1/3.000 per jaar en 1/30.000 per jaar geldt. Daarnaast veranderd de functie (wonen) binnen het plangebied niet. Het thema overstromingen is dan ook verder niet van belang.
Maatregelen klimaatadaptatie Het beoogde plan houdt rekening met het toekomstige klimaat. Binnen de ruimtelijke en financiële randvoorwaarden is gezocht naar maximale vergroening. Dit is goed voor de lokale regenwaterberging, het beperken van hitte, het vergroten van de biodiversiteit en het verhogen van de leefkwaliteit. In aanvulling op het bovenstaande heeft Atelier Groenblauw een notitie over klimaatadaptieve maatregelen opgesteld (januari 2022, Atelier Groenblauw, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8). In deze notitie is opgenomen welke maatregelen nu al in het plan verwerkt zijn, welke maatregelen in de verdere uitwerking nog opgenomen zullen worden en welke extra maatregelen toegepast kunnen worden. Duurzaamheidsmaatregelen (energie) Met de herontwikkeling van het plangebied worden de 85 oude sociale huurwoningen vervangen door 115 nieuwe duurzame woningen, bestaande uit rijwoningen en appartementen. De nieuwe woningen zullen gasloos uitgevoerd worden en aan de BENG-normen voldoen, waardoor ze bijna energie neutraal zijn. Om de woningen te voorzien van energie zullen er duurzame maatregelen genomen worden. Hierbij kan gedacht
40
worden aan warmtepompen en PV-panelen. Daarnaast worden de woningen voorzien van een goede isolatie.
4.12 Verkeer en parkeren 4.12.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' (2018) kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Om de toename van de verkeersgeneratie te bepalen is zijn de kencijfers van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Daarbij is, conform de 'Parkeernota Nieuwe ontwikkelingen 2018' van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht, uitgegaan van de stedelijkheidsgraad 'sterk stedelijk' en 'rest bebouwde kom'. Huidige verkeersgeneratie In de huidige situatie bestaat het plangebied uit 85 grondgebonden sociale huurwoningen.
In de navolgende tabel staat de verkeersgeneratie van de huidige situatie weergegeven. Soort woning/functie huur, huis, sociale huur
Aantal woningen 85
CROW-verkeersgeneratie 4,9
Totale verkeersgeneratie 416,5
De verkeersgeneratie die in de huidige situatie veroorzaakt wordt door de 85 grondgebonden sociale huurwoningen bedraagt 416,5 voertuigbewegingen per etmaal. Toekomstige verkeersgeneratie Met de beoogde herontwikkeling wordt in totaal 115 sociale huurwoningen mogelijk gemaakt, bestaande uit 57 grondgebonden sociale huurwoningen en 58 sociale huur-appartementen. De navolgende tabel geeft de verkeersgeneratie van de toekomstige situatie weer. Soort woning/functie
Aantal woningen
huur, huis, sociale huur huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur) Totaal
57 58 115
CROWverkeersgeneratie 4,9 3,6
Totale verkeersgeneratie 279,3 208,8 488,1
Voor de toekomstige situatie bedraagt de verkeersgeneratie 488,1 voertuigbewegingen per etmaal. In totaal zijn dit 71,6 voertuigbewegingen per etmaal meer ten opzichte van de huidige situatie. Gelet op de relatief kleine toename van het aantal verkeersbewegingen per etmaal, kan gesteld worden dat de verkeersgeneratie opgevangen kan worden met de huidige verkeersstructuur. De verkeersstructuur wordt dan ook nauwelijks gewijzigd. Verkeersonderzoek Er is een onderzoek naar de verkeerseffecten van de herontwikkeling van het gebied rond winkelcentrum De Schoof uitgevoerd (23 september 2021, Exante, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9). In dit onderzoek wordt, net als in het onderzoek uit 2017 dat Goudappel heeft uitgevoerd, geconcludeerd dat de
41
woningbouwontwikkelingen niet leiden tot problemen op het gebied van verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid. De (groei van) intensiteiten blijven op alle wegen in het onderzoeksgebied ruimschoots binnen de in het GVVP gestelde kaders voor intensiteiten. Daarmee wordt gesteld dat de functie en het gebruik van de wegen niet in negatieve zin aangetast wordt. Met het onderzoek is daarnaast de mogelijke uitbreiding/aanpassing van de blauwe zone beoordeeld en is een advies gegeven over de locatie van een uitweg aan de Willem de Zwijgerstraat. Er wordt geconcludeerd dat er geen nut en noodzaak is voor het uitbreiden van de blauwe zone. Verder is het advies om de uitweg aan de Willem de Zwijgerstraat niet direct naast de voetgangersoversteekplaats te situeren. Dit advies is opgevolgd. De uitweg van het parkeerhofje is gedurende de planvorming verplaatst van de Willem de Zwijgerstraat naar de Margrietstraat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde herontwikkeling. 4.12.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming.
Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. De gemeente Hendrik-Ido-Ambacht heeft in de 'Parkeernota Nieuwe ontwikkelingen 2018' haar parkeerbeleid vastgelegd. Het doel van de nota is om per gebied en per functie de parkeernormen voor de komende jaren vast te leggen. Met deze normen moet het doel gewaarborgd worden om voldoende parkeergelegenheid te realiseren bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering in Hendrik-Ido-Ambacht. Planspecifiek Parkeerbehoefte- en aanbod Volgens de gebiedenkaart van de 'Parkeernota Nieuwe ontwikkelingen 2018' van de gemeente Hendrik-IdoAmbacht ligt het plangebied in de 'rest bebouwde kom'. Voor de grondgebonden sociale huurwoningen wordt de categorie 'huurwoning (sociale huur)' gevolgd. Daarnaast zijn voor appartementen parkeernormen opgenomen in de parkeernota. Voor appartementen zijn de categorieën onderverdeeld in goedkoop, middelduur en duur. Voor de sociale huurappartementen wordt de categorie 'etage, goedkoop' gevolgd. In de navolgende tabel staat het benodigde aantal parkeerplaatsen weergeven. Soort woning/functie huurwoning (sociale huur) etage, goedkoop Totaal
Aantal woningen 57 58 115
Parkeernorm 1,5 1,5
Aantal parkeerplaatsen 85,5 87,0 172,5
In de toekomstige situatie bedraagt de parkeerbehoefte van de 115 sociale huurwoningen afgerond 173 parkeerplaatsen. Het uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen en/of functiewijzigingen is dat de benodigde parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden ondergebracht, met inachtneming van het bepaalde in tabel 6.3/7 van ASSV 2012. Bij het voorgenomen plan wordt het benodigde aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte aangelegd. Alle parkeerplaatsen mogen als één parkeerplaatsen worden gerekend. Binnen het plangebied zijn 173 parkeerplaatsen voorzien (zie situatietekening toelichting paragraaf 2.2). Het parkeerterrein achter blok A, dat bereikbaar is via de Margrietstraat, zal uitsluitend voor de directe omwonenden bestemd zijn en niet voor bezoekers van het winkelcentrum.
42
Parkeeronderzoek Er is een onderzoek naar de effecten op het gebied van parkeren vanwege de herontwikkeling van het gebied rond winkelcentrum De Schoof uitgevoerd (23 september 2021, Exante, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9). Hieruit volgt dat er over de gehele onderzoeksperiode en het gehele onderzoeksgebied geen parkeerprobleem is. De toekomstige ontwikkelingen laten verder een positieve parkeerbalans zien. Het onderzoekt toont aan dat de ontwikkelingen in het gebied ook in de toekomstige situatie geen parkeerproblemen opleveren. Deze conclusie is in overeenstemming met de conclusie van het onderzoek uit 2017 dat Goudappel heeft uitgevoerd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde herontwikkeling.
43
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Plansystematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. 5.2.2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk komen alle (enkel)bestemmingen aan de orde. Het betreft een indeling van bestemmingen in hoofdgroepen waarin de meest voorkomende functies kunnen worden ondergebracht.
De indeling in hoofdgroepen maakt het raadplegen van een bestemmingsplan en het zoeken naar bepaalde functies eenvoudiger. De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een
44
omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen heeft verleend. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt verleend indien zij voldoet aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit 2012 en de Welstandsnota 2015. Hieronder volgt per toegepaste (dubbel)bestemming een korte toelichting: Tuin De bestemming 'Tuin' is opgenomen voor de (voor- en zij)tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Naast tuinen zijn binnen deze bestemming voorzieningen als groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en water toegestaan. Op de voor 'Tuin' bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Verkeer - Verblijfsgebied De gronden aangewezen voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' zijn bestemd voor verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van aangrenzende bestemmingen. Tevens zijn binnen deze bestemming behorende voorzieningen zoals onder andere groen, parkeervoorzieningen en speelvoorzieningen toegestaan. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Wonen Voor de woningen binnen het plangebied is de bestemming 'Wonen' opgenomen. Hierbij geldt dat nietpubliekgerichte aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zijn toegestaan.
Daarnaast mogen binnen deze bestemming verschillende voorzieningen gerealiseerd worden, zoals parkeervoorzieningen, erven, tuinen, groen, nutsvoorzieningen en water. Binnen het plangebied mogen maximaal 115 woningen mogelijk gemaakt worden. De woningen dienen binnen de bouwvlakken op de verbeelding gebouwd te worden. De maximale goot- en bouwhoogte staat tevens aangegeven op de verbeelding. Binnen de bestemming 'Wonen' mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak mogen aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen gebouwd worden. Waarde - Archeologie 4 De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' is opgenomen ter bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Voor een bouwplan met een oppervlakte van meer dan 2.500 m² en een diepte van meer dan 350 cm geldt dat er een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. 5.2.3 Algemene regels Antidubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen.
Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van functies die in ieder geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Algemene aanduidingsregels De gronden in het plangebied, die volledig zijn voorzien van de aanduiding 'geluidzone - industrie', zijn mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van een inrichting als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder.
45
Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om – onder voorwaarden – af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een mogelijkheid opgenomen om – onder voorwaarden – de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingsgrenzen te wijzigen. Parkeren In dit artikel is de in de gemeente gangbare parkeerregeling opgenomen. 5.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.
46
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de ter visielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.