CConstaterende datHendrik-Ido-Ambacht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 bij raadsvoorstel 9.2 - Rijksstraatweg 42b e.o. - Toelichting

raadsvergadering openbaar 12 april 2021, gemeente Hendrik-Ido-AmbachtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Rijksstraatweg 42b e.o.13.772 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

400193.20191527

37

Figuur 4.3

4.6

Naamgeving te realiseren woningen

Verkeer en parkeren

Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.

Rho adviseurs voor leefruimte

400193.20191527

38

Onderzoek Ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten middels 4 in/‐uitritten aan de Rijksstraatweg. Dit is een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom, waar een maximum snelheid van 60 km/u geldt. Deze weg verbindt Rijsoord met Hendrik‐Ido‐Ambacht en geeft toegang tot de A16 richting Rotterdam en Dordrecht. Vanaf de Rijksstraatweg zijn Rotterdam en Dordrecht binnen 15 minuten te bereiken. De Rijksstraatweg heeft een vrijliggend fietspad. De scheiding van snel en langzaam verkeer is volgens de principes van Duurzaam Veilig en komt de verkeersveiligheid ten goede. Op circa 900 m van het plangebied bevinden zich bushaltes waar bussen halteren in de richtingen Rotterdam, Beverwaard, Ridderkerk en Barendrecht. Parkeren Ter plaatse geldt de Parapluherziening parkeernormen Hendrik‐Ido‐Ambacht (vastgesteld juli 2019). In deze Parapluherziening is de Parkeernota Nieuwe ontwikkelingen 2018 bijgesloten. Volgens deze Nota geldt voor nieuwe vrijstaande woningen in het buitengebied een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning. De kavels beschikken over voldoende ruimte om deze parkeerbehoefte op te vangen. Er worden geen problemen verwacht bij het parkeren. Verkeersgeneratie en afwikkeling Binnen het plangebied worden vijf nieuwe woningen mogelijk gemaakt en verdwijnt 20.800 m2 aan kassen en 1.014 m² aan bijgebouwen.

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Hendrik‐Ido‐Ambacht. Op basis van het autobezit in deze gemeente worden gemiddelde kencijfers gehanteerd uit publicatie 381 van het CROW. In de huidige situatie staan twee woningen, welke behouden blijven in het bestemmingsplan. Daarnaast wordt voor 20.800 m2 aan (sierteelt)kassen en aan 1.014 m² bijgebouwen gesaneerd. De beide bedrijfswoningen blijven behouden in de toekomstige situatie. De toename van vijf woningen leidt volgens kencijfers van het CROW (publicatie 381) tot ongeveer 40 motorvoertuigen per etmaal (8,2 mvt per woning). Door het saneren van de kassen verdwijnt de verkeersaantrekkende werking die hiermee gemoeid is. De eventuele toename die per saldo overblijft is dermate gering dat het zal opgaan in het heersende verkeersbeeld van de Rijksstraatweg. Conclusie De bereikbaarheid van het plangebied vanuit de verschillende vervoerswijzen is goed. Door de ontwikkelingen kan de verkeersgeneratie in beperkte mate toenemen. De intensiteit op de Rijksstraatweg neemt hierdoor nauwelijks toe en zal niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling. De parkeerbehoefte van de woningen dient op eigen terrein opgevangen te worden. Hiervoor is voldoende ruimte. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.7

Luchtkwaliteit

Beleid en Normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.

Rho adviseurs voor leefruimte

400193.20191527

39

Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24‐uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer per jaar meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek en conclusie De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van vijf nieuwe woningen. Dit aantal woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden.

De ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving, nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wel van belang om een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied te geven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2019 (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Langeweg ten zuiden van het plangebied. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2018 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wm lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 25,4 µg/m³ voor NO2, 19,4 µg/m³ voor PM10 en 11,9 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 7,1 dagen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.8

Bedrijven en milieuhinder

Beleid en Normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd;

Rho adviseurs voor leefruimte

400193.20191527

40

rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering. In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek en conclusie Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Hendrik‐Ido‐Ambacht. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van vijf burgerwoningen en het omzetten van twee bedrijfswoningen in burgerwoningen. In de directe omgeving van het plangebied zijn hoofdzakelijk agrarische gronden aanwezig. Vanwege de aanwezigheid van diverse (agrarische) bedrijven in de directe omgeving en de ligging aan de Rijksstraatweg kan het gebied getypeerd worden als (matig) gemengd gebied. Ten zuidoosten van het plangebied, aan de overzijde van de Rijksstraatweg en direct ten zuiden van het plangebied zijn kassen gelegen.

Op basis van de VNG‐publicatie geldt voor kassen een richtafstand van 10 m binnen een gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Overige bedrijven in de omgeving liggen op ruimere afstand en zijn niet van invloed op de milieusituatie ter plaatse van het plangebied en worden tevens niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuhinder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9

Externe veiligheid

Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting.

Rho adviseurs voor leefruimte

400193.20191527

41

De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het Bevt vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Besluit externe veiligheid buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Beheerplan Kijfhoek Door de Omgevingsdienst Zuid‐Holland Zuid (OZHZ) is het 'Beheerplan Groepsrisico Kijfhoek' opgesteld van de gemeenten Zwijndrecht, Hendrik‐Ido‐Ambacht, Ridderkerk en Barendrecht. Het door Kijfhoek veroorzaakte risico biedt slechts beperkte ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Het plan voorziet in een samenhangend beleids‐ en afsprakenkader voor de vier gemeenten.

Daarmee wordt de wijze waarop de betreffende gemeenten de door Kijfhoek veroorzaake veiligheidsrisico's betrekken in hun ruimtelijke planprocedures, eenduidig en consistent verankerd. Onderzoek In de omgeving van het plangebied zijn diverse risicobronnen aanwezig. De relevante risicobronnen in de directe omgeving worden hieronder beschreven. Rangeerterrein Kijfhoek Ten zuiden van het plangebied op circa 800 m afstand is het rangeerterrein Kijfhoek gelegen. Kijfhoek is een inrichting die onder het Bevi valt. In onderstaande afbeelding zijn de risicocontouren verbeeld waarin te zien is dat het plangebied buiten de PR 10‐6 contour ligt en binnen het effectgebied (PR 10‐8). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van vijf nieuwe woningen en het omzetten van twee bedrijfswoningen in burgerwoningen. In het Beheerplan Kijfhoek zijn groepsrisicoberekeningen uitgevoerd waarin diverse toekomstige ontwikkelingen zijn meegenomen. De ontwikkelingen die in voorliggend plan worden mogelijk gemaakt zijn hier onderdeel van. Uit deze berekeningen blijkt dat na de ontwikkelingen de oriënterende waarde van het groepsrisio niet wordt overschreden. De hoogte van

Rho adviseurs voor leefruimte

400193.20191527

42

het groepsrisico vormt dan ook geen belemmering.

Figuur 4.4 PR‐risicocontouren Spooremplacement Kijfhoek ten opzichte van locatie beoogde woningen (blauwe cirkel) (bron: Omgevingsdienst Zuid‐Holland Zuid) LPG‐tankstations Op meer dan 900 m ten zuidoosten van het plangebied zijn drie LPG‐tankstations gelegen. Deze liggen op dusdanig grote afstand dat deze geen invloed hebben op de externe veiligheidssituatie in het plangebied. De invloedsgebieden reiken niet tot aan het plangebied. De aanwezige LPG‐tankstations vormen hiermee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Op circa 180 m ten oosten van het plangebied is de hogedruk aardgasleiding W‐507‐01 gelegen. Het invloedsgebied van deze leiding bedraagt 140 m en reikt niet over het plangebied. Deze leiding vormt dan ook geen belemmering. Aan de noordkant loopt de hogedruk aardgasleiding A‐555 door het plangebied. Het invloedsgebied van deze leiding bedraagt 490 m. Het plangebied ligt dus volledig binnen het invloedsgebied. Door AVIV is in april 2020 een groepsrisicoberekening van deze buisleiding gedaan, dit is te vinden in bijlage 6. Hieruit blijkt dat de PR10‐6 risicocontour van deze buisleiding niet buiten de leiding ligt. De PR10‐6 risicocontour staat de vaststelling van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg. Daarnaast blijkt dat het groepsrisico van de leiding ruim onder de oriëntatiewaarde ligt.

Deze bedraagt 0,015 * de oriëntatiewaarde. Door de beoogde realisatie neemt het groeprisico in de toekomstige situatie niet toe. Wel is er sprake van een belemmeringenstrook van 5 meter waarin geen werkzaamheden mogen plaatsvinden. De buisleiding vormt hiermee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Ten noordoosten van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de A16. Uit het Basisnet Weg blijkt dat deze weg een veiligheidszone heeft van 26 m (gemeten van het midden van de weg). Ook is rondom de weg sprake van een plasbrandaandachtsgebied van 30 m. Vanwege het vervoer van brandbare gassen bedraagt het maatgevende invloedsgebied 355 m. Het plangebied ligt op circa 360 m afstand en ligt dus buiten het invloedsgebied. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A16 vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke transporten over het spoor Het spoortraject Kijfhoek – Barendrecht ligt op circa 800 m afstand ten zuiden van het plangebied. Over

Rho adviseurs voor leefruimte

400193.20191527

43

dit spoortraject vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De PR10‐6 risicocontour bedraagt 38 m. Het plasbrandaandachtsgebied bedraagt 30 m. Beide reiken niet tot aan het plangebied. Door het vervoer van giftige gassen en vloeistoffen is het invloedsgebied > 4 km. Het plangebied ligt hier binnen. Omdat het plangebied in zijn geheel op meer dan 200 m afstand vanaf de buitenrand van de transportroute is gelegen, kunnen hierdoor geen ruimtelijke verplichtingen gesteld worden aan de ontwikkeling en is een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk. Verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de aardgasleiding en het spoortraject dient wel een verantwoording opgesteld te worden. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording, omdat het groepsrisico niet toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Deze verantwoording is hieronder opgenomen. Scenario  Fakkelbrand: Voor een hogedruk aardgastransportleiding is het maatgevende scenario een fakkelbrand. Bijvoorbeeld bij (graaf)werkzaamheden door derden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgastransportleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk continu uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt die duurt totdat na inblokken van de leiding de druk afneemt.

Deze fakkel kan voor de grootste leidingen tot een hoogte van enkele honderden meters reiken. De fakkelbrand is hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken. Hittestraling is, in combinatie met de blootstellingsduur, bepalend voor de gevolgen voor mensen en objecten. De effecten zijn doden, gewonden (zeer zwaargewond tot lichtgewond), schade aan objecten en brandoverslag (secundaire branden).  Vrijkomen van giftige gassen of vloeistoffen: Door een incident op het spoor scheurt de wand van een spoorketelwagon met toxische vloeistof/gas. Een groot deel van de toxische vloeistof stroomt in korte tijd uit. De toxische vloeistof vormt een plas en verdampt deels direct om gedurende korte tijd meegevoerd te worden door de wind. Door deze giftige gaswolk kan, afhankelijk van de aard en hoeveelheid van de stof, bij een aantal personen binnen het plangebied letaal letsel optreden ten gevolge van blootstelling aan de gaswolk. De effectafstand is afhankelijk van de aard en hoeveelheid van de getransporteerde stof en van de windrichting. Zelfredzaamheid De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 5 extra woningen. De aanwezige personen zullen over het algemeen dan ook zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen.

Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de kinderen kunnen begeleiden, zodat ze gezamenlijk kunnen vluchten. Ingeval van een incident op het spoor waarbij sprake is van een het vrijkomen van een toxische vloeistof/gas is blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario. Hierbij biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid. Ramen en deuren moeten eenvoudig kunnen worden gesloten en (mechanische) ventilatiesystemen moeten worden uitgeschakeld in het geval van een incident. Bestrijdbaarheid Ten aanzien van de bestrijdbaarheid geldt dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten via de Rijksstraatweg, vanuit noordelijke en zuidelijke richting. Nabij het plangebied zijn voldoende opstelplaatsen voor hulpdiensten aanwezig. Een incident met de aardgastransportleiding (fakkelbrand) zal voor de brandweer moeilijk te bestrijden zijn, vooral omdat de lekkage van de leiding door de Gasunie verholpen moet worden. Vanwege de ruime afstand tot het spoor en het projectgebied is de bestrijdbaarheid op de planlocatie niet van toepassing. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied.

Rho adviseurs voor leefruimte

400193.20191527

44

Maatregelen Er zijn verschillende maatregelen mogelijk om de zelfredzaamheid te vergroten. Het gaat hierbij enerzijds om bouwkundige maatregelen en anderzijds om het zorg dragen voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de aanwezigheid van de verschillende risicobronnen in de omgeving geen belemmeringen opleveren voor de beoogde ontwikkeling. Daarnaast is de zelfredzaamheid en bereikbaarheid van het plangebied goed en zijn er tevens verschillende maatregelen mogelijk om de zelfredzaamheid te vergroten. Het aspect externe veiligheid staat de boogde ontwikkeling niet in de weg.

4.10

Kabels en leidingen

Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;  defensie brandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor drink‐ en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Onderzoek en conclusie In de paragraaf 'Externe veiligheid' is ingegaan op de aanwezige aardgasleidingen in en nabij het plangebied. De aardgastransportleiding en belemmeringenstrook is voorzien van de dubbelbestemming 'Leiding ‐ Gas'. Verder zijn er geen planologische relevante leidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig in en nabij het plangebied. Er wordt geconcludeerd dat het aspect relevante leidingen de uitvoering van de beoogde ontwikkeling niet belemmert.

4.11

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. Onderzoek en conclusie Om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen is door AT MilieuAdvies B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Vanwege de aanwezigheid van diverse asbesthoudende materialen en een slakkenfundering op de locatie is door AT MilieuAdvies B.V. tevens een indicatief asbestonderzoek in de bodem uitgevoerd. Het gecombineerde onderzoek is opgenomen in Bijlage 4.

Rho adviseurs voor leefruimte

400193.20191527

45

Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er conform de Wet bodembescherming (Wbb) geen aanleiding voor de uitvoering van nader onderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen. De aangetoonde licht verhoogde gehalten in grond en grondwater geven geen beperkingen ten aanzien van het huidige gebruik en de voorgenomen herinrichting van de locatie ten behoeve van woningbouw. De aangetoonde sterk verhoogde gehalten aan nikkel in het grondwater ter plaatse van de kassen betreffen naar alle waarschijnlijkheid verhoogde achtergrondwaarden. Dit komt vaker voor in glastuinbouwgebieden. Het bevoegd gezag dient hierover uitsluitstel te geven. Bij het indicatief asbestonderzoek is op en in de bodem visueel en analytisch geen asbest aangetroffen. Door het aantreffen van een bijmenging aan puin in de bodem onder de betonnen vloer van de schuur van kas 3 dient formeel te worden geadviseerd hier asbestonderzoek in grond uit te voeren middels het graven van inspectiegaten en het verrichten van asbestanalyses. Een bijmenging aan puin kan mogelijk duiden op de aanwezigheid van asbest in de bodem. Echter doordat het sporen puin betreft en deze slechts plaatselijk (boring 48) zijn aangetroffen in een grondlaag met beperkte laagdikte, wordt verondersteld dat een dergelijk asbestonderzoek niet noodzakelijk is. Ook hier dient het bevoegd gezag uitsluitsel over te geven.

4.12

Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader Rijksbeleid De Wet op de archeologische monumentenzorg (een wijzigingswet van de Monumentenwet 1988) is het eindresultaat van de implementatie van het Europese Verdrag van Malta inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed in de Nederlandse wetgeving. De wet bevat 3 belangrijke uitgangspunten:  het streven naar behoud in situ van archeologische waarden;  het tijdig betrekken van de archeologische waarden in de ruimtelijke ordening door het opnemen van harde juridische eisen in bestemmingsplannen;  de verstoorder betaalt voor het onderzoek en de documentatie van archeologische waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk archeologiebeleid is op 13 januari 2014 vastgesteld door de gemeenteraad. Op de bijbehorende archeologische beleidsadvieskaart is weergegeven waar in de gemeente (en in welke mate) kans is op het aantreffen van archeologische resten, uitgedrukt in een verwachtingszone (VAW). Aan deze verwachtingszones zijn ondergrenzen gekoppeld, die aangeven wanneer archeologisch onderzoek vanwege een voorgenomen ontwikkeling nodig is. Zie figuur 4.5 voor een uitsnede van de archeologische beleidsadvieskaart.

Rho adviseurs voor leefruimte

400193.20191527

46

Figuur 4.5

Uitsnede beleidsadvieskaart (rode contour betreft het plangebied)

Onderzoek Ter plaatse van het plangebied geldt op basis van het gemeentelijk archeologiebeleid de verwachtingszone VAW 4. Bij ontwikkelingen in deze zone geldt bij bodemingrepen dieper dan 50 cm beneden maaiveld en een plangebied groter dan 2.500 m2 een vrijstelling van archeologisch onderzoek. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in meer dan 2.500 m² aan bebouwing. Daarmee is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Overeenkomstig het archeologiebeleid wordt wel een zogenoemde dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologische lage verwachting' opgenomen. Cultuurhistorie De kassen en woonbebouwing in het plangebied hebben geen cultuurhistorische waarde. In de nabije omgeving is geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig (zie figuur 4.6). Er zijn om die reden geen cultuurhistorische belangen in het geding.

Rho adviseurs voor leefruimte

400193.20191527

47

Figuur 4.6 Uitsnede kaart Cultuur historische atlas, plangebied binnen rode cirkel (bron: Provincie Zuid‐Holland) Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.13

Eindconclusie

Op basis van de onderzochte informatie worden geen bijzondere belemmeringen verwacht voor de vaststelling van het bestemmingsplan ten aanzien van de milieu‐ en overige aspecten.

Rho adviseurs voor leefruimte

400193.20191527

48

Rho adviseurs voor leefruimte

400193.20191527

49

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

In dit hoofdstuk is uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe de juridische regeling is vormgegeven.

5.1

Algemeen

Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader voor het plangebied. Op basis van dit bestemmingsplan zal de beoogde ontwikkeling zonder verdere uitwerking van de bestemmingen of andere planologisch‐juridische procedures kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vervult het plan na realisatie van de ontwikkeling een belangrijke beheer‐ en gebruiksfunctie. Iedere functie in het plangebied is voorzien van een daarop toegesneden bestemmingsregeling. De planopzet biedt flexibiliteit voor de beoogde herinrichting en tegelijkertijd rechtszekerheid voor de gebruikers van de aangrenzende gebieden. De in het plan vastgelegde omvang van de diverse functies is vastgelegd op de verbeelding en in de bestemmingsregeling. Door deze wijze van bestemmen zijn de functies ruimtelijk begrensd. Ingevolge de Wro, het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd en gepresenteerd te worden en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. Er is een aantal standaarden door het Ministerie van VROM ontwikkeld, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). In dit bestemmingsplan is van deze standaarden voor zover van toepassing gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q.

landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De regeling is tevens afgestemd op het gemeentelijk handboek voor bestemmingsplannen en het vigerende bestemmingsplan 'Landelijk gebied Sandelingen‐Ambacht'.

5.2

Opbouw regels

De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene bepalingen. De overgangs‐ en slotbepalingen maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.

5.3

De bestemmingen

Agrarisch De agrarische gronden die geen onderdeel uitmaken van de woonpercelen worden wederom voorzien van de huidige bestemming 'Agrarisch'. Hierbinnen zijn maar beperkt bouwmogelijkheden opgenomen. Op deze gronden is ook weidegang toegelaten.

Rho adviseurs voor leefruimte

400193.20191527

50

Tuin Op de gronden waar erfbebouwing niet wenselijk is, om de openheid te behouden, is de bestemming 'Tuin' opgenomen. Dit betreffen hoofdzakelijk de aanwezige voor‐ en zijtuinen. Erfafscheidingen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan. Water Diverse watergangen die (mede) bepalend zijn voor de ruimtelijke structuur en kwaliteit van de ontwikkeling zijn specifiek bestemd. Wonen De 5 nieuwe woningen en de 2 naar burgerwoningen om te zetten voormalige bedrijfswoningen zijn voorzien van de passende bestemming 'Wonen'. Binnen deze bestemming is een bouwvlak toegekend waarbinnen de hoofdgebouwen gerealiseerd moeten worden. De bestemming biedt daarnaast ruimte tot het realiseren van bijbehorende gebouwen, tuinen en erven. Daarnaast zijn er in de regels bepalingen opgenomen ten aanzien van de ligging van de voorgevel, de inhoud en de kapvorm van de woningen. Naast de woonfunctie is beroepsuitoefening aan huis onder bepaalde voorwaarden toegestaan. Door een koppeling aan de regels zijn de voorwaarden uit het kavelpaspoort tevens van toepassing verklaard. Leiding ‐ Gas (dubbelbestemming) De aanwezige gasleiding is voorzien van de passende dubbelbestemming 'Leiding ‐ Gas' overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan.

Waarde ‐ Archeologische lage verwachting (dubbelbestemming) Ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden, is de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologische lage verwachting' opgenomen. Deze bestemming regelt dat bij nieuwbouw (geen vervangende nieuwbouw) van gebouwen met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en bij graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm nader archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. Indien uit dit onderzoek blijkt, dat ter plaatse geen waarden aanwezig zijn, kunnen de bouwwerkzaamheden alsnog doorgang vinden. Geluidszone ‐ industrie (gebiedsaanduiding) Het plangebied valt binnen de geluidzone van industrieterrein Kijfhoek. Binnen deze zone mogen, behoudens de beoogde woningen uit dit plan, geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen worden opgericht. Hiervoor is de gebiedsaanduiding 'geluidszone ‐ industrie' opgenomen. Veiligheidszone ‐ leiding gas (gebiedsaanduiding) In het plangebied ligt een gasleiding. De 100% letaliteitszones van de buisleiding is aangegeven met de gebiedsaanduiding 'Veiligheidszone ‐ leiding gas'.

Rho adviseurs voor leefruimte

400193.20191527

51

Hoofdstuk 6

6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De uitvoering en kosten van het voornemen berusten volledig bij de initiatiefnemer. Met de gemeente Hendrik‐Ido‐Ambacht is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin is geregeld dat de eventuele uitgekeerde (tegemoetkomingen in) planschade door de initiatiefnemer aan de gemeente worden vergoed. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid voldoende verzekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Inspraak en vooroverleg Het voorontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen vanaf 3 september, waarna het gedurende vier weken voor eenieder mogelijk was om een inspraakreactie in te dienen. Deze publicatie heeft plaatsgevonden in de lokale krant De Brug en op de gemeentelijke website. Daarnaast is het plan ook toegestuurd aan de verschillende wettelijke overlegpartners op basis van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. De nota inspraak en overleg is bijgevoegd in Bijlage 7. 6.2.2 Ontwerp Het ontwerp bestemmingsplan is, op grond van afdeling 3.4 Awb, voor een periode van zes weken ter inzage gelegd en vervolgens, mede naar aanleiding van ingekomen zienswijzen, gewijzigd vastgesteld. Verwezen wordt naar de Nota zienswijzen en het Raadsbesluit.

Rho adviseurs voor leefruimte

400193.20191527

52

Rho adviseurs voor leefruimte

400193.20191527

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9850627/1