Technische vragen VVD met betrekking tot de wijzigingen van de gemeenschappelijke regelingen
Tekst van het document
Technische vragen met betrekking tot de wijzigingen van de gemeenschappelijke regelingen
Op 10 oktober a.s. staan de vier grote gemeenschappelijke regelingen op de agenda. Door de overvolle agenda de laatste weken zijn wij niet eerder toegekomen aan het stellen van technische vragen, waarvoor excuus. Wij begrijpen het als de vragen daarom pas beantwoord kunnen worden voor de raadsvergadering i.p.v. de commissievergadering.
Namens de VVD Helmond Rob de Greef en Carlo Vereijken
Gemeenschappelijke regeling VRBZO Vraag 1 De VVD is blij te lezen dat er extra besluiten (buiten de begroting) aan zienswijzen worden onderworpen én dat ook een initiatiefrecht voor de raden ontstaat om zienswijzenproceduren toe te passen. Wij hebben echter één vraag. In artikel 11 van de Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio gaat het over zienswijzen op andere besluiten dan de begroting. Het dagelijks bestuur moet terugkomen op de voorgestelde zienswijzen voor het vaststellen van de begroting, zo stelt het vierde lid. Maar dan zijn de besluiten mogelijk al lang genomen. Artikel 10 lid 6 Wgr bepaalt echter: Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze gegeven is stelt het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam […] de raden van de deelnemende gemeenten en, indien het een besluit van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam betreft, het algemeen bestuur van het openbaar lichaam schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vorige lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Wij zouden willen vragen waarom artikel 11 lid 4 GR afwijkt van artikel 10 lid 6 Wgr. Naar ons oordeel is dit in strijd met de wet en dient dit aangepast te worden.
Vraag 2 Wat is de strekking van artikel 30 van de Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio? De minister is immers niet gebonden door deze gemeenschappelijke regeling, en het lijkt alleen een verplichting aan de minister op te leggen.
Gemeenschappelijke regeling GGD Vraag 3 Wat is de strekking van het eerste beslispunt in het Raadsvoorstel? In alle stukken wordt toegelicht dat we eerst om zienswijzen worden gevraagd (dat is beslispunt 2) en pas daarna over toestemming. Dan zou beslispunt 1 dus kunnen vervallen. Want dat volgt in ronde 2.
Vraag 4 Artikel 8 lid 3 krijgt een nieuwe redactie. Deze redactie wijkt echter af van de wet. Was is reden hiervan en wat is de precieze nieuwe betekenis. Voorstel is de oude tekst te handhaven zodat geen licht ontstaat tussen Wet gemeenschappelijke regelingen en gemeenschappelijke regeling.
Vraag 5 De benoeming van ambtenaren (of althans het geven van een arbeidsovereenkomst) is een bevoegdheid van het dagelijks bestuur. Alleen voor de directeur publieke gezondheid geldt op grond van de Wet publieke gezondheid een uitzondering (benoeming door algemeen bestuur in afstemming met bestuur veiligheidsregio; art. 14 Wpg). Waarom wordt de benoeming van enkele ambtenaren hier in strijd met de Wgr aan het algemeen bestuur opgedragen?
Vraag 6 De actieve informatieplicht van artikel 17 lid 2 en 3 Wgr ziet op alle besluiten van het GGD-bestuur. Dat moet steeds afwegen of stukken aan de raden moeten worden gezonden in het kader van de taken van de raad. Artikel 27 GR GGD beperkt dit tot stukken van het algemeen bestuur. Dat is een beperking die niet overeenkomstig de wet is. Dit soort stukken moeten juist actief openbaar worden gemaakt o.g.v. een nog in werking te treden deel van de Wet open overheid.
Vraag 7 Artikel 29 kan instemming vinden. Wel vragen wij waarom hier anders dan bij de Veiligheidsregio er niet voor gekozen is om ook raden het initiatief tot een zienswijze te kunnen laten nemen. Daar is in elk geval de VVD fractie nog meer van gecharmeerd.
NB. Ten overvloede het is de Wet open overheid en niet de Wet Open Overheid, volgens de officiële schrijfwijze van de wet zelf.
Gemeenschappelijke regeling MRE Hoewel voor deze gemeenschappelijke regeling op grond van artikel 1 Wet gemeenschappelijke regelingen strikt genomen geen zienswijzen hoeven te worden gevraagd zijn wij het college en het MRE-bestuur erkentelijk dat deze tóch worden gevraagd.
Vraag 8 Wat is de strekking van het nieuwe artikel 6 lid 2? Het is een zeer onduidelijke bepaling die ook innerlijk tegenstijdig lijkt. Wanneer worden zaken nu wel en niet in de agenda opgenomen?
Vraag 9 De Raadstafel 21 wordt een expliciete adviescommissie in de zin van art. 24a Wgr. Dat is toe te juichen. Betekent dit dan ook dat de taken van de Raadstafel worden uitgebreid? En krijgen leden van de Raadstafel dan ook een vergoeding? Wat gaat de gemeenten grofweg kosten als er een vergoeding komt?
Vraag 10 Over artikel 24 Gemeenschappelijke regeling: a) Hoe verhoudt dit artikel zich tot artikel 10 lid 3 zoals dat wordt voorgesteld? b) Wat betekent direct effect? Het blijft vaag (zie ook sub d). c) Wat is de toegevoegde waarde van de opsomming in lid 3? Mensen bepalen zelf waar ze over willen inspreken, daar gaan wij niet over. d) Waarom kan een besluit waarop inspraak is toegepast niet meer aan zienswijzen worden onderworpen? Artikel 10 lid 5 Wgr spreekt alleen van besluiten waarop afdeling. 3.4 Awb van toepassing is, maar in deze gemeenschappelijke regeling wordt die afdeling nu juist niet toegepast nu we een eigen regeling treffen. En hoe verhoudt dit zich tot het tweede lid? Wanneer is besluitvorming door college/raad niet mogelijk? Lid 2 lijkt te stellen dat we juist geen inspraak doen (want direct effect) als er een zienswijze wordt gevraagd.
Vraag 11 Waarom wordt in artikel 25 acht weken gehanteerd en niet zoals bij de begroting en de andere gemeenschappelijke regelingen die voorliggen twaalf weken?
Vraag 12 Als sinds 2015 gaat het dagelijks bestuur over benoeming, schorsing en ontslag van ambtenaren (sinds 2021 arbeidsovereenkomsten). Toch schrijft artikel 31 oud (32 nieuw) voor dat de directeur benoemd wordt door het algemeen bestuur. Dit is toch in strijd met de wet?
NB. Anders dan bij de andere gemeenschappelijke regelingen lijken de voorstellen hier zo moeilijk mogelijk opgeschreven. Dat kan tot veel interpretatief gedoe leiden. Stel stukken svp duidelijker op.
Gemeenschappelijke regeling ODZOB Vraag 13 Waarom is het doel van de regeling uit de gemeenschappelijke regeling gehaald? Een artikel is immers bindend, een aanhef niet. Artikel 10 lid 1 Wgr schrijft voor dat het belang van de regeling in de regeling moet staan.
Vraag 14 Hoewel het oorspronkelijke wetsvoorstel de mogelijkheid kende om géén gebruik te maken van participatie (zie ook de memorie van toelichting Kamerstukken II 2019/20, 35513, nr. 3, p. 13) is deze bepaling later geamendeerd. Doel van dat amendement was om inspraak te verplichten. Waarom is niet opgenomen dat participatie via de deelnemende gemeente- en provinciebesturen loopt (immers ook bevoegd gezag)? Een mogelijkheid die ook expliciet in de memorie van toelichting benoemd is.
Vraag 15 Waarop is de bevoegdheid van het algemeen bestuur om beleidsregels te stellen voor andere organen gebaseerd (welk wettelijk voorschrift; zie art. 3.6 van het voorstel)? Art. 4:81 Awb omschrijft welke organen bevoegd zijn beleidsregels te stellen. Deze mogelijkheid wordt daarbij niet genoemd.
NB. Complimenten voor degenen die deze gemeenschappelijke regeling hebben aangepast. Duidelijk en helder. Mooi voorbeeld voor de MRE.