RN 2026-043 Bijlage 2 Toelichting GR Blink 2026
Tekst van het document
Versie 13 januari 2026 Toelichting Gemeenschappelijke Regeling Blink 2026 Inleiding In 2001 hebben Watco Gemeentelijke Dienstverlening B.V. [rechtsvoorganger PreZero Nederland B.V.] en de bevoegde bestuursorganen van de gemeente Helmond de gemeenschappelijke regeling reiniging Blink getroffen. Per 1 juli 2001 hebben de bevoegde bestuursorganen van de gemeente Gemert-Bakel zich hierbij aangesloten. In de afgelopen jaren zijn diverse andere gemeenten tot deze gemeenschappelijke regeling toegetreden. Per heden bestaat de gemeenschappelijke regeling uit negen [9] gemeenten; Asten, Deurne, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Someren en Son en Breugel. Dat heeft steeds geleid tot gedeeltelijke herzieningen van de gemeenschappelijke regeling. Sinds 1 januari 2025 is de gemeenschappelijke regeling zonder PreZero Nederland B.V. voortgezet. Als resultaat hiervan is Blink weer een gemeenschappelijke regeling waar uitsluitend gevormd door de deelnemende gemeenten. Daarmee is Blink weer een publiek/publieke samenwerking. Democratische legitimatie De gemeenschappelijke regeling Blink is een collegeregeling. Aan het openbaar lichaam worden bevoegdheden overgedragen die samenhangen met de taakuitvoering (delegatie).
Het gaat voornamelijk over de basistaken, waarvan de belangrijkste taak het inzamelen en de verwerking van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in de artikelen 10.21 eerste lid en artikel 10:22 eerste lid Wet milieubeheer omvat. Als onderdeel van de basistaken voert Blink ook aanpalende activiteiten uit, bijvoorbeeld waar het gaat om verwerking van afval, klachtenloket of beleidsadvies. Tot slot voert Blink op verzoek van deelnemende gemeenten of derden verzoektaken uit. In financieel opzicht worden deze afspraken opgenomen in de programmabegroting en in de jaarrekening van de deelnemende gemeenten. De positie van de gemeenteraad bij het treffen van een collegeregeling is in de wet geregeld. De Wet gemeenschappelijke regelingen bepaalt in artikel 1 vierde lid dat de gemeenteraad voor het treffen van de regeling toestemming moet geven. Dat geldt bij het aangaan, wijzigen, toetreden en uittreden. De door het college gevraagde toestemming kan alleen worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Dat impliceert een beperkte toetsing. Die toetsing is wel nodig omdat met het aangaan van een nieuwe gemeenschappelijke regeling de gemeente er een verbonden partij bij krijgt en de financiële gevolgen van de regeling opgenomen worden in de begroting van de gemeente.
De hieruit voortvloeiende verplichtingen zijn zelfs verplichte uitgaven als bedoeld in artikel 194 Gemeentewet. Als zodanig heeft het aangaan en het functioneren van een gemeenschappelijke regeling gevolgen voor het budgetrecht van de gemeenteraad. Het is daarom ook juist dat de gemeenteraad in de gelegenheid is hierover een standpunt in te nemen binnen de geschetste wettelijke kaders (niet in strijd met het recht of het algemeen belang). Het college van burgemeester en wethouders is individueel en gezamenlijk verantwoording verschuldigd aan de gemeenteraad voor het gevoerde bestuur (zie artikel 169 Gemeentewet). De gemeenteraad bestaat uit de gekozen volksvertegenwoordigers, die door hun verkiezing democratisch gelegitimeerd zijn. Die verantwoordingsplicht van het college en de individuele leden verandert niet als de colleges van burgemeester en wethouders besluiten een collegeregeling aan te gaan. In financieel opzicht blijven de gemeenteraden in positie omdat zij jaarlijks hun zienswijze kenbaar kunnen maken over de ontwerpbegroting en het daaraan ten grondslag liggend documenten.
1 Toelichting d.d. 13 januari 2026
Wettelijk kader Op deze gemeenschappelijke regeling zijn van toepassing de Wet gemeenschappelijke regelingen zoals deze luidt op 12 februari 2025, de Gemeentewet en de Wet Milieubeheer. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Instelling en plaats van vestiging Het openbaar lichaam Blink heeft rechtspersoonlijkheid en kan uit dien hoofde zelfstandig aan het rechtsverkeer deelnemen. Artikel 10 lid 3 van de wet bepaalt dat in de regeling de vestigingsplaats benoemd moet worden. Het betreft de statutaire vestigingsplaats van het openbaar lichaam. Dit is onder meer van belang voor de inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Artikel 2 Begripsbepalingen Gebruikte begrippen komen terug in de tekst van de regeling. Indien verwezen wordt naar wetten geldt de wettekst die van kracht is ten tijde van het raadplegen van de regeling. Artikel 3 Doel In het eerste lid van dit artikel is expliciet het belang als bedoeld in artikel 10 eerste lid Wgr benoemd waarom de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten deze regeling treffen: dat gebeurt ter behartiging van de sturing en beheersing van ondersteunende processen en van uitvoeringstaken van de deelnemende gemeenten.
Blink is opgericht en in stand gehouden door de deelnemende gemeenten om een gezamenlijke uitvoeringsorganisatie in de vorm van een openbaar lichaam voor de uitvoering van gemeentelijke taken op het terrein van de afvalinzameling en reinigingstaken die bij wet - in het bijzonder de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer - aan de deelnemende gemeenten zijn opgedragen en/of die voortvloeien uit de aan de gemeenten op grond van de Gemeentewet toevertrouwde zorg voor de eigen huishouding op het terrein van het milieu, zoals benoemd in de Wmb. Van belang is de notie dat de gezamenlijke uitvoeringsorganisatie opereert in een dynamische beleidsmatige context, die rekening moet houden met de ontwikkelingen in de markt. Naast de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen gaat het ook om sortering, vermarkting en (eind)verwerking van (grondstoffen in) grof en fijn huishoudelijke afvalstoffen en verzoektaken. Artikel 4 Taken In dit artikel zijn de taken van de uitvoeringsorganisatie Blink beschreven. Er is onderscheid gemaakt tussen basistaken en verzoektaken (zie definitie onder artikel 2). Voor zover het de verzoektaken betreft gaat het om reinigingsgerelateerde taken in de openbare ruimte. Daaronder worden de volgende activiteiten voorzien: gladheidsbestrijding, vegen, onkruidbestrijding, prullenbakken legen, kolken zuigen, bladcampagne.
Daarnaast worden specifieke projecten als verzoektaken uitgevoerd. Voor de basistaken is de taakverdeling op hoofdlijnen als volgt: de gemeente bepaalt 'wat' er moet gebeuren, maar Blink bepaalt de wijze waarop dat gebeurt (het 'hoe'). Twee voorbeelden ter illustratie: 1. de gemeente wil dat Blink elke 4 weken PMD ophaalt. Blink bepaalt dan met welke voertuigen en welke dagen dat gebeurt. Als de gemeente de frequentie wil veranderen, dan kan dat altijd, maar de dag waarop niet. 2. de gemeente legt in beleid vast dat het inzamelen met containers, ondergronds of zakken moet gebeuren. Maar vervolgens is Blink degene die de containers/zakken aanschaft en ter beschikking stelt. Tot uitgangspunt is genomen dat alle afvalstromen bij Blink worden ondergebracht, dat is ook met zoveel woorden in lid 1 van artikel 5 opgenomen. Blink krijgt bij de inzameling het beheer over alle afvalstromen overgedragen en kan daarmee naar eigen inzicht omgaan, om zowel de inzameling als de vermarkting synergetisch te kunnen laten plaatsvinden. Dat neemt niet weg, dat elke gemeente in
2 Toelichting d.d. 13 januari 2026
beleid nadere regels kan stellen over de wijze waarop dit wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld door met lokale verenigingen samen te werken. Juist de vermarkting is een belangrijk punt in de synergie die beoogd wordt. Blink houdt rekening met de lokale belangen die de gemeente wil dienen met haar afvalbeleid. Bijvoorbeeld door de samenwerking met vrijwilligers in de gemeente, met lokale kringloopinitiatieven en samenwerking met lokale stichtingen/verenigingen bij de inzameling en verwerking van papier en textiel. Blink is het met gemeenten eens dat de couleur lokale invloed mag hebben bij de uitvoering van de taken van Blink.
Artikel 5 Bevoegdheden Het openbaar lichaam is een uitvoeringsorganisatie ten dienste van de deelnemende gemeenten. Op grond van de gemeentelijke Afvalstoffenverordening hebben de diverse deelnemende gemeenten Blink aangewezen als inzameldienst. Door het toekennen van die wettelijke status geldt voor de taakuitoefening door Blink de betreffende gemeentelijke Afvalstoffenverordening, het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit en de daarbij behorende nadere regels. Om te komen tot een goede taakuitoefening dragen de deelnemende colleges al hun toekomende bevoegdheden aan Blink over (delegatie). Dit zijn alle bevoegdheden die nodig zijn voor de uitvoering van de taken zoals omschreven in artikel 4 lid 1 [de basistaken]. Voor het opstellen van beleid zijn de gemeenten verantwoordelijk, maar daarbij werken zij nauw samen met Blink. Gemeenten stellen nadere regels, hieronder vallen ook beleidsregels [artikel 4 lid 1 sub a-b]. Niet alleen het stellen van regels blijft bij de gemeenten rusten, maar ook het nemen van besluiten op basis van die regels. Voorbeeld is het aanwijzen van een locatie voor het plaatsen van een ondergrondse afvalcontainer. Gemeenten streven ernaar hun regels over de basistaken – maar toch in de basis over afvalinzameling – zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Dat leidt namelijk onmiddellijk tot synergie- en efficiencyvoordelen. Daar heeft Blink ook een rol.
Dit blijkt ook uit de taak op het gebied van advisering over het afvalbeleid, waaronder begrepen de afstemming en het optimaliseren van het beleid van de deelnemende gemeenten [artikel 4 lid 1 sub c]. Voor de activiteiten onder artikel 4 lid 1 sub c-e geldt dat de gemeente geen nadere beleidsregels kan stellen. Blink is hier vrij om haar activiteiten in te regelen op een manier dat zij voldoende acht, uiteraard in lijn met de financiële kaders die zijn vastgelegd in de begroting. Dat is inherent aan het delegeren van bevoegdheden. Zodoende moet Blink bijvoorbeeld wel een klachtenregeling opstellen. Gemeenten gaan niet meer over het inzamelen van afval, dus ook niet over het afdoen van meldingen c.q. klachten daarover. Voor de uitoefening van de verzoektaken geldt dat een overdracht van bevoegdheden niet op z’n plaats is. Deze taken worden opgedragen via een privaatrechtelijke overeenkomst, de dienstverleningsovereenkomst (DVO) en kunnen per gemeente verschillen. Artikel 6 Organen Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 7 Samenstelling Onderwerp van deze gemeenschappelijke regeling is de uitoefening van collegebevoegdheden. Op grond van artikel 13 zesde lid van de wet kunnen alleen leden van het college van burgemeester en wethouders lid zijn van het AB van het openbaar lichaam Blink.
3 Toelichting d.d. 13 januari 2026
Elk college kan een lid voor het AB aanwijzen. Ook dient er per gemeente een plaatsvervangende lid aangewezen te worden. Op deze manier is men steeds verzekerd van de bestuurlijke betrokkenheid van de deelnemende gemeente bij het bestuur over het openbaar lichaam. Artikel 8 Werkwijze Besluiten betreffende vaststelling van de begroting en begrotingswijzigingen en meerjarenramingen en jaarstukken behoeven unanieme instemming van de leden van het AB. In artikel 22, eerste lid van de wet is geregeld dat het AB een reglement van orde vaststelt. In het reglement van orde worden minimaal regels opgenomen met betrekking tot: - vaststellen vergaderschema; - opstellen agenda, uitnodiging c.q. kennisgeving vergadering en verslaglegging; - wijze van behandeling van voorstellen en besluitvorming; - handhaving van de orde tijdens de vergadering; - besloten- c.q. openheid van vergadering. In beginsel zijn de vergaderingen openbaar. Onder voorwaarden kan besloten worden tot een besloten vergadering. De onderwerpen waarover niet in een besloten vergadering kan worden beraadslaagd of besloten, zijn limitatief opgesomd in het vierde lid. De verwijzing naar de artikelen uit de Gemeentewet hebben betrekking op het functioneren van de gemeenteraad (b.v. ordehandhaving, onthouden van deelname aan stemmingen). In de Wgr wordt de gemeenteraad gelijk gesteld aan het AB.
De vergaderingen van het AB zijn openbaar. De plaatsvervangende leden van het AB kunnen de vergaderingen als toehoorder bijwonen. Zij hebben in die hoedanigheid geen stemrecht. Artikel 9 Besluitvorming Het AB bestaat uit 9 leden. Elk lid heeft een stem. Besloten wordt in beginsel met meerderheid van stemmen. Bij gelijke stemmen geeft de stem van de voorzitter de doorslag. In lid 4 is een opsomming opgenomen van besluiten waarvoor in het Algemeen bestuur een meerderheid van twee derde (2/3e) van de stemmen benodigd is. Het gaat om besluiten met een belangrijke financiële impact. In de vigerende tekst was voor een aantal van deze besluiten unanimiteit vereist. Dat vereiste leidde naar oordeel van de betrokken gemeenten tot te weinig flexibiliteit voor het nemen van belangrijke beslissingen. Daarbij is aan lid 4 vanwege het aangenomen Amendement vanuit gemeente Gemert-Bakel ook de meerjarenraming aan dit lid toegevoegd. Om te borgen dat deze belangrijke besluiten wel genomen wordt bij aanwezigheid van alle leden Algemeen bestuur is daarbij een quotum-eis opgenomen. Tot slot is in artikel 6 een procedure opgenomen voor het geval niet de benodigde aantal leden van het Algemeen bestuur aanwezig is tijdens een vergadering waarin besluitvorming plaatsvindt.
Er volgt dan een oproep voor een nieuwe vergadering; in deze vergadering vindt besluitvorming plaats onafhankelijk het aantal aanwezige leden van het Algemeen bestuur. Artikel 10 Taken en Bevoegdheden In artikel 33 Wgr is bepaald dat de bevoegdheden na overdracht bij het AB berusten tenzij bij de wet of in de regeling anders is bepaald. In artikel 33b van de Wgr zijn bevoegdheden opgesomd die in elk geval behoren bij het DB. Hiermee is het behoud van het monistische stelsel zoals dat voor 6 maart 2002 voor gemeenten van kracht was in de Wgr vastgelegd. Artikel 11 Samenstelling
4 Toelichting d.d. 13 januari 2026
Op grond van artikel 14 derde lid van de wet mogen de leden van het DB nimmer de meerderheid uit maken van het AB. Dit heeft geleid tot de keuze voor een DB dat bestaat uit drie leden waaronder de voorzitter. De zittingsperiode parallel aan de zittingsperiode van de colleges van burgemeester en wethouders is opgenomen om wijzigingen en omloop in samenstelling van DB mogelijk te maken. Er is een voorziening opgenomen voor de situatie dat leden van het DB bij langdurig verlof, tijdelijk worden vervangen door een ander lid uit het AB. Artikel 12 Werkwijze Naast de vaste portefeuilles van voorzitter en plaatsvervangend-voorzitter is er tenminste een portefeuillehouder financiën. Daarnaast kunnen er meer portefeuilles worden gevormd. Combinatie van portefeuilles is mogelijk. Artikel 13 Taken en bevoegdheden Dit artikel behoeft geen toelichting. Verwezen wordt naar het gestelde bij artikel 10. Artikel 14 Vergaderingen De bepalingen in de Gemeentewet hebben betrekking op stemmingen en het functioneren van het college van burgemeester en wethouders zijn van overeenkomstige toepassing. De vergaderingen van het DB vinden plaats achter gesloten deuren. Het DB stelt een regelement van orde op dat aan het AB wordt toegezonden. Vergaderfrequentie aangepast van minimaal zes (6) keer per jaar naar vier (4) keer per jaar. Het AB vergadert minimaal 2 x per jaar.
De vergaderingen worden onder andere gebruikt met begroting, jaarrekening en voortgang/controle. Er kunnen gedurende het jaar meer vergaderingen voor DB worden ingepland als dit noodzakelijk is. Op het moment dat de bedrijfsvoering van Blink stabiel is, is tenminste vier keer per jaar voldoende. Artikel 15 Voorzitter, plaatsvervangend-voorzitter De voorzitter wordt door en uit het AB aangewezen op grond van het bepaalde in artikel 13 lid 9 van de wet. Eén externe voorzitter is niet mogelijk. De voorzitter van het AB is tevens voorzitter van het DB (artikel 13 lid 9 juncto artikel 14 lid 1 van de wet). Bij afwezigheid van de voorzitter van het DB, fungeert een andere lid van het DB als plaatsvervangend voorzitter van het DB. In het bijzonder is aandacht gegeven aan positie van de gemeente met het grootste inwoneraantal. In regulier geval levert de gemeente met het grootste inwonersaantal de voorzitter voor het AB en het DB. Om moverende redenen kan de bestuurder van de gemeente met het grootste inwonersaantal hiervan afzien, bij voorbeeld vanwege een te drukke agenda of kennis/ervaring/achtergrond van de overige leden van het AB of het DB. Artikel 16 Secretaris-Directeur Uitgegaan wordt van de situatie dat het AB en DB worden bijgestaan door een secretaris-directeur. Het AB benoemt secretaris-directeur.
De secretaris-directeur is tevens bestuurder [en statutair directeur] van Personeel Blink B.V. Er is gekozen om de taken van de secretaris-bestuurder specifieker uit te werken, ondanks dat de secretaris-bestuurder geen bestuursorgaan is. Dit in het kader van de transparantie over uitvoering van de activiteiten van de secretaris-bestuurder. Onder lid 3 is deze specifieke uitwerking van de taken van de secretaris-directeur opgenomen. Artikel 17 Bestuurscommissies Verwezen wordt naar de Wgr. Artikel 18 Commissies van advies
5 Toelichting d.d. 13 januari 2026
Verwezen wordt naar de Wgr. Artikel 19 Tegemoetkoming Verwezen wordt naar de Wgr. Artikel 20 Interne inlichtingenplicht en verantwoordingsplicht lid DB Verwezen wordt naar de Wgr. Artikel 21 Externe Inlichtingenplicht Afgesproken is dat zowel de agenda als de besluitenlijst van het Algemeen & DB te publiceren op de website van Blink vanaf 1 januari 2025. Daarmee wordt invulling gegeven aan de behoefte aan transparantie richting eenieder over de agendapunten over de bedrijfsvoering en daarmee samenhangende besluiten. Blink publiceert de vergaderstukken van het AB op haar website, uiterlijk 1 week voorafgaand aan een AB vergadering. De DB agenda en besluiten worden op de website geplaatst na vaststelling hiervan. Daarnaast worden de vastgestelde begroting (incl. meerjarenraming) en jaarrekening na vaststelling gepubliceerd op de website. WOO verzoeken kunnen worden ingediend, zoals is vastgelegd en ook op de website is vermeld. Dit is een invulling van de externe inlichtingenplicht in aanvulling op de tekst van het artikel. Artikel 22 Zienswijze raden Besloten is om een aantal besluiten van het toepassingsbereik uit te zonderen om te komen tot een werkbare situatie. Er is een belangrijke uitzondering opgenomen. Dit geldt met name voor de situatie dat een begrotingswijziging nog wordt doorgevoerd na september van het lopende jaar.
Gelet op de relevante termijnen, is het niet mogelijk om de procedures te doorlopen waarbij de raad via een zienswijze haar toestemming kan verbinden aan die wijzigingen. Denk bijvoorbeeld aan de specifieke omstandigheid dat een deel van de voertuigen als gevolg van brand onbruikbaar worden. Om die reden zijn begrotingswijzigingen die via een dergelijke onvoorziene omstandigheid opkomen uitgezonderd van deze toepassing. Het betreft in alle gevallen ook begrotingswijzigingen met beperkte financiële implicatie tot een bedrag van EUR 300.000. Daarmee kan worden voorzien in een oplossing van de tijdelijke situatie, en kan een grotere investering via de begroting van het daaropvolgende jaar via de reguliere procedure van de begrotingswijziging aan de raden worden voorgelegd. Artikel 23 Inspraak Het artikel is aangepast als gevolg van de wijziging van de wet per 1 januari 2023. Artikel 24 Externe verantwoordingsplicht Dit artikel spiegelt met artikel 16 van de wet, dat ingevolge artikel 18 van de wet eveneens van toepassing is op collegeregelingen. Artikel 25 Inzet personeel en materieel Uitgangspunt is dat Blink geen eigen personeel in dienst heeft. Personeel wordt op basis van een detacheringsovereenkomst ingehuurd bij Personeel Blink B.V. Het DB heeft echter wel de mogelijkheid om personeel in de GR in dienst te nemen, indien het zulks nodig acht.
Artikel 26 Financiële informatieplicht Dit artikel vloeit voort uit het bepaalde in artikel 34b van de wet. Artikel 27 Begroting
6 Toelichting d.d. 13 januari 2026
De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn ook van toepassing verklaard op de gemeenschappelijke regelingen. Ook het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) is van toepassing. De ontwerpbegroting wordt zodanig ingericht dat daaruit blijkt welke kosten met welke producten verband houden. Daarnaast wordt een meerjarenraming toegevoegd. Het DB zendt de ontwerpbegroting minimaal twaalf (12) weken voordat zij wordt vastgesteld toe aan de colleges van de deelnemende gemeenten conform het bepaalde in artikel 35 de wet. Binnen die periode worden de raden geïnformeerd over de begroting en worden zij in gelegenheid gesteld om een zienswijze uit te brengen. Het DB stuurt de vastgestelde begroting toe aan gedeputeerde staten vóór 15 september in het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting dient. De termijn waarop de begroting uiterlijk moet zijn vastgesteld door het AB stelt gemeenten in staat de uitgaven die gemoeid zijn met het openbaar lichaam in de eigen begroting te verwerken. Het gaat immers om verplichte uitgaven ex artikel 193 Gemeentewet. Ten aanzien van lid 2 wordt verduidelijkt dat de begroting een paragraaf bevat over het een paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing conform artikel 11 lid 2 BBV.
De afgelopen periode is gesproken over de wens voor Blink om een weerstandsvermogen aan te houden gelet op de gewijzigde situatie (opbouw eigen vermogen en bijbehorend risicoprofiel). Het debat over de noodzaak, omvang en verdere opbouw van het weerstandsvermogen vindt plaats in 2025/2026 als het financieel fundament wordt herzien. Artikel 28 De middelen Dit artikel bevat een regeling over de jaarlijkse financiële afrekening van de taken (zowel basis- als verzoektaken) die Blink voor deelnemende gemeenten realiseert. Artikel 29 Jaarrekening Het AB stelt de jaarrekening vast in het jaar volgend op het jaar waarop deze rekening betrekking heeft, uiterlijk voor 1 juli. Voordat de jaarrekening wordt vastgesteld, wordt deze aan de raden gezonden met daarbij het jaarverslag. De jaarrekening wordt na de vaststelling, maar in ieder geval voor 1 augustus van het jaar volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, door het DB verzonden aan gedeputeerde staten van Noord-Brabant en aan de colleges van de deelnemende gemeenten. Wel wordt de aandacht gevestigd op het feit dat het AB na vaststelling van het jaarverslag hierover een bijeenkomst organiseert voor de raden van de deelnemende gemeenten.
Artikel 30 Verplichte uitgaven De kosten voortvloeiend uit deelname aan een gemeenschappelijke regeling zijn voor de deelnemers verplichte uitgaven als bedoeld in artikel 193 Gemeentewet. Het AB kan Gedeputeerde Staten verzoeken aan een gemeente op te dragen om de uitgaven aan de gemeenschappelijke regeling op te voeren als verplichte uitgaven. Deelname aan het openbaar lichaam is daarom geen vrijblijvende aangelegenheid. Artikel 31 Financiële gegoedheid Het openbaar lichaam moet bancaire relaties aangaan. Deze bepaling is op verzoek van de Bank Nederlandse Gemeenten opgenomen in de regeling. De bank verkrijgt hiermee de zekerheid dat het openbaar lichaam alle maatregelen zal nemen om de gemeenten aan hun verplichtingen te laten voldoen. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in een circulaire uit 1999 aangedrongen op het opnemen van deze bepaling in gemeenschappelijke regelingen. Artikel 32 Financiële voorschriften
7 Toelichting d.d. 13 januari 2026
De verordenende bevoegdheid als genoemd in dit artikel wordt ontleend aan de Gemeentewet hoofdstuk XIV (artikelen 212 en 213). In artikel 5 de regeling is deze verordende bevoegdheid van het AB opgenomen, als onderdeel van de bevoegdheden die zijn overgedragen. Artikel 33-38 Archiefbepalingen Gekozen is voor een ruime formulering van de wijze waarop de archieffunctie is ingericht. Het gaat om een technische uitwerking hoe om te gaan met het ter beschikking stellen van archiefstukken. Artikel 39 Evaluatie In de regeling is expliciet vermeld dat Blink een cyclisch evaluatieonderzoek uitvoert per collegeperiode. De gedachte is dat de evaluatie halverwege de raadsperiode plaatsvindt. Deze evaluatie mag vrij ingevuld worden op grond van artikel 11a van de wet: er mag een afspraak worden gemaakt om niet te evalueren of om een beperkte evaluatie op te zetten of juist een meer omvattende waarin het functioneren van de samenwerking en het samenwerkingsverband wordt geëvalueerd. GR Blink had al een artikel over evaluatie. De oude tekst was voornamelijk gefocust op een evaluatie omtrent het voortzetten van de regeling, de prijs-kwaliteitverhouding en het juridisch functioneren.
Dit was relevant toen PreZero nog deel uit maakte van de regeling [tot en met december 2024], maar inmiddels is dit minder relevant omdat Blink steeds meer als zelfstandige en professionele organisatie functioneert. Het AB stelt de onderwerpen en de nadere randvoorwaarden voor de evaluatie vast. De raden hebben de mogelijkheid om onderwerpen voor de evaluatie voor te stellen. Deze periodieke evaluatie is aanvullend op de reguliere evaluatie van de werkzaamheden. Daarnaast worden de werkzaamheden geëvalueerd als onderdeel van de afspraken die in de dienstverleningsovereenkomst zijn vastgelegd. Artikel 40 Toetreding Een gemeenschappelijke regeling dient een regeling te bevatten over toetreding. In de gemeenschappelijke regeling is gekozen voor een beperkt uitgewerkte regeling rondom toetreding. De gedachte is dat toetreding geen te hoge drempel moet vormen voor toekomstige deelnemers, maar dat dit in grote mate afhankelijk is van de capaciteit van Blink, en de wijze waarop de toetreding leidt tot synergievoordelen. De gedachte is om dit zo veel mogelijk per geval te beoordelen en maatwerk toe te passen. Diverse omstandigheden kunnen van invloed zijn op de vraag of om toetredingsvergoeding van de toetreder wordt verzocht.
Het gaat om de vraag naar de synergievoordelen, de mogelijkheid tot inbreng van materieel en bemensing en de hoeveelheid basistaken en verzoektaken die de toetreder wenst af te nemen. Op het moment dat een gemeente toetreedt tot GR Blink, zal de toetredende gemeente haar aandeel in het opgebouwde vermogen van Blink moeten voldoen. Daaronder valt in ieder geval een aandeel in de reserves die tot dat moment door GR Blink zijn opgebouwd. Dit aandeel wordt pro rata op basis van het aantal aansluitingen berekend. Voor wat betreft de peildatum van de feitelijke situatie, wordt aangesloten bij de informatie zoals blijkt uit de laatst vastgestelde jaarrekening op het moment van toetreding. Als toetreding bijvoorbeeld plaatsvindt per 1 januari 2027, dan moet dit gebeuren op basis van de situatie zoals opgenomen in de vastgestelde jaarrekening 2026. Dat betekent dat de exacte uitwerking van de toetreding pas in de loop van 2027 bekend wordt. Artikel 41 Uittreding Een gemeenschappelijke regeling bevat een regeling over uittreding. Bij wijziging van de regeling in 2025, en bij de huidige wijziging van 2026, is dit artikel aanzienlijk aangepast. Dit in lijn met de voorwaarden die samenhangen met de meest recente wetswijziging van de wet gemeenschappelijke regeling.
8 Toelichting d.d. 13 januari 2026
In deze gemeenschappelijke regeling is gekozen voor een overzichtelijke regeling. Dit geldt zowel voor het proces als voor de voorwaarden rondom uittreding. De gedachte is dat uittreding geen te hoge drempel moet vormen voor uittreding (uittreding mag geen straf worden), maar dat aan de andere kant de kosten die gepaard gaan met de uittreding niet ten laste van de overblijvende deelnemende gemeenten komen. Om die reden is gekozen voor een regeling met een relatief lange opzegtermijn van drie jaren. Deze termijn is voldoende lang om de organisatie Blink voor te laten bereiden op de uittreding en maatregelen te nemen. Na verloop van de opzegtermijn treedt de uittreder uit, waarna zij nog twee jaar betalingen doet aan Blink ter compensatie van de uittreding. Gelet op de hoge kosten van materieel en personeel, betaalt de uittreder in het eerste jaar 100% van de uittredingsvergoeding, en in het tweede jaar 50%. De uittredingsvergoeding wordt bepaald door de bijdrage van de gemeente in het laatste jaar voorafgaand aan de opzegging te verminderen met de kosten van de verwerking van afvalstromen. Het Algemeen bestuur kan ervoor kiezen dit bedrag lager vast te stellen als de uittreder de kosten van de uittreding beperkt door overname van materieel, materiaal en/of personeel, of als het Algemeen bestuur vindt dat de vergoeding buiten proportioneel is.
Er vindt dan extern onderzoek plaats waarin de frictiekosten worden bekeken. Op basis van het externe onderzoek kan het Algemeen bestuur komen tot vaststelling van een lagere uittredingsvergoeding. Vanwege de bijzondere aard van de besluiten is voor een dergelijke besluit unanieme besluitvorming vereist. Op het moment dat een gemeente uittreedt tot GR Blink, zal de uittredende gemeente daarnaast gecompenseerd worden voor haar aandeel in het opgebouwde vermogen van Blink. Daaronder valt in ieder geval een aandeel in de reserves die tot dat moment door GR Blink zijn opgebouwd. Dit aandeel wordt pro rata op basis van het aantal aansluitingen berekend. Voor wat betreft de peildatum van de feitelijke situatie, wordt aangesloten bij de informatie zoals blijkt uit de laatst vastgestelde jaarrekening op het moment van uittreding. Als uittreding bijvoorbeeld plaatsvindt per 1 januari 2027, dan moet dit gebeuren op basis van de situatie zoals opgenomen in de vastgestelde jaarrekening 2026. Dat betekent dat de exacte uitwerking van de toetreding pas in de loop van 2027 bekend wordt. Artikel 42 Wijziging Een wijziging van de gemeenschappelijke regeling kan worden voorgesteld door het AB, of door tenminste twee van de colleges van de deelnemende gemeenten.
Een wijziging van de gemeenschappelijke regeling is alleen mogelijk indien alle gemeenten hiertoe unaniem besluiten, dit in lijn met art. 1 Wgr. Artikel 43 Opheffing Opheffing van de gemeenschappelijke regeling kan alleen ingeval alle colleges na verkregen toestemming van de gemeenteraden hierover unaniem besluiten. Daarnaast is voor het liquidatieplan aangesloten bij de systematiek voor toe- en uittreding. Artikel 44 Geschillen Sinds 2015 worden geschillen tussen deelnemers aan een geschillencommissie voorgelegd voordat het geschil aan gedeputeerde staten wordt voorgelegd. Artikel 45 Klachten Blink houdt een klachtenvoorziening in stand en het AB kan daarvoor een voorziening treffen. Artikel 46 Inwerkingtreding Verwezen wordt naar artikel 26 tweede en derde lid van de wet. Beoogd wordt inwerkingtreding van deze regeling per juni 2026. Artikel 47 Aanhaling
9 Toelichting d.d. 13 januari 2026
De regeling wordt aangehaald als ”Gemeenschappelijke regeling Blink 2026’.
10 Toelichting d.d. 13 januari 2026