CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

RN 2026-042 Aanpassingen wijziging Omgevingsplan gemeente Helmond 'Floriskwartier'

Gemeenteraad 7 juli 2026, gemeente HelmondBij agendapunt: Omgevingsplan gemeente Helmond Floriskwartier8.077 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanpassingen wijziging Omgevingsplan gemeente Helmond ‘Floriskwartier’ Datum: 02-07-2026 Aanpassingen/toevoegingen zijn in het groen gemarkeerd Bodem oude tekst Er moet worden getoetst of de bodemkwaliteit op de plaats van het initiatief geschikt is voor het beoogde gebruik of middels sanerende maatregelen geschikt te maken is. Bij de bodemtoets moet er worden gecontroleerd of het geplande initiatief onacceptabele gevolgen kan hebben voor de functionele eigenschappen van de bodem. Dit houdt in dat bij een toetsing aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening moet worden gehouden met de bodemkwaliteit. Zo moet de bodem worden beschermd tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen. Daarbij moeten resterende historistische bodemverontreiniging en –aantasting duurzaam en doelmatig worden beheerd. Vaak maakt een initiatief de bouw van nieuwe bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie mogelijk. Een gebouw is bodemgevoelig als het gebouw de grond raakt en als personen minstens twee uur per dag in dat gebouw aanwezig kunnen zijn. Een locatie is bodemgevoelig als het omgevingsplan of een omgevingsvergunning op die plek een bodemgevoelig gebouw toestaat. Een terrein dat aansluit aan en bodemgevoelige locatie, zoals een tuin aan een woning, is ook een bodemgevoelige locatie.

Indien er sprake is van een nieuw bodemgevoelig gebouw, moet er op grond van artikel 5.89i Bkl via een onderzoek als bedoeld in paragraaf 5.5.2 van het Bal bewezen worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. In het omgevingsplan is aangegeven wat de toelaatbare kwaliteit van de bodem is voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw. Dit moet worden gelezen in combinatie met de interventiewaarde zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Bal. Er kan alleen van deze waarde worden afgeweken als er sanerende maatregelen worden getroffen. In dat laatste geval zal bij de omgevingsvergunning het voorschrift moeten worden verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meerdere sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.29 van het omgevingsplan. Toetsing Verkennend bodemonderzoek 2023 In het kader van de beoogde ontwikkeling (bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie) is voor de projectlocatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Bijbehorende onderzoeksrapporten zijn opgenomen als Bijlage 11. Conclusie onderzoek Grond: Zintuiglijk zijn tijdens de uitvoering van de boringen geen verontreinigingen aangetroffen. In Afwijkende bodemlagen (klei- en puinhoudende laag) zijn afzonderlijk onderzocht.

Op basis van het laboratoriumonderzoek zijn de volgende conclusies te trekken: • In één van de mengmonsters van de bovengrond (MMB2) is ten opzichte van de achtergrondwaarde een verhoogd PCB-gehalte gemeten. In een ander mengmonster (MMB3) wordt de achtergrondwaarde overschreden voor PAK. In de overige twee mengmonsters van de bovengrond (MMB1 en MMB4) zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde geen verhoogde gehaltes gemeten. • In het grondmonster van de aangetroffen kleilaag (M7) zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde geen verhoogde gehaltes gemeten. • In het puinhoudend grondmonster van de ondergrond (M8) is ten opzichte van de achtergrondwaarde een verhoogd cadmiumgehalte aangetoond. In de overige mengmonsters van de ondergrond (MMO5 en MMO6) zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde geen verhoogde gehaltes waargenomen. • In de mengmonsters van zowel de boven- als ondergrond zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde geen verhoogde gehaltes PFAS waargenomen. De aangetoonde lichte verontreinigingen met PCB’s en PAK in de bovengrond zijn niet direct te verklaren. De lichte verontreiniging met cadmium in de ondergrond ter plaatse van boring 24 is vermoedelijk het gevolg van de aangetroffen puinresten.

Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit is zowel de boven- als ondergrond beoordeeld als achtergrondwaarde-grond (bij toepassing als landbodem). Dit geldt ook voor PFAS.

Grondwater: Zintuiglijk zijn geen verontreinigingen of andere bijzonderheden waargenomen tijdens het plaatsen van de peilbuizen en het bemonsteren van het grondwater. Op basis van het laboratoriumonderzoek zijn de volgende conclusies te trekken: • In het grondwater van peilbuis P08 (GRW1) is ten opzichte van de streefwaarde een verhoogd kopergehalte aangetoond. • In het grondwater van de overige twee peilbuizen P13 (GRW2) en P20 (GRW3) zijn ten opzichte van de streefwaarde geen verhoogde gehaltes gemeten. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met koper. Zware metalen worden met regelmaat verhoogd aangetroffen in het grondwater in de regio. Aangenomen mag worden dat het licht verhoogd kopergehalte de lokale achtergrondwaarde benadert en een natuurlijke oorsprong heeft. Hypothese: Op basis van de onderzoeksresultaten dient de hypothese ‘niet verdacht’ te worden verworpen. In de bovengrond en het grondwater zijn lichte verontreinigingen aangetoond. Zintuiglijk zijn er in de bodem geen verontreinigingen waargenomen. In het laboratorium zijn er geen meetwaarden waargenomen tot boven de tussenwaarde voor aanvullend onderzoek. De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding tot een vervolgonderzoek. Aanvullend bodemonderzoek 2025 Naar aanleiding van het uitgevoegde Verkennende bodemonderzoek is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied.

De conclusies worden hieronder opgesomd. Conclusies aanvullend bodemonderzoek (volledige versie in Bijlage 12 bij deze motivering): Op de projectlocatie van het Floriskwartier (Oud-Moskou Bloemenbuurt) te Helmond is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek sluit aan op het verkennend bodemonderzoek van juni 2023 (Van Oort Bodemonderzoek, project OMB.338223). Het doel van het onderzoek is aan te tonen of de aanwezigheid van een nabije brandweerkazerne heeft geleid tot verontreinigingen met PFAS en GenX in de bovengrond en het grondwater. Verder is het grondwater op de gehele locatie aanvullend onderzocht op PFAS en GenX. Het veldwerk is uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000. De analyses (AS3000) zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics BV uit Rotterdam. Met labonderzoek zijn in de bovengrond nabij de brandweerkazerne geen verontreinigingen met PFAS en GenX aangetoond. Bij toepassing elders dient wel rekening te worden gehouden met de gemeten gehaltes PFOA en PFOS (>0,1 ìg/kg ds). Er kunnen beperkingen gelden voor kwetsbare gebieden zoals grondwaterbeschermingsgebieden. In het grondwater is over de gehele locatie een lichte verontreiniging met PFOA gemeten (>voorkeurswaarde). De meetwaarden liggen echter ruim beneden de signaleringparameter en lokale interventiewaarde (LIW).

De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding tot een verdergaand onderzoek. Op basis van het totaal aan onderzoeksgegevens behoeft de bodemkwaliteit geen belemmering te vormen voor een herontwikkeling en het verlenen van een omgevingsvergunning voor nieuwbouw. Binnen het plangebied moet nog worden gesloopt voorafgaand aan een nieuwbouw. Ná de sloop dient met een actualisatie te worden aangetoond dat de sloop niet heeft geleid tot een additionele bodemverontreiniging. Dit onderzoek kan zich in eerste instantie beperken tot de bovengrond. Bij de vergunningsaanvraag zal tezijnertijd, op basis van artikel 16.5 van de Omgevingswet, een onderbouwing opgenomen worden over de actualiteit van de uitgevoerde bodemonderzoeken. Conclusie Gelet op het voorgaande is het ten aanzien van het aspect bodem verantwoord om de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen. Bodem nieuwe tekst Er moet worden getoetst of de bodemkwaliteit op de plaats van het initiatief geschikt is voor het beoogde gebruik of middels sanerende maatregelen geschikt te maken is. Bij de bodemtoets moet er worden gecontroleerd of het geplande initiatief onacceptabele gevolgen kan hebben voor de functionele eigenschappen van de bodem. Dit houdt in dat bij een toetsing aan de evenwichtige toedeling van functies

aan locaties rekening moet worden gehouden met de bodemkwaliteit. Zo moet de bodem worden beschermd tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen. Daarbij moeten resterende historistische bodemverontreiniging en –aantasting duurzaam en doelmatig worden beheerd. Vaak maakt een initiatief de bouw van nieuwe bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie mogelijk. Een gebouw is bodemgevoelig als het gebouw de grond raakt en als personen minstens twee uur per dag in dat gebouw aanwezig kunnen zijn. Een locatie is bodemgevoelig als het omgevingsplan of een omgevingsvergunning op die plek een bodemgevoelig gebouw toestaat. Een terrein dat aansluit aan en bodemgevoelige locatie, zoals een tuin aan een woning, is ook een bodemgevoelige locatie. Indien er sprake is van een nieuw bodemgevoelig gebouw, moet er op grond van artikel 5.89i Bkl via een onderzoek als bedoeld in paragraaf 5.5.2 van het Bal bewezen worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. In het omgevingsplan is aangegeven wat de toelaatbare kwaliteit van de bodem is voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw. Dit moet worden gelezen in combinatie met de interventiewaarde zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Bal. Er kan alleen van deze waarde worden afgeweken als er sanerende maatregelen worden getroffen.

In dat laatste geval zal bij de omgevingsvergunning het voorschrift moeten worden verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meerdere sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.29 van het omgevingsplan. Toetsing Verkennend bodemonderzoek 2023 In het kader van de beoogde ontwikkeling (bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie) is voor de projectlocatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Bijbehorende onderzoeksrapporten zijn opgenomen als Bijlage 11. Conclusie onderzoek Grond: Zintuiglijk zijn tijdens de uitvoering van de boringen geen verontreinigingen aangetroffen. In Afwijkende bodemlagen (klei- en puinhoudende laag) zijn afzonderlijk onderzocht. Op basis van het laboratoriumonderzoek zijn de volgende conclusies te trekken: • In één van de mengmonsters van de bovengrond (MMB2) is ten opzichte van de achtergrondwaarde een verhoogd PCB-gehalte gemeten. In een ander mengmonster (MMB3) wordt de achtergrondwaarde overschreden voor PAK. In de overige twee mengmonsters van de bovengrond (MMB1 en MMB4) zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde geen verhoogde gehaltes gemeten.

• In het grondmonster van de aangetroffen kleilaag (M7) zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde geen verhoogde gehaltes gemeten. • In het puinhoudend grondmonster van de ondergrond (M8) is ten opzichte van de achtergrondwaarde een verhoogd cadmiumgehalte aangetoond. In de overige mengmonsters van de ondergrond (MMO5 en MMO6) zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde geen verhoogde gehaltes waargenomen. • In de mengmonsters van zowel de boven- als ondergrond zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde geen verhoogde gehaltes PFAS waargenomen. De aangetoonde lichte verontreinigingen met PCB’s en PAK in de bovengrond zijn niet direct te verklaren. De lichte verontreiniging met cadmium in de ondergrond ter plaatse van boring 24 is vermoedelijk het gevolg van de aangetroffen puinresten. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit is zowel de boven- als ondergrond beoordeeld als achtergrondwaarde-grond (bij toepassing als landbodem). Dit geldt ook voor PFAS. Grondwater: Zintuiglijk zijn geen verontreinigingen of andere bijzonderheden waargenomen tijdens het plaatsen van de peilbuizen en het bemonsteren van het grondwater. Op basis van het laboratoriumonderzoek zijn de volgende conclusies te trekken: • In het grondwater van peilbuis P08 (GRW1) is ten opzichte van de streefwaarde een verhoogd kopergehalte aangetoond.

• In het grondwater van de overige twee peilbuizen P13 (GRW2) en P20 (GRW3) zijn ten opzichte van de streefwaarde geen verhoogde gehaltes gemeten. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met koper.

Zware metalen worden met regelmaat verhoogd aangetroffen in het grondwater in de regio. Aangenomen mag worden dat het licht verhoogd kopergehalte de lokale achtergrondwaarde benadert en een natuurlijke oorsprong heeft. Hypothese: Op basis van de onderzoeksresultaten dient de hypothese ‘niet verdacht’ te worden verworpen. In de bovengrond en het grondwater zijn lichte verontreinigingen aangetoond. Zintuiglijk zijn er in de bodem geen verontreinigingen waargenomen. In het laboratorium zijn er geen meetwaarden waargenomen tot boven de tussenwaarde voor aanvullend onderzoek. De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding tot een vervolgonderzoek. Aanvullend bodemonderzoek 2025 Naar aanleiding van het uitgevoegde Verkennende bodemonderzoek is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De conclusies worden hieronder opgesomd. Conclusies aanvullend bodemonderzoek (volledige versie in Bijlage 12 bij deze motivering): Op de projectlocatie van het Floriskwartier (Oud-Moskou Bloemenbuurt) te Helmond is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek sluit aan op het verkennend bodemonderzoek van juni 2023 (Van Oort Bodemonderzoek, project OMB.338223). Het doel van het onderzoek is aan te tonen of de aanwezigheid van een nabije brandweerkazerne heeft geleid tot verontreinigingen met PFAS en GenX in de bovengrond en het grondwater.

Verder is het grondwater op de gehele locatie aanvullend onderzocht op PFAS en GenX. Het veldwerk is uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000. De analyses (AS3000) zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics BV uit Rotterdam. Met labonderzoek zijn in de bovengrond nabij de brandweerkazerne geen verontreinigingen met PFAS en GenX aangetoond. Bij toepassing elders dient wel rekening te worden gehouden met de gemeten gehaltes PFOA en PFOS (>0,1 ìg/kg ds). Er kunnen beperkingen gelden voor kwetsbare gebieden zoals grondwaterbeschermingsgebieden. In het grondwater is over de gehele locatie een lichte verontreiniging met PFOA gemeten (>voorkeurswaarde). De meetwaarden liggen echter ruim beneden de signaleringparameter en lokale interventiewaarde (LIW). De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding tot een verdergaand onderzoek. Op basis van het totaal aan onderzoeksgegevens behoeft de bodemkwaliteit geen belemmering te vormen voor een herontwikkeling en het verlenen van een omgevingsvergunning voor nieuwbouw. Binnen het plangebied moet nog worden gesloopt voorafgaand aan een nieuwbouw. Ná de sloop dient met een actualisatie te worden aangetoond dat de sloop niet heeft geleid tot een additionele bodemverontreiniging. Dit onderzoek kan zich in eerste instantie beperken tot de bovengrond.

Bij de vergunningsaanvraag zal te zijner tijd, op basis van artikel 16.5 van de Omgevingswet, een onderbouwing opgenomen worden over de actualiteit van de uitgevoerde bodemonderzoeken. indien uit het bodemonderzoek na sloop blijkt dat er verontreinigingen aanwezig zijn in gehalten die hoger zijn dan de gehalten voor toelaatbare bodemkwaliteit (in een bodemvolume van meer dan 25 m 3) dat de initiatiefnemer (vooral financieel) in staat is om de bodem te saneren of andere beschermende maatregelen te nemen zoals bedoeld in artikel 22.29 van het Omgevingsplan van de gemeente Helmond en aannemelijk is dat hij dat ook zal doen Conclusie Gelet op het voorgaande is het ten aanzien van het aspect bodem verantwoord om de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen.

Geluidregels oud Paragraaf 4.2.9 Geluid Subparagraaf 4.2.9.1 Geluidsregels algemeen Artikel 4.41 Toepassingsbereik 1. De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het bouwen van een geluidgevoelig gebouw ter plaatse van ‘zone geluid - weg en/of spoor en ‘zone geluid - industrie’. 2. De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van 'Floriskwartier' met bijbehorende bijlage Floriskwartier_Geluidwaarden 3. Bijlage V is van toepassing op de in de hierboven genoemde leden locaties. Artikel 4.42 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een geluidgevoelig gebouw te bouwen en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ter plaatse van ‘zone geluid - weg en/of spoor’ en ‘zone geluid - industrie’. Artikel 4.43 Beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw met het oog op de bescherming van de gezondheid aanvaardbaar is; b. de volledige doelmatigheidstoets is doorlopen zoals genoemd in de artikelen 5.74 tot en met 5.77 Bkl waarmee wordt beoordeeld of maatregelen ter naleving van de standaard- of voorkeurgrenswaarde stedenbouwkundig, verkeerskundig, vervoerskundig, landschappelijk, technisch haalbaar zijn en financieel doelmatig; c. bij de doelmatigheidstoets onder b wordt in ieder geval betrokken of: 1.

het geluidgevoelig gebouw beschikt over een geluidluwe gevel waar het geluid niet hoger is dan de standaardwaarde zoals genoemd in artikel 5.78t van het Bkl; 2. het geluidgevoelig gebouw beschikt over een geluidluwe buitenruimte waar het geluid niet hoger is dan de standaardwaarde zoals genoemd in artikel 5.78t van het Bkl; 3. het geluidgevoelig gebouw zoveel mogelijk verblijfsruimte, maar in ieder geval minimaal een verblijfsruimte aan de geluidluwe gevel heeft gesitueerd; d. het gecumuleerd geluid betrokken is bij de aanvaardbaarheidstoets. Artikel 4.44 Waarde gezamenlijk geluid 1. De waarde van het gezamenlijke geluid per gevel op een geluidgevoelig gebouw bedraagt de waarden zoals vastgelegd in bijlage V. 2. De waarden als bedoeld in het eerste lid zijn bindend voor de toepassing van artikel 4.103 Bbl bij de vergunningverlening en de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Artikel 4.45 Aanvraagvereisten Als toepassing wordt gegeven aan artikel 4.42 moeten er naast de aanvraagvereisten als bedoeld in artikel 4.11 ook de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt: a. een akoestisch onderzoek van het wegverkeer, railverkeer en industrielawaai. Hierin moet in ieder geval de geluidbelasting op de gevel worden aangegeven; b. indien er sprake is van een overschrijding van de standaardwaarden moet het volgende worden aangegeven: 1.

de gezamenlijke en gecumuleerde geluidsniveaus; 2. Inzicht in de mogelijk te treffen: i. bronmaatregelen; ii. overdrachtsmaatregelen; iii. maatregelen bij de ontvanger; 3. een maatregelenoverzicht. Uit dit overzicht moet blijken: i. welke geluidsbeperkende maatregelen onderzocht zijn; ii. wat de effecten van de geluidsbeperkende maatregelen zijn (in dB's); iii. wat de kostenraming is; iv. wat de stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige en landschappelijke consequenties zijn; v. wat de technische haalbaarheid is; c. een akoestisch onderzoek naar de gevelgeluidwering;

d. een situatietekening van de toekomstige situatie waarbij de onderzochte maatregelen zijn meegenomen. Artikel 4.46 Vergunningvoorschriften 1. Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.9, worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidshinder. Dit betreft in ieder geval het gezamenlijke geluid, de gevel met maatregelen, de geluidluwe gevel en/of (compenserende) maatregelen. Deze akoestische maatregelen moeten overeenkomstig de omgevingsvergunning worden gerealiseerd en in stand gehouden. 2. Voor zover de in het eerste lid bedoelde voorschriften betrekking hebben op het nemen van bouwkundige maatregelen, waarbij op grond van hoofdstuk 4 een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken geldt, dan is hoofdstuk 4 op het verrichten van die omgevingsplanactiviteit bouwwerken onverkort van toepassing. Subparagraaf 4.2.9.2 Afwijken geluidwaarden Artikel 4.47 Afwijken standaardwaarde weg en/of spoor Voor het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw vanwege weg en/of spoor gelden maximaal de waarden per gevel zoals opgenomen in bijlage V. Artikel 4.48 Hogere waarde industrielawaai Voor het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw vanwege industrie gelden maximaal de hogere waarden per gevel zoals opgenomen in bijlage V.

Geluidsregels nieuw Paragraaf 4.2.9 Geluid Subparagraaf 4.2.9.1 Geluidsregels algemeen Artikel 4.41 Toepassingsbereik 1. De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het bouwen van een geluidgevoelig gebouw ter plaatse van ‘zone geluid – weg en/of spoor’ 2. De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van 'Floriskwartier' met in de bijbehorende bijlage Floriskwartier_Geluidwaarden de afwijking van de standaardwaarde als bedoeld in artikel 4.43 sub b met bijbehorende maatregelen, de waarde gezamenlijk geluid als bedoeld in artikel 4.45. Artikel 4.42 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een geluidgevoelig gebouw te bouwen en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ter plaatse van ‘zone geluid - weg en/of spoor’. Artikel 4.43 Beoordelingsregels De vergunning als bedoeld in artikel 4.42 wordt alleen verleend als: a. wordt voldaan aan de standaardwaarde zoals opgenomen in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving en deze in stand wordt gehouden; b. bij de woningen waar niet wordt voldaan aan de standaardwaarde zoals bedoeld in sub a wordt voldaan aan de maximale vastgestelde afwijking van de standaardwaarde conform artikel 5.78u Bkl zoals opgenomen in de bijbehorende bijlage en deze in stand worden gehouden; en i.

de benodigde maatregelen voor de buitenruimte worden getroffen zoals opgenomen in de bijbehorende bijlage en in stand worden gehouden. Artikel 4.44 Aanvraagvereiste Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.42 wordt naast de aanvraagvereiste als bedoeld in artikel 4.11 een rapport verstrekt: a. waaruit de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt; en b. waarin, indien nodig in verband met een overschrijding van de standaardwaarde, inzicht wordt gegeven in de mogelijk te treffen: a. bronmaatregelen; b. overdrachtsmaatregelen;

c.

maatregelen bij de ontvanger.

Artikel 4.45 Waarde gezamenlijk geluid De waarde van het gezamenlijk geluid per gevel op een geluidgevoelig gebouw bedraagt de waarden zoals vastgelegd in de bijbehorende bijlage. Paragraaf 5.1.2 Beperkingen zone geluid-industrie Artikel 5.7 Beperkingen zone geluid-industrie Ter plaatse van 'zone geluid - industrie' zijn de gronden, behalve voor de daar voorkomende functies, mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van de geluidruimte van activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken en zijn toegestaan op het nabijgelegen industrieterrein. Artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.7 Rondom een industrieterrein waar ‘activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken’ (onder de oude wetgeving bekend als ‘grote lawaaimakers’) zich mogen vestigen dienen geluidproductieplafonds te worden vastgesteld in een omgevingsplan. Zolang de geluidproductieplafonds rondom die industrieterreinen nog niet zijn vastgesteld in een omgevingsplan geldt op grond van artikel 3.6 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet de Wet geluidhinder. Nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen de geluidzone van het industrieterrein Hoogeind - aangeduid als ‘zone geluid – industrie’ moeten voldoen aan de standaardwaarden als bedoeld in artikel 5.78t Bkl.

Indien de geluidgevoelige gebouwen niet voldoen aan deze standaardwaarden moet hiervoor door het college van B&W een separaat hogere waardenbesluit worden vastgesteld.

Geluid paragraaf motivering oud 5.5 Geluid Het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen moet aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij om ‘gewoon’ geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en locaties. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. Een geluidgevoelig gebouw voldoet aan een van de volgende kenmerken: a. Het gebouw heeft een woonfunctie; b. Het gebouw heeft een onderwijsfunctie; c. Het gebouw heeft een kinderopvangfunctie met bedden; of d. Het gebouw heeft een gezondheidszorgfunctie met bedden. In de bruidsschat zijn waarden bepaald. Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: a. activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen; b. geluid door windturbines en windparken; c. geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen.

Instructieregels In het Bkl staan instructieregels die van toepassing zijn op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen. Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels, zoals aangewezen geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Geluidaandachtsgebied Rondom een industrieterrein, weg of spoorweg wordt een begrenzing aangebracht. Buiten die grens wordt per definitie voldaan aan geluidsnormen en hoeft het effect van de bron op een geluidgevoelig gebouw niet meer te worden getoetst. Binnen die grens is een toets nodig op aanvaardbaarheid. Deze zone heet een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan bepaalde standaardwaarden Lden, zoals bedoeld in onderstaande tabel.

Standaardwaarden geluid Geluidsbronsoort Standaardwaarde Provinciale wegen Rijkswege

50 Lden

Gemeentewegen Waterschapswegen

53 Lden

Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen

55 Lden

industrieterreinen

50 Lden 40 Lnight

De ligging van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door de geluidsbelasting vanwege de desbetreffende bron. Hoe die geluidbelasting moet worden bepaald, is voorgeschreven in het Bkl en in de Omgevingsregeling. De instructieregels hebben betrekking op het geluidaandachtsgebied van:

a. wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds; b. lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds; en c.

verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaar-gemiddelde.

Toetsing In opdracht van BAM Wonen is een akoestisch onderzoek wegverkeers- en spoorweglawaai uitgevoerd ten behoeve van de beoogde nieuwbouw van het Floriskwartier te Helmond. Beoogd wordt 207 appartementen te realiseren. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd ten behoeve van de wijziging omgevingsplan. Het volledige onderzoeksrapport is te vinden in Bijlage 5 - Akoestisch onderzoek wegverkeersspoorweglawaai van deze motivering, hieronder zijn de belangrijkste conclusies en resultaten weergegeven. Voor wegverkeerslawaai is de ontwikkeling gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de gemeentewegen Azalealaan, Broekwal, Deurneseweg, Lage Dijk, Wethouder van Wellaan, Asterstraat, Primulastraat, Trompstraat, Rooseindsestraat en Generaal Robertsstraat. Voor spoorweglawaai is het plan gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de spoorweg Helmond Helmond Brouwhuis. De onderhavige locatie is gelegen binnen de geluidzone van het geluidgezoneerde industrieterrein 'Hoogeind' gelegen ten zuiden van de planlocatie. Derhalve is de geluidbelasting door onderhavig industrieterrein in het akoestisch onderzoek meegenomen in de beschouwing van het gecumuleerd en gezamenlijk geluid. Voor de gemeentewegen geldt dat het geluid op de gevels van de nieuwe appartementen de standaardwaarde van 53 dB met maximaal 15 dB overschrijdt. De grenswaarde van 70 dB wordt nergens overschreden.

Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de standaardwaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet realistisch en doeltreffend. Voor het toepassen van stiller wegdek (SMA-NL 8G+) op de Deurneseweg en Wethouder van Wellaan geldt dat de standaardwaarde nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve niet doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet bovendien overwegende bezwaren van financiële aard. Tevens betreft de weg een belangrijke verkeersader met wegvakken nabij een geregeld kruispunt. In verband met eventuele slijtage van het wegdek vanwege het aanwezige optrekkend, afremmend en wringend verkeer wordt het toepassen van een stiller wegdek niet realistisch geacht. Voor de spoorweg Helmond - Helmond Brouwhuis geldt dat de standaardwaarde voor spoorweglawaai van 55 dB met maximaal 10 dB overschrijdt. De grenswaarde van 65 dB wordt nergens overschreden.

Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het spoorwegverkeer tot de standaardwaarde kan in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke aard en financiele aard ontmoeten. Ter hoogte van de spoorweg nabij het plan is reeds een geluidscherm aangebracht. Derhalve is het niet realistisch om een tweede geluidscherm/geluidwal aan te brengen of deze te verhogen, om zodoende de geluidbelasting verder te reduceren. Tevens dient het scherm relatief hoog te zijn om doelmatig te zijn voor de hoogste verdiepingen. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet realistisch. Het toepassen van raildempers ontmoet overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Tevens is deze maatregel akoestisch niet doeltreffend. Voor het geluidgezoneerde industrieterrein bedraagt de geluidbelasting op de planlocatie maximaal 52 dB(A) etmaalwaarde. Dit betekent dat er een overschrijding van 2 dB plaatsvindt van de voorkeursgrenswaarde

van 50 dB(A). Voor deze toetspunten dient een Hogere waarde conform de Wgh vastgesteld te worden. Conform het Programma Geluid gemeente Helmond wordt het een ''Ontheffingsprocedure'' genoemd. Aangezien voor onderhavige appartementen de standaardwaarde en de voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai wordt overschreden dient het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel te worden betrokken. Uit de rekenresultaten blijkt dat niet voor alle appartementen geldt dat deze de beschikking hebben over ten minste een gevel waarvoor de geluidbelasting de standaardwaarden niet overschrijdt. In ieder geval circa 30 appartementen op de 2e t/m 4e verdieping van blok B (t087 t/m t094) hebben niet ten minste een geluidluwe gevel. Voor appartementen in het blok A geldt dat in ieder geval de noordwestelijke tussenappartementen op de 3e t/m 6e verdieping (t010), noordoostelijke appartementen op de 1e t/m 4e verdieping (t014 en t015), een zuidoostelijk appartement op de 6e verdieping (t021) en twaalf appartementen op de 1e t/m 6e verdieping (t023 en t024) ook niet beschikken over tenminste een geluidluwe gevel. Tevens beschikken niet alle appartementen over een geluidluwe buitenruimte. In blok A en blok B beschikken respectievelijk 103 en 43 appartementen niet over een geluidluwe buitenruimte.

In tabel 4.3 van het onderzoeksrapport staat beschreven welke toetspunten niet beschikken over een geluidluwe buitenruimte. Omdat 146 appartementen geen geluidluwe buitenruimte hebben dient bij de vergunningaanvraag een doelmatigheidstoets doorlopen te worden. Onderzocht moet worden welke maatwerk-oplossingen per appartement mogelijk en doelmatig zijn. Een gezamenlijke geluidluwe buitenruimte kan in uitzonderingssituaties als mitigerende maatregel dienen. Daarbij dient de voorziening kleinschalig, afsluitbaar en beheerd te kunnen worden. De geluidbelasting op de appartementen welke niet zonder meer beschikken over een geluidluwe gevel kan worden gereduceerd tot de standaardwaarde middels een van de in paragraaf 4.3 genoemde principeoplossingen van het onderzoeksrapport. Geadviseerd wordt om de toepassing van de gewenste oplossing in een vroeg stadium af te stemmen met de controlerende instantie. Indien iedere woning kan beschikken over ten minste een te openen geluidluw geveldeel wordt voldaan aan de eisen conform het omgevingsplan. Er is al een aanvullende memo opgesteld waarin staat hoe de buitenruimtes geluidluw gemaakt kunnen worden op de daken van gebouw A en B, zie Bijlage 7. Uit de doelmatigheidstoets moet nog blijken of dit de passende oplossing is. De nieuwe appartementen worden beoogd in het geluidaandachtsgebied van spoorwegen en gemeentewegen.

Tevens ligt het plan voor een deel binnen de geluidzone van het geluidgezoneerd industrieterrein 'Hoogeind'. Het gecumuleerd geluid op de gevels van de beoogde nieuwe appartementen bedraagt minimaal 45 dB en maximaal 68 dB. Conform de methode Miedema kan het gecumuleerd geluid worden gekwalificeerd als ''zeer goed'' (binnengevels) tot ''slecht'' (zuidgevels). Het bevoegd gezag dient te beoordelen of het geluid op de nieuwe appartementen aanvaardbaar is. Het gezamenlijk geluid op de gevels van de beoogde nieuwe appartementen bedraagt maximaal 69 dB. Aangezien het gezamenlijk geluid meer dan 53 dB bedraagt, dient middels een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels te worden aangetoond dat aan de voornoemde nieuwbouweis kan worden voldaan. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een aanvaardbaar geluidbinnenniveau gewaarborgd. Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is conform opgave van de gemeente tevens rekening gehouden met het document ''Programma Geluid 2018-2023'' d.d. 18 juni 2018 van de gemeente Helmond. Conform dit beleidsstuk kan er pas een hogere waarde worden verleend als voldaan aan bepaalde voorwaarden. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er niet zonder meer kan worden voldaan aan de standaardwaarde.

Onderzocht is dat maatregelen treffen tot het terugbrengen van de geluidbelasting tot de standaardwaarde onvoldoende doeltreffend zijn, en dat hier bezwaren zijn op het gebied van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiele aard. Daarnaast dienen de woningen ter vervanging van bestaande bebouwing. Voor industrielawaai wordt de grenswaarde van 55 dB(A) nergens overschreden. Er moet ook worden voldaan aan de voorwaarden van het geluidbeleid. Bij een overschrijding van de standaardwaarde is voor deze woning een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte vereist. Aan deze geluidluwe gevel dient tenminste een verblijfsruimte te worden gesitueerd. Tevens dient er

gezamenlijke geluidluwe buitenruimte gecreëerd te worden als alternatief op een geluidluwe buitenruimte per woning. In het kader van het bovenstaande zijn benodigde voorzieningen onderzocht om te waarborgen dat ieder appartementengebouw de beschikking heeft over een geluidluwe gezamenlijke buitenruimte. Hiervoor is een memo en een beoordeling opgesteld, zie Bijlage 6 - Beoordeling gezamenlijke buitenruimten en Bijlage 7 Memo geluidluwe buitenruimten. Om ervoor te zorgen dat beide appartementengebouwen de beschikking hebben over een geluidluwe buitenruimte, zijn voor beide buitenruimten de benodigde voorzieningen onderzocht om te waarborgen dat ieder appartement gebruik kan maken van een (gezamenlijke) geluidluwe buitenruimte. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven met de benodigde maatregelen voor de buitenruimten per appartementenblok. Bij toepassing van de in het rapport omschreven afschermingen geldt dat de beschouwde buitenruimte volledig geluidluw zijn ten gevolge van spoorweglawaai en grotendeels geluidluwe ten gevolge van wegverkeerslawaai. Minimale afscherming buitenruimten

Met het realiseren van gezamenlijke geluidluwe buitenruimtes wordt een oplossing geboden die zowel voldoet aan de wettelijke eisen als aan de wensen van bewoners en de architectonische kwaliteit van het plan. Dit alternatief voorkomt hoge investerings- en onderhoudskosten, waarborgt het wooncomfort en draagt bij aan een aantrekkelijk en duurzaam ontwerp. De daktuin is daarnaast niet alleen een alternatief voor een geluidluwe buitenruimte, maar creëert ook een extra plek waar bewoners elkaar kunnen ontmoeten. Sirenelawaai Er is een notitie sirenelawaai opgesteld ten aanzien van piekgeluiden ten gevolge van sirenelawaai afkomstig van uitrukkende brandweerauto's van de brandweerkazerne aan de Deurneseweg 135 te Helmond, zie Bijlage 8 - Notitie sirenelawaai. Hieronder worden de resultaten samengevat. De gevels met de hoogste geluidbelasting zijn tevens de gevels waarbij de hoogste geluidwering van de gevel benodigd is ten gevolge van het berekende gezamenlijk geluid uit het onderzoek wegverkeers- en spoorweglawaai. Opgemerkt wordt dat maximale geluidniveaus ten gevolge van het uitrukken van brandweerauto’s niet aan voorschriften gebonden kunnen worden. Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat gelet op het geluid. Het is acceptabel om nieuwe woningen aan de projectlocatie toe te delen.

Geluid paragraaf motivering nieuw Het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen moet aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij om ‘gewoon’ geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en locaties. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. Een geluidgevoelig gebouw voldoet aan een van de volgende kenmerken: a. b. c. d.

Het gebouw heeft een woonfunctie; Het gebouw heeft een onderwijsfunctie; Het gebouw heeft een kinderopvangfunctie met bedden; of Het gebouw heeft een gezondheidszorgfunctie met bedden.

In de bruidsschat zijn waarden bepaald. Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: a. activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen; b. geluid door windturbines en windparken; c. geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen. Instructieregels In het Bkl staan instructieregels die van toepassing zijn op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen. Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels, zoals aangewezen geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Geluidaandachtsgebied Rondom een industrieterrein, weg of spoorweg wordt een begrenzing aangebracht.

Buiten die grens wordt per definitie voldaan aan geluidsnormen en hoeft het effect van de bron op een geluidgevoelig gebouw niet meer te worden getoetst. Binnen die grens is een toets nodig op aanvaardbaarheid. Deze zone heet een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan bepaalde standaardwaarden Lden, zoals bedoeld in onderstaande tabel. Standaardwaarden geluid Geluidsbronsoort

Standaardwaarde

Provinciale wegen Rijkswege

50 Lden

Gemeentewegen Waterschapswegen

53 Lden

Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen

55 Lden

industrieterreinen

50 Lden 40 Lnight

De ligging van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door de geluidsbelasting vanwege de desbetreffende bron. Hoe die geluidbelasting moet worden bepaald, is voorgeschreven in het Bkl en in de Omgevingsregeling. De instructieregels hebben betrekking op het geluidaandachtsgebied van:

a. wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds; b. lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds; en c. verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaar-gemiddelde. Toetsing In opdracht van BAM Wonen is een akoestisch onderzoek naar wegverkeers- en spoorweglawaai uitgevoerd ten behoeve van de beoogde nieuwbouw van het Floriskwartier te Helmond. Beoogd is de realisatie van 207 appartementen. In het kader van de wijziging van het omgevingsplan zijn meerdere akoestische onderzoeken uitgevoerd. De onderzoeksrapportages zijn opgenomen in Bijlage 5 - Akoestisch onderzoek wegverkeers- spoorweglawaai en Bijlage 8 - Notitie sirenelawaai van deze motivering. Op basis van deze onderzoeken wordt hierna een afweging gemaakt en worden conclusies getrokken ten aanzien van de aanvaardbaarheid van het plan en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De planlocatie is gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van meerdere gemeentewegen, te weten de Azalealaan, Broekwal, Deurneseweg, Lage Dijk, Wethouder van Wellaan, Asterstraat, Primulastraat, Trompstraat, Rooseindsestraat en Generaal Robertsstraat.

Daarnaast ligt het plan binnen het geluidaandachtsgebied van de spoorweg Helmond – Helmond Brouwhuis. Voor de gemeentewegen geldt dat het geluid op de gevels van de nieuwe appartementen de standaardwaarde van 53 dB met maximaal 15 dB overschrijdt. De grenswaarde van 70 dB wordt nergens overschreden. De planlocatie is verder gelegen binnen de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein 'Hoogeind' gelegen ten zuiden van de planlocatie. Het gezoneerde industrieterrein is nog niet omgezet naar een industrieterrein met een geluidproductieplafond, waardoor de Wet geluidhinder van toepassing is op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet. Voor het gezoneerd industrieterrein Hoogeind geldt op basis van art. 44 Wgh een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) ter plaatse van geprojecteerde appartementen. Op basis van art. 45 kan een hogere waarde dan de voorkeursgrenswaarde tot 55 dB(A) worden vastgesteld. Deze voorkeursgrenswaarde wordt ter plaatse van de zuidelijke gevels overschreden met maximaal 2 dB(A). De Wet geluidhinder biedt de mogelijkheid om af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een ten hoogste toelaatbare waarde. Dit hogere waarde besluit wordt separaat vastgesteld voor de planlocatie.

De geluidbelasting van het wegverkeer, spoorweglawaai en het gezoneerde industrieterrein zijn overeenkomstig het akoestisch onderzoek meegenomen in de beschouwing van het gecumuleerd en gezamenlijk geluid. Afweging Conform het Besluit kwaliteit leefomgeving kan een hogere waarde worden vastgesteld indien bron- en overdrachtsmaatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en er overwegende bezwaren bestaan van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard. Daarbij dient de overschrijding zoveel mogelijk te worden beperkt met doelmatige maatregelen. Wegverkeerslawaai Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de standaardwaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Ten opzichte van de bestaande situatie houdt de nieuwe stedenbouwkundige opzet rekening door meer afstand te nemen tot de Deurneseweg. Verdere vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet realistisch en doeltreffend. Voor het toepassen van stiller wegdek (SMA-NL 8G+) op de Deurneseweg en Wethouder van Wellaan geldt dat de standaardwaarde nog altijd wordt overschreden.

Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet bovendien overwegende bezwaren van financiële aard. Tevens betreft de weg een belangrijke verkeersader met wegvakken nabij een geregeld kruispunt en in een tunnelbak met speciale fundering. Het toepassen van een stiller wegdek loopt hierdoor tegen beperkingen in de technische uitvoerbaarheid.

Afweging spoorweglawaai Voor de spoorweg Helmond - Helmond Brouwhuis geldt dat de standaardwaarde voor spoorweglawaai van 55 dB met maximaal 10 dB overschrijdt. De grenswaarde van 65 dB wordt nergens overschreden. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het spoorwegverkeer tot de standaardwaarde kan in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke aard en financiële aard ontmoeten. Ter hoogte van de spoorweg nabij het plan is reeds een geluidscherm aangebracht. Derhalve is het niet realistisch om een tweede geluidscherm/geluidwal aan te brengen of deze te verhogen, om zodoende de geluidbelasting verder te reduceren. Tevens dient het scherm relatief hoog te zijn om doelmatig te zijn voor de hoogste verdiepingen. Ten opzichte van de bestaande situatie houdt de nieuwe stedenbouwkundige opzet rekening door meer afstand te nemen tot de Deurneseweg. Verdere vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet realistisch. Ter hoogte van de planlocatie is het spoor voorzien van raildempers. Beleid en aanvullende afweging Aanvullend betrekt de gemeente bij het maken van een afweging het hogere waarde beleid 2006 en het programma Geluid 2018-2023.

Hierin weegt zwaar dat er een geluidluwe zijde en geluidluwe buitenruimte wordt gerealiseerd. We vinden het namelijk belangrijk dat inwoners een plek hebben in het huis en in de tuin waar ze rustig kunnen zitten of verblijven. Hierin sluit het beleid aan bij het Besluit kwaliteit leefomgeving dat stelt dat bij het overschrijden van de standaardwaarde het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken wordt. De geluidsluwe buitenruimte is aanvullend een algemeen geaccepteerde brede integrale maatregel die uiteindelijk de doorslag kan geven of een plan al dan niet aanvaardbaar is, bijvoorbeeld in geval sprake is van overschrijding van de standaardwaarde. In zowel de geluidsluwe gevel als de geluidsluwe buitenruimte dient de maatregel proportioneel te zijn waarbij gekeken wordt in hoeverre deze financieel, technisch en ruimtelijk haalbaar is en van toegevoegde waarde voor de gezondheid. Uit de onderzoeksrapportage blijkt dat een aantal appartementen in de oorspronkelijke situatie niet beschikt over een geluidluwe gevel. Het realiseren van een geluidluwe gevel zonder aanvullende maatregelen is niet mogelijk zonder ingrijpende aanpassing van het ontwerp en is daarmee stedenbouwkundig en technisch niet haalbaar. Daarnaast beschikt een groot aantal appartementen niet over een geluidluwe buitenruimte.

Het Besluit bouwwerken leefomgeving biedt de mogelijkheid om, in plaats van een individuele geluidluwe buitenruimte, een alternatieve invulling te geven, bijvoorbeeld middels een gezamenlijke voorziening. Een gezamenlijke geluidluwe buitenruimte betreft echter geen maatregel die de geluidbelasting op woningniveau reduceert, maar een aanvullende kwaliteitsmaatregel. Gelet op de omvang van het plan (103 en 43 appartementen per blok) en het collectieve karakter van een dergelijke voorziening, wordt de bruikbaarheid hiervan beperkt geacht. Daarnaast draagt deze maatregel niet bij aan het reduceren van de geluidbelasting op gevelniveau of binnen de woningen. Om die reden is een gezamenlijke geluidluwe buitenruimte in dit plan niet als passend beoordeeld. In plaats daarvan is gekozen voor individuele maatregelen per appartement, bestaande uit balkonschermen en afsluitbare loggia’s. Uit de aanvullende memo “balkonafschermingen en loggia-berekeningen Floriskwartier te Helmond” d.d. 18 juni 2026 blijkt dat met deze maatregelen per appartement een geluidluwe gevelsituatie kan worden gerealiseerd. Hiermee wordt de geluidbelasting plaatselijk effectief gereduceerd en wordt invulling gegeven aan het beschermen van het woon- en leefklimaat op woningniveau.

De gekozen maatregelen zijn doelmatig, proportioneel en ruimtelijk inpasbaar en geven de doorslag in het kader van de integrale aanvaardbaarheid en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Gecumuleerd geluid De nieuwe appartementen worden beoogd in het geluidaandachtsgebied van spoorwegen en gemeentewegen. Tevens ligt het plan voor een deel binnen de geluidzone van het geluidgezoneerd industrieterrein 'Hoogeind'. Het gecumuleerd geluid op de gevels van de beoogde nieuwe appartementen bedraagt minimaal 45 dB en maximaal 68 dB. Conform de methode Miedema kan het gecumuleerd geluid worden gekwalificeerd als ''zeer goed'' (binnengevels) tot ''slecht'' (zuidgevels). Het bevoegd gezag dient te beoordelen of het geluid op de nieuwe appartementen aanvaardbaar is. Het gezamenlijk geluid op de gevels van de beoogde nieuwe appartementen bedraagt maximaal 69 dB. Aangezien het gezamenlijk geluid meer dan 53 dB bedraagt, dient met een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels te worden aangetoond dat aan de voornoemde nieuwbouweis kan worden voldaan. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een aanvaardbaar geluidbinnenniveau gewaarborgd. Sirenelawaai Er is een notitie sirenelawaai opgesteld ten aanzien van piekgeluiden ten gevolge van sirenelawaai afkomstig van uitrukkende brandweerauto's van de brandweerkazerne aan de Deurneseweg 135 te Helmond, zie Bijlage 8 - Notitie sirenelawaai. Hieronder worden de resultaten samengevat.

De gevels met de hoogste geluidbelasting zijn tevens de gevels waarbij de hoogste geluidwering van de gevel benodigd is ten gevolge van het berekende gezamenlijk geluid uit het onderzoek wegverkeers- en spoorweglawaai. Opgemerkt wordt dat maximale geluidniveaus ten gevolge van het uitrukken van brandweerauto’s niet aan voorschriften gebonden kunnen worden. De gevels welke het dichtstbij de wegvakken zijn gelegen ervaren de hoogste geluidsbelasting door de sirene, echter hebben zij ook de hoogste geluidswering benodigd op basis van het gezamenlijk geluid. Deze gevels zijn in die zin daarmee bovengemiddeld goed beschermd tegen het sirenegeluid, waarmee het voor het aspect sirenelawaai aanvaardbaar wordt geacht. Conclusie Gelet op het voorgaande, de onmogelijkheid van doelmatige bron- en overdrachtsmaatregelen en de toepassing van effectieve individuele gevelmaatregelen in de vorm van balkonschermen en afsluitbare loggia’s, kan worden geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het plan is daarmee vanuit het aspect geluid aanvaardbaar en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Trillingsregels oud Paragraaf 4.2.8 Voorwaardelijke verplichting - trillingen Artikel 4.38 Omgevingsvergunning ter plaatse van ‘voorwaardelijke verplichting – trillingen' Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor woningen ter plaatse van ‘voorwaardelijke verplichting - trillingen' wordt alleen verleend als op basis van het definitieve funderingsplan, een trillingsonderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk deskundig bureau conform de SBR-richtlijn deel B ("Hinder voor personen in gebouwen", 2006) en daaruit blijkt dat wordt voldaan aan de streefwaarden voor “Wonen nieuwe situatie”, uit de SBR-richtlijn B. Artikel 4.39 Afwijking streefwaarden trillingssterkte Als uit het trillingsonderzoek als bedoeld in artikel 4.38 blijkt dat niet wordt voldaan aan de streefwaarden voor “Wonen nieuwe situatie” wordt de omgevingsvergunning in afwijking daarvan toch verleend indien: a. De trillingssterkte Vmax en Vper kleiner zijn dan de grenswaarden uit de SBR-richtlijn B; b. In het onderzoek wordt gemotiveerd of de trillingsniveaus - gelet op de ligging nabij het spoor, de technische uitvoerbaarheid van maatregelen en de funderingsopzet - desondanks aanvaardbaar zijn; c. de extra kosten van trilingsreducerende maatregelen inzichtelijk worden gemaakt; d.

aangetoond wordt dat de baten niet afwegen tegen de kosten, inclusief een andere onderbouwing waarom de maatregelen economisch niet haalbaar zijn. Artikel 4.40 Aanvraagvereisten trillingsonderzoek 1. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk dat is gelegen ter plaatse van ‘voorwaardelijke verplichting – trillingen’ bevat het trillingsonderzoek in ieder geval: a. een beschrijving van de gebruikte prognosemethode; b. de gehanteerde uitgangspunten voor de prognose c. de geprognosticeerde waarden voor Vmax en Vper; d. een beschouwing over de betrouwbaarheid van de geprognosticeerde trillingssterkte; e. een beoordeling van de trillingssterkte Vmax en Vper in relatie tot de genoemde streef- en grenswaarden; f. in geval van een overschrijding van de streef- of grenswaarden onder sub e: een omschrijving van de mogelijk te voeren trillingsreducerende maatregelen inclusief hun effect op de trillingssterkte Vmax en Vper; g. een beoordeling en beschouwing van de trillingssterkte (Vmax, eventueel Vper) na toepassing van de trillingsreducerende maatregelen. 2. Er wordt primair getoetst aan de streefwaarden voor de categorie “Wonen nieuwe situatie” uit de SBR-richtlijn B.

Trillingsregels nieuw Paragraaf 4.2.8 Beoordelingsregels zone-trillingen Artikel 4.38 Omgevingsvergunningen zone-trillingen Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor woningen ter plaatse van ‘zone-trillingen' wordt alleen verleend als op basis van het definitieve funderingsplan, een trillingsonderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk deskundig bureau conform de SBR-richtlijn deel B ("Hinder voor personen in gebouwen", 2006) en daaruit blijkt dat wordt voldaan aan de streefwaarden voor “Wonen nieuwe situatie”, uit de SBR-richtlijn B. Artikel 4.39 Afwijking streefwaarden trillingssterkte Als uit het trillingsonderzoek als bedoeld in artikel 4.38 blijkt dat niet wordt voldaan aan de streefwaarden voor “Wonen nieuwe situatie” wordt de omgevingsvergunning in afwijking daarvan toch verleend indien: a. De trillingssterkte Vmax en Vper kleiner zijn dan de grenswaarden uit de SBR-richtlijn B en b. In het onderzoek wordt gemotiveerd of de trillingsniveaus - gelet op de ligging nabij het spoor, de technische uitvoerbaarheid van maatregelen en de funderingsopzet - desondanks aanvaardbaar zijn en onderbouwen dat; c. de extra kosten van trilingsreducerende maatregelen inzichtelijk worden gemaakt; en d. aangetoond wordt dat de baten niet afwegen tegen de kosten, inclusief een nadere onderbouwing waarom de maatregelen economisch niet haalbaar zijn.

Artikel 4.40 Aanvraagvereisten trillingsonderzoek 3. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk dat is gelegen ter plaatse van ‘zone-trillingen’ bevat het trillingsonderzoek in ieder geval: h. een beschrijving van de gebruikte prognosemethode; i. de gehanteerde uitgangspunten voor de prognose j. de geprognosticeerde waarden voor Vmax en Vper; k. een beschouwing over de betrouwbaarheid van de geprognosticeerde trillingssterkte; l. een beoordeling van de trillingssterkte Vmax en Vper in relatie tot de genoemde streef- en grenswaarden; m. in geval van een overschrijding van de streef- of grenswaarden onder sub e: een omschrijving van de mogelijk te voeren trillingsreducerende maatregelen inclusief hun effect op de trillingssterkte Vmax en Vper; n. een beoordeling en beschouwing van de trillingssterkte (Vmax, eventueel Vper) na toepassing van de trillingsreducerende maatregelen. 4. Er wordt primair getoetst aan de streefwaarden voor de categorie “Wonen nieuwe situatie” uit de SBR-richtlijn B.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17180160/2