CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

RN 2026-015 5 Handleiding Archeologische Beleidskaart

Gemeenteraad 12 mei 2026, gemeente HelmondBij agendapunt: Vernieuwen archeologische waardenkaart en beleid1.255 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 5:

Handleiding voor de archeologische beleidskaart gemeente Helmond Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning waarbij de bodem geroerd gaat worden, zal bekeken worden óf er archeologisch onderzoek noodzakelijk is, en zo ja, welke maatregelen noodzakelijk zijn om verantwoord met de archeologische resten om te gaan. Op basis van de archeologische beleidskaart worden aan de verschillende categorieën verwachte of vastgestelde archeologische waarden passende beschermingsmaatregelen gekoppeld. Hoe hoger de archeologische verwachting, des te groter is de kans dat deze bij bodemingrepen aangetroffen worden. In gebieden met een lage verwachting bestaat er alleen bij grootschalige ingrepen een gerede kans op het aantreffen en verstoren van archeologische resten. De oppervlaktecriteria voor de plangrenzen zijn dan ook gebaseerd op de archeologische trefkans. Hoe kleiner deze is, hoe groter een onderzoeksgebied moet zijn om een redelijke kans te creëren archeologische relicten aan te treffen. Voor de verschillende gebiedscategorieën gelden verschillende randvoorwaarden die aangeven in welk geval een archeologisch onderzoek noodzakelijk is voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning en in welk geval er geen archeologisch onderzoek nodig is. Op de archeologische beleidskaart worden onderstaande zeven gebiedscategorieën onderscheiden.

De bescherming van deze categorieën wordt geregeld met behulp van maatwerkregels in het omgevingsplan (omgevingswaarden). Met onderstaand schema kan aan de hand van de archeologische beleidskaart worden bepaald wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is:

De ondergrens van het projectgebied betreft bij een wijziging van het omgevingsplan en bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan het totale gebied waar een (nieuwe) functie wordt toebedeeld. Omdat het Verdrag van Valletta van het principe bescherming in situ uitgaat is het zaak voor die delen die vooralsnog - niet verstoord worden een beschermingsregime op te leggen. Bij een bouw-, sloop- of aanlegactiviteiten t.b.v. een omgevingsvergunning wordt voor de ondergrens uitgegaan van het oppervlak binnen het projectgebied dat daadwerkelijk verstoord gaat worden. Als voor een projectgebied twee of meer categorieën gelden, dan geldt de hoogste verwachting/waarde voor het gehele terrein. Hieronder worden de voorschriften toegelicht, die gelden voor de verschillende categorieën archeologisch waardevolle en archeologische verwachtingsgebieden zoals deze zijn aangegeven op de archeologische beleidskaart:

Categorie 1: Archeologisch monument. De gemeente Helmond kent één gemeentelijk archeologisch monument, dat op grond van de criteria gaafheid, conservering en wetenschappelijke en cultuurhistorische waarde als behoudenswaardig wordt beschermd. Het archeologisch monument is het voormalige terrein van de Abdij van Binderen. De oorspronkelijke grachten van dit terrein zijn tussen 1940 en 1950 opnieuw uitgegraven. Binnen de grachten vonden een tweetal opgravingsprojecten plaats die aantonen dat hier nog funderingen, kuilen en andere archeologische sporen in de bodem liggen. 1 In de gemeente Helmond komen geen archeologische rijksmonumenten voor die zijn beschermd op basis van de Erfgoedwet. Beleidsrichtlijn is dat de bodem van een archeologisch monument ongeroerd blijft. Wanneer dit onmogelijk is, dan moet bij alle bodemingrepen aandacht zijn voor archeologische sporen en vondsten. De voorwaarden voor archeologisch onderzoek gelden voor ingrepen met een groter oppervlak dan 0 m2 en een diepte van meer dan 0 cm vanaf maaiveld. Categorie 2: Gebied van (hoge) archeologische waarde. Bij de terreinen van (hoge) archeologische waarde is middels historisch of archeologisch onderzoek vastgesteld dat er waardevolle archeologische resten in de grond kunnen zitten. Of is aan de hand van andere bronnen overduidelijk dat de dichtheid aan archeologische resten erg groot is.

Voor sommige terreinen van archeologische waarde is op basis van historische bronnen, zoals de kadastrale kaart van 1830, vrijwel zeker dat ook hier archeologische resten in de bodem aanwezig zijn. Voorbeelden zijn het historische stadscentrum waar al bijna acht eeuwen wordt gewoond. Maar ook de historische dorpskernen van Stiphout, Mierlo-Hout en Brouwhuis en de diverse 1 Van der Sanden 1980, 1981, De Jong 2018, Meulendijks 2018.

buurtschappen, die al vroeg in historische bronnen worden vermeld. Ook de omgeving van de Haag heeft een hoge archeologische verwachting vanwege vermeldingen in de vroegste historische documenten over Helmond én de opgraving van een deel van het complex van het Oude Huys. 2 Beleidsrichtlijn is dat archeologisch onderzoek nodig is bij ingrepen met een groter oppervlak dan 50 m2 en een diepte van meer dan 30cm onder maaiveld. Categorie 3: Gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern. Dit zijn bekende vindplaatsen nabij historische kernen. Het gaat hier met name om vindplaatsen gekoppeld aan bewoning (en aanverwante activiteiten). De zones met een hoge kans voldoen het meest aan de locatiekeuzecriteria (hoog, droog, vruchtbaar en/of een gradiëntsituatie), waardoor deze gronden de meest geschikte vestigingslocaties vormden. Op basis van inzichten in andere delen van het Zuid-Nederlandse zandlandschap zijn dit de zones waar de meeste vindplaatsen uit de late prehistorie, Romeinse tijd en middeleeuwen worden aangetroffen. Beleidsrichtlijn is dat archeologisch onderzoek nodig is bij ingrepen met een groter oppervlak dan 100 m2 en een diepte van meer dan 40cm onder maaiveld. Categorie 4: Gebied met een hoge archeologische verwachting. Op locaties met deze waarde is een hoge verwachting en kans op resten gerelateerd aan de natte context.

Deze verwachting geldt voor de gebieden die in de betreffende archeologische periode juist vanwege de natte omstandigheden een aantrekkingskracht op de mensen hadden. Het gaat dan met name om beekdalen en vennen in de steentijd en beekdalen in de late prehistorie Romeinse tijd en middeleeuwen. Hier werd niet gewoond, maar door de grote variëteit in flora en fauna kunnen wel kunnen jacht- en visattributen voorkomen. Ook afvaldumps kunnen verwacht worden, op plekken waar het niemand tot last was, zoals een moerassige laagte of een oude beekmeander. Daarnaast hadden deze zones vaak ook een rituele aantrekkingskracht wat resulteerde in bewust in de laagtes gedeponeerde voorwerpen zoals vuurstenen of bronzen bijlen die in dal van de Aa en Goorloop zijn aangetroffen. Beleidsrichtlijn is dat archeologisch onderzoek nodig is bij ingrepen met een groter oppervlak dan 250 m2 en een diepte van meer dan 40cm onder maaiveld. Categorie 5: Gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Op locaties met deze waarde is een middelhoge verwachting aanwezig. Archeologische en historische aanwijzingen zijn schaars of ontbreken.

Maar volgens historische kaarten, het Algemeen Hoogtebestand Nederland, geomorfologie en bodemkaarten voldoen deze landschappelijk gunstig gelegen gebieden aan de verwachting dat de locatie geschikt is voor menselijke activiteiten in het verleden, zoals locatiekeuze voor bewoning, logistiek of ambachtelijke activiteiten. Beleidsrichtlijn is dat archeologisch onderzoek nodig is bij ingrepen met een groter oppervlak dan 2500 m2 en een diepte van meer dan 40cm onder maaiveld. Categorie 6: Gebied met een lage archeologische verwachting. Dit zijn gebieden waar, op grond van landschappelijke ligging, historische bronnen of door het (nog) ontbreken van archeologische sporen of vondsten, geen aanleiding is om hier een archeologische verwachting op te leggen. Dit betekent niet dat er geen archeologische waarden zijn, maar dat we nog geen argumenten hebben voor een archeologische waardering. In deze gebieden is altijd de kans op toevalsvondsten aanwezig. Het is verplicht om dergelijke vondsten te melden. 3 Toevalsvondsten kunnen betekenen dat de lage verwachting beargumenteerd omgezet kan worden naar een middelhoge of hoge archeologische verwachting. Beleidsrichtlijn is dat archeologisch onderzoek nodig is bij ingrepen met een groter oppervlak dan 25.000 m2 en een diepte van meer dan 40 cm -mv. Categorie 7: Gebied zonder archeologische verwachting.

Op deze locaties heeft een ontgronding, bodemsanering of een opgraving plaatsgevonden. Het gebied is aantoonbaar afgegraven. Dit betekent dat het bodemarchief niet meer op locatie aanwezig is. Wanneer op deze locaties een opgraving is uitgevoerd dan zijn alle gegevens uit de fysieke bodem verdwenen, maar dit betekent dat het gebied nog wel van historische waarde kan zijn. De informatie over het verleden is dan ex situ beschikbaar.

2 Arts 2002, De Jong 2016.

3 Toevalsvondsten | Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16675204/1