RN 055 Ontwerpregeling Regionaal Bedrijventerrein concept
Tekst van het document
Opzet gemeenschappelijke regeling regionaal bedrijventerrein Brainport Oost Gemeenschappelijke Regeling Regionaal Bedrijventerrein Brainport Oost Intitulé Gemeenschappelijke Regeling Regionaal Bedrijventerrein Brainport Oost
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Asten, Deurne, GemertBakel, Helmond, Laarbeek en Someren, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn; overwegende dat: - Een uitbreidingslocatie noodzakelijk is voor economische groei binnen de Brainport-regio om ruimte te bieden voor grootschalige bedrijven en de werkgelegenheid in de regio te stimuleren; - De samenwerking ziet op het ontwikkelen, realiseren en exploiteren van het regionaal bedrijventerrein Brainport Oost. Gelet op: De Wet gemeenschappelijke regelingen en de Gemeentewet. Besluiten: De hierna volgende Gemeenschappelijke Regeling aan te gaan, gemeenschappelijke regeling Regionaal Bedrijventerrein Brainport Oost.
genaamd:
1
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1. Definities 1. In deze regeling wordt verstaan onder: a. Bedrijvenpark: het al dan niet aaneengesloten gebied of de gebieden, waarop is en zal worden gerealiseerd het in de considerans bedoelde bedrijventerrein Brainport Oost, zoals weergegeven op de bij deze regeling behorende kaart (bijlage 1) en zoals bij de vaststelling van deze regeling gelegen op het grondgebied van de gemeenten Helmond en Someren; b. College: het college van Burgemeester en Wethouders van een deelnemende gemeente; c. Entiteit: het coöperatief Parkmanagement Regionaal Bedrijventerrein Brainport-Oost welke belast is met het uitvoeren van parkmanagement over het bedrijvenpark; d. Deelnemers: de aan deze regeling deelnemende colleges; e. De regeling: deze gemeenschappelijke regeling; f. Directeur: de persoon die door het bestuur is aangewezen of gekozen om zorg te dragen voor het beleid en de strategie van de organisatie die uitvoering geeft aan de doelen van het openbaar lichaam. g. Grondexploitatie: het geheel van activiteiten en werkzaamheden (inclusief de administratieve en financiéle vertaling) voor de verwerving, het bouwrijp maken en de uitgifte van voor bebouwing geschikt gemaakte gronden in het kader van de realisering van het Bedrijvenpark; h.
Grondgebiedgemeente: de deelnemende gemeente, binnen wier grondgebied het plangebied van de gemeenschappelijke regeling is gelegen; i. Het rechtsgebied: het totale grondgebied van de aan deze regeling deelnemende gemeenten; j. Meerjarenbeleidsplan: het document waarin het bestuur van de organisatie uiteenzet op welke wijze zij de doelen wil bereiken in de komende vier jaren; k. RBT BPO: het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 2 van deze regeling; l. Plangebied: het onder sub a genoemde terrein waar een overheid samenhangende opvattingen of regels voor vastlegt, gronden en wateren binnen de grenzen van een ruimtelijk plan; m. Raad: de gemeenteraad van een deelnemende gemeente; n. Wet: Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr); 2. Waar in de regeling artikelen van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing worden verklaard, wordt in die artikelen in plaats van gemeente, de raad, burgemeester en wethouders en de burgemeester gelezen; respectievelijk RBT BPO, het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter. 2
Artikel 2. Openbaar lichaam 1. Er is een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid Wgr, genaamd ‘Gemeenschappelijke Regeling Regionaal Bedrijventerrein Brainport Oost’ en afgekort ‘RBT BPO’. 2. Het openbaar lichaam is gevestigd te Someren. Hoofdstuk 2 Belang, taken en bevoegdheden Artikel 3. Belang RBT BPO behartigt de belangen van de deelnemende gemeenten door de ontwikkeling en realisatie van een kwalitatief hoogwaardig en economisch haalbaar bedrijvenpark binnen het plangebied te bevorderen. Dit gebeurt binnen de kaders die door het bevoegd gezag worden gesteld op ruimtelijk en publiekrechtelijk gebied, en met inachtneming van bestaande sectorale doelstellingen en uitgangspunten. Hiermee wordt bijgedragen aan de regionale behoefte aan bedrijfsruimte. Artikel 4. Taken 1. De Gemeenschappelijke Regeling Regionaal Bedrijventerrein Brainport Oost heeft tot taak het zodanig ontwikkelen, realiseren, exploiteren en beheren van een bedrijvenpark binnen het plangebied, dat wordt beantwoordt aan het in artikel 3 omschreven belang Hiertoe worden onder meer de volgende, afgeleide, deeltaken gerekend: a. Het opstellen van een Meerjarenbeleidsplan; b. Het opstellen van het uitgifteprotocol; c. Het behartigen van belangen welke gebaat zijn bij een duurzame ontwikkeling van het bedrijventerrein; d.
Ontwikkeling en realisering betreffen alle procedures, regelingen en handelingen om het regionaal bedrijventerrein feitelijk te realiseren. Een en ander kan gefaseerd plaatsvinden; e. Exploitatie en beheer omvatten het totale instrumentarium dat zowel ten behoeve van de verdere ontwikkeling en realisering van dit regionaal bedrijventerrein als ten behoeve van de instandhouding ervan kan worden ingezet; f. Als onderdeel van en sturingsmiddel binnen deze ontwikkeling, realisering, exploitatie en beheer is een belangrijk instrument de grondexploitatie, waarmee de in artikel 3 omschreven doelen bereikt worden; g. Het verkopen van kavels;
3
h. Het (tijdelijk) beheer van parkmanagementvoorzieningen, totdat deze zijn overgedragen aan de entiteit; i. Het (tijdelijk) beheer van de openbare ruimte, totdat de daartoe behorende onroerende zaken in eigendom worden overgedragen aan de grondgebiedgemeente. Onder beheer is mede begrepen het feitelijk beheer van het bedrijventerrein, bestaande uit de feitelijke uitvoering van allerhande beheersmaatregelen in de openbare ruimte, waartoe in ieder geval behoren de wegen en trottoirs, de groenvoorzieningen en de (ondergrondse) infrastructuur, teneinde deze openbare ruimte op een adequate manier in goede orde te kunnen onderhouden; 2. Indien zulks ter uitvoering van de omschreven (deel)taken nodig wordt geacht kan het bestuur van RBT BPO besluiten tot de oprichting van rechtspersonen teneinde bepaalde ondernemingsgerichte activiteiten op privaatrechtelijke wijze te doen uitvoeren. Daarnaast kan het RBT BPO besluiten tot het samenwerken met niet deelnemende partijen uit deze regeling, zowel publiekrechtelijk als privaatrechtelijk. 3. Een deeltaak welke niet is omschreven in het eerste lid, kan worden uitgevoerd zolang het past binnen de taak betreffende het ontwikkelen, realiseren, exploiteren en beheren van het bedrijvenpark en zolang het past binnen de bevoegdheden zoals benoemd in artikel 5. Artikel 5.
Bevoegdheden Ter behartiging van het belang zoals genoemd in artikel 3 dragen de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten alle bevoegdheden van regeling en bestuur, toegekend binnen de grens van artikel 30 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, over aan het bestuur van RBT BPO die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de in artikel 4 genoemde taken. Hoofdstuk 3 Algemeen Bestuur Artikel 6. Samenstelling 1. Het Algemeen Bestuur bestaat uit zes (6) leden inclusief de voorzitter. 2. Iedere deelnemer wijst uit zijn midden een (1) lid voor het Algemeen Bestuur aan. Voor elk lid wordt door en uit het betreffende college tevens een plaatsvervangend lid aangewezen. Het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur is onverenigbaar met een dienstverband bij het openbaar lichaam dan wel bij een van de deelnemende gemeenten. 3. Het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur eindigt zodra het lid ophoudt wethouder of burgemeester van de betreffende gemeente te zijn. 4
4. Een lid van het Algemeen Bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij geeft daarvan schriftelijk kennis aan de voorzitter en aan het college van burgemeester en wethouders dat hem heeft aangewezen. 5. Een lid van het Algemeen Bestuur dat het vertrouwen van het college van burgemeester en wethouders dat hem heeft aangewezen niet meer bezit, kan door dat college worden ontslagen. 6. Het tweede, derde, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangende leden. 7. Indien een zetel van een lid van het Algemeen Bestuur vacant komt, wijst het college van de betreffende deelnemer zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan. Artikel 7. Bevoegdheden 1. Aan het Algemeen Bestuur komen alle bevoegdheden toe die bij of krachtens deze regeling aan het Algemeen Bestuur zijn opgedragen, en niet bij of krachtens de wet of deze regeling aan het Dagelijks Bestuur of de Voorzitter zijn opgedragen. 2. Tot de bevoegdheden zoals bedoeld in het eerste lid behoren in ieder geval: a. Het vaststellen en wijzigen van het meerjarenbeleidsplan, de begroting en begrotingswijzigingen, de grondexploitatie, de meerjarenraming en vaststellen van de jaarrekening; b. Het vaststellen en wijzigen van reglement van orde voor de vergaderingen van het Algemeen Bestuur; c.
Het doen van voorstellen tot wijziging van de regeling, met de toetreding tot de uittreding uit de regeling van een meer deelnemers en in verband met de opheffing van deze gemeenschappelijke regeling; d. Het verzoeken aan de grondgebiedgemeente tot het tijdig vaststellen van aanwijzingsbesluiten zoals bedoeld in de Wet voorkeursrecht gemeenten of het tijdig starten van een onteigeningsprocedure. e. Het in opdracht van de grondgebiedgemeente(n), in het kader van de toepassing van de Wet voorkeursrecht gemeenten, behandelen van door die gemeente ontvangen aanbiedingen tot verkoop van gronden; f. Het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen ter uitvoering van de in artikel 3 van deze regeling omschreven doelstelling; g. Het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen voor de financiering van de verwerving van gronden, het (tijdelijk) beheer van verworven gronden, de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de verdere met in het kader van de uitvoering van de in artikel 3 van deze regeling omschreven doelstelling te maken kosten; h. Het sluiten van (bestuurs-)overeenkomsten met andere overheden, ter uitvoering van de in artikel 3 van deze regeling omschreven doelstelling.
5
3. Het Algemeen Bestuur kan besluiten tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. Dit besluit wordt niet genomen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het Algemeen Bestuur te brengen. Artikel 8. Werkwijze 1. Het Algemeen Bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en voorts zo dikwijls als de voorzitter of het Dagelijks Bestuur dat nodig acht, dan wel tenminste 3 leden daarom schriftelijk verzoeken. 2. De vergaderingen van het Algemeen Bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer tenminste 3 van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig acht. Vervolgens beslist het Algemeen Bestuur of met gesloten deuren wordt vergaderd. 3. Vergaderingen van het Algemeen Bestuur kunnen alleen plaatsvinden wanneer tenminste 5 leden aanwezig zijn. Indien aan deze volwaarde niet kan worden voldaan, wordt binnen twee weken een nieuwe vergadering uitgeschreven waarin deze voorwaarde niet van toepassing is. 4. Het Algemeen Bestuur stelt voor zijn werkzaamheden en werkwijze een reglement van orde vast. Dit reglement wordt binnen een week na vaststelling ter kennisneming aan de deelnemers gezonden. Artikel 9. Besluitvorming 1.
In het Algemeen Bestuur hebben de leden van de gemeenten Asten, Deurne, Gemert-Bakel, Laarbeek en Someren elk 12% van de stemmen. Het lid van de gemeente Helmond heeft 40% van de stemmen. 2. Besluiten van het Algemeen Bestuur komen slechts tot stand indien zij worden genomen met: a. ten minste 55% van het totale stemgewicht, én b. instemming van ten minste vier (4) van de zes (6) deelnemers. Artikel 10. Verantwoording en inlichtingen 1. Het Algemeen Bestuur geeft aan de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemers gevraagd en ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig zijn. Deze inlichtingen worden schriftelijk of mondeling verstrekt.
6
2. Het Algemeen Bestuur geeft aan de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemers alle inlichtingen die door één of meer leden van die raden of colleges worden verlangd. 3. Een lid van het Algemeen Bestuur geeft aan de raad en aan het college van burgemeester en wethouders van de deelnemer dat hem heeft aangewezen, op de in die gemeente gebruikelijke wijze alle inlichtingen die door het college, de raad of één of meer leden daarvan, worden verlangd. 4. Een lid van het Algemeen Bestuur kan door de raad of door het college van burgmeester en wethouders van de gemeente dat hem heeft aangewezen, op de in die gemeente gebruikelijke wijze, ter verantwoording worden geroepen voor de wijze waarop dat lid de gemeente in het Algemeen Bestuur vertegenwoordigd. 5. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing voor het Dagelijks Bestuur. 6. Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks bestuur en de voorzitter, nemen artikel 23 van de Wet inzake geheimhouding in acht. Hoofdstuk 4 Dagelijks Bestuur Artikel 11. Samenstelling 1. Het Dagelijks Bestuur bestaat uit drie (3) leden van het Algemeen Bestuur inclusief de voorzitter. In het Dagelijks Bestuur zijn in ieder geval de grondgebiedgemeenten Helmond en Someren vertegenwoordigd. Het Algemeen Bestuur wijst daartoe de door de respectievelijke colleges van Burgemeester en Wethouders voorgedragen leden aan.
Voor de voorzitter word een plaatsvervangend lid aangewezen. 2. Het einde van het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur impliceert van rechtswege het einde van lidmaatschap van het Dagelijks Bestuur. 3. Indien tussentijds een plaats in het Dagelijks Bestuur openvalt, wijst het Algemeen Bestuur een nieuw lid aan. 4. Degene die als lid van het Dagelijks Bestuur ontslag neemt of overeenkomstig het tweede lid moet aftreden, blijft zijn/haar functie waarnemen totdat een opvolger de functie heeft aanvaard. Het nemen van ontslag geschiedt door schriftelijke kennisgeving aan de voorzitter. 5. Degene die tussentijds ophoudt lid van het Algemeen Bestuur te zijn, houdt ook op lid te zijn van het Dagelijks Bestuur. Artikel 12. Bevoegdheden 1. Het Dagelijks Bestuur is, onverminderd hetgeen overigens in deze regeling is bepaald, opgedragen:
7
a. Het dagelijks bestuur van RBT BPO te voeren, voor zover niet bij of krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen het Algemeen Bestuur of de voorzitter hiermee is belast; b. Het voorbereiden van hetgeen aan het Algemeen Bestuur ter beraadslaging en besluitvorming wordt voorgelegd, tenzij bij of krachtens een wettelijke regeling de voorzitter hiermee is belast; c. Het uitvoeren van besluiten van het Algemeen Bestuur, tenzij bij of krachtens een wettelijke regeling de voorzitter hiermee is belast; d. Het nemen van conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte, en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht en bezit; e. Het houden van een voortdurend toezicht op het beheer van en de exploitatie van RBT BPO, alsmede op al wat het RBT BPO aangaat; f. Het vaststellen van het directiestatuut; g. Het beheer van de eigendommen en geldmiddelen van RBT BPO; h. Het behartigen van belangen van het RBT BPO bij andere overheidslichamen en instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor RBT BPO van belang is; i. Het benoemen, het schorsen en het ontslaan van personeel in dienst van de organisatie, al dan niet op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht; alsmede het aangaan van detacheringsovereenkomsten met betrekking tot personeel in dienst van één of meerdere deelnemers, j.
het aangaan van dienstverleningsovereenkomsten met één of meerdere deelnemers; een en ander voor zover in deze regeling niet anders is bepaald. 2. Het Dagelijks bestuur kan de bevoegdheden zoals benoemd in het eerste lid, voorzover zij daarvoor in aanmerking komen, mandateren aan dan wel volmachtigen aan één of meer van zijn leden, de secretaris of de directeur. Artikel 13. Werkwijze 1. Het Dagelijks Bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dat nodig acht of tenminste 2 leden daarom verzoeken onder schriftelijke opgave van te behandelen onderwerpen. In dit laatste geval vindt de vergadering plaats binnen veertien dagen na het verzoek. 2. Het Dagelijks Bestuur stelt voor zijn werkzaamheden en vergaderingen een reglement van orde vast. Dit reglement, en elke wijziging daarvan, wordt ter kennisneming aan het Algemeen Bestuur gezonden.
8
Artikel 14. Besluitvorming 1. In het Dagelijks Bestuur heeft ieder van de leden elk een stem. 2. Het Dagelijks Bestuur streeft bij de besluitvorming naar consensus. Wanneer geen consensus bereikt kan worden en door gebrek aan besluitvorming onaanvaardbare vertraging in werkzaamheden wordt opgelopen, vindt besluitvorming plaats bij gekwalificeerde meerderheid van twee derde (67%) van de stemmen, tenzij anders in deze regeling is bepaald. Artikel 15. Verantwoording en inlichtingen 1. Het Dagelijks Bestuur is, tezamen dan wel elk lid afzonderlijk, verantwoording verschuldigd aan het Algemeen Bestuur voor het door het Dagelijks Bestuur gevoerde bestuur. 2. Het Dagelijks Bestuur geeft gevraagd en ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het Dagelijks Bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is aan het Algemeen Bestuur. 3. Het Dagelijks Bestuur geeft, tezamen dan wel elk lid afzonderlijk, aan het Algemeen Bestuur alle gevraagde inlichtingen wanneer het Algemeen Bestuur of één of meer leden daarom verzoeken. Hoofdstuk 5 Voorzitter Artikel 16. Aanwijzing en vervanging 1. Het Algemeen Bestuur kiest uit zijn midden een Voorzitter. 2. Bij verhindering of ontstentenis van de Voorzitter wordt deze vervangen door een plaatsvervangend voorzitter.
Uit de overige leden van het Dagelijks Bestuur, zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, wordt een plaatsvervangend Voorzitter aangewezen. 3. De Voorzitter en plaatsvervangend voorzitter worden aangewezen in de eerstvolgende vergadering van het Algemeen Bestuur. 4. De Voorzitter en plaatsvervangend Voorzitter treden af op de dag waarop hun lidmaatschap bij het Algemeen Bestuur afloopt. Zij blijven hun functie waarnemen totdat hun opvolgers deze functie hebben aanvaard. 5. Indien tussentijds de functie van Voorzitter beschikbaar komt, wijst het Algemeen Bestuur zo spoedig mogelijk uit haar midden een nieuwe voorzitter aan.
9
Artikel 17. Bevoegdheden 1. De Voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van zowel het Algemeen Bestuur als het Dagelijks Bestuur. De Voorzitter zorgt ervoor dat de besluiten van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur naar behoren worden uitgevoerd. 2. De Voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging met instemming van het Dagelijks Bestuur aan een door hem aan te wijzen gemachtigde opdragen. 3. De stukken die van het Algemeen Bestuur of het Dagelijks Bestuur uitgaan, worden door de voorzitter en de secretaris ondertekend. De Voorzitter kan die ondertekening opdragen aan een ander lid van het Dagelijks Bestuur. 4. Indien de Voorzitter behoort tot het bestuur van een deelnemer die partij is in een geding waarbij RBT BPO is betrokken, oefent de plaatsvervangend voorzitter de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid uit. Artikel 18. Inlichtingen en verantwoording 1. De Voorzitter geeft aan het Algemeen Bestuur de door één of meer leden daarvan gevraagde inlichtingen, waarvan het verstrekken niet in strijd is met het algemeen belang. 2. De Voorzitter geeft de vertegenwoordigende organen van de deelnemers mondeling of schriftelijk de door één of meer leden gevraagde inlichtingen. 3.
De Voorzitter legt op verzoek van één of meer leden van het Algemeen Bestuur verantwoording af over het door hem gevoerde beleid. Artikel 19. Participatie Deze regeling voorziet niet in de mogelijkheid tot participatie van ingezetenen van deelnemende gemeenten en belanghebbenden. Artikel 20. Rekenkamers 1. In aanvulling op artikel 184 Gemeentewet zijn de rekenkamers van de deelnemers bevoegd om bij GR RBT PBO onderzoek te verrichten en inlichtingen in te winnen en alle documenten te onderzoeken voor zover zij dat voor de invulling van hun taak nodig achten. 2. De rekenkamers van de deelnemers voeren een onderzoek zoveel mogelijk in gezamenlijkheid en onderling overleg uit. Indien het onderzoek door een of twee van de rekenkamers afzonderlijk wordt verricht, worden de resultaten van het onderzoek met de rekenkamers van alle deelnemers gedeeld. 3. De rekenkamers mogen onderzoek verrichten naar rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het samenwerkingsverband gevoerde bestuur. 10
4. Het bestuur geeft desgevraagd alle inlichtingen die de rekenkamers ter vervulling van hun taak nodig achten. Artikel 21. Enquêterecht De raden van alle deelnemers gezamenlijk, op voorstel van een van de vertegenwoordigende organen van de deelnemers aan de betreffende regeling, kunnen een onderzoek instellen naar het door het openbaar lichaam gevoerde bestuur. Artikel 22. Commissies Deze regeling voorziet niet in de mogelijkheid tot het instellen van commissies zoals bedoeld in artikel 24, 24a en 25 van de Wgr. Hoofdstuk 6 Ambtelijke organisatie Artikel 23. Secretaris 1. Het Dagelijks Bestuur benoemt een secretaris en een plaatsvervangend secretaris. De secretaris kan geen lid zijn van het Algemeen Bestuur of Dagelijks Bestuur of van de organen waaruit en waardoor die leden zijn benoemd of aangewezen en kan geen lid zijn van de gemeenteraad van de deelnemers. 2. De secretaris heeft tot taak het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter in alles, wat de hun opgedragen taak aangaat, behulpzaam te zijn. 3. Door de secretaris worden alle stukken, die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur uitgaan medeondertekend. Artikel 24. Directeur 1. Het Dagelijks Bestuur benoemt een directeur.
De directeur kan geen lid zijn van het Algemeen Bestuur of Dagelijks Bestuur of van de organen waaruit en waardoor die leden zijn benoemd of aangewezen en kan geen lid zijn van de gemeenteraad van de deelnemers en hij kan geen (plaatsvervangend) secretaris zijn van RBT BPO. 2. De directeur woont de vergaderingen bij van het Algemeen Bestuur en Dagelijks Bestuur. Hij heeft in de vergaderingen van het Dagelijks bestuur een adviserende rol. 3. De taken, bevoegdheden en verplichtingen van de directeur worden geregeld in een directiestatuut dat door het Dagelijks Bestuur wordt vastgesteld. 4. Het Dagelijks Bestuur kan een plaatsvervanger aanwijzen. 5. De directeur mag geen andere bezoldigde betrekkingen of ambten bekleden zonder toestemming van het Dagelijks Bestuur.
11
Artikel 25. Personeel Het Dagelijks Bestuur kan, naast de genoemde secretaris en directeur, verdere personeelsleden aanstellen. Hoofdstuk 7 Financiële bepalingen Artikel 26. Financiële administratie 1. Het Algemeen Bestuur stelt voorschriften vast voor het financiële en administratieve beheer van het openbaar lichaam. 2. Ten aanzien van de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding is het bepaalde in de artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Artikel 27. Kostenverdeling en bijdrage van de deelnemende gemeenten 1. In de begroting wordt aangegeven welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van de regeling. 2. Het bestuur stelt een bijdragebesluit op en legt daarin de verdeelsleutel vast. In het bijdragebesluit wordt ook bepaald in hoeverre en op welke wijze voorschotten in rekening worden gebracht. 3. Het bestuur neemt het bijdragebesluit bij unanimiteit. Voorafgaand daaraan worden de raden in de gelegenheid gesteld daarover zienswijzen in te dienen. 4. Een nadelig exploitatiesaldo van de regeling over een kalenderjaar wordt, op basis van de door het bestuur vastgestelde verdeelsleutel bij de deelnemende gemeenten in rekening gebracht dan wel onttrokken aan een daarvoor bestemde reserve. 5.
De deelnemende gemeenten zorgen er steeds voor dat de regeling over voldoende middelen beschikt om tijdig aan haar verplichtingen jegens derden te voldoen. Artikel 28. Kadernota Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten. Artikel 29. Begroting 1. Het Dagelijks Bestuur zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden, maar uiterlijk voor 30 april van het jaar 12
voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. 2. De colleges van de deelnemende gemeenten dragen zorg voor het voor een ieder ter inzage leggen van de ontwerpbegroting. 3. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam een zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het Dagelijks Bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden. 4. Het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaand aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vierde lid, en van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 5. Het Dagelijks Bestuur zendt de vastgestelde begroting binnen twee weken na vaststellen en vóór 15 september aan Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant. 6. Nadat de begroting is vastgesteld, zendt het Dagelijks Bestuur de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten. 7. In afwijking van het onder het tweede lid vermelde, kunnen begrotingswijzigingen, die niet leiden tot een aanpassing van de gemeentelijke bijdragen, direct worden vastgesteld door het Algemeen Bestuur. 8.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor begrotingswijzigingen, met dien verstande dat de uiterlijke datum voor deze wijzigingen niet geldt. Artikel 30. Jaarrekening 1. Het Dagelijks Bestuur legt jaarlijks een ontwerp-jaarrekening met bijbehorend verslag betreffende het voorafgaande jaar, ter vaststelling voor aan het Algemeen Bestuur. 2. Het Dagelijks Bestuur zendt vóór 30 april de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten. 3. Het Algemeen Bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 4. Het Dagelijks Bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de gemeenteraden van de deelnemenede gemeenten en aan de Gedeputeerde Staten van provincie Noord-Brabant. Artikel 31. Grondexploitatie, inbreng en risico 1. Het RBT-gebied wordt als één bedrijventerrein geëxploiteerd. 13
2. Het Algemeen Bestuur besluit of een nadelig exploitatiesaldo van het RBT: a. Geheel of gedeeltelijk wordt afgeschreven ten laste van de algemene reserve, dan wel b. Geheel of gedeeltelijk in rekening wordt gebracht bij de deelnemers. 3. Het Algemeen Bestuur besluit of een positief exploitatiesaldo van het RBT: a. Geheel of gedeeltelijk wordt gestort in de algemene reserve, dan wel b. Geheel of gedeeltelijk wordt uitgekeerd aan de deelnemers. 4. Indien bij besluit van het Algemeen Bestuur tekorten in rekening worden gebracht bij de deelnemers of een positief saldo wordt uitgekeerd, geschiedt dat in de volgende verhouding: a. 12% deel gemeente Asten b. 12% gemeente Deurne c. 12% deel gemeente Gemert-Bakel d. 40% deel gemeente Helmond e. 12% deel gemeente Laarbeek en f. 12% deel gemeente Someren. 5. De deelnemende gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat het RBT BPO te allen tijde over de benodigde middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. De benodigde middelen volgen jaarlijks uit de begroting en jaarverantwoording van het RBT BPO. Hierin wordt in ieder geval het volgende opgenomen: a. De inschatting van het grondexploitatietekort, dat door de deelnemers wordt afgedekt b. Het risicoprofiel, als hulpmiddel voor de deelnemers, voor de bepaling van het benodigde weerstandsvermogen c.
Overige bijdragen die volgen uit deze gemeenschappelijke regeling of waartoe bij vaststelling van de begroting is besloten. 6. Indien aan het algemeen bestuur blijkt dat een deelnemende gemeente weigert de uit lid voortvloeiende uitgaven op de gemeentebegroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan Gedeputeerde Staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet. 7. Indien het algemeen bestuur voornemens is een geldlening aan te trekken onder rechtstreekse garantiestelling van de deelnemers, dan gaat het algemeen bestuur niet over tot het aangaan van zodanige geldlening totdat door alle deelnemers schriftelijk is meegedeeld dat met de verlening van die garantiestelling wordt ingestemd. Het algemeen bestuur richt ten aanzien van dit voornemen een schriftelijk verzoek tot garantiestelling aan de deelnemers, waarbij geldt dat voor de verdeling van de garantiestelling over de deelnemers de percentages zoals genoemd in lid 4 van toepassing zijn.
14
Hoofdstuk 8 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Artikel 32. Toetreding 1. Toetreding tot de regeling kan plaatsvinden bij daartoe strekkende gelijkluidende besluiten van de colleges van deelnemers, met inbegrip van het college van de toetredende gemeente, na verkregen toestemming van de raden conform artikel 1 Wgr. 2. Het Algemeen Bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan aan die toetreding voorwaarden (waaronder een financiële verrekening) verbinden. 3. De toetreding gaat in op de eerste dag van het kalenderjaar volgend op die waarin de regeling is bekend gemaakt. 4. Terstond na de toetreding worden door het college van de toetredende gemeente de leden van het bestuur aangewezen. 5. RBT BPO en de toetredende gemeente vragen indien de GR of de toetredende partij hierom verzoekt gezamenlijk advies aan een onafhankelijke externe deskundige voor de vaststelling van financiële verrekening als bedoeld in lid 2. Het advies van deze deskundige is voor partijen bindend. De kosten voor het inschakelen van de deskundige is voor rekening van de toetredende gemeente. Artikel 33. Wijziging 1. Zowel het Algemeen Bestuur, op voorstel van het Dagelijks Bestuur, als de colleges kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling. 2. De regeling kan gewijzigd worden bij een daartoe strekkende gelijkluidende besluiten van alle deelnemers met inachtneming van artikel 1 Wgr.
3. Een besluit tot wijziging treedt in werking wanneer het besluit is bekendgemaakt, tenzij in het betreffende besluit anders is bepaald. Artikel 34. Uittreding 1. Een deelnemer kan geheel of gedeeltelijk uit de regeling treden door een daartoe strekkend besluit van het betreffende college en na verkregen toestemming van de betreffende raad. Onder gedeeltelijk uittreden wordt verstaan het vanaf een bepaalde datum niet langer afnemen van diensten van c.q. niet langer delegeren van tot dan toe gedelegeerde taken en bevoegdheden aan de gemeenschappelijke regeling. 2. In het geval diensten, taken en bevoegdheden door alle colleges die de betreffende, taken en bevoegdheden afnemen hebben gedelegeerd met ingang van dezelfde datum niet langer worden afgenomen c.q. niet langer worden gedelegeerd, stellen de colleges met elkaar een plan op waarin alle aspecten en 15
gevolgen daarvan worden geregeld, zodat er geen sprake is van achterblijvende kosten en achterblijvend personeel. 3. Een college zendt het besluit tot uittreding aan het Algemeen Bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de week nadat het Algemeen Bestuur het besluit heeft ontvangen. 4. Tenzij het Algemeen Bestuur een kortere termijn bepaalt, kan de (gedeeltelijke) uittreding niet eerder plaatsvinden dan op 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin het in lid 3 genoemde besluit tot uittreding door het Algemeen Bestuur is ontvangen. 5. Het Dagelijks Bestuur zendt een besluit tot (gedeeltelijke) uittreding van een college aan de colleges van de overige deelnemers. 6. De colleges van de overige deelnemers kunnen gedurende een periode van vier weken na de toezending als bedoeld in het vorige lid een zienswijze toezenden aan het Algemeen Bestuur. Het Algemeen Bestuur betrekt de zienswijzen bij het opstellen van het uittredingsplan. Artikel 35. Uittredingsplan 1. Het Algemeen Bestuur stelt een uittredingsplan vast. Het uittredingsplan regelt de gevolgen van de uittreding. 2. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële-, juridische-, personele- en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 3. Het uittredingsplan bepaalt de systematiek voor berekening van de financiële gevolgen van de uittreding.
4. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt. 5. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 6. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig, te maken dan wel te dragen door het openbaar lichaam die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 7. Het openbaar lichaam brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt, in rekening bij de uittredende gemeente. De uittredende gemeente is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom. 16
8. Kosten die de uittredende gemeente maakt ter voorbereiding op als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de uittredende gemeente. 9. De in het derde lid bedoelde systematiek wordt gebaseerd op: a. Relevante regelgeving; b. Relevante jurisprudentie; c. Feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijzigingen van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. 10. Het openbaar lichaam alsmede de uittredende gemeente is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingssom zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het Algemeen Bestuur van het besluit tot uittreding van de gemeente. 11. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het vierde lid wordt een risico-opslag van tien procent toegepast om eventueel onvoorziene kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. 12.
Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende gemeente, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. Artikel 36. Externe deskundige 1. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het Algemeen Bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het Algemeen Bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De onafhankelijke deskundige kan, in overleg met het Algemeen Bestuur, voor specifieke onderdelen van het uittredingsplan andere deskundigen inschakelen. 2. De kosten voor het inschakelen van de onafhankelijke externe deskundige en overige ingeschakelde deskundigen vallen onder de frictiekosten als bedoeld in artikel 35 lid 5. 3. Het Algemeen Bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het Dagelijks Bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het Algemeen Bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van meerderheid van stemmen in het Algemeen Bestuur.
17
Artikel 37. Uittreedsom 1. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het Algemeen Bestuur het uittredingsplan vast. Het Algemeen Bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 35 en op de jaarrekening van het openbaar lichaam over het meest recent verstreken begrotingsjaar. 2. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het Algemeen Bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het Algemeen Bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 35 en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. 3. Bij de voorbereiding van het concept-uittredingsplan biedt het bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het Algemeen Bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen. Als de uittredende deelnemer kiest voor betaling in termijnen kan het Algemeen Bestuur een rentevergoeding in rekening brengen. Artikel 38. Verplichtingen uittreder 1.
De uittredende deelnemer is gehouden zich in te spannen om de formatie van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd op beëindigd dienen te worden. Artikel 39. Opheffing 1. De regeling wordt opgeheven bij gelijkluidend besluit van de colleges en raden van alle deelnemers. 2. Artikel 38 is van overeenkomstige toepassing. 3. Ingeval een besluit tot opheffing volgens het eerste lid is genomen, besluit het Algemeen Bestuur tot liquidatie en stelt het, gehoord de raden van de deelnemers, een liquidatieplan vast. 18
4. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Voorts voorziet het in de personele gevolgen van het besluit. 5. Het Dagelijks Bestuur is belast met de uitvoering van het liquidatieplan. 6. Zo nodig blijft het Dagelijks Bestuur ook na het tijdstip van opheffing in functie totdat het liquidatieplan is uitgevoerd. 7. Van het besluit tot liquidatie wordt Gedeputeerde Staten van provincie NoordBrabant in kennis gesteld. Hoofdstuk 9 Geschillen en klachten Artikel 40. Geschillen 1. Voordat een geschil overeenkomstig artikel 28 Wgr de beslissing van Gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, legt het Algemeen Bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie. 2. De geschillencommissie bestaat uit drie (3) vertegenwoordigers, elk uit verschillende deelnemende gemeenten, alsmede een door deze vertegenwoordigers samen aangewezen onafhankelijke voorzitter. 3. De geschillencommissie hoort bij het geschil betrokken besturen. 4. De geschillencommissie brengt aan het Algemeen Bestuur advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen. Artikel 41. Klachtenregeling 1. RBT BPO beschikt over een regeling voor de behandeling van klachten en verzoekschriften als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. 2. Klachten of bezwaren worden door het openbaar lichaam in behandeling genomen.
Hoofdstuk 10 Archiefbepalingen Artikel 42. Archief 1. De bepalingen bij en krachtens de Archiefwet zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke regeling openbaar lichaam, voor zover deze bepalingen betrekking hebben op archiefbescheiden van gemeenten en waarvoor in dit artikel niet anders is voorzien. In deze bepalingen dient in plaats van de gemeente, de raad en het college, te worden gelezen respectievelijk het openbaar lichaam en het bestuur.
19
2. Overeenkomstig door het Algemeen Bestuur vast te stellen verordening, draagt het Dagelijks Bestuur zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995. 3. De directeur of secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 4. Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van het Dagelijks Bestuur, de archivaris van het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven belast. Met betrekking tot dit toezicht bevat de verordening bedoeld in het tweede lid de nodige bepalingen. 5. Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van het archief van het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven. 6. Bij opheffing van de regeling worden de nog niet ingevolge het vorige lid overgebrachte archiefbescheiden, overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Someren. 7.
De archivaris van het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven brengt tweejaarlijks aan het Dagelijks Bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 8. Het Dagelijks Bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het Algemeen Bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam. Artikel 43. Terbeschikkingstelling 1. De archiefbescheiden betreffende zaken welke op het moment van inwerkingtreding van deze regeling nog niet zijn afgedaan, worden door de deelnemende gemeenten ter beschikking gesteld aan de gemeenschappelijke regeling openbaar lichaam RBT BPO, die deze zaken zal afdoen. 2. De archiefbescheiden betreffende zaken welke op het moment van inwerkingtreding van deze regeling reeds zijn afgedaan blijven tot hun overbrenging naar de archiefbewaarplaats, berusten onder het archiefvormend overheidsorgaan, dat deze regeling openbaar lichaam RBT BPO worden zij ter beschikking gesteld. 3. Van ter beschikkingstelling wordt een verklaring opgemaakt, die ten minste een specificatie bevat van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden.
Een exemplaar van deze verklaring wordt bewaard door het overheidsorgaan waaronder de archiefbescheiden zouden berusten, indien zij niet ter beschikking waren gesteld. 20
4. De gemeenschappelijke regeling openbaar lichaam RBT BPO brengt slechts wijzigingen aan in de staat van ordening en toegankelijkheid van en vernietigt slechts uit de bescheiden na machtiging door het ter beschikking stellende overheidsorgaan. 5. De kosten van het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden komen ten laste van de gemeenschappelijke regeling openbaar lichaam RBT BPO, de zorgdrager voor de archiefbescheiden van het overheidsorgaan dat de archiefbescheiden ter beschikking heeft gesteld, blijft in alle andere aangelegenheden de zorgdrager voor de archiefbescheiden. 6. Indien de ordening van de in het tweede lid bedoelde archiefbescheiden zich verzet tegen terbeschikkingstelling, is de gemeenschappelijke regeling openbaar lichaam RBT BPO te allen tijde bevoegd inzage te nemen van die archiefbescheiden dan wel daarvan of daaruit reproducties, afschriften of uittreksels te vorderen. Hoofdstuk 11 Slotbepalingen Artikel 44. Evaluatie 1. De regeling wordt zesjaarlijks geëvalueerd. Het Dagelijks Bestuur initieert deze evaluatie en legt de uitkomsten van de evaluatie ter beoordeling van de hieraan te verbinden consequenties voor aan het Algemeen Bestuur. 2. Het Algemeen Bestuur bepaalt voorafgaand aan de uitvoering van de evaluatie, gehoord de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten, het doel, de reikwijdte en de wijze van evaluatie. Artikel 45.
Duur en inwerkingtreding 1. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. 2. De regeling treedt in werking de dag na bekendmaking door het college van de gemeente Someren. 3. De gemeente Someren draagt zorg voor de toezending van de regeling aan gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant.
21
Artikel 46. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke Regeling Regionaal Bedrijventerrein Brainport Oost. Artikel 47. Publicatieblad Besluiten van het bestuur van het openbaar lichaam die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, worden bekendgemaakt in het publicatieblad van het openbaar lichaam. Het publicatieblad is toegankelijk via een bij regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorgeschreven algemeen toegankelijk elektronisch medium.
22
Ondertekening
23
Toelichting Algemeen De gemeenschappelijke regeling Regionaal Bedrijventerrein Brainport Oost is een samenwerkingsverband tussen de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Asten, Deurne, Gemert-Bakel, Helmond, Laarbeek en Someren. Conform artikel 8, eerste lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) is de rechtsvorm van het samenwerkingsverband een openbaar lichaam. De behoefte om een gemeenschappelijke regeling op te richten is ontstaan uit de noodzaak om ruimte te bieden voor grootschalige bedrijven en de werkgelegenheid in de regio te stimuleren. Het openbaar lichaam heeft als hoofdtaken het ontwikkelen, realiseren, exploiteren en beheren van een regionaal bedrijventerrein. Onder deze hoofdtaken vallen een aantal deeltaken, welke niet limitatief zijn opgesomd in deze regeling. Dit is gedaan om de mogelijkheid te creëren om onvoorziene taken uit te voeren en taken uit te breiden zolang deze taken vallen onder de hoofdtaak en bevoegdheden die in deze regeling zijn beschreven. Op deze manier hoeft de regeling niet telkens aangepast te worden. Deze gemeenschappelijke is opgesteld en aangegaan op een vrijwillige basis door de colleges van burgermeester en wethouders van de gemeenten Asten, Deurne, GemertBakel, Helmond, Laarbeek en Someren.
Dit laat onverlet dat met andere gemeenten samengewerkt kan worden op andere wijze dan door de deelname aan deze regeling. Het samenwerken in een gemeenschappelijke regeling is gebaseerd op het beginsel van verlengd lokaal bestuur. Met instemming van de raden, dragen de colleges taken en bevoegdheden over aan het bestuur van de gemeenschappelijke regeling Regionaal Bedrijventerrein Brainport Oost. Dit houdt in dat de beslissingsbevoegdheden over deze taken en bevoegdheden niet meer bij de individuele colleges liggen. Artikelsgewijs Artikel 1: Ten behoeve van de zelfstandige leesbaarheid en een zo kort mogelijke tekst van de regeling zijn in dit artikel definities opgenomen van veel voorkomende begrippen uit deze regeling. Artikel 2: Voor zover dit artikel toelichting behoeft, is dit al toegelicht in het algemene deel.
Artikel 3: 24
Ingevolge artikel 10 Wgr dient een gemeenschappelijke regeling het belang of de belangen ter behartiging waarvoor zij is getroffen of is gewijzigd te vermelden. Artikel 4: In het eerste lid wordt de hoofdtaak van het openbaar lichaam beschreven, met daaronder vallende deeltaken. Het tweede lid beschrijft de mogelijkheid om rechtspersonen op te richten Via het derde lid kunnen onvoorziene deeltaken worden uitgevoerd of deeltaken worden uitgebreid zolang deze vallen onder de hoofdtaak: het ontwikkelen, realiseren, exploiteren en beheren van een regionaal bedrijventerrein en het onder de bevoegdheden valt die in artikel 5 staan beschreven. Artikel 5: Krachtens artikel 10, tweede lid Wgr dient een gemeenschappelijke regeling aan te geven welke bevoegdheden de besturen van de deelnemende gemeenten aan het bestuur van het openbaar lichaam bij het aangaan van de regeling overdragen. Artikel 6 t/m 18: Deze artikelen betreffen de samenstelling, bevoegdheden, werkwijze, besluitvorming en verantwoording & inlichtingen van het bestuur van het openbaar lichaam. Krachtens artikel 12, eerste lid Wgr bestaat het bestuur van een openbaar lichaam uit een Algemeen Bestuur, een Dagelijks Bestuur en een Voorzitter. In het Algemeen Bestuur hebben de leden van de gemeenten Asten, Deurne, Gemert-Bakel, Laarbeek en Someren elk 12% van de stemmen.
Het lid van de gemeente Helmond heeft 40% van de stemmen. Hiermee wordt recht gedaan aan de verdeling van de financiële risico’s. Voor besluiten van het Algemeen Bestuur is een dubbele meerderheidsregel opgenomen. Deze meerderheidsregel houdt in dat besluiten van het Algemeen Bestuur slechts tot stand komen indien zij worden genomen met ten minsten 55% van het totale stemgewicht én instemming van ten minste vier van de zes deelnemers. Op deze manier heeft geen enkele deelnemer een veto. Artikel 19 t/m 26: Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting. Artikel 27 t/m 30: Artikelen 34, 34b en 35 Wgr stellen regels omtrent het vaststellen van de begroting en de jaarrekening. De artikelen van de regeling zijn in lijn met deze regels.
25
Artikel 31: Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 32 t/m 39: Artikel 9 Wgr stelt dat de gemeenschappelijke regeling bepalingen moet hebben omtrent het wijzigen, opheffen, toetreden en uittreden van en uit de regeling. Deze artikelen gaan hierover. Artikel 40: Artikel 28 Wgr bepaalt dat geschillen die zich voordoen van een gemeenschappelijke regeling tussen besturen van deelnemende gemeenten of tussen besturen van één of meer gemeenten en het bestuur van het openbaar lichaam deze geschillen door Gedeputeerde Staten worden beslist. In deze gemeenschappelijke regeling is ervoor gekozen om een geschillencommissie in te stellen waar de geschillen eerst naartoe moeten om te pogen eerst minnelijk tot een oplossing te komen. Op het moment dat er geen overeenstemming plaatsvindt, wordt het geschil alsnog naar de Gedeputeerde Staten gestuurd. Artikel 41 t/m 47: Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.
26