RN 017 Nota investeringsbeleid 2021-2024
Tekst van het document
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
Inhoudsopgave MANAGEMENTSAMENVATTING............................................................................................ 1 TOTAALOVERZICHT VAN DE UITGANGSPUNTEN VAN HET INVESTERINGSBELEID ................................... 2 INLEIDING .................................................................................................................................. 3 INTRODUCTIE ............................................................................................................................. 3 W ETTELIJK KADER...................................................................................................................... 3 DOELSTELLING .......................................................................................................................... 3 LEESWIJZER .............................................................................................................................. 3 HOOFDSTUK 1: AFWEGINGSKADER....................................................................................... 4 1.1 INVESTERINGSBELEID ........................................................................................................ 4 1.1.1 KAPITAALLASTENPLAFOND ..................................................................................................
4 1.1.2 VERVANGINGSINVESTERINGEN ............................................................................................ 4 1.1.3 KANSRIJKE INVESTERINGEN ................................................................................................ 5 HOOFDSTUK 2: ACTIVEREN .................................................................................................... 7 2.1 SOORTEN ACTIVA .............................................................................................................. 7 2.1.1 MATERIËLE VASTE ACTIVA .................................................................................................. 7 2.1.2 IMMATERIËLE VASTE ACTIVA ................................................................................................ 8 2.2 CRITERIA VOOR HET ACTIVEREN VAN ACTIVA ......................................................................... 8 HOOFDSTUK 3: WAARDEREN ............................................................................................... 10 3.1. W AARDERINGSGRONDSLAGEN ............................................................................................ 10 HOOFDSTUK 4: AFSCHRIJVEN .............................................................................................. 12 4.1 AFSCHRIJVEN .................................................................................................................
12 4.2 METHODEN VAN AFSCHRIJVEN .......................................................................................... 12 4.3 AFSCHRIJVINGSTERMIJNEN............................................................................................... 13 4.3.1 GEWIJZIGDE AFSCHRIJVINGSTERMIJNEN ACTIVA OPENBARE RUIMTE ...................................... 13 4.3.2 TOTAALACTIVERING ......................................................................................................... 13 4.3.3 ONDERHOUD................................................................................................................... 14 4.4 INGANGSMOMENT VAN DE AFSCHRIJVINGEN ........................................................................ 15 4.5 AFSCHRIJVINGSTERMIJNEN IMMATERIËLE VASTE ACTIVA ...................................................... 15 HOOFDSTUK 5: INPASSING IN DE P&C-CYCLUS ................................................................. 16 5.1 INVESTERINGEN IN DE P&C-CYCLUS .................................................................................. 16 5.1.1 VOORJAARSNOTA ............................................................................................................ 16 5.1.2 PROGRAMMABEGROTING ..................................................................................................
16 5.1.3 BESTUURSRAPPORTAGES................................................................................................. 17 5.1.4 JAARVERANTWOORDING ................................................................................................... 17 BIJLAGE 1: BEGRIPPENLIJST ............................................................................................... 18 BIJLAGE 2: TABEL MET AFSCHRIJVINGSTERMIJNEN ................. FOUT! BLADWIJZER NIET GEDEFINIEERD.
Nota Investeringsbeleid 2021-2024 MANAGEMENTSAMENVATTING Onder investeren verstaan we het vastleggen van vermogen in objecten waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Voor het aangaan van investeringen, de vastlegging ervan in onze financiële administratie en de verslaggeving erover in onze begrotings- en verantwoordingsdocumenten zijn we gehouden aan wettelijke voorschriften op grond van het Besluit, Begroting en Verantwoording (BBV) en eisen van de Provincie in haar rol als toezichthouder. Binnen de voorschriften heeft de gemeenteraad op sommige onderdelen de ruimte om specifieke beleidskeuzes te maken over hoe we binnen onze gemeente omgaan met investeringen. In deze nota worden deze keuzemogelijkheden nader toegelicht en uitgewerkt1. Hiermee legt de gemeenteraad de uitgangspunten vast voor het Helmonds investeringsbeleid waarmee ze invulling geeft aan haar kaderstellende rol en een grondslag heeft voor haar controlerende taak. Deze nota vervangt de nota investeringsbeleid 2017. Het Helmonds investeringsbeleid richt zich op het realiseren van: Een betaalbaar en toekomstbestendig investeringsbeleid; Een integraal afwegingskader voor alle investeringen en De flexibiliteit om de jaarlijkse investeringswensen bij te sturen.
De belangrijkse wijzigingen ten opzichte van de huidige nota investeringsbeleid uit 2017 betreffen een verwerking van de meest actuele richtlijnen van de commissie BBV aangevuld met inzichten uit het proces van de herijking van het financieel beleid. Dit levert enkele gewijzigde maar ook nieuwe uitgangspunten op voor de wijze waarop we omgaan met investeringen. Een totaaloverzicht van de beleidsmatige uitgangspunten van het Helmonds investeringsbeleid is hieronder weergegeven. Het overzicht begint met de algemene uitgangspunten die worden gehanteerd bij het bepalen van (nieuwe) investeringen. De overige uitgangspunten zijn ingedeeld volgens de levenscyclus van een materieel actief zoals geïllustreerd in onderstaande afbeelding.
Afwegingskader Activeren
Afschrijven
1
Waarderen
Dit betekent dat voor de punten die niet in deze nota worden genoemd het BBV onverkort wordt toegepast.
1
Nota Investeringsbeleid 2021-2024 Totaaloverzicht van de uitgangspunten van het investeringsbeleid nr. 1.
2.
nr. 3. 4. 5. 6. nr. 7. 8. nr. 9. 10. 11.
12. 13.
14. 15.
uitgangspunten afwegingskader Nieuwe onrendabele investeringen worden primair bekostigd uit de (vrijval van) kapitaallasten en passen hiermee budgettair neutraal binnen de meerjarenraming. De raad stelt het kapitaallastenplafond vast en kan dit ook wijzigen. Voor rendabele investeringen is een aparte dekkingsbron beschikbaar waarbij incidentele dekkingsbronnen bij voorkeur ingezet worden voor investeringen met een incidenteel karakter. Investeringsbeslissingen worden integraal afgewogen binnen het kapitaallastenplafond. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen: Vervangingsinvesteringen en nieuw beleid waarbij vervangingsinvesteringen voorrang hebben op nieuwe investeringen; Investeringsvoorstellen voor het eerste begrotingsjaar en een lijst met kansrijke investeringsvoorstellen voor de jaren daarna. Eerstgenoemde investeringen worden definitief vastgesteld. Voor de kansrijke investeringen is de intentie om deze bij de volgende begroting vast te stellen tenzij een andere afweging wordt gemaakt. Uitgezonderd hiervan zijn de investeringsprojecten die volgen uit een gefaseerde aanvraag in het eerste begrotingsjaar. Deze zijn immers al vastgesteld. uitgangspunten activeren Een investering wordt geactiveerd wanneer sprake is van meerjarig nut. Bijdragen aan activa in eigendom van derden worden niet geactiveerd.
Activa met een waarde < € 50.000 worden niet geactiveerd, met uitzondering van gronden en terreinen. Activa met een exploitatieduur van minder dan 2 jaar worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. uitgangspunten waarderen Activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, inclusief toegerekende uren en overige indirecte kosten, rente wordt niet geactiveerd. Dit geldt onverkort voor interne leveringen (van grond). Niet compensabele of niet verrekenbare BTW wordt opgeteld bij de verkrijgings- of vervaardigingsprijs van het actief en geactiveerd. uitgangspunten afschrijven De lineaire afschrijvingsmethode wordt toegepast voor de afschrijving van activa. Er wordt geen rekening gehouden met een restwaarde bij het afschrijven van activa. Rentekosten in de kapitaallasten: Aan de geactiveerde kapitaaluitgaven wordt rente toegerekend middels een berekend omslagpercentage; Voor gerealiseerde activa met een boekwaarde per 1 januari ( de ‘aanwezige activa’) wordt rente berekend over de boekwaarde per 1 januari; Voor nog niet afgesloten investeringskredieten geldt dat rente wordt berekend over de eventuele aanwezige boekwaarde per 1 januari; De afschrijvingstermijnen die als bijlage 2 zijn opgenomen bij de nota investeringsbeleid 2021-2024 worden als basis gehanteerd voor het afschrijven van de vaste activa.
Activa worden op de balans verantwoord op basis van totaalactivering. De investering wordt als totaalbedrag geactiveerd en afgeschreven. Voor het vervangen van onderdelen met een afwijkende (kortere) levensduur en de egalisatie van de lasten van groot onderhoud is het voornemen om te werken met een onderhoudsvoorziening. Deze onderhoudsvoorziening wordt onderbouwd met degelijke en actuele onderhoudsplannen. De afschrijvingslasten starten op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin het actief gereed komt c.q. verworven wordt. Immateriële vaste activa: De kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van (dis)agio worden lineair afgeschreven gedurende de periode gelijk aan de looptijd van de betreffende geldlening; Kosten van onderzoek en ontwikkeling worden in maximaal 5 jaar afgeschreven; 2
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
INLEIDING Introductie Dit is de nota investeringsbeleid 2021-2024. Onder investeren verstaan we het vastleggen van vermogen in objecten waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. In onze financiële verordening is bepaald dat de gemeenteraad één keer in de vier jaar de uitgangspunten voor het investeringsbeleid vastlegt in een nota investeringsbeleid. Deze nota bevat de spelregels voor het activeren, waarderen en afschrijven van de vaste activa. De ondergrens voor het activeren van investeringen is daarbij vastgesteld op € 50.000. In de nota gaan we in op: het afwegingskader voor investeringen; criteria voor het activeren van activa; criteria voor het waarderen van activa; de toegepaste methoden van afschrijven; interne regels rondom verantwoording in de producten van de Planning en Controlcyclus; procedures rondom afsluiten van investeringskredieten en het overhevelen van de kredieten naar het volgende begrotingsjaar. Wettelijk kader Het wettelijk kader voor de nota investeringsbeleid wordt gevormd door de financiële verordening van onze gemeente (artikel 212 Gemeentewet) en het Besluit Begroting en Verantwoording (artikelen 34-36, 44, 51-52b, 59-65). In aanvulling op de regelgeving draagt de Commissie voor het BBV zorg voor richtlijnen die een eenduidige toepassing van het BBV bevorderen.
Deze richtlijnen zijn onderverdeeld naar stellige uitspraken en aanbevelingen. Stellige uitspraken zijn leidend, aanbevelingen zijn richtinggevend. Bij het bepalen van ons investeringsbeleid volgen we de richtlijnen van het BBV. Voor sommige onderdelen is er sprake van beleidsvrijheid. In deze nota worden de keuzes voor deze onderdelen nader uitgewerkt en stelt de gemeenteraad de uitgangspunten vast voor het Helmonds investeringsbeleid. Doelstelling In deze nota word het beleidskader voor investeringen herijkt op basis van wettelijke voorschriften en inzichten uit de gemeentelijke praktijk. Het doel is uitgangspunten vast te leggen gericht op het realiseren van een betaalbaar, flexibel en toekomstbestendig investeringsbeleid. Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 1 het afwegingskader uitgewerkt bij het aangaan van investeringen. In de hoofdstukken 2 t/m 4 gaan we nader in op de uitgangspunten die worden gehanteerd gedurende de levenscyclus van een materieel vast actief. Hoofdstuk 5 sluit de nota af met een beschrijving van de wijze waarop het investeringsbeleid aan bod komt in de P&C-cyclus.
3
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
HOOFDSTUK 1: AFWEGINGSKADER 1.1 Investeringsbeleid Het Helmonds investeringsbeleid richt zich op het realiseren van:
Een betaalbaar en toekomstbestendig investeringsbeleid; Een integraal afwegingskader voor alle investeringen en De flexibiliteit om de jaarlijkse investeringswensen bij te sturen.
1.1.1 Kapitaallastenplafond Nieuwe investeringen waarvoor geen aparte bekostiging is uit bijvoorbeeld opbrengsten, ook wel de onrendabele investeringen genoemd, worden primair bekostigd uit (de vrijval van) bestaande kapitaallasten. Deze investeringen kennen hiermee een, min of meer, gelijkblijvend, budgettair niveau binnen de meerjarenraming. Ze vergen daardoor geen extra exploitatiemiddelen om de kapitaallasten, die uit de investeringen voortvloeien, af te dekken en leggen daarmee geen extra druk op het meerjarenperspectief. Hierdoor blijft het investeringsbeleid betaalbaar en is daarmee ook toekomstbestendig. In de systematiek die hierboven wordt beschreven, blijft de omvang van de totale kapitaallasten, in principe, jaarlijks gelijk. Dit wordt ook wel het kapitaallastenplafond genoemd. Hiermee wordt de beschikbare budgetruimte (veroorzaakt door de vrijval) binnen de bestaande kapitaallasten bepalend voor de investeringsruimte voor nieuwe investeringen. Een bijkomend voordeel van deze methode is dat de kapitaallasten van een investering vanaf de eerste dag structureel afgedekt zijn binnen de begroting. Bovendien zal een tekort binnen de meerjarenraming niet leiden tot minder investeringsruimte omdat deze, in eerste instantie, wordt bepaald door de ruimte binnen het kapitaallastenplafond.
Uiteraard kan de raad te allen tijde besluiten om het kapitaallastenplafond naar beneden of naar boven bij te stellen. Voor rendabele investeringen is een aparte dekkingsbron beschikbaar voor de kapitaallasten zoals opbrengsten uit tarieven, huren, bijdragen van derden en/of bestemmingsreserves. Incidentele dekkingsbronnen worden bij voorkeur ingezet voor investeringen met een incidenteel karakter. Indien het een gedeeltelijk, rendabele investering betreft, moet het resterende onrendabele deel gedekt worden uit het kapitaallastenplafond. Uitgangspunt 1: Nieuwe onrendabele investeringen worden primair bekostigd uit de (vrijval van) kapitaallasten en passen hiermee budgettair neutraal binnen de meerjarenraming. De raad stelt het kapitaallastenplafond vast en kan dit ook wijzigen. Voor rendabele investeringen is een aparte dekkingsbron beschikbaar waarbij incidentele dekkingsbronnen bij voorkeur ingezet worden voor investeringen met een incidenteel karakter. 1.1.2 Vervangingsinvesteringen Vervangingsinvesteringen zijn noodzakelijk voor het instandhouden van een bestaand kwaliteitsniveau van voorzieningen. Deze kunnen ingegeven zijn door wettelijke bepalingen of kwaliteitseisen van de gemeente zelf. Alle kapitaallasten die vrijvallen, worden betrokken bij het bepalen van de investeringsruimte voor nieuwe investeringen. Dus ook de kapitaallasten van 4
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
investeringen die op (de langere) termijn vervangen zullen moeten worden, zoals bijv. een sportpark of huisvestingsvoorziening. Dit betekent dat ook de (toekomstige) vervangingsinvesteringen uit deze beschikbare investeringsruimte worden bekostigd. Dit vraagt om alertheid op toekomstige vervangingen binnen de organisatie. Het doel hiervan is om deze vervangingsinvesteringen in een vroeg stadium te betrekken in de afweging van investeringsbeslissingen zonder dat dit leidt tot de verdringing van overige investeringen. Concreet betekent dit dat we continu een actueel inzicht moeten hebben in de staat waarin onze activa zich verkeert om aankomende vervangingen vroegtijdig te kunnen signaleren. Hierop kunnen we acteren door vervangingsinvesteringen voorrang te geven op nieuwe investeringen. We maken daarbij geen onderscheid in vervangingsinvesteringen voor de primaire taakvelden of bedrijfsvoering. 1.1.3 Kansrijke investeringen In de afweging van investeringsbeslissingen wordt onderscheid gemaakt in investeringen voor het eerste begrotingsjaar en kansrijke investeringsprojecten voor de jaren daarna. Daarbij worden alleen de investeringen voor het eerste begrotingsjaar vastgesteld. Voor de kansrijke investeringen is er de intentie om deze bij de volgende begroting vast te stellen tenzij een andere afweging wordt gemaakt.
Hier wordt dus geen definitieve investeringsruimte aan toegekend. Hiermee wordt voorkomen dat het budgettaire beslag op de kapitaallasten al jaren van te voren wordt geclaimd. Hierop is een uitzondering van toepassing voor investeringsaanvragen met een gefaseerde planning die meerdere jaren beslaat. Deze uitzondering is ingegeven door het realistisch(er) ramen van de investeringen. De ervaring leert dat het realistisch ramen er vaak toe leidt dat investeringen opschuiven naar latere jaren. Dit heeft ermee te maken dat bij het plannen van een investering vaak uitgegaan wordt van het jaar van oplevering en afwikkeling van de kosten. De aanname bij het toepassen van reeël ramen op de investeringsplanning is dat bij het realiseren van een project 3 fasen worden doorlopen: 1. Planontwikkeling; 2. Uitvoering; 3. Oplevering (afwikkeling kosten); Deze fasen kunnen maar hoeven zich niet in één en hetzelfde begrotingsjaar voor te doen. Dit betekent dat een investering bij opname in het investeringsprogramma verspreid kan worden over meerdere jaren afhankelijk van de fasering die hieraan ten grondslag ligt. Om recht te doen aan deze gefaseerde opname vinden we het logisch om bij het vaststellen van de aanvraag voor het eerste begrotingsjaar ook de investeringsaanvragen voor de latere begrotingsjaren te honoreren.
In aanvulling op bovenstaande is het ook mogelijk om kansrijke investeringen in de planning naar voren te halen. Een dergelijke wijziging dient voorgelegd te worden aan de raad ter accordering.
5
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
Uitgangspunt 2: Investeringsbeslissingen worden integraal afgewogen binnen het kapitaallastenplafond. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen: Vervangingsinvesteringen en nieuw beleid waarbij vervangingsinvesteringen voorrang hebben op nieuwe investeringen; Investeringsvoorstellen voor het eerste begrotingsjaar en een lijst met kansrijke investeringsvoorstellen voor de jaren daarna. Eerstgenoemde investeringen worden definitief vastgesteld. Voor de kansrijke investeringen is de intentie om deze bij de volgende begroting vast te stellen tenzij een andere afweging wordt gemaakt. Uitgezonderd hiervan zijn de investeringsprojecten die volgen uit een gefaseerde aanvraag in het eerste begrotingsjaar. Deze zijn immers al vastgesteld. Tenslotte, toetsen we bij het opstellen van investeringsprogramma’s nadrukkelijk of: Voorgestelde uitgaven voldoen aan de definitie van investeringen; In de aanvraag voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen bijkomende exploitatielasten, investeringsplanning en dekking. Dit om o.a. vermenging van investeringen en niet-investeringen (exploitatie-uitgaven) te voorkomen;
6
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
HOOFDSTUK 2: ACTIVEREN 2.1 Soorten activa Op de balans worden de activa onderscheiden in de vaste en de vlottende activa. Investeringen worden verantwoord onder de vaste activa. Onder investeren verstaan we het vastleggen van vermogen in objecten waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Uitgangspunt 3: Een investering wordt geactiveerd wanneer sprake is van meerjarig nut. Het BBV hanteert de volgende soorten vaste activa: 1. materiële vaste activa; 2. immateriële vaste activa; 3. financiële vaste activa;2 2.1.1 Materiële vaste activa Volgens artikel 35 van het BBV bestaan er drie soorten materiële vaste activa: investeringen met een economisch nut; investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven; investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut. Deze investeringen moeten worden geactiveerd en herkenbaar worden opgenomen op de balans van de gemeente (BBV, artikel 59 lid 1). Een uitzondering wordt gemaakt voor kunstvoorwerpen met cultuurhistorische waarde, zoals een schilderij van een beroemd kunstenaar. Deze worden niet geactiveerd. I NVESTERINGEN MET ECONOMISCH NUT Dit zijn de investeringen die bijdragen aan de mogelijkheid om middelen te verwerven en/of verhandelbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn investeringen in gebouwen, vervoermiddelen, installaties en automatisering.
I NVESTERINGEN MET ECONOMISCH NUT, WAARVOOR TER BESTRIJDING VAN DE KOSTEN EEN HEFFING KAN WORDEN GEHEVEN
Investeringen in afvalstoffenverzameling en riolering vallen onder de categorie investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven. De gemeente kan er zelf voor kiezen om ergens geen of geen kostendekkend tarief voor te rekenen, maar die keuze is niet van invloed op de vraag of het actief economisch nut heeft en moet worden geactiveerd. Eenzelfde redenering geldt voor de verhandelbaarheid. I NVESTERINGEN IN DE OPENBARE RUIMTE MET EEN MAATSCHAPPELIJK NUT Dit betreft investeringen in de openbare ruimte, zoals wegen, bruggen en openbaar groen. Deze investeringen genereren geen middelen en zijn niet verhandelbaar.
2
De financiële vaste activa maakt onderdeel uit van het treasurystatuut.
7
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
2.1.2 Immateriële vaste activa De immateriële vaste activa bestaan bestaan volgens artikel 34 van het BBV uit: kosten verbonden aan het afsluiten van geldleningen en het saldo van (dis)agio; kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief; bijdrage aan activa in eigendom van derden; De eerste twee worden geactiveerd. De derde niet. Hieronder wordt deze keuze toegelicht. BIJDRAGE IN ACTIVA IN EIGENDOM VAN DERDEN In het BBV worden voorwaarden gesteld aan het mogen activeren van bijdragen aan activa in eigendom van derden. Deze zijn:
er is sprake van een investering door een derde en de investering draagt bij aan de publieke taak en de derde heeft zich verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen en de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.
Activeren mag alleen als aan alle voorwaarden wordt voldaan. Omdat het in de praktijk moeilijk is om aan deze voorwaarden te voldoen en de omvang van deze bijdragen voor de gemeente Helmond te verwaarlozen is, kiezen we ervoor om activa van derden niet te activeren. Uitgangspunt 4: Bijdragen aan activa in eigendom van derden worden niet geactiveerd. 2.2 Criteria voor het activeren van activa3 De commissie BBV heeft in haar richtlijnen de aanbeveling gedaan om, vanuit efficiency-oogpunt, een minimale omvang voor het activeren van vaste activa te hanteren. Investeringen die niet worden geactiveerd, worden in één keer als last genomen in de exploitatie. Onze gemeente hanteert een minimumbedrag van € 50.000 bij het activeren van activa en een minimale levensduur van 2 jaar. Uitgangspunt 5: Activa met een waarde < € 50.000 worden niet geactiveerd, met uitzondering van gronden en terreinen. Uitgangspunt 6: Activa met een exploitatieduur van minder dan 2 jaar worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. BIJDRAGEN DERDEN In het kader van de uniformiteit, transparantie en vergelijkbaarheid tussen gemeenten, worden eventuele bijdragen van derden in aftrek gebracht op de investering. Dit geldt ook voor 3
De scheidslijn tussen wel of niet activeren is niet in alle gevallen altijd even duidelijk. In de Notitie Materiële Vaste Activa (Commissie BBV) zijn in de bijlagen 5 en 6 een aantal voorbeelden uitgewerkt hierover.
8
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
spaarbedragen uit de inkomsten rioolheffing (BBV, artikel 44.1d). De, uit de ontvangen heffingen, gespaarde bedragen, worden beschouwd als bijdragen van derden die in mindering móeten worden gebracht op de investering. I NCIDENTELE GELDEN Indien een gemeente eigen incidentele geldmiddelen heeft, dan kunnen deze gestort worden in een bestemmingsreserve voor de dekking van de kapitaallasten die voortvloeien uit de investering. Onze gemeente kent hier de dekkingsreserve kapitaallasten voor.
9
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
HOOFDSTUK 3: WAARDEREN 3.1. Waarderingsgrondslagen De activa die op de balans van de gemeente worden opgenomen, vertegenwoordigen een bepaalde waarde. Deze waardebepaling is aan strenge regels verbonden. In het kort kunnen deze regels als volgt worden omschreven: Het toerekeningsbeginsel moet in acht worden genomen; Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. De vervaardigingsprijs omvat de aanschafkosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend; Reserves in mindering brengen op de boekwaarde van een investering is niet toegestaan.
Reserves mogen wel gebruikt worden ter dekking van de jaarlijkse kapitaallasten; Bijdragen van derden, die in directe relatie staan tot het actief, moeten in mindering worden gebracht op de investering; Bijdragen uit een voorziening op grond van artikel 44, lid 1d BBV (dat wil zeggen in de heffing begrepen gespaarde bijdragen voor toekomstige vervangingsinvesteringen) moeten in mindering gebracht worden op de investering; Bij de waardering van de vaste activa met economisch nut wordt rekening gehouden met waardevermindering, indien deze vermindering naar verwachting duurzaam is; Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld, wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de op dat moment aanwezige boekwaarde. Uitgangspunt 7: Activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, inclusief toegerekende uren en overige indirecte kosten, rente wordt niet geactiveerd. Dit geldt onverkort voor interne leveringen (van grond)4. BIJKOMENDE KOSTEN Om een investering uit te voeren worden vaak bijkomende kosten gemaakt. Hierbij kan gedacht worden aan kosten voor de implementatie, onderzoekskosten, ontwikkelkosten en eigen uren. Deze kosten mogen geactiveerd en op dezelfde wijze afgeschreven worden als de betreffende investering. Rente valt niet onder de bijkomende kosten.
Als een investering, waarvoor in een eerder stadium onderzoekskosten zijn geactiveerd, geen doorgang vindt, dienen de geactiveerde onderzoekskosten direct afgeschreven te worden. BTW De BTW op de activa wordt niet geactiveerd als deze verrekenbaar is via aangifte of compensabel is volgens de Wet op het BTW compensatiefonds. Indien BTW nietverrekenbaar/compensabel is en dus kostenverhogend is, wordt de BTW wel geactiveerd. 4 Bij een interne levering, binnen onze gemeente gaat het alleen om grond, vindt een verschuiving plaats van de
balanspost ‘materiële vaste activa’ naar ‘onderhanden werk’ en andersom. Een nadere toelichting op de waardering van interne leveringen van gronden is opgenomen in de nota grondbeleid.
10
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
Uitgangspunt 8: Niet compensabele of niet verrekenbare BTW wordt opgeteld bij de verkrijgings- of vervaardigingsprijs van het actief en geactiveerd. AFWAARDEREN ACTIVA In de loop der tijd kan de reële waarde van een activum veranderen ten opzichte van de waarde die op de balans is opgenomen. Alleen een duurzame waardevermindering moet worden verwerkt in de balans. Opwaarderen is niet mogelijk. DESINVESTEREN ACTIVA Op het moment dat een desinvestering plaatsvindt, wordt de boekwinst of het boekverlies in het resultaat van het betreffende jaar verwerkt en niet verrekend met de verkrijgingsprijs van een nieuw actief.
11
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
HOOFDSTUK 4: AFSCHRIJVEN 4.1 Afschrijven Het gebruik van vaste activa strekt zich uit over meerdere jaren. Door technische slijtage of economische veroudering daalt de waarde. Het zichtbaar maken van de waardevermindering in de jaarlijkse exploitatie wordt afschrijven genoemd. Bij het bepalen van de juiste afschrijving moeten de economische gebruiksduur en de wijze van afschrijven in ogenschouw worden genomen. 4.2 Methoden van afschrijven Er bestaan verschillende methoden voor afschrijving. Het BBV laat de gemeenten vrij in de keuze van een methode. De meest voorkomende methoden bij gemeenten zijn: 1. lineair 2. annuïtair Bij de lineaire afschrijvingsmethode wordt jaarlijks een vast percentage van de aanschafwaarde (verminderd met eventuele restwaarde) afgeschreven. Bij de annuïteitenmethode blijft de jaarlijkse kapitaallast (= afschrijving + rente) gelijk. De gemeente Helmond hanteert de lineaire methode. De belangrijkste argumenten hiervoor zijn dat de afschrijving constant blijft en deze methode ten opzichte van de annuïtaire methode beter rekening houdt met de relatief sterkere waardedaling in de eerste jaren van de gebruiksperiode. Uitgangspunt 9: De lineaire afschrijvingsmethode wordt toegepast voor de afschrijving van activa. RESTWAARDE De restwaarde van een actief aan het einde van de gebruiksperiode is van tevoren vaak lastig in te schatten.
Op grond van het voorzichtigheidsprincipe wordt er vanuit gegaan dat de restwaarde nihil is. De activa wordt dus volledig afgeschreven naar € 0. We volgen de ontwikkelingen met betrekking tot circulair bouwen en wanneer dit meer zekerheden geeft, kan overwogen worden om over te gaan tot restwaardes. Uitgangspunt 10: Er wordt geen rekening gehouden met een restwaarde bij het afschrijven van activa. RENTETOEREKENING Aan alle geactiveerde kapitaaluitgaven wordt rente toegerekend. Dit zijn de lasten die voortkomen uit financiering van de investering. De combinatie van rente en afschrijving vormen de kapitaallasten die zowel in de begroting als in de jaarrekening ten laste van de exploitatie worden gebracht. Conform hetgeen gesteld in de financiële verordening wordt de aan activa toegerekende rente berekend op basis van de renteomslag. Dit betekent dat periodiek de geraamde rentekosten van de gemeente worden berekend.
12
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
Uitgangspunt 11: Rentekosten in de kapitaallasten: Aan de geactiveerde kapitaaluitgaven wordt rente toegerekend middels een berekend omslagpercentage; Voor gerealiseerde activa met een boekwaarde per 1 januari ( de ‘aanwezige activa’) wordt rente berekend over de boekwaarde per 1 januari; Voor nog niet afgesloten investeringskredieten geldt dat rente wordt berekend over de eventuele aanwezige boekwaarde per 1 januari; 4.3 Afschrijvingstermijnen Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur moet worden afgeschreven (BBV, artikel 64 lid 3). De gebruiksduur wordt bepaald door de technische en economische levensduur. Op gronden wordt niet afgeschreven. De afschrijvingstermijnen moeten consistent worden toegepast. In bijlage 2 is een overzicht opgenomen van de afschrijvingstermijnen van de Gemeente Helmond. Hierin zijn een aantal wijzigingen aangebracht die hieronder nader worden toegelicht. 4.3.1 Gewijzigde afschrijvingstermijnen activa openbare ruimte Afschrijving mag slechts wegens gegronde redenen afwijken van de grondslagen, die in het voorgaande begrotingsjaar zijn toegepast. Het BBV onderscheidt een tweetal redenen: een stelselwijziging: dit betreft een wijziging van de vrij te kiezen waarderings(activerings)grondslag; een schattingswijziging: dit betreft een wijziging van een verwachte toekomstige gebruiksduur.
In het overzicht van afschrijvingstermijnen bij deze nota is de verwachte, toekomstige gebruiksduur voor verschillende activa in de openbare ruimte gewijzigd (schattingswijziging). Deze wijziging is gebaseerd op de actualisatie van het Integraal Beheerkader Openbare Ruimte 2021-2030 en de beheerplannen (assetsheets) die zijn opgesteld om de functionaliteit van de openbare ruimte in stand te houden. In de beide gevallen waarin om gegronde redenen wordt afgeweken van de grondslagen is het voorschrift om de bestaande (rest)boekwaarde op het moment van aanpassing niet te herrekenen, maar over de langere, dan wel kortere, dan wel gelijkblijvende verwachte toekomstige gebruiksduur af te schrijven conform de doorgevoerde wijziging. Uitgangspunt 12: De afschrijvingstermijnen die als bijlage 2 zijn opgenomen bij de nota investeringsbeleid 2021-2024 worden als basis gehanteerd voor het afschrijven van de vaste activa. 4.3.2 Totaalactivering Een materiaal vast actief kan bestaan uit verschillende samenstellende delen die elk een andere levensduur hebben en daardoor ook een ander vervangingsritme kennen. Een kantoorpand bijvoorbeeld is te verdelen in tenminste de volgende onderdelen: grond, gebouw, verwarmingsinstallaties en een liftinstallatie die elk een andere afschrijvingstermijn kennen. Onze gemeente hanteert het totaalbedrag van de investering bij het activeren en afschrijven.
Bij deze systematiek valt de vervanging van de onderdelen, die een kortere gebruiksduur hebben 13
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
dan de vooraf bepaalde gebruiksduur van het gehele actief, en dus eerder vervangen moeten worden, onder het groot onderhoud. Het voornemen is om voor deze “tussentijdse” vervangingen maar ook het groot onderhoud te werken met een onderhoudsvoorziening. Een voorwaarde voor het instellen en in stand houden van deze onderhoudsvoorziening zijn degelijk onderbouwde en actuele onderhoudsplannen. Uitgangspunt 13: Activa worden op de balans verantwoord op basis van totaalactivering. De investering wordt als totaalbedrag geactiveerd en afgeschreven. Voor het vervangen van onderdelen met een afwijkende (kortere) levensduur en de egalisatie van de lasten van groot onderhoud is het voornemen om te werken met een onderhoudsvoorziening. Deze onderhoudsvoorziening wordt onderbouwd met degelijke en actuele onderhoudsplannen. 4.3.3 Onderhoud Het kwaliteitsniveau voor de materiële vaste activa en het budget om dit niveau te handhaven wordt vastgesteld door de raad. Het handhaven van het kwaliteitsniveau vereist onderhoud. Het BBV maakt een onderscheid in klein onderhoud en groot onderhoud.5 Klein en groot onderhoud houdt of brengt een object in goede, oorspronkelijke staat en is dus niet van invloed op de vooraf bepaalde gebruiksduur (afschrijvingstermijn) van het object. Kosten van onderhoud mogen daarom niet worden geactiveerd.
KLEIN ONDERHOUD Klein onderhoud omvat de dagelijkse reparaties die noodzakelijk zijn om het object in een goed werkende en veilige staat te houden. Dit soort onderhoud wordt vanaf het eerste moment van ingebruikname op een klein gedeelte van het object uitgevoerd. De kosten voor klein onderhoud worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. GROOT ONDERHOUD Groot onderhoud is (in de regel) gepland onderhoud van veelal ingrijpende aard als gevolg van slijtage, dat op een substantieel deel van het object wordt uitgevoerd en na een langere periode van gebruik moet worden verricht. De kosten voor het groot onderhoud mogen direct ten laste van de exploitatie worden gebracht. Om de lasten groot onderhoud over meerdere begrotingsjaren te egaliseren, biedt het BBV de mogelijkheid om een onderhoudsvoorziening in te stellen. De voorwaarde voor het instellen van de voorziening is dat er een recent beheerplan aanwezig is (het beheerplan mag maximaal vijf jaar oud zijn ten opzichte van het verslagleggingsjaar). ACHTERSTALLIG ONDERHOUD Er is sprake van achterstallig onderhoud wanneer de kwaliteit van het betreffende object is aangetast: er wordt niet (meer) voldaan aan het door de raad vastgestelde kwaliteitsniveau of wettelijke normen.
In dit geval is er sprake van een zodanig slechte onderhoudstoestand dat de waarde, het gebruik en/of de levensduur van het investeringsgoed wordt aangetast. Dit herstel van het achterstallig onderhoud wordt aangemerkt als een verplichting waarvan de omvang, door 5 In bijlage 9 van de notitie materiële activa (januari 2020) geeft de commissie BBV voorbeelden van werkzaamheden
die vallen onder het klein dan wel groot onderhoud.
14
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
middel van een inventarisatie en een financiële vertaling van het achterstallig onderhoud, redelijkerwijs in te schatten is en waarvoor dus een voorziening gevormd dient te worden (BBV, art. 44 lid 1a). 4.4 Ingangsmoment van de afschrijvingen De commissie BBV doet de aanbeveling om vast te leggen vanaf welk moment wordt begonnen met afschrijven. Hierbij zijn diverse alternatieven denkbaar, zoals: starten vanaf het begin van het jaar waarin het actief gereed komt c.q. verworven wordt; starten medio het begrotingsjaar waarin het actief gereed komt c.q. verworven wordt; starten in het begrotingsjaar dat volgt op het jaar waarin het actief gereed komt c.q. verworven wordt. starten vanaf het moment van ingebruikname van het actief; De gemeente Helmond kiest ervoor om de afschrijvingslasten te starten op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin het actief gereed komt c.q. verworven wordt. Via de afschrijving worden de kosten van het nut van het actief tot uitdrukking gebracht. Vandaar dat er niet wordt afgeschreven zolang het actief nog niet (volledig) beschikbaar is en dus geen (volledige) bijdrage levert. Uitgangspunt 14: De afschrijvingslasten starten op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin het actief gereed komt c.q. verworven wordt.
4.5 Afschrijvingstermijnen immateriële vaste activa6 Voor kosten verbonden aan het afsluiten van geldleningen geldt een lineaire afschrijving met een maximale afschrijvingsduur van de looptijd van de lening. De kosten voor onderzoek en ontwikkeling moeten in maximaal 5 jaar worden afgeschreven en er moet zijn voldaan aan alle voorwaarden van artikel 60 van het BBV, te weten: er bestaat een voornemen het actief te gebruiken of te verkopen; de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien staat vast; het actief zal in de toekomst economisch of maatschappelijk nut genereren; de uitgaven die toe te rekenen zijn aan het actief kunnen betrouwbaar worden vastgesteld. Uitgangspunt 17: De kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van (dis)agio worden lineair afgeschreven gedurende de periode gelijk aan de looptijd van de betreffende geldlening; Kosten van onderzoek en ontwikkeling worden in maximaal 5 jaar afgeschreven;
6
Op bijdragen aan activa in eigendom van derden is geen afschrijvingstermijn van toepassing omdat deze niet worden geactiveerd.
15
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
HOOFDSTUK 5: Inpassing in de P&C-cyclus 5.1 Investeringen in de P&C-cyclus Investeringen nemen een zelfstandige positie in binnen de planning- en control cyclus. Het investeringsprogramma maakt onderdeel uit van de programmabegroting. Onderstaand wordt aangegeven hoe de investeringen in de planning en control producten aan de orde komen. 5.1.1 Voorjaarsnota De jaarlijkse cyclus begint bij de voorjaarsnota. Hierin staan de budgettaire kaders en uitgangspunten voor de begroting van het komende jaar. In de voorjaarsnota worden de investeringsvoorstellen voor het komende begrotingsjaar geïnventariseerd. 5.1.2 Programmabegroting In de programmabegroting wordt de budgettaire ruimte vastgesteld voor investeringen. Dit wordt gebaseerd op het vrij besteedbare gedeelte van het kapitaallastenplafond (oftewel de ruimte die ontstaat doordat kapitaallasten vrijvallen). I NVESTERINGSPROGRAMMA De investeringen worden in het investeringsprogramma (IVP) opgenomen. Het totaal aan investeringen past binnen het kapitaallastenplafond of er is een aparte dekkingsbron beschikbaar in de vorm van bijdragen van derden en/of bestemmingsreserves. KANSRIJKE INVESTERINGEN In de programmabegroting wordt ook een overzicht opgenomen van kansrijke investeringsprojecten voor latere jaren zonder dat hiervoor concrete bedragen worden gereserveerd.
Hiermee worden de lange termijn investeringsopgaven van onze gemeente inzichtelijk gemaakt zonder dat we ons hierop bij voorbaat vastleggen. Bij de jaarlijke begrotingsbehandeling heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om hierin wijzigingen aan te brengen op basis van de actualiteit. De bestuurlijke flexibiliteit neemt hierdoor toe omdat de raad jaarlijks kan prioriteren. De investeringsprojecten in latere jaren die volgen uit een gefaseerde planning van een investering in het eerste begrotingsjaar worden wel direct vastgesteld. Op grond van een raadsbesluit is het ook mogelijk om kansrijke investeringen in de planning naar voren te halen. Mits hier binnen het kapitaallastenplafond ruimte voor is uiteraard. Een wijziging in inhoud, omvang, tijd en/of dekkingsbron van een investering is niet mogelijk zonder nieuw besluit van de raad. Wanneer deze zich voordoen, zullen deze via de diverse P&C-producten voorgelegd worden aan de raad. VOTEREN INVESTERINGSKREDIET Middels de vaststelling van de programmabegroting autoriseert de raad de budgetten voor de programma’s en de geplande investeringen. Hiermee ontstaat ook de opdracht om de geplande investeringen binnen de afgesproken periode en met de beschikbaar gestelde middelen te realiseren. Het college geeft uitvoering aan het realiseren van de investeringen.
Investeringsaanvragen kunnen ook door het jaar heen voorgelegd worden aan de raad mits het rendabele aanvragen zijn. Dit betekent dat de investering bekostigd kan worden uit opbrengsten 16
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
en/of een bestemmingsreserve. Een dergelijk voorstel moet vergezeld gaan van een structureel en reëel sluitende begrotingswijziging, waarin de baten en de lasten, waaronder de kapitaallasten voortvloeiende uit de investering, zijn opgenomen. 5.1.3 Bestuursrapportages In de 1e en de 2e bestuursrapportage wordt de voortgang van het investeringsprogramma gemonitord waarbij ingegaan wordt op afwijkingen in tijd en geld. Tevens worden de openstaande investeringen en bijbehorende investeringskredieten nader toegelicht aan de raad. Hierbij wordt een doorkijk gegeven naar de verwachte realisatie van de voorgenomen investeringsprojecten per einde van het jaar. Daarbij wordt minimaal inzicht gegeven in: De voorgenomen investeringen, welke nog niet gestart zijn; de openstaande investeringskredieten; de investeringskredieten die worden afgesloten; de investeringskredieten die worden doorgeschoven naar het volgende begrotingsjaar; het saldo van de begrote kapitaallasten ten opzichte van de realisatie; 5.1.4 Jaarverantwoording In de jaarstukken legt het college verantwoording af aan de raad.
In de financiële samenvatting wordt, op programmaniveau, een overzicht gegeven van: - het totaal aan gevoteerde investeringskredieten per einde van het jaar; - de gerealiseerde kosten; - de afgesloten investeringskredieten; - de nog openstaande investeringskredieten; Gedurende het jaar worden intern diverse controles uitgevoerd om te monitoren of in overeenstemming met de vastgestelde uitgangspunten in de nota investeringsbeleid 2021-2024 wordt gewerkt.
17
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
BIJLAGE 1: BEGRIPPENLIJST Activa: De bezittingen van een gemeente. Activa worden verdeeld in vaste, vlottende en financiële activa. Activeren: Het op de balans presenteren van de financiële waarde van het aangeschafte of vervaardigde kapitaalgoed met meerjarig nut dat vanaf dat moment als bezitting kan worden beschouwd. Afschrijven: Het op een methodische wijze in de boekhouding (verslaglegging en verslaggeving) tot uitdrukking brengen van de waardedaling van een kapitaalgoed over een bepaalde periode. Agio/disagio: Agio c.q. disagio is het verschil tussen het bedrag waarvoor een lening wordt aangegaan en het hogere c.q. lagere bedrag dat aan de geldnemer wordt uitgekeerd. Annuïtaire afschrijvingsmethode: Een afschrijvingsmethode waarbij de kapitaallasten jaarlijks gelijk zijn gedurende de gehele economische levensduur van de investering. In de beginjaren is de afschrijvingscomponent laag en de rentecomponent hoog. Aan het eind ligt de verhouding andersom. Boekwaarde: De waarde van de activa op de balans. Dit is de verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de afschrijvingen. Economische levensduur: Activa slijten op twee manieren. Door gebruik, de zogeheten technische slijtage. Aan de andere kant veroudert een actief door nieuwe techniek: er komen bijvoorbeeld nieuwe machines op de markt, waarin de nieuwste technische kennis is verwerkt.
Deze veroudering wordt economische slijtage genoemd. Financiële vaste activa: Is een groep van activa die een financiële waarde of bezit vertegenwoordigen zoals deelnemingen en aandelen. Immateriële vaste activa: Immateriële vaste activa onderscheiden zich van materiële vaste activa doordat ze geen tastbare vorm hebben en dus onzichtbaar zijn. Ze hebben met materiële vaste activa echter gemeen, dat ze langdurig bruikbaar zijn. Investeren: Het vastleggen van vermogen in objecten waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt.
18
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
Investeringen met economisch nut: Investeringen hebben een economisch nut indien ze verhandelbaar zijn en/of kunnen bijdragen aan het genereren van middelen. Investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut: Investeringen die geen economisch nut opleveren (geen middelen genereren en/of verhandelbaar zijn), bijvoorbeeld wegen. Investeringskrediet: Bedrag dat door de gemeenteraad of het college beschikbaar is gesteld voor het doen van een investering. Kapitaalgoederen: Goederen die meerdere jaren nut geven; denk aan wegen, gebouwen, riolen. Kapitaallasten: De jaarlijks terugkerende lasten die samenhangen met de investeringen. De kapitaallasten bestaan uit afschrijvingen en rente. Kapitaallastenplafond: Het kapitaallastenplafond is de totale omvang aan kapitaallasten (rente en afschrijving) die binnen de begroting aanwezig is om daaruit (nieuwe) onrendabele investeringen te financieren. Door dit niveau (plafond) constant te houden is er een vast bedrag beschikbaar waarbinnen de investeringsafwegingen dienen plaats te vinden. Hierdoor wordt voorkomen dat er extra bezuinigd moet worden binnen de begroting zodra de investeringen de beschikbare kapitaallasten overschrijden. Er ontstaat steeds opnieuw ruimte (vrijval kapitaallasten) doordat er investeringskredieten worden afgesloten of omdat investeringsvoorstellen geen doorgang vinden.
Uitgangspunt is dus het totaal beschikbare krediet binnen de begroting voor kapitaallasten. Dit totaalkrediet is opgeschoond met kapitaallasten, die betrekking hebben op rendabele activiteiten waarvoor aparte financiering beschikbaar is. Te denken valt aan: Investeringen rioleringen; Investeringen bekostigd uit afvalstoffenheffing; Investeringen bekostigd uit te ontvangen huren; Investeringen die gefinancierd worden vanuit dekkingsreserves. Lineaire afschrijvingsmethode: Een afschrijvingsmethode waarbij de kapitaallasten jaarlijks dalen. De afschrijvings-component is jaarlijks gelijk. Als gevolg van de daling van de boekwaarde neemt de jaarlijkse rentelast af. Materiële vaste activa: Dit zijn investeringsuitgaven waar bezittingen tegenover staan van stoffelijke aard, waarvan de gebruiksduur gedurende meerdere jaren kan worden toegepast.
19
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
Onderhoud: Uitvoering van preventieve dan wel correctieve maatregelen om een object in goede staat (op een vooraf bepaald kwaliteitsniveau) te houden of te brengen. Rente: Een vergoeding voor het beslag dat de boekwaarde van een investering legt op de financieringsmiddelen van de gemeente. Restwaarde: De restwaarde is de schatting, tegen het prijspeil van het moment van ingebruikname, van de opbrengst die na de gebruiksduur nog gerealiseerd kan worden, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van (delen van) het actief. Schattingswijziging Een wijziging (door nieuwe inzichten) van een verwachte toekomstige gebruiksduur. Stelselwijziging Een wijziging van de vrij te kiezen waarderings-(activerings-)grondslag Technische levensduur: Het aantal jaren dat een actief daadwerkelijk meegaat, voordat het technisch versleten is. Vaste activa: De bezittingen van de gemeente waarvan het daarvoor benodigde vermogen voor een periode langer dan een jaar is vastgelegd. Voorbeelden hiervan zijn gronden, gebouwen en inventaris. De vaste activa worden verdeeld in immateriële, materiële en financiële vaste activa. Verkrijgingsprijs: Het bedrag dat is betaald om activa aan te schaffen; dit betreft zowel de inkoopprijs als de bijkomende kosten. Vervaardigingsprijs: De kosten die gemaakt zijn ten behoeve van het intern vervaardigen van een actief.
Vlottende activa: De bezittingen van de gemeente waarvan het daarvoor benodigde vermogen voor een periode korter dan een jaar is vastgelegd. Binnen een jaar moeten de vlottende activa zijn omgezet in geld. Voorbeelden hiervan zijn voorraden, debiteuren en liquide middelen (bank en kas). Waarderen De waarde die toegekend wordt aan het geactiveerde kapitaalgoed c.q. de investering op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
20
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
BIJLAGE 2: TABEL MET AFSCHRIJVINGSTERMIJNEN soort investering Immateriële vaste activa
afschrijvingstermijn
agio / disagio
looptijd lening
kosten afsluiten van een lening
looptijd lening
kosten onderzoek en ontwikkeling
maximaal 5 jaar
Materiële vaste activa Gronden
op grond wordt niet afgeschreven
Gebouwen permanente gebouwen
40 jaar
semipermanente gebouwen
20 jaar
tijdelijke gebouwen
gymzalen en sporthallen
maximaal 5 jaar maximaal 30 jaar (afh. van restant levensduur) 30 jaar maximaal 15 jaar (afh. van restant levensduur) 40 jaar
overige bouwkundige sportvoorzieningen
40 jaar
isolatievoorzieningen
20 jaar
renovatie, verbouwing, aangekocht onroerend goed aanleg sportaccommodaties renovatie sportaccommodaties
Grond- , weg- en waterbouwkundige werken wegen; beton en asfalt
50 jaar
wegen; elementen zoals bijv. trottoirtegels
50 jaar
bruggen
50 jaar
sluizen
50 jaar
renovatie insteekhaven
30 jaar
kunstgrasvelden
10 jaar
parkeergarages
40 jaar
overige parkeervoorzieningen
30 jaar
apparatuur parkeervoorzieningen
10 jaar
fietsenstallingen
30 jaar
groenvoorziening
30 jaar
aanleg en renovatie recreatiegebieden
30 jaar
inrichting volkstuinen
30 jaar
speeltoestellen zoals bijv. klimrekken, schommels e.d.
15 jaar
bovenwijkse voorzieningen zoals bijv. skate-ramps e.d.
20 jaar
21
Nota Investeringsbeleid 2021-2024
soort investering Materiële vaste activa
afschrijvingstermijn
Vervoermiddelen bedrijfsauto’s
5 jaar
Machines en installaties installaties
20 jaar
zonwering
20 jaar
zonnepanelen
20 jaar
openbare verlichting; masten en armaturen
30 jaar
decoratieve verlichting zoals bijv. aanlichting gebouwen
15 jaar
verkeersregelinstallaties (VRI)
40 jaar
verkeersregelautomaten (VRA)
15 jaar
bewegwijzering (ANWB-borden)
20 jaar
lichtinstallatie sportvoorzieningen
30 jaar
evenementenkast
10 jaar
invoeren diftar-systeem (containers)
10 jaar
Inventaris netwerkserver systemen en pc’s
4 jaar
midrange omgeving
5 jaar
inrichting computerruimte
10 jaar
datacommunicatieapparatuur
5 jaar
telecommunicatieapparatuur
7 jaar
software* (niet zijnde een SaaS oplossing)
5 jaar
netwerk- en telefoniebekabeling
10 jaar
kantoorinventaris en inrichting
10 jaar
leerpakketten scholen
10 jaar
ballenvangers, keepersbak e.d.
20 jaar
verplaatsbare hulpmiddelen sportvoorzieningen (doelen e.d.)
10 jaar
*incl. licenties op software voor onbepaalde duur, die in één keer in rekening worden gebracht
22