RN 016 Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2025 Helmond
Tekst van het document
Onderdeel van de leefeenheid kunnen zijn: Echtgenoten Bij echtgenoten gaat het om (artikel 1.1.2 Wmo 2015): • de persoon met wie de inwoner getrouwd is; of • de persoon met wie de inwoner een geregistreerd partnerschap heeft; of • de persoon met wie de inwoner een gezamenlijke huishouding voert. Van een gezamenlijke huishouding is sprake als aan drie eisen is voldaan: 1. het gaat om twee personen; 2. die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en 3. die over en weer voor elkaar zorgen door het bijdragen in de kosten voor de huishouding en/of op een andere manier. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit: • financiële verwevenheid (zoals het hebben van een gezamenlijke bankrekening); • het verzorgen van elkaar bij ziekte; • het doen van boodschappen voor elkaar; • koken voor elkaar; • het vragen van minder geld voor een bepaalde dienst dan normaal, bijvoorbeeld als een kamer wordt verhuurd voor een lagere prijs dan de normale marktprijs etc. Van echtgenoten onderling mag verwacht worden dat ze elkaar waar mogelijk ondersteunen. Hieronder staan enkele voorbeelden: Hulp tussen echtgenoten onderling – aansturen en overname administratie: Van een echtpaar is de vrouw (71) steeds vaker vergeetachtig. Ook lukt het haar niet meer om de administratie te doen.
De man (63) helpt haar door dagelijks ’s morgens de dag met haar door te nemen, haar (soms meerdere keren per dag) te herinneren aan afspraken (mondeling en via briefjes). De administratieve taken heeft hij overgenomen. De man is in staat de benodigde ondersteuning te bieden aan zijn vrouw. De begeleiding die door de man wordt geboden is verder geen gespecialiseerde begeleiding. Aansturing in deze vorm en omvang mag van een echtgenoot -die hiertoe in staat is- worden verwacht. Dit wordt dus gezien als gebruikelijke hulp. Dit geldt ook voor het overnemen van de administratieve taken. Hulp tussen echtgenoten onderling – hulp in de nacht: Van een echtpaar is de man (48) bekend met PTSS. Daardoor heeft hij twee tot die keer in de week ’s nachts herbelevingen en paniekaanvallen. Tijdens een herbeleving is het van belang dat er een bekend persoon in de nabijheid is die hem kan kalmeren. Door incontinentie tijdens een herbeleving is daarna regelmatig ondersteuning nodig bij uit- en aankleden en douchen en verschonen van het bed. De ondersteuning die de vrouw (45) tijdens de nacht biedt wordt gezien als gebruikelijke hulp. Hierbij speelt mee dat de ondersteuning die geboden moet worden niet specialistisch van aard is. Daarnaast is het kalmeren juist iets dat goed door echtgenote gedaan kan worden.
De gevraagde ondersteuning is belastend voor de echtgenote, maar er is geen sprake van overbelasting. Hulp tussen echtgenoten onderling - dreigende overbelasting: Een 50-jarige vrouw heeft de ziekte van Huntington in een beginnend stadium. Hierdoor kan ze steeds minder fysieke activiteiten verrichten. Ze kan ook geen taken in het huishouden verrichten. Haar man werkt 40 uur per week en heeft recent te kampen gehad met hartritmestoornissen. Mogelijk door stress. Volgens zijn psycholoog moet hij meer ontspanning zoeken. Hij heeft de zorg voor de twee kinderen (11 en 17), verricht de huishoudelijke taken en heeft een aandeel in de verzorging van zijn echtgenote. Minder werken is financieel lastig, ook omdat de dochter op kamers gaat voor haar studie. Kan van de echtgenoot gebruikelijke hulp worden verlangd voor de taken in het huishouden? In welke mate? Van de echtgenoot mag in beginsel worden verwacht dat hij de taken in het huishouden en de zorgtaken op zich neemt. Er is echter ook sprake van dreigende overbelasting. Gebruikelijke hulp kan daarom niet, of in mindere mate, van hem worden verlangd. Als de echtgenoot de lichte huishoudelijke taken niet als een grote belasting ervaart dan kan hij die
blijven verrichten, en kan er voor de zware huishoudelijke taken kortdurend een voorziening voor huishoudelijke ondersteuning worden ingezet. Van de echtgenoot kan wel verlangd worden dat hij actie onderneemt om de problemen structureel op te lossen. Bijvoorbeeld door ontspanning te zoeken of minder te werken. Huishoudelijke ondersteuning draagt immers niet bij aan de zelfredzaamheid van het gezin. Vanuit het voorliggend veld kan er beter ondersteuning worden gezocht in de vorm van een Maatje (vrijwilliger) voor mevrouw of een training mantelzorgondersteuning voor haar echtgenoot.
Ouders Het gaat om gebruikelijke hulp van wettelijke, biologische, pleeg- en stiefouders aan kinderen die nog thuis wonen. Hieronder staan enkele voorbeelden van (gebruikelijke) hulp in deze situatie: Hulp aan volwassen kind -relatie met pgb: Ouders willen een pgb voor hun volwassen zoon. Hun zoon is verstandelijk beperkt en de ouders moeten hun inwonende zoon begeleiden bij activiteiten buitenshuis, zoals bezoeken aan winkels, de kapper etc. Kan hiervoor een pgb worden toegekend? De ouders zijn in staat de benodigde hulp te bieden aan hun zoon. Er is geen sprake van dreigende overbelasting of van moreel-ethische bezwaren. Dat betekent dat de geboden hulp kan worden aangemerkt als gebruikelijke hulp. Als de ondersteuningsbehoefte hiermee volledig is ingevuld, is er geen aanleiding een maatwerkvoorziening toe te kennen. Hulp aan volwassen kind – sturen op het loskomen van ouders: Een echtpaar (74 en 72) heeft een inwonende dochter (33) met een verstandelijke beperking. De dochter heeft dagelijks begeleiding nodig bij veel ADL, waaronder het plannen en organiseren van activiteiten, instructie bij het aan- en uitkleden etc. Ouders zijn steeds bereid en in staat gebleken de benodigde begeleiding te bieden, maar ze worden ook een dagje ouder en hebben in toenemende mate last van fysieke ongemakken.
Het echtpaar is nu nog in staat de benodigde ondersteuning aan hun dochter te bieden (gebruikelijke hulp). In deze situatie kan het toch zinvol zijn om voor een deel van de hulpvraag een maatwerkvoorziening voor begeleiding toe te kennen. Daarmee kan de dochter dan wat meer los komen van ouders.
Kinderen Het gaat hier om inwonende wettelijke, biologische, pleeg- en stiefkinderen. Wat van kinderen mag worden verwacht is afhankelijk van de leeftijd, en het individu. Het ene kind is het andere niet. Verder moet voorkomen worden dat een kind vanwege de zorg voor een ander gezinslid of het verrichten van taken in het huishouden, belemmerd wordt in zijn ontwikkeling. Dit betekent dat er altijd aandacht moet zijn voor de situatie waarin een kind opgroeit. In zijn algemeenheid kan echter het volgende vertrekpunt worden gehanteerd: • Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. • Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, vaatwasser in- en uitruimen, een boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. • Kinderen vanaf 12-18 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken, hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, het eigen bed verschonen. • Van kinderen tussen 18-23 jaar wordt verwacht dat ze een eenpersoonshuishouden kunnen voeren.
De huishoudelijke taken voor een eenpersoonshuishouden zijn: o schoonhouden van sanitaire ruimte en keuken; o schoonhouden van woonkamer en een slaapkamer; o de was doen o boodschappen doen o maaltijden verzorgen o afwassen en opruimen Daarnaast kan een 18-23 jarige eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden.
•
Van een inwonend kind in de leeftijd van 23 jaar en ouder wordt verwacht dat deze alle huishoudelijke taken volledig overneemt en de verzorging van eventuele jongere kinderen in het huishouden.
Andere huisgenoten Hierbij gaat het om één of meer huisgenoten die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Een familieband is hierbij geen eis. Ook van deze “andere huisgenoten” wordt gebruikelijke hulp verwacht, volgens de afweging in onderdeel 2 van deze bijlage. Wat in de praktijk van een “andere huisgenoot” verwacht wordt, kan afhangen van specifieke individuele kenmerken. Bijvoorbeeld om wat voor soort hulp het gaat en wat de aard van de relatie is tussen de huisgenoten. Niet specialistische hulp kan ook van een andere huisgenoot meestal verwacht worden. Gaat het om ondersteuning met een meer vertrouwelijk karakter, zoals begeleiding bij persoonlijke verzorging, dan kan meespelen wat de aard van de relatie is tussen de huisgenoten. Het begrip ‘andere huisgenoten’: Bas (69) en Evi (72) zijn een stel zonder beperkingen. Zij bewonen een grote woning. De broer van Bas (Victor) is hulpbehoevend en komt bij Bas en Evi inwonen. Zo kunnen ze hem wat hulp en ondersteuning bieden. In de woning heeft hij zijn eigen leefvertrekken (zit- en slaapkamer). Kan van Bas en/of Evi worden verwacht dat ze gebruikelijke hulp verlenen aan Victor, bijvoorbeeld door ook zijn leefvertrekken bij te houden en de maaltijden voor hem te verzorgen? Ja, dit is gebruikelijke hulp. Het gaat hier om niet specialistische taken en Bas en Evi zijn hiertoe in staat.
Dat Victor zijn eigen leefvertrekken in de woning heeft, maakt dit niet anders. Andere huisgenoten – druk bestaan: Thomas (20) studeert en woont bij zijn oma (83). Oma heeft hulp nodig bij de zware huishoudelijke taken en de administratie. Ze vindt dat Thomas dit niet kan doen omdat hij drukbezet is met zijn studie en een bijbaantje en haar huis veel groter is dan een studentenkamer. Kan van Thomas verwacht worden dat hij zijn oma helpt bij deze taken? Ja, dit is gebruikelijke hulp. Het gaat hier om niet specialistische taken en bij Thomas is geen sprake van overbelasting of beperkingen waardoor hij deze niet uit zou kunnen voeren. Dat hij een druk bestaan heeft, maakt dit niet anders.
4. Welk deel van de hulpvraag kan worden opgelost met gebruikelijke hulp? Als van een persoon gebruikelijke hulp kan worden gevraagd, dan wordt verwacht dat deze persoon toereikende hulp biedt, tenzij sprake is van redenen/omstandigheden die dit belemmeren (zie hiervoor de richtlijnen in onderdeel 2 hierboven). Dit geldt ook voor de omvang van de gebruikelijke hulp die geboden wordt. Omvang ondersteuning bepalen bij dreigende overbelasting: Marian en Tim hebben een verstandelijk beperkte zoon Arno (23). De zoon heeft (niet-specialistische) begeleiding nodig bij het structureren van de dag en het verrichten van taken. Ouders kunnen een deel van de benodigde begeleiding bieden, maar ze hebben aan de bel getrokken omdat het hen ‘teveel werd’. Welke ondersteuning, en in welke omvang wordt ingezet? Om overzicht te krijgen op de benodigde begeleidingsinzet maakt de consulent met ouders een dag- en weekschema (taken en uren). Vervolgens wordt bekeken welke begeleidingstaken wegvallen door structurele inzet van een Maatje (vrijwilliger). Vervolgens wordt bekeken welke taken ouders nog kunnen oppakken, zonder overbelast te raken. Voor de resterende taken wordt een maatwerkvoorziening voor begeleiding ingezet. De omvang van de begeleidingsinzet blijkt uit het dag- en weekschema (het aantal uren dat ouders niet meer kunnen invullen).
Ter ontlasting van ouders kan daarnaast ook respijtzorg in de vorm van een logeervoorziening voor Arno (eens per maand) worden ingezet.
5. De relatie tussen gebruikelijke hulp en pgb Als de ondersteuningsbehoefte niet volledig kan worden ingevuld via gebruikelijke hulp of een andere eigen oplossing, dan kan er -binnen de gestelde kaders- een maatwerkvoorziening worden toegekend. Het uitgangspunt is dat met een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb geen hulp
kan worden ingekocht bij een persoon binnen de leefeenheid. Immers, als er binnen de leefeenheid een persoon in staat is de benodigde ondersteuning te bieden, dan hoeft er geen maatwerkvoorziening te worden toegekend. En kan de leefeenheid de ondersteuning niet (volledig) bieden, dan is er ondersteuning van buiten de leefeenheid nodig. Bijvoorbeeld omdat de personen binnen de leefeenheid niet over de benodigde expertise beschikken of niet (altijd) beschikbaar zijn. Uitzonderingen hierop zijn alleen denkbaar in situaties waarbij een inwoner bij vrijwel alle ADLactiviteiten afhankelijk is van begeleiding en een persoon of personen uit de leefeenheid deze begeleiding het beste kunnen bieden, maar hierdoor bijvoorbeeld de keuze moeten maken niet meer/minder te gaan werken.
Bijlage 2
Eisen aan formele hulp Wmo op basis van een pgb
In deze bijlage worden criteria gesteld aan personen of aanbieders die op basis van een pgb professionele ondersteuning bieden op grond van de Wmo 2015. Dit noemen we formele hulp. Om te kunnen spreken van formele hulp, moet de persoon of aanbieder voldoen aan de eisen in deze bijlage. Als een aanbieder gebruikt maakt van een onderaannemer, moet ook de onderaannemer voldoen aan de eisen zoals beschreven in deze bijlage. § 1. Algemene kwaliteitseisen 1. De aanbieder moet in staat en geschikt zijn om de opdracht uit te voeren. 2. De aanbieder moet voldoen aan de beroepsbekwaamheidseisen, waaronder diploma-eisen, passend bij de te leveren ondersteuning. Deze eisen zijn uitgewerkt in paragraaf 3 van deze bijlage. 3. De aanbieder staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel met als primaire activiteit het leveren van de noodzakelijke Wmo-ondersteuning. Om dit aan te tonen, moet de aanbieder eenmaal per lopende casus een uittreksel van de KvK overleggen dat niet ouder is dan 6 maanden. 4. De aanbieder kan a.d.h.v. acquisitie bewijzen dat hij daadwerkelijk de gevraagde Wmoondersteuning levert. Dat moet blijken uit bijvoorbeeld zijn website, social media of foldermateriaal. 5. De aanbieder beschikt over een geldige VOG, van toepassing op de sector, van maximaal 6 maanden oud. 6.
De aanbieder moet relevante ervaring hebben in de te leveren maatschappelijke ondersteuning. Dit betekent concreet dat de aanbieder in een kalenderjaar regelmatig ondersteuning levert aan cliënten met een vergelijkbare hulpbehoefte als de te leveren Wmo-ondersteuning. 7. De aanbieder heeft kennis van de lokale sociale kaart. 8. De door de aanbieder te leveren ondersteuning moet veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn. Dit betekent dat in ieder geval aan de volgende eisen wordt voldaan: a. De ondersteuning is gericht op het stimuleren van de zelfredzaamheid van de inwoner, wat onder meer moet blijken uit het pgb-plan en begeleidingsplan; b. de ondersteuning is afgestemd op de reële behoefte van de inwoner en op andere vormen van ondersteuning of hulp die de inwoner ontvangt; c. men is in staat om wijzigingen in de situatie van de inwoner en zijn omgeving te signaleren en indien noodzakelijk adequate vervolgacties te initiëren; d. er is sprake van een goede beheersing van de Nederlandse taal in woord en geschrift, passend bij de werkzaamheden; e. de aanbieder ziet er op toe dat zorgverleners tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard, zoals geldend in de branche. Dit betreft ook het toezien op het gebruik van werkmethoden die planmatig, transparant en controleerbaar zijn; f.
bij klachten van inwoners ten aanzien van gedragingen van aanbieder jegens een inwoner verwijst de aanbieder naar het Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ). 9. De aanbieder voert een personeelsbeleid dat aansluit bij de uitgangspunten van toegankelijkheid en effectiviteit van de ondersteuning voor alle doelgroepen. Dat betekent onder meer dat: a. de aanbieder streeft naar een gezonde verhouding tussen vast- en flexibel personeel om de continuïteit in de ondersteuning te waarborgen. Hiertoe wordt een gezond personeelsbestand opgebouwd waarin er wordt gewerkt met vast en flexibel personeel op basis van structureel benodigde zorguren.
b. de aanbieder zorgt voor een vertrouwde en stabiele relatie tussen inwoner en professional. Personele wisselingen worden zoveel mogelijk beperkt om dit te realiseren. De aanbieder zet zoveel mogelijk dezelfde professionals in bij een inwoner c. De organisatie zoekt naar een optimale balans tussen de inzet van professionals, leerlingen/stagiaires, ervaringsdeskundigen en vrijwilligers. Leerlingen, stagiaires, ervaringsdeskundigen en vrijwilligers kunnen onder begeleiding van een volleerd professional worden ingezet met inachtneming van de redelijke balans tussen volleerd en lerend personeel. d. De inzet van leer- en werkstages en vrijwilligers is altijd aanvullend op en onder aansturing en verantwoordelijkheid van de direct bij de inwoner betrokken professional; e. De aanbieder beschikt over aantoonbaar bekwaam en gekwalificeerd personeel (betaald en onbetaald) voor het uitvoeren van de dienstverlening. De benodigde deskundigheid is vastgesteld per ondersteuningsvorm (zie paragraaf 3). f. De aanbieder waarborgt ten alle tijden de zorgcontinuïteit van de ondersteuning. § 2 Aanvullende criteria voor beschermd wonen en beschermd thuis Voor aanbieders die beschermd wonen of beschermd thuis aanbieden, gelden aanvullend op paragraaf 1 de volgende eisen: 1. de aanbieder beschikt over een goed werkend kwaliteitssysteem.
Dit blijkt uit een certificering in het kader van de HKZ (specifiek gericht op de doelgroep van begeleiding, beschermd wonen en beschermd thuis) of een daaraan vergelijkbaar keurmerk (gericht op de doelgroep van begeleiding, beschermd wonen en beschermd thuis). 2. de aanbieder voorziet in en geeft uitvoering aan de landelijke minimale eisen voor aanbieders met betrekking tot het waarborgen van veilige zorg. Dit betekent dat aanbieder in ieder geval beschikt over: een veiligheidsmanagementsysteem, een systeem ter waarborging van een veilig medicatiebeleid en een alarmeringssysteem bij calamiteiten; 3. de aanbieder raadpleegt de inwoners en/of zijn mantelzorgers periodiek inzake de ervaren kwaliteit van de dienstverlening. Bijvoorbeeld door een systematische CQ meting of het afnemen van een vergelijkbare methodische vragenlijst. § 3 Beroepsbekwaamheidseisen en diploma-eisen per ondersteuningsvorm In onderstaande tabel is opgenomen welke deskundigheidseisen gelden per ondersteuningsvorm. Begeleiding (dit omvat zowel De voorziening begeleiding wordt uitgevoerd door een professional ambulante begeleiding als met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 begeleiding groep) gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Beschermd wonen en Beschermd thuis
Voor beschermd wonen en beschermd thuis dient mbo-geschoold personeel te worden ingezet onder directe aansturing en verantwoordelijkheid van een voldoende gekwalificeerde Hbo-er. De Mbo-opgeleide medewerkers dienen minimaal Mbo-niveau 3 met succes te hebben afgerond in een studierichting die relevant is voor de begeleiding aan deze specifieke doelgroep. Minimaal één van de direct bij de inwoner betrokken hulpverleners beschikt over een relevante Hbo-opleiding, waaronder: Sociale Studies, Sociaal Pedagogische Hulpverlener (SPH), Sociaalpsychiatrisch Verpleegkundige (SPV), Hbo-Verpleegkundige (Hbo-V), relevante InService-opleiding, Maatschappelijk Werker (MW), naast relevante werkervaring met deze doelgroep.
§ 4 Eisen aan begeleidingsplan
Als het gaat om ondersteuning waarvoor een begeleidingsplan is vereist, moet het plan aan de volgende eisen voldoen: 1. Er moet uit blijken dat een brede uitvraag is gedaan, waarbij aandacht is voor alle leefdomeinen (denk aan inkomen, werk en opleiding, tijdsbesteding, huisvesting, vaardigheden bij activiteiten van het dagelijks leven (ADL), sociaal netwerk (en woonomgeving) en maatschappelijke participatie). 2. Het plan moet perspectiefgericht zijn. Doelen zijn geformuleerd die duidelijk, concreet en haalbaar zijn en die niet alleen perspectief bieden op de langere termijn, maar zich ook richten op praktische, snelle resultaten. Activiteiten zijn geformuleerd gericht op het behalen van de korte- en lange termijn doelen met een duidelijke prioritering. 3. De informele en formele betrokkenen zijn in kaart gebracht. Afspraken over de afstemming tussen de betrokkenen zijn gemaakt. Beschreven wordt wie de regie voert: cliëntsysteem, casemanagement door de aanbieder of gemeentelijke toegangspoort. 4. In het plan is een goede balans tussen formele en informele zorg opgenomen. Bovendien wordt in het plan goed beschreven hoe wordt samengewerkt met het sociale netwerk en hoe gebruik wordt gemaakt van algemene voorzieningen en informele voorzieningen in de samenleving (verenigingen en vrijwilligersorganisaties). 5.
De mogelijkheden voor deelname aan gewone maatschappelijke activiteiten worden onderzocht en gestimuleerd. Dat betekent dat er kennis van de sociale kaart nodig is. 6. In het plan staat beschreven hoe wordt gewerkt aan versterking van de eigen regie van de inwoner en aan versterking van zijn/haar sociale netwerk. Het eigen denkvermogen (leervermogen) wordt aangesproken en de inwoner is, naar vermogen, eigenaar en regisseur van zijn eigen plan.
Bijlage 3
Beoordelingskader eigen kracht jeugdhulp
Voor een zorgvuldig onderzoek naar gevraagde jeugdhulp moet de gemeente het stappenplan zoals vastgesteld door de Centrale Raad van Beroep volgen. Tijdens stap 4 onderzoekt het college in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van het gezin toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Onder eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt verstaan het vermogen van de jeugdige en diens ouder(s) om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het omringende sociale netwerk en/of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige. Dit wordt ook wel eigen kracht genoemd. In de jeugdwet (artikel 2.3 lid 1) staat dat het college geen jeugdhulp hoeft in te zetten voor zover er een oplossing op eigen kracht is. Uitgangspunt: verantwoordelijkheid voor gezond en veilig opgroeien ligt bij jeugdige en ouders zelf Ouders zijn primair zelf verantwoordelijk voor het opgroeien en opvoeden van hun kinderen. Deze verplichting voor ouders is vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek (artikel 82 en 247 van Boek 1 van het BW). V. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden. Dit geldt ook als er sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking.
De overheid dient ervoor te waken zorgtaken van mensen en hun verbanden over te nemen. Ze komt pas in beeld als de ouders problemen ondervinden, als de opvoeding- en leefsituatie de ontwikkeling van kinderen bedreigt en de overheid de ouders dient te helpen om deze voorwaarden te vervullen (zie TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 128, evenals ECLI:NL:CRVB:2024:1095).
Dit uitgangspunt betekent dat de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk voorop staan. Een Jeugdhulp-indicatie voor een (tijdelijke of langdurige) inzet van een voorziening is niet aan de orde, tenzij: a. In het gezin of huishouden als gevolg van het bieden van deze hulp sprake is van (dreigende en/of tijdelijke) overbelasting; b. De inwoner en leden uit het gezin en/of huishouden de hulp niet zelf kunnen bieden omdat de mogelijkheden of vaardigheden hiervoor ontbreken en deze niet aan te leren zijn. Inzet kan ook gericht zijn op het aanleren van vaardigheden aan huisgenoten om vervolgens zelf de hulp te kunnen bieden; c. Op basis van specifieke individuele kenmerken de hulp niet geboden kan worden; d. Toekenning van een voorziening nodig is, al dan niet tijdelijk, om ervoor te zorgen dat degene van wie de noodzakelijke hulp wordt verwacht binnen de grenzen van de redelijkheid kan (blijven) werken/ en-of participeren. Als sprake is van één van bovengenoemde situaties kan er aanvullend op de eigen kracht een individuele voorziening worden toegekend. De ondersteuning ingevolge de individuele voorziening wordt dan verricht door een derde (zorgaanbieder of persoon buiten de leefeenheid van de jeugdige).
Dreigende overbelasting Er kunnen diverse factoren van invloed zijn op de draagkracht en belastbaarheid van ouders en daarmee het risico op overbelasting. Denk bijvoorbeeld aan de samenstelling van het gezin, de woonsituatie, de gezondheid van gezinsleden en werkaspecten. Het is van belang om bij de
beoordeling van de eigen kracht hiermee rekening te houden, omdat dit de mate van eigen kracht kan beïnvloeden. Hebben ouders bijvoorbeeld de zorg over meerdere kinderen met een Zorgvraag? Is er sprake van twee ouders/verzorgers of is één persoon verantwoordelijk voor de zorg en opvoeding van de jeugdige(n)? Kunnen er taken worden herverdeeld waardoor b.v. de ouder die de zorg biedt hierin wordt ontlast? Hierbij mag ook worden gekeken naar de vraag wat van andere kinderen binnen het gezin mag worden verwacht. Dit is afhankelijk van de leeftijd en het individu. Bij het onderzoek naar eigen kracht wordt vastgesteld welke mogelijkheden de ouder heeft om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperkt(en) en betaalde arbeid anders organise(ren)ert om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Bij een aanvraag voor verlenging van de indicatie wordt gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen. Bij de zorgtoewijzing wordt hier rekening mee gehouden.
De relatie tussen eigen kracht en pgb Als de ondersteuningsbehoefte niet volledig op eigen kracht kan worden ingevuld, dan kan er binnen de gestelde kaders- een maatwerkvoorziening worden toegekend. Het uitgangspunt is dat met een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb geen hulp kan worden ingekocht bij de ouder(s). Immers, als de ouder(s) in staat zijn de benodigde ondersteuning te bieden, dan hoeft er geen jeugdhulpvoorziening te worden toegekend. Een pgb is tenslotte niet bedoeld om verlies van inkomen op te vangen of inkomen aan te vullen. Jeugdhulp (al dan niet in de vorm van een pgb) is alleen aan de orde als de jeugdige de noodzakelijke ondersteuning anders niet zou kunnen krijgen. Ook is een pgb geen oplossing voor overbelasting, als er verder niets verandert in de situatie. Door een pgb wordt de zorgtaak niet minder. Kunnen ouders de ondersteuning niet (volledig) bieden, dan is er ondersteuning van buiten nodig. Bijvoorbeeld omdat ouder(s) niet over de benodigde kennis of vaardigheden beschikken of niet (altijd) beschikbaar zijn.
Een uitzondering op dit uitgangspunt is alleen mogelijk als er sprake is van de volgende combinatie van omstandigheden: • In een gezin is sprake van een forse zorgtaak voor ouders, samenhangend met de (complexe) problematiek van de jeugdige en; • Uit het onderzoek blijkt dat inzet van een maatwerkvoorziening ter ontlasting van de ouders noodzakelijk is. Er zijn dus geen andere oplossingen voor de (dreigende) overbelasting, zoals aanpassingen in werk, nevenactiviteiten, inzet van (specialistische) kinderopvang (dagopvang en naschools), logeeropvang, inzet van netwerk etc. en; • Er is onplanbare zorg nodig, die vraagt om flexibiliteit en voortdurende beschikbaarheid van ouders. Denk aan zorg die ook ’s avonds, ’s nachts en in de weekenden nodig is en/of opvang/hulp? Bij (veelvuldige) schooluitval door de ziekte of beperking van de jeugdige en; • De aard van de beperking maakt het noodzakelijk dat de zorg door de ouders wordt verleend, bijvoorbeeld omdat de jeugdige door zijn beperking vreemden niet goed toelaat en een vaste, vertrouwde en altijd beschikbare hulpverlener vereist is. Als in deze situaties een pgb wordt toegekend, gebeurt dit zo kort mogelijk, tot zich een andere oplossing voordoet. Het streven blijft immers om ouders te ontlasten van de zorg door inzet van een derde. Het bepalen van de omvang van het pgb is hierbij maatwerk.
De toegangsmedewerker gaat daarbij als volgt te werk:
•
•
De ouders maken een overzicht van de hulpactiviteiten per dag en per week, en de hiermee gemoeide tijd. Het gaat om de activiteiten die nodig zijn vanwege de specifieke problematiek van de jeugdige (en dus niet om alle reguliere opvoedingstaken). De toegangsmedewerker beoordeelt vervolgens of de activiteiten inderdaad jeugdhulp zijn. Vervolgens wordt bepaald welke activiteiten onder de taken van elke ouder vallen en welke activiteiten specifiek samenhangen met de problematiek van de jeugdige. Ook zal de toegangsmedewerker voor elk van de activiteiten beoordelen of deze noodzakelijk zijn en welke tijd hiermee gemoeid is. De toegangsmedewerker zal daarbij oog hebben voor mogelijkheden om activiteiten op een meer praktische en tijdbesparende manier op te pakken. Het professionele oordeel van de toegangsmedewerker is daarbij altijd leidend.
Eigen kracht en vervoer naar jeugdhulp Een maatwerkvoorziening omvat, als dat noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, ook het vervoer van de jeugdige van en naar de locatie waar jeugdhulp wordt geboden. Dat is geregeld in artikel 2.3 lid 2 Jeugdwet. Ook bij dit vervoer geldt het in uitgangspunt van eigen kracht, tenzij.. . Ouders zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. Soms kunnen jeugdigen ook zelf er naartoe reizen. Het is normaal dat ouders hun kinderen brengen naar school, kinderopvang, ziekenhuis, sportclub en ook naar een jeugdhulpaanbieder, of dat er binnen het netwerk een oplossing gevonden wordt. Er wordt hiervoor geen kilometervergoeding verstrekt. Er kunnen omstandigheden zijn waardoor ouders en netwerk niet in staat zijn het vervoer (volledig) te organiseren. Het college stelt vast of een vervoersbeschikking nodig is.
Bij de beoordeling spelen de volgende factoren een rol: • of de jeugdige in staat is om zelf te reizen; • of er meerdere kinderen in het gezin zijn waardoor er planningsproblemen zijn; • de aanwezigheid van een auto en de mogelijkheid voor gebruik van het openbaar vervoer; • de afstand en de tijd die nodig is voor het vervoer; • de vraag of er een jeugdhulpvoorziening dichterbij is die ook geschikt is; • het tijdstip waarop de ritten uitgevoerd moeten worden; • het aantal dagen dat vervoer nodig is; • draagkracht en draaglast in het gezin en van het netwerk. Als uit het onderzoek blijkt dat vervoer noodzakelijk is, wordt onderzocht of onderdeel van het behandel- of begeleidingsplan kan zijn om toe te werken naar zelfstandig vervoer door de jeugdige zelf of vervoer vanuit het eigen netwerk. Als ouders en netwerk niet volledig kunnen zorgen voor het vervoer, is het ook mogelijk om gedeeltelijk vervoer toe te kennen. Dus bijvoorbeeld voor 2 dagdelen jeugdhulp wel vervoer en voor 2 dagdelen jeugdhulp geen vervoer. Vervoer van en naar de locatie waar jeugdhulp wordt geboden is niet alleen mogelijk vanuit de woonlocatie van de jeugdige, maar bijvoorbeeld ook vanuit school of een dagbestedingslocatie.
Overgangssituaties Jeugdwet Een verlenging van een toekenning is een nieuwe situatie, die wordt beoordeeld aan de hand van dit afwegingskader. Toch kunnen zich situaties voordoen waarin het niet behoorlijk is om ondersteuning (in natura of in de vorm van een pgb) ineens te beëindigen. Er is dan een periode nodig voor de
jeugdige en/of het systeem om zich voor te bereiden op de nieuwe situatie waarin minder of geen ondersteuning vanuit de Jeugdwet wordt geboden (een gewenningsperiode). Een gewenningsperiode is altijd maatwerk en afhankelijk van de impact van de afbouw van de ondersteuning op het gezin. Als stelregel geldt echter dat afbouw plaatsvindt binnen een periode van zes maanden.