CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

RN 011 APV 5e wijziging geconsol. eindversie 5 geamendeerd

Gemeenteraad 11 maart 2025, gemeente HelmondBij agendapunt: 5e wijziging Algemene plaatselijke verordening Helmond 202023.053 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het verbod geldt niet: a. voor woonschepen die een ligplaats innemen waar dit op grond van artikel 5.3.2 is toegestaan; b. voor woonwagens met een woonbestemming; c. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd; d. op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4.5.3 zijn aangewezen. 4. Mensen die noodgedwongen buiten slapen worden niet beboet. Artikel 2.4.17 Loslopende honden (artikel 2:57 VNG) 1. Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond, alsmede degene die een hond onder zijn hoede heeft, verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 18 van 47

a. onaangelijnd binnen een door het college aangewezen gebied; b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op andere door het college aangewezen plaatsen; c. op openbare plaatsen te laten verblijven of te laten lopen zonder halsband voorzien van naam en adres van de eigenaar, houder of verzorger. 2. Van het verbod zoals gesteld in het eerste lid onder a zijn, indien het een bosgebied betreft, vrijgesteld de leden van een vereniging, die zich de africhtingssport van honden ten doel stelt, uitsluitend voor zover het de aan de vereniging toegewezen afgebakende oefenterrein betreft. 3. Het college kan, al dan niet onder het stellen van voorschriften, ontheffing verlenen van het gestelde in het eerste lid onder a, onder meer ten behoeve van africhtingsexamens of oefeningen daarvoor, dan wel indien het revierterreinen van hondenverenigingen betreft. 4. Van het verbod als gesteld in het eerste lid onder b zijn vrijgesteld de bewoners van woningen, welke direct grenzen aan de aangewezen plaats of die daarbinnen woonachtig zijn en deze plaats moeten betreden om hun woning te bereiken of te verlaten. 5. De verboden als gesteld in het eerste lid onder a en b gelden niet voor de eigenaar of houder van een hond: a.

die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. 6. Op de ontheffing als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2.4.18 Verontreiniging door honden (artikel 2:58 VNG) 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. De eigenaar, houder of verzorger van een hond is verplicht tijdens het verblijf met die hond op een openbare plaats in het bezit te zijn van een zakje dat geschikt is voor de verwijdering van uitwerpselen. 4. Onder verwijderen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: het afvoeren van de uitwerpselen naar het huisperceel van degene, als bedoeld in het eerste lid, alsmede het deponeren van de uitwerpselen in een hondenpoepbak of afvalbak. 5.

Het eerste en derde lid gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of voor zover een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. Artikel 2.4.19 Gevaarlijke honden (artikel 2:59 VNG) 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2 . De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c.

zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. Artikel 2.4.20 Gevaarlijke honden op eigen terrein (artikel 2:59a VNG) 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2.4.19, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 19 van 47

2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en c. het terrein voorzien is van een hoge en deugdelijke afrastering en de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Artikel 2.4.21 Bedelarij (artikel 2:65 VNG) Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

Afdeling 5

Bestrijding van heling van goederen

Artikel 2.5.1 Definitie (artikel 2:66 VNG) In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister (artikel 2:67 VNG) 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onmiddellijk: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter van het Wetboek van Strafrecht (artikel 2:68 VNG) De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a.

de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1o. dat deze het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2o. van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen; 3o. dat deze het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4o. dat deze enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 20 van 47

Afdeling 6

Consumentenvuurwerk

Artikel 2.6.1 Definitie (artikel 2:71 VNG) In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Artikel 2.6.2 Ter beschikking stellen consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen (artikel 2:72 VNG) 1 Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college 2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2.6.3 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling (artikel 2:73 VNG) 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De verboden zijn niet van toepassing op vuurwerk van categorie F1 en in situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1o, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2.6.3a Schieten met carbid of soortgelijke stoffen 1.

Het is verboden binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom acetyleengas afkomstig van een reactie tussen carbid (calciumacetylide) en water of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden of er een voorwerp mee af te schieten. 2. Het is verboden om op een openbare plaats carbid of een andere in het eerste lid genoemde stof voorhanden te hebben, te vervoeren of onbeheerd achter te laten. 3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op degene die aannemelijk maakt dat hij die stof of stoffen nodig heeft in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. 4. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.

Afdeling 7

Drugsoverlast

Artikel 2.7.1 Drugshandel op straat (artikel 2:74 VNG) Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2.7.2 Openlijk drugsgebruik (artikel 2:74a VNG) Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 21 van 47

Afdeling 8

Bestuurlijke ophouding

Artikel 2.8.1 Bestuurlijke ophouding (artikel 2:75 VNG) De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2.1.1.1, 2.1.1.2, 2.1.5.1, 2.1.5.2, 2.2.1.3, 2.2.2.7, 2.2.2.8, 2.2.2.9, 2.4.8, 2.4.9, 2.4.10, 2.4.10a, 2.4.11 2.6.3, 2.6.3a en 5.5.1 van deze verordening groepsgewijs niet naleven.

Afdeling 9

Veiligheidsrisicogebieden

Artikel 2.9.1 Veiligheidsrisicogebieden (artikel 2:76 VNG) De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Afdeling 10

Cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2.10.1 Cameratoezicht op openbare plaatsen (artikel 2:77 VNG) 1. De burgemeester kan op grond van artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid ook voor andere voor het publiek toegankelijke plaatsen.

Afdeling 11

Woonoverlast

Artikel 2.11.1 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet (artikel 2:79 VNG) 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in de woning of op het erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van de woning of het erf; of e. intimidatie van derden vanuit de woning of op of vanaf het erf.

APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 22 van 47

Afdeling 12

Toezicht op bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen

Artikel 2.12.1 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat (artikel 2:81 VNG) 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit; c. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf die niet valt onder de vergunningplicht als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2.1.3.2 en 3.2.1. 2. De burgemeester kan gebouwen of bij die gebouwen behorende erven, gebieden en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen: a.

in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteit; of b. indien het op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; e. indien er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan; g.

indien een of meer beheerders binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. als gevolg van de bedrijfsmatige activiteit de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; b. als gevolg van de bedrijfsmatige activiteit de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de voorschriften uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; f. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; g.

er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; h. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 23 van 47

j. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan. 6. De burgemeester kan een gebouw of een bij dat gebouw behorend erf sluiten als: a. de bedrijfsmatige activiteit in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt uitgeoefend; b. de vergunning is ingetrokken; of c. de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet worden nagekomen. 7. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten gebouw of erf te betreden of daarin te verblijven. 8. De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 9. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. 10. Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder aanwezig is.

11.In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 12.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2.12.2 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf (artikel 2:80 VNG) 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2.3.1.10, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet. 3. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. 4.

Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 5. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester. 6. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 24 van 47

HOOFDSTUK 3

Afdeling 1

REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN

Algemene bepalingen

Artikel 3.1.1 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een (raam)prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotischemassagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; f.

beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; g. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: 1º de exploitant; 2º de beheerder; 3º de prostituee; 4º het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; 5º toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening; 6º andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Artikel 3.1.3

Nadere regels

Met het oog op de openbare orde belangen en de belangen genoemd in artikel 3.3.2, tweede lid, kan het college nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in dit hoofdstuk.

Afdeling 2

Seksinrichtingen, escortbedrijven, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke

Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen en escortbedrijven 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen. 2. Het college kan gebieden of delen van de gemeente aanwijzen waar het niet is toegestaan om een seksinrichting te exploiteren.

APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 25 van 47

3. Het bevoegde bestuursorgaan kan voor maximaal twee seksinrichtingen vergunning verlenen voor zover deze seksinrichtingen niet zijn gelegen in een gebied of deel van de gemeente dat is aangewezen ingevolge het tweede lid. 4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid kan het bevoegde bestuursorgaan voor maximaal één seksbioscoop vergunning verlenen. 5. Geen vergunning wordt verleend voor seksinrichtingen zijnde raamprostitutiebedrijven. 6. Het college kan ten aanzien van escortbedrijven bepalen dat er een maximum aantal vergunningen wordt verleend. 7. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; en c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf. 8. Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder 1. De exploitant en de beheerder: a. staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en c. heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. 2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: a.

met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland (inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustasius) Aruba, Curaçao en Sint-Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; c.

binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1º bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen en Hoofstuk 3 van de Algemene plaatselijke verordening Helmond; 2º de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3º artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4º de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 en artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5º de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6º de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid , onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt; b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a.

bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of

APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 26 van 47

waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft. Artikel 3.2.3 Sluitingstijden seksinrichtingen 1. Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een vergunningvoorschrift voor een seksinrichting sluitingstijden vaststellen. 2. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4, eerste lid, gesloten dient te zijn. 3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de Omgevingswet. Artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting 1. Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3.3.2, tweede lid, of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: a. tijdelijk andere dan de in de vergunningvoorschriften opgenomen sluitingsuren vaststellen; b. de seksinrichting al dan niet tijdelijk gedeeltelijk of volledig sluiten. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend. Artikel 3.2.5 Aanwezigheid en toezicht door exploitant en beheerder 1.

Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel 3.2.6 Straatprostitutie 1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, te trachten als prostituee de aandacht van passanten op zich te vestigen. 2. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te begeven. Artikel 3.2.7

(vervallen)

Artikel 3.2.8

Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen e.d. 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2. Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 27 van 47

Afdeling 3

Beslistermijn en weigeringsgronden

Artikel 3.3.1 Beslistermijn 1. Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden 1. De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan; c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; d. er door vergunningverlening meer vergunningen verleend zouden worden dan het door het bevoegd bestuursorgaan bepaalde maximum aantal vergunningen. 2. Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; c.

de veiligheid van personen of goederen; d. de verkeersvrijheid- of veiligheid; e. de volksgezondheid of zedelijkheid; of f. de arbeidsomstandigheden van de prostituee.

Afdeling 4

Beëindiging exploitatie en wijziging beheer

Artikel 3.4.1 Beëindiging exploitatie 1. De vergunning vervalt zodra de op de vergunning vermelde exploitant de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel 3.4.2 Wijziging beheer 1. Indien de beheerder het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 2. Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder of nieuwe beheerders, indien de exploitant het bevoegd bestuursorgaan hiervan vooraf in kennis heeft gesteld en het bevoegd bestuursorgaan de kennisgeving heeft aanvaard, dan wel na de kennisgeving zes weken zijn verstreken.

APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 28 van 47

HOOFDSTUK 4

Afdeling 1

BESCHERMING VAN MILIEU EN NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting

Artikel 4.1.1 Definities (artikel 4:1 VNG) In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; b. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4.1.2 tot en met 4.1.5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; f. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; g. gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel 4.1.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten (artikel 4:2 VNG) 1.

De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4.1.4a van deze verordening gelden niet voor horeca inrichtingen voor de volgende collectieve festiviteiten: a. Carnaval: - carnavalsvrijdag vanaf 17.00 uur; - carnavalszaterdag t/m dinsdag vanaf 10.00 uur. b. Koningsnacht vanaf 13.00 uur en Koningsdag vanaf 09.00 uur. c. Jaarwisseling op 31 december vanaf 17.00 uur en op 1 januari tot 09.00 uur. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3:148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 85 dB(A)/100 dB(C), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7.

De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4.1.4a van deze verordening - uiterlijk om 24.00 uur beëindigd en op dagen dat een zaterdag, zondag of erkende feestdag volgt uiterlijk om 01.00 uur. Artikel 4.1.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten (artikel 4:3 VNG) 1. Het is een houder van een inrichting gelegen binnen een horecaconcentratiegebied als bedoeld in artikel 4.1.6 van deze verordening toegestaan op maximaal zes dagen per kalenderjaar en een houder van een inrichting elders in de gemeente op maximaal tien dagen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a van het Besluit en artikel 4.1.4a van deze verordening niet van

APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 29 van 47

toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2. Het is een houder van een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf dagen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3:148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 85 dB(A)/100 dB(C) gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie.

Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2:19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4.1.4a van deze verordening - uiterlijk om 24.00 uur beëindigd en op dagen dat een zaterdag, zondag of erkende feestdag volgt uiterlijk om 01.00 uur. 9. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in het bebouwde gedeelte van de inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel 4.1.4

(vervallen)

Artikel 4.1.4a Onversterkte muziek (artikel 4:5 VNG) 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. e.

Tabel 7.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 7.00 uur LAr,LT op de gevel van 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) geluidsgevoelige gebouwen LAr,LT in in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen LAmax in in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

2. Voor de duur van 8 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 30 van 47

3. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing. 4. Het eerste lid geldt niet voor collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4.1.2 of artikel 4.1.3. Artikel 4.1.4b Geluidhinder door dieren (artikel 4:5c VNG) Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. Artikel 4.1.5 Overige geluidhinder (artikel 4:6 VNG) 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod geldt niet in situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel 4.1.6 Aanwijzing horecaconcentratiegebied Het college kan delen van de gemeente aanwijzen als concentratiegebied voor horeca-inrichtingen als bedoeld in artikel 2.19a van het Besluit, zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 4.1.7 Verbod ballonnen op te laten 1.

Het is verboden ballonnen op te laten stijgen. 2. In het eerste lid wordt onder een ballon verstaan: elke onbemande ballon of huls die door middel van helium, open vuur of andere gassen in de lucht wordt gebracht, waarbij de richting en/of de hoogte van de ballon niet door menselijk ingrijpen kan worden bepaald.

Afdeling 2

Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4.2.1 Natuurlijke behoefte doen (artikel 4:8 VNG) Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Afdeling 3

Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4.3.1 Definities (artikel 4:10 VNG) 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen; b. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; c. puntelement: een solitaire boom of boomgroep; d. lijnelement: een bomenlaan, bomenrij of houtwal; e. vlakelement: een gebied. 2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Artikel 4.3.2 Aanwijzing elementen 1. Het college wijst puntelementen, lijnelementen en vlakelementen aan op grond van leeftijd, conditie, zeldzaamheid en locatie van de houtopstand. Voorts kan aanwijzing plaats vinden in verband met de beeldbepalende, cultuurhistorische, dendrologische, economische, ecologische of milieuwaarde van de houtopstand.

APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 31 van 47

2. De ingevolge het eerste lid aangewezen vlakelementen, lijnelementen en puntelementen worden aangegeven op een bomenkaart en beschreven in een boomcatalogus. Artikel 4.3.3 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (artikel 4:11 VNG) 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan aangegeven op de bomenkaart en zijn beschreven in de boomcatalogus. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing: a. op houtopstand die in verband met dunnen moet worden geveld; b. als de burgemeester toestemming verleent voor het onmiddellijk vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een acuut gevaar voor personen of goederen; c. op het vellen van houtopstanden die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd. 3. Het in het eerste lid genoemde verbod is verder niet van toepassing op: a. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; b. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; c. kweekgoed; d. uit populieren of wilgen bestaande: 1°. wegbeplantingen; 2°. beplantingen langs waterwegen, en 3°. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; e. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1°.

ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2°. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3°. zijn aangelegd na 1 januari 2013. 4. Het bevoegd gezag kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid verlenen indien: a. de houtopstand een gevaar oplevert voor de veiligheid; b. de houtopstand zwaarwegende overlast veroorzaakt; c. het vellen van de houtopstand noodzakelijk wordt geacht voor een goede agrarische bedrijfsvoering; of d. in afweging van alle betrokken belangen het algemeen belang prevaleert; e. ingevolge artikel 4.3.8 juncto artikel 5:42, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek de boom te dicht bij de erfgrens staat. 5. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 6. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

Artikel 4.3.4 Aanvraag omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning kan alleen worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken. Artikel 4.3.5 Herplantplicht zonder omgevingsvergunning en instandhoudingsplicht 1. Indien de houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in artikel 4.3.3 van toepassing is, zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen en binnen een door hem te stellen termijn.

APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 32 van 47

2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen. 3. Indien het voortbestaan van de houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in artikel 4.3.3 van toepassing is ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen en binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die dreiging wordt weggenomen. Artikel 4.3.7 Bestrijding iepziekte 1. De rechthebbende op een terrein waarop zich een of meerdere iepen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is - na daartoe door het bevoegd gezag te zijn aangeschreven en binnen de in de aanschrijving genoemde termijn verplicht: a. deze iepen te vellen voor zover deze in de grond staan; b. deze iepen te ontbasten en de bast te vernietigen of c. de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen dan wel zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. 2.

Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Dit verbod is niet van toepassing op geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm. 3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel 4.3.8 Afstand van de erfgrens De afstand als bedoeld in artikel 5:42, tweede lid Burgerlijk Wetboek bedraagt: a. voor bomen: 0,5 meter; b. voor heesters en heggen: nihil

Afdeling 4

Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4.4.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke (artikel 4:13 VNG) 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4.5.1 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Artikel 4.4.2 Handelsreclamegebied In deze afdeling wordt verstaan onder handelsreclamegebied: een gebied zoals weergegeven op de bij deze verordening behorende kaart (zie bijlage 4).

APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 33 van 47

Artikel 4.4.2a Omgevingsvergunning handelsreclame (artikel 4:15 VNG) 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak en zichtbaar vanaf een openbare plaats of op een openbare plaats handelsreclame te maken of te voeren, of te laten maken of te voeren, door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding. 2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. indien de handelsreclame op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. ter voorkoming van hinder voor de omgeving. 3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor: a. handelsreclame op gevels van panden gelegen buiten de door het college aangewezen handelsreclamegebieden, voor zover wordt voldaan aan de door het college vastgestelde nadere regels; b. overige door het college aangewezen handelsreclame, voor zover wordt voldaan aan de door het college vastgestelde nadere regels; c. voorwerpen op of aan de openbare weg als bedoeld in artikel 2.1.5.1 van deze verordening. 4. Het in het eerste lid genoemde verbod is niet van toepassing op handelsreclame: a. in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die kennelijk niet gericht is op zichtbaarheid vanaf de weg; b. op zuilen, borden, muren of andere constructies, aangewezen door de overheid; c.

die betrekking heeft op een openbare verkoop of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak en voor zolang deze feitelijke betekenis heeft; d. die betrekking heeft op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, voor zover deze geplaatst is op eigen terrein en voor zolang deze feitelijke betekenis heeft; e. dienstbaar aan het openbaar vervoer.

Afdeling 5

Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 4.5.1 Definitie (artikel 4:17 VNG) In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4.5.2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen (artikel 4:18 VNG) 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht. Artikel 4.5.3 Aanwijzing kampeerplaatsen (artikel 4:19 VNG) 1. Artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4.5.2, vierde lid.

APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 34 van 47

HOOFDSTUK 5

ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE

Afdeling 1

Parkeerexcessen en stopverbod

Artikel 5.1.1

(vervallen) (artikel 5:1 VNG)

Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke (artikel 5:2 VNG) 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon. 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van vijfentwintig meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de ontheffing als bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.1.2a Te koop aanbieden van voertuigen (artikel 5:3 VNG) 1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod verlenen. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5.1.3 Defecte voertuigen (artikel 5:4 VNG) Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 5.1.4 Voertuigwrakken (artikel 5:5 VNG) 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod geldt niet op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 5.1.5 Kampeermiddelen en andere voertuigen (artikel 5:6 VNG) 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben; b.

te plaatsen of te hebben in de openlucht op particulier terrein voor zover zichtbaar vanaf een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

APV Helmond 2020 geconsolideerde versie na 5e wijziging (inclusief aangenomen amendementen).

Blz. 35 van 47

Artikel 5.1.5a

(Vervallen)

Artikel 5.1.6 Reclamevoertuigen (artikel 5:7 VNG) 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5.1.7 Parkeren van grote voertuigen (artikel 5:8 VNG) 1. Het is verboden binnen de bebouwde kom een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren, behoudens op de door het college aangewezen plaatsen, waar dit parkeren naar zijn oordeel niet schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente of niet buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met zaterdag, dagelijks van 05.00 tot 18.00 uur. 3. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 4.

Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt voertuigen als bedoeld in artikel 5.1.5, eerste lid voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg worden geplaatst of gehouden. 5. Op de ontheffing als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5.1.8 Uitzichtbelemmerende voertuigen (artikel 5:9 VNG) 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2.4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 5.1.9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15046733/4