RN 004 Bijlage 3 Handhavingsprotocol Gemeente Helmond
Tekst van het document
2024
AFSPRAKEN OVER HANDHAVING VAN
INTEGRITEIT
INLEIDING Dit handhavingsprotocol bevat afspraken tussen politieke ambtsdragers in Helmond over de onderlinge handhaving van integriteit, met aandacht voor de rolverdeling en de te volgen procedure bij vermeende integriteitsschendingen. Deze afspraken beogen houvast en een toetssteen te bieden voor een zorgvuldig ingericht proces. Zij geven daarmee blijk van onze kernwaarden: we onderschrijven het belang een integere overheid, we zijn bereid verantwoordelijkheid te nemen en we kijken om naar elkaar.
vast staan. Het gevolg is dat er sprake is van willekeur, dat individuele politici die onder verdenking komen te staan grote schade oplopen en dat de geloofwaardigheid van de politiek wordt aangetast. Het is daarom zaak dat alle betrokkenen bij een integriteitskwestie de grootst mogelijke terughoudendheid betrachten en de kwestie niet in een te vroeg stadium in de publiciteit brengen. Daaruit volgt ook dat in alle stadia van de afhandeling van een kwestie de groep die erbij betrokken wordt zo klein mogelijk moet zijn. Als er uiteindelijk werkelijk van een integriteitsschending sprake blijkt te zijn en er een oordeel is gevormd over de ernst daarvan en over een passende sanctie, mag en moet de kwestie natuurlijk wel naar buiten worden gebracht. We nemen onze verantwoordelijkheid.
In de handhaving van integriteitsnormen is een drietal beginselen leidend: onpartijdige handhaving, zorgvuldigheid tegen de melder en de betrokken politieke ambtsdrager en terughoudendheid met publiciteit. Het beginsel van onpartijdige handhaving geeft blijk van het besef dat integriteit te kostbaar is om inzet te laten zijn van partijpolitiek. Uit het beginsel van ‘onpartijdige handhaving’ volgt dat politiek ambtsdragers van alle partijen vanuit het belang van een integere overheid de discipline zouden moeten opbrengen om bij de beoordeling van integriteitkwesties boven de partijen te gaan staan.
In Helmond kijken we om naar elkaar. Iedereen die te goeder trouw een vermoeden meldt of mogelijk een schending heeft begaan heeft er recht op dat er uiterste zorgvuldigheid wordt betracht in alle fasen van de handhaving. Wij moedigen politiek ambtsdragers aan om eigen dilemma’s en twijfels bespreekbaar te maken en andere politiek ambtsdragers waar mogelijk eerst zelf aan te spreken als het hun handelen betreft.
In Nederland wordt de politiek kritisch gevolgd door de media. Dat is een groot goed. Bij vermeende integriteitschendingen van politici kunnen al snel negatieve beelden een rol spelen, voordat de feiten
2
1. ALGEMENE BEPALINGEN
ARTIKEL 1.1 LEIDENDE BEGINSELEN
b. Zorgvuldigheid tegenover melder en betrokken politiek ambtsdrager: de melder die te goeder trouw een melding doet en de politiek ambtsdrager tegen wie de melding is gericht, verdienen een zorgvuldige behandeling. Vermeden wordt dat de melder die te goeder trouw meldt benadeling ondervindt en dat de politiek ambtsdrager tegen wie de melding is gericht onnodig beschadigd raakt buiten eigen toedoen. c. Terughoudendheid met publiciteit: vermeend niet-integer handelen kan leiden tot media-aandacht. Vermeden wordt dat onnodige beschadiging optreedt van personen die bij de omgang met twijfels of vermoedens betrokken zijn.
1. Politieke ambtsdragers worden aangemoedigd om integriteitsdilemma's en twijfels over hun eigen handelen te bespreken met de burgemeester en/of de griffier, zodat samen het handelingsperspectief kan worden bepaald en het handelen transparant en controleerbaar is. 2. Politieke ambtsdragers worden aangemoedigd om integriteitsdilemma's en twijfels over het handelen van een ander te bespreken met de betreffende persoon zelf. Is dit redelijkerwijs geen optie of bestaat er verschil van inzicht, dan kunnen de betrokken politieke ambtsdragers advies inwinnen bij de burgemeester en/of de griffier. Is sprake van een vermoeden van een integriteitsschending dan kunnen de politieke ambtsdragers melding doen bij de burgemeester. 3. Bij vermoedens van vermeend nietinteger handelen zijn drie beginselen leidend: a. Onpartijdige handhaving: handhaving van integriteitsnormen geschiedt op een objectieve, navolgbare wijze, om recht te doen aan personen en om bij te dragen aan het collectieve belang van de gemeente Helmond als geheel. Vermeden wordt dat de omgang met twijfels of vermoedens van vermeend niet-integer handelen wordt gekleurd door partijpolitieke belangen of andere vormen van vooringenomenheid.
ARTIKEL 1.2 COMMUNICATIE 1. Indien communicatie intern of extern gewenst is, draagt de burgemeester hier zorg voor. Overige betrokken personen onthouden zich van openbaar commentaar gedurende de uitvoering van (voor)onderzoek en verwijzen zo nodig naar de burgemeester. 2. Voor de interne en externe communicatie worden de verschillende belangen, voornamelijk het belang van het onderzoek, het belang van het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van de in het onderzoek betrokken personen en het belang van transparant bestuur, nauwkeurig afgewogen.
3
ARTIKEL 1.3 AANGIFTE BIJ VERMOEDENS VAN EEN STRAFBAAR FEIT Als er in enige fase van de behandeling van de melding een vermoeden is van een misdrijf kan de burgemeester, na raadpleging van het fractievoorzittersoverleg, aangifte doen bij de politie. Raadpleging van het fractievoorzittersoverleg hoeft niet plaats te vinden als de raad na behandeling van een onderzoeksrapport besluit dat aangifte wordt gedaan. Vanaf dat moment wordt alle informatie voorgelegd aan de politie, eventueel na overleg met de officier van justitie.
4
2. PROCESSTAPPEN RONDOM MELDINGEN
ARTIKEL 2.1 INDIENEN VAN EEN MELDING
6. De melder ontvangt binnen vijf werkdagen na zijn melding een formele, schriftelijke ontvangstbevestiging waarin de melder ook wordt gevraagd niet de publiciteit te zoeken met betrekking tot de melding om de persoonlijk levenssfeer van de betrokken politiek ambtsdrager te beschermen in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek. 7. Meldingen over de burgemeester worden via de griffier schriftelijk gedaan bij de klankbordgroep burgemeester. De klankbordgroep burgemeester vraagt de plaatsvervangend raadsvoorzitter de rol van de burgemeester, zoals beschreven in dit protocol, over te nemen als de melding de burgemeester zelf betreft. 8. De burgemeester kan vanuit zijn wettelijke taak als bevorderaar van bestuurlijke integriteit ook door eigen waarneming of door berichtgeving van buitenaf kennis nemen van een vermeende integriteitsschending. In die gevallen kan de burgemeester op eigen initiatief een schriftelijke vastlegging opstellen, gebaseerd op zijn waarneming of op de berichtgeving van buitenaf. In de vastlegging beschrijft de burgemeester wat de aanleiding is om een eerste screening uit te voeren. De uitvoering van de eerste screening vindt plaats conform de in dit protocol opgenomen stappen.
1. Een politiek ambtsdrager kan bij een vermoeden van integriteitsschending door een politiek ambtsdrager een schriftelijke melding doen bij de burgemeester. 2. Ieder ander voor wie niet reeds bij andere regeling is voorzien, kan bij een vermoeden van integriteitsschending door een politiek ambtsdrager een schriftelijke melding doen bij de coördinator integriteit. De coördinator informeert de burgemeester. 3. De melding dient aan de volgende vereisten te voldoen: a. de melding bevat een dagtekening; de melding bevat een onderbouwde b. omschrijving van de vermoedelijke integriteitsschending; c. de melding vermeldt de naam en contactgegevens van de melder en de naam van de politieke ambtsdrager tegen wie de melding zich richt. 4. Vanaf het moment dat de melding is gedaan tot en met het doorlopen van de benodigde stappen uit dit protocol, wordt door de coördinator integriteit (of diens vervanger) ambtelijke ondersteuning geboden aan de burgemeester. 5. De identiteit van de melder wordt niet bekend gemaakt bij degene die de melding betreft of anderen anders dan de personen die de eerste screening uitvoeren, zonder daaraan vooraf schriftelijk akkoord te hebben gevraagd aan en verkregen van de melder.
5
ARTIKEL 2.2 ONTVANKELIJKHEIDSTOETS 1. De burgemeester beoordeelt of de melding voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 2.1 lid 2 en beoordeelt daarnaast of de melding a) voldoende concreet is, b) binnen vier jaar na de vermeende feiten is ingediend en c) of de vermeende integriteitsschending een voldoende ernstig karakter heeft. Is dit het geval, dan besluit de burgemeester een vooronderzoek (eerste screening) in te stellen. 2. Wordt niet voldaan aan de eisen in het vorige lid, dan besluit de burgemeester de behandeling van de melding niet verder voort te zetten. Van deze beslissing worden de melder en de politiek ambtsdrager over wie de melding is gedaan schriftelijk en gemotiveerd in kennis gesteld.
6
3. UITVOERING VAN EEN EERSTE SCREENING
Feitenonderzoek blijft achterwege als uit de eerste screening blijkt dat het geuite vermoeden van een integriteitsschending onvoldoende feitelijke grondslag lijkt te hebben of als met de eerste screening alle relevante feiten al in beeld zijn gebracht. 2. Als de burgemeester na de eerste screening concludeert dat een feitenonderzoek nodig is, stelt de burgemeester een screeningsverslag op, dat de burgemeester gezamenlijk met een concept onderzoeksopdracht voorlegt aan het fractievoorzittersoverleg. 3. In de eerstvolgende vergadering van het fractievoorzittersoverleg worden het screeningsverslag en de concept onderzoeksopdracht onder oplegging van geheimhouding voorgelegd en besproken. De melder, met uitzondering van de situatie waarin de burgemeester zelf melder is, en de betrokken politiek ambtsdrager maken geen deel uit van deze vergadering en worden zo nodig vervangen. 4. Het fractievoorzittersoverleg treedt op als klankbord voor de burgemeester ten aanzien van de opportuniteit van nader onderzoek en de onderzoeksopdracht. Het fractievoorzittersoverleg en de burgemeester beslissen over de concept onderzoeksopdracht en in het geval dat alle relevante feiten met de eerste screening al in beeld zijn gebracht, over het informeren van de raad. Indien de burgemeester verdeeldheid constateert, beslist de burgemeester.
ARTIKEL 3.1 DOEL EN UITVOERING 1. Indien een melding ontvankelijk is als bedoeld in artikel 2.2 verricht de burgemeester zo spoedig mogelijk een eerste screening. Het vooronderzoek (screening) is bedoeld als een eerste beoordeling van de vraag of het geuite vermoeden van integriteitsschending feitelijke grondslag lijkt te hebben. 2. Alvorens de bij de melding betrokken personen te informeren, gaat de burgemeester na of (digitale) gegevens dienen te worden veiliggesteld. 3. Tijdens de eerste screening worden de melder en de politiek ambtsdrager tegen wie de melding gericht is, gehoord. Bij de uitnodiging aan de politiek ambtsdrager verstrekt de burgemeester in ieder geval een adequate omschrijving van de aard van de melding. Van de gesprekken in de eerste screening wordt vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid en navolgbaarheid een verslag gemaakt. Dit verslag wordt voor een akkoord voorgelegd aan de gesproken personen. De gespreksverslagen worden opgenomen in het onderzoeksdossier. 4. Onderdeel van de eerste screening kan zijn dat er advies ingewonnen wordt bij de provincie over de geanonimiseerde en waar mogelijk veralgemeniseerde casus. ARTIKEL 3.2 UITKOMST VAN EEN EERSTE SCREENING 1. Als de burgemeester na de eerste screening concludeert dat geen feitenonderzoek nodig is, stelt de burgemeester een screeningsverslag op.
7
5. De betrokken politiek ambtsdrager wordt over het doen van de eerste screening en van de uitkomst daarvan zo spoedig mogelijk geïnformeerd. Het screeningsverslag wordt alleen verstrekt aan de politiek ambtsdrager als de burgemeester van oordeel is dat er geen feitenonderzoek nodig is. 6. De melder en de betrokken politiek ambtsdrager worden geïnformeerd door de burgemeester als door de burgemeester en/of het fractievoorzittersoverleg wordt besloten geen feitenonderzoek in te stellen. In dat geval wordt ook het screeningsverslag overgelegd aan de melder en aan de betrokken politiek ambtsdrager. Het screeningsverslag wordt in beginsel niet ter kennisname aangeboden aan de raad, tenzij de burgemeester dit nodig acht.
8
4. UITVOERING VAN HET FEITENONDERZOEK
ARTIKEL 4.1 KENNISGEVING AAN POLITIEKE AMBTSDRAGER EN MELDER
3. De melder wordt door de burgemeester geïnformeerd op een door de burgemeester te bepalen, passende wijze. Het verstrekken van het screeningsverslag blijft achterwege omdat het onderzoek nog verder gaat.
1. Als de burgemeester tot het oordeel komt dat een feitenonderzoek nodig is dan wordt de betrokken politiek ambtsdrager hierover door de burgemeester geïnformeerd, nadat het fractievoorzittersoverleg heeft vergaderd over de concept onderzoeksopdracht. Het verstrekken van het screeningsverslag aan de betrokken politiek ambtsdrager blijft achterwege omdat het onderzoek nog verder gaat. 2. In de kennisgeving is in ieder geval opgenomen: a. een omschrijving van het vermeende handelen of nalaten dat aanleiding is tot het instellen van het onderzoek; b. de melding dat de betrokken politiek ambtsdrager en getuigen kunnen worden gehoord; c. de melding dat de betrokken politiek ambtsdrager zich kan laten bijstaan voor emotionele of juridische ondersteuning, niet zijnde een persoon die eigenstandig betrokken is in het onderzoek; d. de melding dat als andere feiten en omstandigheden bekend worden die van belang zijn voor het bepalen van de omvang, aard en ernst van de integriteitsschending, het onderzoek zich kan uitstrekken tot die feiten en omstandigheden; e. een verwijzing naar deze verordening; f. een verwijzing naar de vigerende gedragscode.
ARTIKEL 4.2 ONDERZOEKSOPDRACHT 1. De burgemeester geeft opdracht tot een feitenonderzoek aan daartoe gekwalificeerde onafhankelijke, externe onderzoekers. 2. De burgemeester komt een schriftelijke onderzoeksopdracht met de onderzoekers overeen. In de opdracht staan in ieder geval de aanleiding, de onderzoeksopdracht (doelstelling en onderzoeksvragen) en de verwachte duur en kosten van het onderzoek. De opdracht biedt tevens inzicht in de te kiezen onderzoeksmethodiek, met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, en de wijze waarop hoor en wederhoor worden vormgegeven.
9
9. De burgemeester informeert de melder op een door de burgemeester te bepalen, passende wijze over de uitkomsten van het onderzoek, rekening houdend met het bepaalde in lid 7. 10. Wanneer de betrokken politiek ambtsdrager wethouder is, informeert de burgemeester ook het college over de onderzoeksrapportage.
ARTIKEL 4.3 ONDERZOEKSRAPPORTAGE 1. Van het feitenonderzoek wordt een rapportage opgesteld die door de onderzoekers aan de burgemeester wordt aangeboden. 2. De rapportage bevat in elk geval: een weergave van de melding, de onderzoeksopdracht, een beschrijving van de uitgevoerde onderzoekshandelingen, het toepasselijke normatieve kader, de bevindingen, en – indien onderdeel van de opdracht – een toetsing van de bevindingen aan het normatieve kader en een conclusie waarin de vraag of sprake is van een integriteitsschending wordt beantwoord. 3. De burgemeester toetst of de conclusie van de rapportage redelijkerwijs kan worden gedragen door de bevindingen van het onderzoek en of de rapportage voldoende begrijpelijk is. 4. De burgemeester zendt de onderzoeksrapportage ter consultatie aan het fractievoorzittersoverleg. De rapportage wordt gelijktijdig door de burgemeester aan de betrokken ambtsdrager aangeboden. 5. De burgemeester voegt aan de onderzoeksrapportage een brief toe waarin het proces dat heeft plaatsgevonden na ontvangst van de melding wordt toegelicht. 6. De burgemeester biedt, na consultatie van het fractievoorzittersoverleg, de onderzoeksrapportage aan de raad aan. 7.
De burgemeester beslist of geheimhouding wordt opgelegd, waarbij afgewogen wordt of het belang van openbaarheid zwaarder weegt dan het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de in het onderzoek betrokken personen. 8. De gemeenteraad bespreekt de onderzoeksrapportage in de eerstvolgende raadsvergadering.
10
5. AFRONDING
ARTIKEL 5.1 CONSEQUENTIES 1. De betrokken politiek ambtsdrager en de gemeenteraad kunnen besluiten om gevolgen te verbinden aan de uitkomsten van het onderzoek, die in verhouding staan tot de ernst van de feiten en relevante omstandigheden. 2. Voor zover niet bij wet is voorzien in gevolgen, kunnen de betrokken politiek ambtsdrager en/of de gemeenteraad overgaan tot: a. aanspreken; b. publiek excuus; c. afkeuring door partijen; d. motie van treurnis; e. motie van afkeuring; f. motie van wantrouwen; g. schorsing en ontslag, voor zover de betrokken politiek ambtsdrager lid isvan het college vanB&W. ARTIKEL 5.2 REFLECTIE Na afronding van het onderzoek en de politieke behandeling van de uitkomsten, agendeert de gemeenteraad een besloten bijeenkomst waarin wordt gereflecteerd en geëvalueerd op deze regeling, de daarin opgenomen afspraken en de toepassing daarvan in de praktijk.
11