CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

Oplegnotitie Wijzigingen Gemeenschappelijke Regelingen

Gemeenteraad 7 november 2023, gemeente HelmondBij agendapunt: Wijziging gemeenschappelijke regelingen5.046 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aan de leden van de gemeenteraad

Oplegnotitie Helmond, 26 oktober 2023 Onderwerp: beantwoording technische vragen gemeenschappelijke regelingen

Zaaknummer: 51696774

Geachte leden van de gemeenteraad, Voorafgaand aan de commissiebehandeling op 10 oktober 2023 van raadsvoorstellen 86, 87, 88 en 89 zijn vanuit de VVD fractie 15 technische vragen ingebracht. De fractie gaf bij de indiening aan, dat beantwoording voorafgaand aan de raadsvergadering op 31 oktober 2023 voldoende was. De raadsvoorstellen hebben betrekking op ontwerpwijzigingen van de gemeenschappelijke regelingen VRBZO (Veiligheidsregio), GGD, MRE en ODZOB. Vanwege de wijziging (per 1 juli 2022) van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) zijn de ontwerp wijzigingen met genoemde raadsvoorstellen eerst voorgelegd aan de raden van de deelnemende gemeenten om hen de gelegenheid te geven hierover zienswijzen in te dienen. Na verwerking van de zienswijzen worden de definitieve voorstellen begin 2024 in procedure gebracht ter vaststelling. Beantwoording De technische vragen hebben betrekking op bepalingen in de ontwerp wijzigingen. De vragen hebben wij doorgezonden voor beantwoording door de betrokken organisaties waar de aanpassingen van de gemeenschappelijke regeling zijn voorbereid. De antwoorden zijn vervolgens intern getoetst. Formeel is een gemeenschappelijke regeling het product van de gezamenlijke colleges (en raden, voor zover het de MRE betreft).

In de beantwoording van de vragen is daarmee rekening gehouden door een link te leggen met de andere deelnemers en niet met het bestuur van de onderscheidenlijke gemeenschappelijke regelingen. In de beantwoording is na elke vraag de relevante bepaling in de ontwerp wijziging opgenomen. Zienswijzen In de betreffende raadsvoorstellen hebben wij aan uw raad aanvankelijk voorgesteld om geen zienswijzen in te dienen omdat de inhoud van de voorgestelde wijzigingen daar geen aanleiding toe gaf. Uit de antwoorden op de technische vragen komen echter wel technische verbeteringen naar voren. In de bijlage vindt u een overzicht welke antwoorden volgens het college aanleiding geven om in een zienswijze een 'technische verbetering' van de regeling voor te stellen. Indien uw raad zich kan vinden in de voorgestelde verbeteringen, dan geven wij uw raad in overweging deze verbeteringen bij wijze van amendementen in te brengen als 'technische zienswijzen'. Wij zullen deze verbeteringen in het vervolgproces inbrengen, zodat deze betrokken kunnen worden bij de formulering van de definitieve wijzigingen van de regelingen. Deze overweging is mede ingegeven door de gestelde deadlines voor het geven van zienswijzen. De griffie heeft aangeboden uw raad hierin te willen ondersteunen.

Bijlagen • Overzicht antwoorden welke volgens het college aanleiding geven om in een zienswijze een 'technische verbetering' van de regeling voor te stellen • Beantwoording technische vragen (VVD fractie) met betrekking tot de wijzigingen van de gemeenschappelijke regelingen Hoogachtend, burgemeester en wethouders van Helmond, mevr. P.J.M.G. Blanksma-van den Heuvel burgemeester

H.J. de Ruiter secretaris

BIJLAGE - Overzicht antwoorden welke volgens het college aanleiding geven om in een zienswijze een 'technische verbetering' van de regeling voor te stellen

In onderstaand overzicht wordt onder verwijzing naar het nummer van de vragen, aangegeven welke antwoorden volgens het college aanleiding geven om in een zienswijze een 'technische verbetering' van de regeling voor te stellen. De betreffende vraag en de strekking van de verbetering zijn dik gedrukt. In een afzonderlijk bijlage zijn de vragen die door de VVD fractie zijn gesteld, de bepaling van de regeling waar de vraag betrekking op heeft, en de volledige beantwoording, opgenomen. VRBZO • Vraag 1 (VRBZO) - De beantwoording leidt tot een zienswijze waarin voorgesteld wordt ontwerp artikel 11.4 aan te passen zodat de verwijzingen naar de begroting en het tweede lid worden vervangen door verwijzingen naar de zienswijzen zoals bedoeld in het eerste en tweede lid. Verder om de verwijzing naar artikel 26 te vervangen door een verwijzing naar artikel 28. • Vraag 2 (VRBZO) - De beantwoording leidt niet tot een wijziging in de regeling. GGD • Vraag 3 (GGD) - De beantwoording leidt niet tot een wijziging in de regeling. • Vraag 4 (GGD) - De beantwoording leidt niet tot een wijziging in de regeling. • Vraag 5 (GGD) - De beantwoording leidt tot een zienswijze waarin voorgesteld wordt ontwerp artikel 10 aan te passen zodat de bevoegdheid om medewerkers (in casu de secretaris) te benoemen een bevoegdheid is van het dagelijks bestuur.

Een en ander op basis van de Memorie van Toelichting Wgr. De benoeming van de directeur publieke gezondheid blijft conform de wet een aangelegenheid van het algemeen bestuur. • Vraag 6 (GGD) - De beantwoording leidt tot een zienswijze waarin voorgesteld wordt ontwerp artikel 27 te wijzigen zodat de actieve informatieplicht betrekking heeft op het bestuur, dus zowel het algemeen bestuur als het dagelijks bestuur. • Vraag 7 (GGD) - De beantwoording leidt niet tot een wijziging in de regeling. MRE • Vraag 8 (MRE) - De beantwoording leidt niet tot een wijziging in de regeling. • Vraag 9 (MRE) - De beantwoording leidt niet tot een wijziging in de regeling. • Vraag 10 (MRE) - De beantwoording leidt tot een zienswijze waarin voorgesteld wordt ontwerp artikel 24 aan te passen zodat helder is bij welke voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid van de MRE, ingezetenen en andere belanghebbenden worden betrokken, en zodanig aan te passen dat dit niet uitsluit dat raden in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze kenbaar te maken. • Vraag 11 (MRE) - De beantwoording leidt niet tot een wijziging in de regeling. • Vraag 12 (MRE) - De beantwoording leidt tot een zienswijze waarin voorgesteld wordt ontwerp artikel 31 aan te passen zodat de bevoegdheid tot benoeming, schorsing en ontslag van de directeur een bevoegdheid is van het dagelijks bestuur.

Een en ander op basis van de Memorie van Toelichting Wgr. ODZOB • Vraag 13 (ODZOB) - De beantwoording leidt tot een zienswijze waarin voorgesteld wordt de regeling aan te passen zodat het doel van de regeling is opgenomen als een afzonderlijke bepaling. • Vraag 14 (ODZOB) - De beantwoording leidt tot een zienswijze waarin voorgesteld wordt ontwerp artikel 1.3 aan te vullen met tekst waaruit blijkt dat participatie via de deelnemende gemeenten en de provincie verloopt. • Vraag 15 (ODZOB) - De beantwoording leidt tot een zienswijze waarin voorgesteld wordt ontwerp artikel 3.6.1. a te schrappen, aangezien artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht reeds een uitputtende regeling bevat voor het opstellen van beleidsregels.

Bijlage - Beantwoording technische vragen (VVD fractie) met betrekking tot de wijzigingen van de gemeenschappelijke regelingen

Algemeen: De vragen die de VVD fractie heeft gesteld over de diverse aanpassingen van de gemeenschappelijke regelingen waaraan wij deelnemen zijn doorgezonden en beantwoord door de betrokken organisaties. Daar worden de aanpassingen van de GR in eerste instantie voorbereid. Daar waar er sprake is van inconsistentie tussen de aangepaste GR en de bovenliggende wet, zal het college er nauwgezet op toezien dat die straks bij het aanbieden van de GR voor instemming en toestemming door uw raad, opgeheven zijn. Voor zover de antwoorden naar onze mening de toets der kritiek niet konden doorstaan, zijn die door ons al gecorrigeerd. Gemeenschappelijke regeling VRBZO Vraag 1 De VVD is blij te lezen dat er extra besluiten (buiten de begroting) aan zienswijzen worden onderworpen én dat ook een initiatiefrecht voor de raden ontstaat om zienswijzenproceduren toe te passen. Wij hebben echter één vraag. In artikel 11 van de Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio gaat het over zienswijzen op andere besluiten dan de begroting. Het dagelijks bestuur moet terugkomen op de voorgestelde zienswijzen voor het vaststellen van de begroting, zo stelt het vierde lid. Maar dan zijn de besluiten mogelijk al lang genomen.

Artikel 10 lid 6 Wgr bepaalt echter: Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze gegeven is stelt het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam […] de raden van de deelnemende gemeenten en, indien het een besluit van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam betreft, het algemeen bestuur van het openbaar lichaam schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vorige lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Wij zouden willen vragen waarom artikel 11 lid 4 GR afwijkt van artikel 10 lid 6 Wgr. Naar ons oordeel is dit in strijd met de wet en dient dit aangepast te worden. GR VRBZO Ontwerp: 11.4. Het Dagelijks Bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting, schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het tweede lid, alsmede de conclusies die het daaraan verbindt. Antwoord: Dit is inderdaad een inconsistentie. De procedure voor het geven van een oordeel over de zienswijzen ligt wettelijk vast en is ongeacht of het de begroting of een ander besluit betreft hetzelfde.

Wij zullen bij de andere deelnemers aandringen op een aanpassing van het vierde lid, waarbij de verwijzingen naar de begroting en het tweede lid worden vervangen door een verwijzing naar de zienswijzen zoals bedoeld in het eerste en tweede lid. Voor de volledigheid wordt vermeld dat in artikel 11, eerste lid, de verwijzing naar artikel 26 wordt vervangen door een verwijzing naar artikel 28.

1

Vraag 2 Wat is de strekking van artikel 30 van de Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio? De minister is immers niet gebonden door deze gemeenschappelijke regeling, en het lijkt alleen een verplichting aan de minister op te leggen. GR VRBZO Ontwerp: 30.1. In de kosten die voor een veiligheidsregio voortvloeien uit de uitoefening van haar taken ingevolge artikel 10 van de Wet, verleent Onze Minister een bijdrage. Aan de aanwending van deze bijdrage kunnen voorwaarden worden gesteld. Antwoord: Artikel 30 gaat over de verdeling der kosten. Teneinde op dit punt een volledig beeld te geven wordt ook de bijdrage van de minister vermeld. Dit betreft een feitelijke mededeling. Deze bepaling wordt noodzakelijk geacht met het oog op een goed begrip en de goede leesbaarheid van de regeling. Gemeenschappelijke regeling GGD Vraag 3 Wat is de strekking van het eerste beslispunt in het Raadsvoorstel? In alle stukken wordt toegelicht dat we eerst om zienswijzen worden gevraagd (dat is beslispunt 2) en pas daarna over toestemming. Dan zou beslispunt 1 dus kunnen vervallen. Want dat volgt in ronde 2. RV 87 Voorstel: 1.In te stemmen de voorgestelde wijzigingen van de gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost. 2.Aan de GGD de zienswijze van de raad kenbaar maken middels bijgevoegde brief.

Antwoord: In deze fase van de wijzigingsprocedure ligt het ontwerp van de wijzigingen van de GR GGD voor aan de raad met de mogelijkheid om daar een zienswijze op kenbaar te maken. In de concept reactie (bijlage 4) wordt aangegeven dat de raad instemt met de voorgestelde gewijzigde gemeenschappelijke regeling GGD. Het eerste beslispunt maakt die instemming expliciet. Ook in raadvoorstel 86 (GR MRE) maakt de instemming onderdeel uit van het dictum. In raadsvoorstellen 88 (ODZOB) en 89 (Veiligheidsregio) is het voorstel geen zienswijze uit te brengen en is de instemming met de ontwerp wijzigingen impliciet. Het gaat bij de onderhavige raadsvoorstellen enkel om instemming met de ontwerp wijzigingen. De voorgestelde instemming houdt nog geen toestemming in zoals bedoeld in Wgr. art 1.4. Zoals ook opgenomen in de raadsvoorstellen kunnen de ontwerpen nog aangepast worden naar aanleiding van de ontvangen zienswijzen. Dit leidt tot definitieve voorstellen tot wijziging van de regeling. Deze worden conform Wgr art1.4 voorgelegd aan de colleges om de wijziging te treffen na verkregen toestemming van de gemeenteraden. Om de toestemming van de raad te verkrijgen volgen in 2024 nieuwe raadsvoorstellen. Omwille van de eenduidigheid in het gebruik van terminologie zullen wij in de concept reactie niet langer spreken van instemming, maar van zienswijzen.

Verder zal de brief gericht worden aan ons college, waarna wij zorgen dat uw brief wordt doorgezonden naar het algemeen bestuur van de GGD. Op deze wijze houden wij vast aan de wettelijke procedure, zoals voorgeschreven in artikel 1 van de Wgr.

2

Vraag 4 Artikel 8 lid 3 krijgt een nieuwe redactie. Deze redactie wijkt echter af van de wet. Was is reden hiervan en wat is de precieze nieuwe betekenis. Voorstel is de oude tekst te handhaven zodat geen licht ontstaat tussen Wet gemeenschappelijke regelingen en gemeenschappelijke regeling. GR GGD (huidig) 8.3 De vergaderingen van het Algemeen Bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer ten minste 5 van de aanwezige leden hierom verzoekt of de voorzitter dit nodig acht en het Algemeen Bestuur hiertoe besluit. GR GGD Ontwerp: 8.3 De vergaderingen van het Algemeen Bestuur zijn openbaar. De vergadering krijgt een besloten karakter wanneer ten minste 5 van de aanwezige leden hierom verzoekt of de voorzitter dit nodig acht en het Algemeen Bestuur hiertoe besluit. Voor het overige is ten aanzien van de openbaarheid artikel 23 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Antwoord In dit artikel is “de deuren sluiten wanneer.. ” vervangen door “een besloten karakter”. Dit laatste is een meer gangbare term en komt ook terug in de Wet gemeenschappelijke regelingen. Bovendien past het beter bij de moderne tijd (mogelijkheid van digitaal vergaderen). Het heeft geen nieuwe betekenis, in beide gevallen wordt hetzelfde bedoeld.

Vraag 5 De benoeming van ambtenaren (of althans het geven van een arbeidsovereenkomst) is een bevoegdheid van het dagelijks bestuur. Alleen voor de directeur publieke gezondheid geldt op grond van de Wet publieke gezondheid een uitzondering (benoeming door algemeen bestuur in afstemming met bestuur veiligheidsregio; art. 14 Wpg). Waarom wordt de benoeming van enkele ambtenaren hier in strijd met de Wgr aan het algemeen bestuur opgedragen? GR GGD (huidig) 10.2a Het Algemeen Bestuur kan de uitoefening van door hem te bepalen bevoegdheden volgens door hem te stellen regels overdragen aan het Dagelijks Bestuur of aan een commissie als bedoeld in artikel 25 van de wet, met uitzondering van: f. het benoemen van de directeur publieke gezondheid en de secretaris; GR GGD Ontwerp: 10.2a Het Algemeen Bestuur kan de uitoefening van door hem te bepalen bevoegdheden volgens door hem te stellen regels overdragen aan het Dagelijks Bestuur of aan een commissie als bedoeld in artikel 25 van de wet, met uitzondering van: g. het benoemen van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de secretaris; h. het benoemen van de directeur publieke gezondheid en de ambtelijk secretaris;. GR GGD huidig en ontwerp: 14. 1. Het Dagelijks Bestuur oefent de taken en bevoegdheden die in deze gemeenschappelijke regeling aan het Dagelijks Bestuur zijn opgedragen uit.

3

2. Het Dagelijks Bestuur is in het bijzonder belast met: d. ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan, met uitzondering van de directeur publieke gezondheid; Antwoord: een nadere lezing van de memorie van toelichting van de Wet gemeenschappelijke regelingen leert ons dat de bevoegdheid om medewerkers te benoemen (zie art 33 a en 33b van de Wgr) een exclusieve bevoegdheid is van het dagelijks bestuur. Wij zullen dat doorgeven aan de GGD, zodat zij daar artikel 10 van de ontwerpregeling op kunnen aanpassen. Deze bevoegdheid sluit het mandateren van de directeur publieke gezondheid niet uit. De benoeming van de directeur publieke gezondheid blijft conform de wet een aangelegenheid van het algemeen bestuur.

Vraag 6 De actieve informatieplicht van artikel 17 lid 2 en 3 Wgr ziet op alle besluiten van het GGDbestuur. Dat moet steeds afwegen of stukken aan de raden moeten worden gezonden in het kader van de taken van de raad. Artikel 27 GR GGD beperkt dit tot stukken van het algemeen bestuur. Dat is een beperking die niet overeenkomstig de wet is. Dit soort stukken moeten juist actief openbaar worden gemaakt o.g.v. een nog in werking te treden deel van de Wet open overheid. GR GGD Ontwerp: 27. Agenda en stukken van de vergaderingen van Algemeen Bestuur worden voorafgaande aan de vergadering via de website van de GGD openbaar gemaakt. Antwoord: Artikel 27 van de GR GGD regelt welke stukken via de website van de GGD openbaar worden gemaakt. Artikel 26 van de GR regelt hoe colleges en raden op hun verzoek worden ingelicht en artikel 28 regelt de verantwoordingsplicht van een AB-lid richting colleges en raden. De voorgestelde tekst van de informatieplicht in het tweede lid van dat artikel hoort bij de verantwoordingsplicht van een AB-lid. De actieve informatieplicht geldt echter ook voor het bestuur van de GGD, dus voor dagelijks bestuur en algemeen bestuur. In die zin heeft artikel 27 dat blijkens de aanhef over de actieve informatieplicht gaat, een te beperkte strekking. Wij zullen de overige deelnemers verzoeken in te stemmen met een aanpassing van de tekst van dit artikel.

Dat geldt dan voor de uitbreiding van de actieve informatieplicht tot ook het dagelijks bestuur, maar ook voor de omvang van de informatieplicht. Tot slot zullen wij aandringen op het toevoegen van een artikellid over de wijze waarop de inlichtingen worden verstrekt. In de praktijk weegt het GGD bestuur voortdurend af waarover colleges en raden (actief) geïnformeerd worden (bijv. via raadsinformatiebrieven). Actueel voorbeeld: binnenkort krijgen raden vanuit GGD via colleges een RIB over de toekomstige spreiding van ambulanceposten in onze regio.

Vraag 7 Artikel 29 kan instemming vinden. Wel vragen wij waarom hier anders dan bij de Veiligheidsregio er niet voor gekozen is om ook raden het initiatief tot een zienswijze te kunnen laten nemen. Daar is in elk geval de VVD fractie nog meer van gecharmeerd. GR GGD Ontwerp: 29. Buiten de meerjarige beleidsvisie zoals bedoeld in artikel 25, de begroting, zoals bedoeld in artikel 36, en wijziging van deze regeling, zoals bedoeld in artikel 4

48, kan het Algemeen Bestuur besluiten om ten aanzien van andere voorgenomen besluiten de raden in de gelegenheid te stellen een zienswijze in te dienen. Het Algemeen Bestuur biedt de raden in het kader van de in het eerste lid genoemde besluiten een termijn van minimaal twaalf weken om een zienswijze naar voren te brengen NB. Ten overvloede het is de Wet open overheid en niet de Wet Open Overheid, volgens de officiële schrijfwijze van de wet zelf. Antwoord: Een raad kan altijd het initiatief nemen om een zienswijze procedure te volgen. Door tussenkomst van het algemeen bestuur kan hier op ad-hoc invulling aan worden gegeven. Of de zienswijze procedure van toepassing wordt verklaard, kan afhankelijk zijn van de stemming in het algemeen bestuur van de GGD.

Gemeenschappelijke regeling MRE Vraag 8 Wat is de strekking van het nieuwe artikel 6 lid 2? Het is een zeer onduidelijke bepaling die ook innerlijk tegenstijdig lijkt. Wanneer worden zaken nu wel en niet in de agenda opgenomen? GR MRE Ontwerp: 6.2 In de voorbereiding van de regionale agenda wordt gereflecteerd op de kwaliteit en de vorm van de samenwerking op grond van de regeling. De bevindingen hieromtrent worden opgenomen in de regionale agenda. Indien van toepassing worden gewenste wijzigingen in de vorm van de samenwerking opgenomen in de regionale agenda. Indien de gewenste wijzigingen in de vorm van de samenwerking moeten leiden tot een wijziging van de regeling, dan brengt het algemeen bestuur, na vaststelling van de regionale agenda, een voorstel tot wijziging in procedure volgens deze regeling. Artikel 48, eerste lid is van toepassing. 48.1. Conform artikel 6, tweede lid wordt in de voorbereiding van de regionale agenda gereflecteerd op de kwaliteit en de vorm van de samenwerking op grond van de regeling. Het algemeen bestuur stelt, bij de start van de voorbereiding van de regionale agenda, vast, op welke wijze deze reflectie plaats vindt. Antwoord: Strekking van het nieuwe artikel 6 lid 2 is dat bij de voorbereiding van de regionale agenda wordt gereflecteerd op de kwaliteit en de vorm van de samenwerking op grond van de regeling.

Een reflectie is een lichte vorm van (zelf) evaluatie. In de voorbereiding van de meest recente regionale agenda (samenwerkingsakkoord) is op deze manier ook gekeken naar de samenwerking. De bevindingen hieromtrent worden opgenomen in de regionale agenda. Indien van toepassing worden gewenste wijzigingen in de vorm van de samenwerking opgenomen in de regionale agenda. Dus de uitkomsten van de reflectie worden opgenomen en als die aanleiding geven tot een wijziging in de manier van samenwerken wordt dit ook opgenomen in de regionale agenda. Indien de gewenste wijzigingen in de vorm van de samenwerking moeten leiden tot een wijziging van de regeling, dan brengt het algemeen bestuur, na vaststelling van de regionale agenda, een voorstel tot wijziging in procedure volgens deze regeling. De evaluatie van bureau Berenschot in 2017 gaf aanleiding tot wijzigingen in de manier van samenwerking 5

zoals de invoering van poho-overleggen en toevoeging van de voorzitters van de poho’s als adviseurs aan het Dagelijks Bestuur. Dit is toen opgenomen in de regionale agenda en nadien is de gemeenschappelijke regeling hierop aangepast. Artikel 25, lid 7-9 en de Wgr schrijven de wijzigingsprocedure voor. Vraag 9 De Raadstafel 21 wordt een expliciete adviescommissie in de zin van art. 24a Wgr. Dat is toe te juichen. Betekent dit dan ook dat de taken van de Raadstafel worden uitgebreid? En krijgen leden van de Raadstafel dan ook een vergoeding? Wat gaat de gemeenten grofweg kosten als er een vergoeding komt? GR MRE huidig: 21.1. Het algemeen bestuur kan overlegorganen instellen. 2. Het algemeen bestuur stelt op voorstel van de raden in ieder geval een Raadstafel21 in. 3. Werkwijze en samenstelling van overlegorganen worden geregeld in een statuut GR MR Ontwerp: 21.1 Het algemeen bestuur kan overlegorganen instellen. 2. Het algemeen bestuur stelt op voorstel van de raden in ieder geval een Raadstafel21 in. Artikel 24a van de wet is van toepassing op de Raadstafel 21. 3. Werkwijze en samenstelling van overlegorganen worden geregeld in een statuut. Antwoord: De taken (en werkwijze) van de Raadstafel 21 zijn opgenomen in het Statuut Overlegorganen. Deze taken worden vooralsnog niet uitgebreid.

Het is aan de Raadstafel 21 om aan te geven of ze haar taken wil uitbreiden binnen de mogelijkheden die de Wgr biedt voor een expliciete adviescommissie in de zin van art. 24a Wgr. Op grond van Wgr art. 24a.2 regelt het algemeen bestuur de bevoegdheden, de taken en werkwijze van de commissie, nadat het de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid heeft gesteld hun wensen en bedenkingen hieromtrent ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. Bij wijziging van de taken wordt deze procedure gevolgd. Wgr 24a. 6 bepaalt dat de leden van de gemeenschappelijke adviescommissie een vergoeding kunnen ontvangen voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie. Deze bepaling wordt in de regeling overgenomen. Er is nog geen besluit genomen dat van deze kan bepaling gebuikt zal worden gemaakt, en wat de vergoeding gaat kosten. Dit zal ook verantwoord moeten worden binnen de MRE begroting.

Vraag 10 Over artikel 24 Gemeenschappelijke regeling: a) Hoe verhoudt dit artikel zich tot artikel 10 lid 3 zoals dat wordt voorgesteld? b) Wat betekent direct effect? Het blijft vaag (zie ook sub d). c) Wat is de toegevoegde waarde van de opsomming in lid 3? Mensen bepalen zelf waar ze over willen inspreken, daar gaan wij niet over. d) Waarom kan een besluit waarop inspraak is toegepast niet meer aan zienswijzen worden onderworpen? Artikel 10 lid 5 Wgr spreekt alleen van besluiten waarop afdeling. 3.4 Awb van toepassing is, maar in deze gemeenschappelijke regeling wordt die afdeling nu juist niet toegepast nu we een eigen regeling treffen. En hoe verhoudt dit zich tot het tweede lid? 6

Wanneer is besluitvorming door college/raad niet mogelijk? Lid 2 lijkt te stellen dat we juist geen inspraak doen (want direct effect) als er een zienswijze wordt gevraagd. GR MRE Ontwerp: 10.3 Het reglement van orde bevat bepalingen over de mogelijkheid voor ingezetenen en andere belanghebbenden om hun mening kenbaar te maken over een voorstel op de agenda van de vergadering van het algemeen bestuur. 24. 1. Ingezetenen en andere belanghebbenden worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling indien sprake is van een direct effect op hun belangen. 2. Er is sprake van een direct effect indien voor de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid geen besluitvorming door de colleges, respectievelijk de raden vereist is of mogelijk is. 3. Belangen van ingezetenen en andere belanghebbenden kunnen bestaan uit, maar zijn niet beperkt tot, economische, culturele, maatschappelijke en ecologische belangen. 4. Lid 1 is niet van toepassing indien de urgentie, of een belang, genoemd in Hoofdstuk 5 van de Wet open overheid, dit vordert. 5.

De in dit artikel bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Antwoord: Artikel 10 lid 3 vormt een basis voor het regelen van een inspreekrecht voor burgers voor ingezetenen en andere belanghebbenden om hun mening kenbaar te maken over een voorstel op de agenda van de vergadering van het algemeen bestuur. Zoals ook wel gebruikelijk is bij vergaderingen van de gemeenteraad. Een direct effect zoals ook is aangegeven in artikel 24, 2e lid houdt in dat er geen besluitvorming door de colleges respectievelijk de raden vereist is of mogelijk is om het beleid tot uitvoering te brengen. Het besluit dat door het bestuur van MRE wordt genomen kan dan direct tot uitvoering worden gebracht en heeft dan mogelijk een direct effect op de belangen van ingezetenen en andere belanghebbenden en dan is het van belang dat ze in de gelegenheid worden gesteld deze kenbaar te maken. Het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur dienen een afweging te maken of er mogelijk sprake is van een direct effect op belangen zodat lid 1 van toepassing wordt. Daartoe strekt de opsomming in lid 3. Lid 3 heeft geen betekenis voor de inspreekmogelijkheid zoals beschreven in artikel 10 lid 3. In artikel 24 lid 5 is opgenomen dat wanneer inspraak zoals bedoeld in het artikel wordt toegepast, dan afdeling 3.4 van de AWB wordt toegepast.

Art 3.11 t/m 3.18 zoals ook weergegeven in het was-wordt overzicht regelen de procedure en die wordt gevolgd / toegepast; er is dus geen eigen regeling. Art. 10 lid 5 Wgr bepaalt dat in een regeling besluiten worden opgenomen waarover de raden van de deelnemende gemeenten een zienswijze naar voren kunnen brengen voorafgaand aan het nemen van het besluit, met uitzondering van het besluit tot het vaststellen of wijzigen van de begroting, bedoeld in artikel 35, en besluiten als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, en de wijze waarop de zienswijze gegeven kan worden. Met de uitzondering van besluiten als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht lijken deze dus uitgesloten van mogelijke besluiten waarover raden nog een zienswijze kunnen uitbrengen. Aanvankelijk was de werkgroep die de wijziging heeft voorbereid de mening toegedaan dat zienswijzen door de raden en inspraak door de burger 7

elkaar lijken uit te sluiten, dus niet samengaan. Daar zal, mede naar aanleiding van hetgeen in de regionale bijeenkomst voor raden is ingebracht, opnieuw naar gekeken worden.

Vraag 11 Waarom wordt in artikel 25 acht weken gehanteerd en niet zoals bij de begroting en de andere gemeenschappelijke regelingen die voorliggen twaalf weken? GR MRE Ontwerp: 25.1. Het algemeen bestuur maakt van de bevoegdheden genoemd in lid 2 van dit artikel, geen gebruik dan nadat de raden een ontwerp besluit of een voornemen tot vaststelling is toegezonden en zij gedurende een periode van ten minste 8 weken in de gelegenheid zijn gesteld schriftelijke zienswijzen respectievelijk wensen en bedenkingen ter kennis te brengen van het algemeen bestuur. Antwoord: De Wgr schrijft alleen voor de begroting een zienswijze termijn van 12 weken voor. In de huidige regelingen betreft de termijn voor andere besluiten 2 maanden (= 8 weken). Voor bijvoorbeeld zienswijzen op een wijziging van een gemeenschappelijke regeling schrijft de Wgr 8 weken voor.

Vraag 12 Als sinds 2015 gaat het dagelijks bestuur over benoeming, schorsing en ontslag van ambtenaren (sinds 2021 arbeidsovereenkomsten). Toch schrijft artikel 31 oud (32 nieuw) voor dat de directeur benoemd wordt door het algemeen bestuur. Dit is toch in strijd met de wet? GR MRE huidig: 30.4 Het dagelijks bestuur regelt de organisatie en de werkwijze van de ambtelijke organisatie van de Metropoolregio. 31.1: Het algemeen bestuur beslist over benoeming, schorsing en ontslag van de directeur. Antwoord: Hoewel het niet direct uit de tekst van de wet blijkt, moet het ervoor worden gehouden dat het DB ook over de benoeming van de directeur gaat. Wij zullen aandringen op een aanpassing van artikel 31. Gemeenschappelijke regeling ODZOB Vraag 13 Waarom is het doel van de regeling uit de gemeenschappelijke regeling gehaald? Een artikel is immers bindend, een aanhef niet. Artikel 10 lid 1 Wgr schrijft voor dat het belang van de regeling in de regeling moet staan.

GR ODZOB Ontwerp: Overwegende dat er in de provincie Noord-Brabant omgevingsdiensten zijn ingesteld om ten behoeve van de deelnemers taken op een efficiënte en doelmatige wijze uit te voeren op het gebied van het omgevingsrecht en om als verlengstuk van het lokaal en provinciaal bestuur een bijdrage te leveren aan het realiseren en borgen van de kwaliteit en veiligheid van de fysieke werk- en leefomgeving van de verschillende regio’s in de provincie NoordBrabant;

8

Antwoord: Deze vraag is terecht gesteld. Wij zullen bij de overige deelnemers van de ODZOB aandringen om de betreffende passage in de aanhef in de Gemeenschappelijke regeling, op te nemen als afzonderlijke bepaling.

Vraag 14 Hoewel het oorspronkelijke wetsvoorstel de mogelijkheid kende om géén gebruik te maken van participatie (zie ook de memorie van toelichting Kamerstukken II 2019/20, 35513, nr. 3, p. 13) is deze bepaling later geamendeerd. Doel van dat amendement was om inspraak te verplichten. Waarom is niet opgenomen dat participatie via de deelnemende gemeente- en provinciebesturen loopt (immers ook bevoegd gezag)? Een mogelijkheid die ook expliciet in de memorie van toelichting benoemd is. GR ODZOB Ontwerp: 1.3 Participatie. Ingezetenen van de deelnemers en belanghebbenden worden niet bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken Antwoord: Het is inderdaad te overwegen om de bepaling aan te vullen met de voorgestelde tekst dat participatie via de deelnemende gemeente- en provinciebesturen loopt.

Vraag 15 Waarop is de bevoegdheid van het algemeen bestuur om beleidsregels te stellen voor andere organen gebaseerd (welk wettelijk voorschrift; zie art. 3.6 van het voorstel)? Art. 4:81 Awb omschrijft welke organen bevoegd zijn beleidsregels te stellen. Deze mogelijkheid wordt daarbij niet genoemd. GR ODZOB Ontwerp; 3.6.1 Onverminderd de wet, heeft het algemeen bestuur de volgende taken en bevoegdheden: a. het vaststellen van beleidsregels waarmee de andere organen van de omgevingsdienst rekening houden bij de uitoefening van hun bevoegdheden; Antwoord: Omdat artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht een uitputtende regeling bevat voor het opstellen van beleidsregels, is het te overwegen artikel 3.6.1. a, te schrappen. Wij zullen daartoe een voorstel doen bij de andere deelnemers.

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13403203/1