E. VNG Stukken
Tekst van het document
Deze termijn geeft de werkgever de gelegenheid om de aanvraag te beoordelen en een besluit te nemen of aan alle voorwaarden wordt voldaan. 4.1 Vergelijken en beoordelen De rol van HR bij RVU aanvragen is allereerst om te beoordelen of een werknemer voldoet aan de voorwaarden in artikel 2.11b cao. Als aan die voorwaarden wordt voldoen, dan moet de lokale functie worden vergeleken met een referentiefunctie. De lokale functie en de referentiefunctie moeten worden vergeleken en beoordeeld op de kern, het doel van de functie als ook de belangrijkste werkzaamheden. Het advies is om bij die vergelijking van de lokale functie met de referentiefunctie het vier-ogenprincipe toe te passen, bijvoorbeeld door het proces te laten uitvoeren door zowel een leidinggevende als een HR-functionaris.
5
Een gecertificeerde deskundige heeft per referentiefunctie minimaal twee functionarissen geïnterviewd die deze functie in de praktijk uitoefenen. De leidinggevende en/of HR-functionaris was bij dit interview. Ook zijn de beschikbare functiebeschrijvingen en RI&E meegenomen. Het is geen statische lijst. Er kunnen dus functies bijkomen maar ook afgaan in de loop van de tijd.
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
3/6
4.2 Twee situaties zijn mogelijk Situatie 1 - er wordt voldaan aan de voorwaarden De werknemer wil een aanvraag indienen voor de RVU. De werknemer voldoet aan de voorwaarden in 2.11b cao. HR en leidinggevende constateert na beoordeling dat de lokale functie inhoudelijk geheel of vrijwel geheel overeenkomt met een referentiefunctie. Met andere woorden doel, kern en belangrijkste werkzaamheden van de functie zijn vrijwel gelijk aan een referentiefunctie. In dat geval wordt de functie van werknemer aangemerkt als zwaar beroep en is er direct toegang tot de RVU-regeling. Actie HR: 1. Verstrek het RVU-aanvraagformulier en laat deze invullen door werknemer; 2. Leg gemotiveerd vast dat de lokale functie overeenkomt met de referentiefunctie (noteer ook de naam van de referentiefunctie); 3. Leg de afspraken voor de werknemer vast in een vaststellingsovereenkomst. Dit proces is vergelijkbaar met het proces dat lokaal al bestond bij de uitvoering van de generieke RVU-regeling. Situatie 2 - er wordt niet voldaan aan de voorwaarden De werknemer wil een aanvraag indienen voor de RVU. De werknemer voldoet aan de voorwaarden in 2.11b cao, maar HR en leidinggevende constateren na beoordeling dat de lokale functie niet overeenkomt met een referentiefunctie (doel/kern en belangrijkste werkzaamheden).
Actie HR: In dat geval kan de lokale functie worden aangemeld bij het LOGA voor een toets op het zijn van een zwaar beroep via het formulier op de website www.caogemeenten.nl. Na het aanmelden van de lokale functie kan worden gevraagd om meer informatie (bijv. de functiebeschrijving, actuele RI&E, etc.). Vanzelfsprekend is het niet de bedoeling om elke lokale functie ter toetsing aan te bieden. Het is raadzaam om lokaal een inschatting te maken van de belastendheid van de functie. Bij twijfel kan HR contact opnemen via rvu@aeno.nl . 4.3 Beoordeling aangemelde lokale functie Via de huidige paritaire RVU-werkgroep vindt een korte beoordeling plaats van de aangemelde lokale functie op de vijf belastingvelden uit de TNO-methodiek. Er zijn na beoordeling twee uitkomsten mogelijk: 1. De functie kwalificeert als een zwaar beroep 2. De functie kwalificeert niet als een zwaar beroep Ad 1. Wel een zwaar beroep: a. De werkgever ontvangt een onderbouwde reactie dat de functie van werknemer op basis van de toetsing aan de TNO-methodiek een zwaar beroep is. De streeftermijn van beantwoording is 5 werkdagen. b. De reguliere lokale procedure kan worden gevolgd voor het afhandelen van de RVU-aanvraag (zie situatie 1) c. Voor het landelijke overzicht van referentiefuncties wordt de functie verder geanalyseerd en meegenomen voor het validatietraject bij TNO6.
6
De lijst met referentiefuncties is om deze reden dynamisch.
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
4/6
Ad 2. Géén zwaar beroep: a. De werkgever ontvangt een onderbouwde reactie dat de lokale functie op basis van toetsing aan de TNO-methodiek niet doorgaat voor een zwaar beroep. b. De lokale functie wordt landelijk niet verder onderzocht. c. De aanvraag van de werknemer voor RVU wordt afgewezen door de werkgever. Met bovenstaande werkwijze worden nieuwe mogelijk zware functies die door de sector zijn aangedragen, verzameld door het LOGA, getoetst aan de TNO-methodiek en vervolgens ter validering voorgelegd aan het expertisecentrum Zwaar werk van TNO. 5. Hulpmiddelen en ondersteuning Zoals aangegeven staat vanaf 1 april a.s. op de website www.caogemeenten.nl de informatie over de RVU-regeling en de toepassing ervan. Het LOGA heeft afgesproken dat op de website onder andere komt te staan: - Een overzicht van de referentiefuncties en bijhorende functiedossiers. Deze bevatten informatie over doel, kern en belastende werkzaamheden van deze functie. - Twee informatieve video’s met uitleg over de RVU-regeling. - Een toelichting op de vijf belastingvelden uit de TNO-methodiek. - Model aanvraagformulier RVU. - Een formulier om een functie ter toetsing aan te bieden bij het LOGA via rvu@aeno.nl . Alleen formulieren die zijn aangemeld via HR van een werkgever worden in behandeling genomen.
Het LOGA gaat, indien nodig, in de loop van de tijd meer informatie over de RVU-regeling op de website publiceren. 6. Geschillen Als werknemer en werkgever een geschil hebben over de individuele toepassing van de RVUregeling moet allereerst worden gekeken of via bemiddeling het geschil kan worden opgelost. Mocht dat niet het geval zijn, dan kan de lokale geschillencommissie worden benaderd. Geschillen kunnen worden voorgelegd aan de geschillencommissie met uitzondering van de afwijzing van een lokale functie door de paritaire RVU-werkgroep. Artikel 11.5 cao bepaalt dat de geschillencommissie onder andere bevoegd is bij geschillen over: - De individuele toepassing van een functiewaarderingssysteem; - Afspraken in het Van werk naar werk-traject; - De individuele toepassing van een sociaal plan of sociaal statuut. Aangezien de RVU-regeling nog niet onder de bevoegdheid van de commissie valt, dient de werkgever dit lokaal toe te voegen aan de opdracht van de commissie. De bedoeling van het LOGA is om artikel 11.5 lid 3 cao op dit punt uit te bereiden evenals het voorbeeldreglement in bijlage 1 cao. Dit wordt meegenomen in de toekomstige wijziging van de cao-tekst. 7. Rol van ondernemingsraad en lokaal overleg De ondernemingsraad en het lokaal overleg (LO) hebben geen rol bij de toepassing van de RVUregeling.
De regeling vloeit rechtstreeks voort uit een cao-afspraak tussen sociale partners. De voorwaarden voor deelname zijn landelijk vastgesteld en er bestaat geen ruimte voor lokale afwijkingen. Er is geen taak van OR en LO bij individuele aanvragen, bij de lokale implementatie en de administratieve processen.
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
5/6
8. Monitoring Na de invoering van de regeling wordt een monitoringscommissie ingesteld met vertegenwoordigers van het LOGA. Deze commissie blijft actief tot eind 2028 7. De commissie houdt zich onder andere bezig met: - Monitoring van het gebruik van de regeling; - Beoordeling van eventuele nieuwe mogelijk zware functies voor opname in de lijst met referentiefuncties; - Doorgeleiding van functies voor toetsing via de TNO-methodiek en vervolgens ter validering aan het expertisecentrum Zwaar werk van TNO. Voor de komende periode voert de huidige paritaire RVU-werkgroep deze taken uit totdat het LOGA de definitieve structuur van de monitoringscommissie heeft vastgesteld. 9. Tot slot Het LOGA beseft dat de informatie in deze brief relatief kort wordt aangeleverd voor de ingangsdatum van de RVU-regeling en dat dit lokaal een en ander vergt van de HR-afdelingen. Desondanks heeft het LOGA besloten om de invoering door te laten gaan omdat: - De invoeringsdatum eerder is uitgesteld van 1 januari jl. naar 1 april a.s. Nog een keer uitstel vindt het LOGA niet wenselijk; - Voor een deel van de RVU-aanvragen, het huidige lokale werkproces kan blijven bestaan. Dat zijn namelijk de werknemers die nu al voldoen aan de voorwaarden in de cao en waarvan de functie (vrijwel) overeenkomt met de referentiefunctie.
Alleen voor functies waarvan niet meteen duidelijk is of ze zwaar zijn, vergt de procedure meer tijd. - De termijn voor aanvragen van een RVU-regeling door de werknemer 3 maanden is. Het LOGA verwacht dat in de meeste situaties toereikend is om een RVU-aanvraag te behandelen. Het advies is te starten met de actuele aanvragen van werknemers die in 2026 voldoen aan de voorwaarden van 2 jaar of korter voor de AOW-leeftijd en werkende wijs de implementatie verder uit te rollen binnen de organisatie. Deze LOGA-brief staat op www.vng.nl onder ledenbrieven en op www.wsgo.nl onder publicaties. Hoogachtend, Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden
Janine Jongepier Secretaris
7
De regeling loopt tot eind december 2028, zie 2.11b lid 1f cao
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
6/6
Geachte griffiers van de gemeenteraad
Datum
24 maart 2026 Ons kenmerk
Telefoon
070-3738393 Bijlage(n)
-
Onderwerp
aanbevelingen Brede aanpak jeugd voor de gemeentelijke formatietafel
Geachte (in)formateur, Op 30 januari 2025 publiceerde de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd het rapport Groeipijn. Daarin wordt bevestigd dat het huidige jeugdstelsel onder grote druk staat en dat een fundamentele verandering nodig is om kinderen, jongeren en gezinnen beter te ondersteunen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft mij daarom aangesteld als bestuurlijk aanjager Brede aanpak jeugd. Mijn opdracht is om gemeenten te ondersteunen bij het ontwikkelen van een samenhangende gemeentelijke koers rond opgroeien, opvoeden en ontwikkelen van kinderen en jongeren. Met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart 2026 richt ik mij nadrukkelijk ook op de formatiefase waarin nieuwe colleges hun prioriteiten vastleggen. Met deze brief wil ik u enkele aanbevelingen meegeven voor een op te stellen coalitieakkoord, die behulpzaam zijn bij toekomstig gezins- en jeugdbeleid. Doel van de opdracht Mijn opdracht richt zich op twee samenhangende doelen: • •
het stimuleren van een gemeentelijke veranderaanpak op meerdere leefdomeinen voor gezinnen en kinderen; het ontwikkelen van een praktisch handelingsperspectief voor gemeenten.
Uitgangspunt daarbij is dat gemeenten werken aan een sterke lokale basis waarin kinderen en jongeren gezond, veilig en kansrijk kunnen opgroeien. Gesprekken en eerste constateringen In de afgelopen periode heb ik gesprekken gevoerd met onder andere wethouders, deskundigen, jongeren en vertegenwoordigers van diverse organisaties, waaronder het Netwerk Directeuren Sociaal Domein, PO-Raad, VO-raad, Sectorraad GO, de Branchevereniging Maatschappelijke
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl
1/3
Kinderopvang (BMK), het inspiratienetwerk Met Andere Ogen, Jeugdzorg Nederland en GGD GHOR Nederland. Uit deze gesprekken komt een aantal duidelijke lijnen naar voren: • Er is een breed gedeeld gevoel van urgentie om het jeugdbeleid te transformeren. • Gemeenten willen werken aan een sterke lokale basis voor gezinnen en kinderen. • Jeugdbeleid staat niet op zichzelf, maar hangt nauw samen met andere beleidsterreinen zoals onderwijs, bestaanszekerheid, gezondheid en wonen. • Bestuurders hebben behoefte aan concrete handvatten om hun bestuurlijke verantwoordelijkheid voor gezins- en jeugdbeleid goed vorm te geven. Waarom deze verandering nodig is Het huidige systeem van jeugdhulp staat onder druk en bereikt niet altijd wat we ermee beogen. Veel problemen waarmee kinderen te maken krijgen hangen samen met omstandigheden in het gezin of de leefomgeving, zoals armoede, schulden, huisvesting of mentale problemen van ouders. Tegelijkertijd groeit de instroom naar individuele jeugdhulp en zijn de kosten voor gemeenten moeilijk beheersbaar geworden. Niet alle kinderen horen thuis in de jeugdzorg, terwijl kinderen die wél hulp nodig hebben die niet altijd tijdig of passend ontvangen. Daarom is een inhoudelijke verandering nodig. Kinderen ontwikkelen zich het best in een sterk en zo normaal mogelijk dagelijks leven: thuis, op school, in de buurt en in hun sociale netwerk.
Jeugdhulp moet dat gewone leven ondersteunen wanneer dat nodig is, maar het niet vervangen. Investeren in sterke gezinnen, sterke buurten en een goede samenwerking tussen gemeente, onderwijs, kinderopvang en jeugdgezondheidszorg werkt daarmee niet alleen preventief, maar is ook een voorwaarde om kinderen kansrijk, veilig en gezond te laten opgroeien. Wat kunt u van de bestuurlijk aanjager verwachten In de komende weken werk ik deze inzichten verder uit in: • een inhoudelijke koers voor de gemeentelijke aanpak van jeugd; • een praktische leidraad vanuit het perspectief van wethouders Jeugd – ‘De Gids’ – in hun samenwerking met collega’s in het college van B&W, de gemeenteraad, gemeentelijke samenwerkingspartners en inwoners; • ondersteuning voor gemeenten bij de uitwerking en toepassing hiervan. Aanbevelingen voor de formatietafel Voor nu geef ik u graag enkele aanbevelingen mee voor het coalitieakkoord. Deze aanbevelingen raken drie samenhangende lagen: beleid, financiën en de praktijk in de wijk.
1. Formuleer een duidelijke ambitie Neem in het coalitieakkoord de ambitie op om te komen tot een sterke gemeentelijke basis voor gezinnen en kinderen, gericht op opvoeden, opgroeien en ontwikkelen. 2. Maak van jeugdbeleid een collegebrede verantwoordelijkheid Stel wat gezinnen en kinderen nodig hebben centraal bij het gemeentelijk beleid en beschouw de uitwerking en uitvoering daarvan als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van het gehele college. Dit is cruciaal voor het noodzakelijke domeinoverstijgend werken aan de brede ondersteuning van jeugdigen en gezinnen. Kinderrechten zijn hiervoor een behulpzaam instrument.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/3
3. Investeer in preventie en voorzieningen in de wijk Maak structureel ruimte voor voorzieningen in wijken en voor preventief en collectief aanbod. Ondersteun daarnaast inwonersinitiatieven die bijdragen aan sterk sociaal kapitaal. Zet in op stevige lokale teams die breed kijken en handelen, die de netwerken in de wijk kennen of mensen met elkaar in contact kunnen brengen. 4. Versterk de inhoudelijke verbinding tussen onderwijs en jeugd Breng onderwijs, kinderopvang en jeugd samen in één wethoudersportefeuille vanwege de logische inhoudelijke samenhang. Het maakt ook het gesprek met samenwerkingspartners en de ambtelijke organisatie eenvoudiger omdat zij dan één aanspreekpunt hebben. Tot slot Na de komende meivakantie lanceer ik ‘De Gids voor wethouders Jeugd’ gebaseerd op een inhoudelijke koers en een voorstel voor ondersteuning aan gemeenten. Mocht u in de tussentijd behoefte hebben aan een nadere toelichting of een gesprek, dan ben ik daar graag toe bereid. Met vriendelijke groet,
Cathalijne Dortmans Bestuurlijk aanjager Jeugd
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
3/3
Aan de leden
Datum
7 april 2026 Ons kenmerk
U202600184 Lbr. 26/009 Telefoon
070-373 83 93 Bijlage(n)
4
Onderwerp
Nieuwe Modelhuisvestingsverordening en Wet versterking regie volkshuisvesting
Geachte leden van college en gemeenteraad,
De Huisvestingswet vormt een belangrijk fundament voor het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid. Op basis van deze wet mag u regels stellen over onder andere de woonruimteverdeling en de samenstelling van de woonruimtevoorraad. Dit gebeurt via een Huisvestingsverordening of een beperktere Urgentieverordening. Naar verwachting treedt op 1 juli 2026 de Wet versterking regie volkshuisvesting in werking, onder voorbehoud van besluitvorming in de Eerste Kamer. Daarmee wijzigen ook onderdelen van de Huisvestingswet. De VNG heeft van dit moment gebruikgemaakt om de modelverordening te herschrijven en een Handreiking Huisvestingsverordening op te stellen. De VNG adviseert gemeenten om nu al een start te maken met de voorbereidingen voor een huisvestings- of urgentieverordening. In deze ledenbrief informeren wij u over aankomende wijzigingen en instrumenten die u al kunt inzetten. Dit gaat over: -
Woonruimteverdeling
-
Woonruimtevoorraadbeheer
-
Opkoopbescherming en toeristische verhuur
U ontvangt tevens de Modelhuisvestingsverordening en de Handreiking (bijlagen 1 t/m 4), zodat u kunt starten met het opstellen of actualiseren van de gemeentelijke Huisvestingsverordening of Urgentieverordening.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl
1/3
Woonruimteverdeling Bij de verdeling van sociale huurwoningen en betaalbare huur- en koopwoningen is het uitgangspunt de vrijheid van vestiging. Als er woningschaarste is en bepaalde groepen woningzoekenden voorrang moeten krijgen, kan dit recht worden beperkt bij wet en verordening. Voor gemeenten is een Huisvestingsverordening (of uitsluitend een Urgentieverordening) een belangrijk sturingsinstrument om hiervoor regels te kunnen stellen. Dit kan betrekking hebben op onder meer -
de wijze van toewijzing
-
voorrang voor bepaalde doelgroepen of lokale woningzoekenden de toewijzing van woonwagenstandplaatsen
De Wet versterking regie volkshuisvesting voegt daarnaast een verplicht onderdeel toe: het huisvesten van wettelijk bepaalde urgent woningzoekenden. Elke gemeente moet hierover regels opnemen in een regionaal afgestemde verordening. Dit gaat onder andere over het aandeel wettelijke urgente woningzoekenden dat een gemeente binnen de woningmarktregio moet huisvesten (de fair share). Ook kan de gemeente eigen lokale urgentiecategorieën vastleggen. In de praktijk werken gemeenten hierbij samen met woningcorporaties. De verplichting om een verordening vast te stellen treedt in werking na een door de minister van VRO te bepalen overgangstermijn. Woonruimtevoorraadbeheer Dit onderdeel van de Huisvestingsverordening is optioneel. Gemeenten mogen op grond van de Huisvestingswet regels stellen over het splitsen, verkameren, samenvoegen en onttrekken van woonruimte. Dit wordt met name toegepast door gemeenten met grote tekorten aan specifieke categorieën woonruimten of leefbaarheidsproblemen. De gemeente moet het gebruik van deze instrumenten onderbouwen op basis van onderzoek naar schaarste of leefbaarheid. Een zorgvuldige afweging is noodzakelijk tussen het beschermen van de woningvoorraad en het beter benutten daarvan. Opkoopbescherming en toeristische verhuur Gemeenten kunnen voorwaarden stellen aan het opkopen en verhuren van woningen.
Dit relatief nieuwe instrument wordt vaak ingezet om koopstarters een betere positie op de koopmarkt te geven door te voorkomen dat te veel woningen worden opgekocht voor verhuur. Gemeenten met een relatief grote toeristische sector mogen maatregelen treffen om de verhuur van woonruimten aan toeristen te beperken, zoals •
een registratieplicht
•
een maximale verhuurperiode
•
een vergunningplicht
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/3
Ook voor deze instrumenten geldt dat de noodzaak moet worden onderbouwd door de gemeente en onderdeel is van de besluitvorming rondom een huisvestingsverordening. Wat betekent dit voor de ambtelijke organisatie Elke gemeente moet op termijn beschikken over een regionaal afgestemde verordening waarin de wettelijke urgentieregeling is vastgelegd. De modelverordening biedt handvatten om dit juridisch zorgvuldig te regelen. Dit vraagt om voldoende uitvoeringscapaciteit, onder andere om urgenties te beoordelen en bezwaar en beroep af te handelen. In veel gemeenten hebben woningcorporaties nu al een rol bij de huisvesting van urgente woningzoekenden en bij de beoordeling van aanvragen. De VNG adviseert gemeenten daarom om met corporaties afspraken te maken over de uitvoering. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor de regiogemeenten. Omdat deze wettelijke taak nieuw is, worden gemeenten hiervoor gecompenseerd via een aanpassing van de algemene uitkering uit het Gemeentefonds. De overige onderdelen van de Huisvestingswet blijven optioneel. Als de gemeente ervoor kiest deze onderdelen toe te passen, dan is vaak extra of andersoortige uitvoeringscapaciteit nodig. De regels die de gemeente vastlegt moeten immers ingevoerd, uitgevoerd en gehandhaafd kunnen worden. Vragen Neem contact op via info@vng.nl of 070 3738393.
De modelverordening zal opgenomen worden in de Kennisbank Decentrale Regelgeving van Sdu. Meer informatie over de Wet versterking regie volkshuisvesting staat op de website van de rijksoverheid. Bijlagen 1. Handreiking Huisvestingsverordening 2. Modelhuisvestingsverordening 2026 3. Toelichting modelhuisvestingsverordening 2026 4. Implementatiehandleiding modelhuisvestingsverordening 2026
Met vriendelijke groet, Vereniging van Nederlandse Gemeenten
dr. mr. L.K. Geluk Algemeen directeur
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
3/3
Huisvestingsverordening
Handreiking
Colofon maart 2026 Opdrachtgever(s) VNG Auteurs Pim Tiggeloven (Companen) Bram Klouwen (Companen)
Inhoud 1 1.1
Inleiding Waarom een handreiking?
4 4
2 2.1 2.2 2.3
Achtergronden bij de huisvestingsverordening Instrument van de Huisvestingswet Voorwaarden huisvestingsverordening Samenhang met andere wetgeving
5 5 8 9
3 3.1 3.2 3.3 3.4
Verplicht onderdeel: urgenties Waarom een verplicht urgentieonderdeel? Naar een evenwichtige verdeling binnen de regio Zoekprofiel voor urgente woningzoekenden Monitoringsplicht voor gemeenten
12 12 16 17 19
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Sturen op woonruimteverdeling Sturing op woonruimteverdeling Voorrang op basis van economische of maatschappelijke binding Toewijzing woonwagens- en standplaatsen Wat als er geen huisvestingsverordening is? Onderbouwing noodzaak van sturing op woonruimteverdeling
20 20 23 26 28 28
5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
Sturen op het gebruik van de woningvoorraad Woningvorming, splitsing appartementsrechten, woningomzetting Woningonttrekking Woningsamenvoeging Onderbouwing noodzakelijkheid van sturing op woonruimte voorraadbeheer Opkoopbescherming Toeristische verhuur
30 30 33 33 34 36 40
6 6.1 6.2 6.3
Het opstellen van de verordening Het opstellen van een verordening voor urgenties Het opstellen van een verordening voor de woonruimteverdeling Het opstellen van een verordening voor woonruimtevoorraadbeheer, opkoopbescherming, toeristische verhuur Communicatie
44 44 48
54 54 55 57
7.5 7.6
Uitvoering van de verordening Organisatie van woonruimteverdeling Het aanvragen van urgentie Aanvragen huisvestingsvergunning woonruimteverdeling Aanvragen vergunning woonruimtevoorraadbeheer, opkoopbescherming, toeristische verhuur Verantwoording en monitoring Verdeling kosten in de uitvoering
8 8.1 8.2 8.3
Toezicht en handhaving Bij welke instrumenten is handhaving met name gewenst? Mogelijke sancties bij een overtreding Mogelijkheden voor toezicht en handhaving
62 62 62 64
6.4 7 7.1 7.2 7.3 7.4
52 52
59 60 60
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
3
1 Inleiding 1.1
Waarom een handreiking? De Huisvestingswet 2014 heeft als basisprincipe de vrijheid van vestiging: iedere inwoner mag zelf bepalen waar hij of zij in Nederland gaat wonen. De overheid mag hier alleen op ingrijpen als er sprake is van woningschaarste of (sinds kort en in specifieke gevallen) leefbaarheidsproblematiek. In dat geval kan de gemeente een huisvestingsverordening opstellen, zodat men sturing kan geven aan onderwerpen als de woonruimteverdeling, urgenties en de samenstelling van de woningvoorraad. Als gevolg van de oplopende druk op de woningmarkt zijn steeds meer gemeenten de inzet van een huisvestingsverordening gaan overwegen. Bovendien zijn er steeds meer onderwerpen toegevoegd aan de Huisvestingswet, zoals opkoopbescherming en toeristische verhuur. Anno 2024 zijn gemeenten niet verplicht om een huisvestingsverordening te hanteren. Ongeveer de helft van alle gemeenten beschikt over een huisvestingsverordening. En deze gemeenten zetten meestal niet het volledige instrumentarium in. In de toekomst wordt een huisvestingsverordening voor het onderwerp ‘urgenties’ verplicht. Veel gemeenten gaan dan voor het eerst een huisvestingsverordening opstellen. Waarschijnlijk blijft het voor veel gemeenten bij het onderdeel urgenties. Wellicht ziet een deel van de gemeenten dit als aanleiding om ook voor andere onderdelen de verordening uit te werken.
Het is daarom belangrijk om deze gemeenten een goed inzicht te geven van mogelijkheden en voorwaarden van de huisvestingsverordening. Uiteraard als het gaat om het verplichte urgentieonderdeel, maar ook over de andere onderwerpen. Op welke manier kunnen we als gemeente sturing geven aan de woonruimteverdeling? In welke situaties kan sturing op thema’s als woningvoorraadsamenstelling of opkoopbescherming een optie zijn? Aan welke voorwaarden moeten we voldoen als we één of meerdere niet verplichte onderdelen willen uitwerken? Met alleen de keuze voor de inhoudelijke thema’s is een gemeente er niet. Zowel voor het proces om tot een huisvestingsverordening te komen, als bij de uitvoering in de praktijk, gelden veel aandachtspunten. Welke partijen betrek ik bij het opstellen van een verordening? Kiezen we voor een verordening die betrekking heeft op de eigen gemeente of kiezen we voor een uniforme verordening voor de hele regio? Welke mogelijkheden zijn er qua toezicht en handhaving bij de uitvoering van de huisvestingsverordening? Deze en andere vragen komen aan de orde in de handreiking.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
4
2 Achtergronden bij de huisvestingsverordening Voordat we ingaan op de verschillende onderdelen van de huisvestingsverordening, staan we eerst stil bij de achtergronden van het instrument. Hoe ziet het wettelijk kader eruit? Welke voorwaarden gelden er voor het invoeren en hanteren van een huisvestingsverordening?
2.1
Instrument van de Huisvestingswet De huisvestingsverordening is een sturingsinstrument dat voortvloeit uit de Huisvestingswet 2014. Het basisprincipe van deze wet is het recht op vrijheid van vestiging1. Dit betekent dat iedereen in Nederland (en Europa) zelf mag bepalen waar hij of zij gaat wonen. Dit recht kan alleen beperkt worden als dit bij wet is geregeld, een legitiem doel dient en niet bereikt kan worden met een minder ingrijpende maatregel. In de Huisvestingswet wordt als legitiem doel genoemd de aanwezigheid van woningschaarste die ervoor zorgt dat sommige woningzoekenden structureel op achterstand staan bij het vinden van een woning. Een huisvestingsverordening kan alleen worden ingezet als dat noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van deze schaarste aan woonruimte (Huisvestingswet, artikel 2, lid 1). Bij de laatste aanpassing van de Huisvestingswet (in werking getreden per 1 januari 2024) is daaraan toegevoegd dat bij specifieke onderwerpen (woonruimtevoorraadbeheer en toeristische verhuur) ook de aanpak van leefbaarheidsproblematiek als legitiem doel kan worden gehanteerd (Huisvestingswet, artikel 2, lid 2, onder b).
Publiekrechtelijk instrument De huisvestingsverordening is een publiekrechtelijk instrument waarmee overheden (gemeenten en regio’s) sturing kunnen geven aan onderwerpen als woonruimteverdeling, urgenties en de samenstelling van de woningvoorraad. Dit betekent dat alle uitvoerende instanties, zoals woningcorporaties, particuliere verhuurders en ontwikkelaars zich aan de bepalingen in de huisvestingsverordening dienen te houden, tenzij de gemeente specifieke uitzonderingscategorieën in de verordening benoemt. De Huisvestingswet stelt dat de gemeente op terrein van de woonruimteverdeling en urgenties dit alleen via een huisvestingsverordening kan regelen2 (Huisvestingswet, artikel 4). Daarmee is het verboden dat een gemeente privaatrechtelijke afspraken mag maken (zoals prestatieafspraken met woningcorporaties of anterieure afspraken met ontwikkelaars) over onderwerpen die in de Huisvestingswet 2014 zijn benoemd. Het maakt daarbij niet uit of een bepaald onderwerp al dan niet is opgenomen in een lokale of regionale huisvestingsverordening. Publiek- en privaatrecht mogen elkaar niet doorkruisen.
1
Artikel 2 Vierde Protocol Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens.
2
Voor de onderdelen ‘gebruik van de woningvoorraad’, ‘opkoopbescherming’ en ‘toeristische verhuur’ is dat niet het geval.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
5
Bijdrage aan volkshuisvestelijk beleid Een huisvestingsverordening functioneert als instrument bij de uitvoering van gemeentelijk woonbeleid. Het instrument biedt vooral sturing als het gaat om het in gebruik geven of nemen van woonruimte en/of het wijzigen van de samenstelling van de woningvoorraad. Uit de evaluatie van de Huisvestingswet 2014 (uitgevoerd in 2020) bleek dat ongeveer de helft van alle gemeenten (179 van de 352) gebruik maakt van een huisvestingsverordening. Het gaat daarbij vooral om gemeenten in het westen (Randstad) en midden van het land. Onderwerpen voor de huisvestingsverordening De huisvestingsverordening kent in de basis een cafetariamodel; iedere gemeente mag zelf bepalen of ze voor een of meerdere thema’s de verordening uitwerkt. In de praktijk zijn er veel gemeenten die voor slechts één of twee onderwerpen een verordening hanteren. Maar zeker bij de grootstedelijke gemeenten (waar de woningschaarste en verdringing vaak zeer groot is) zijn nagenoeg alle onderwerpen opgenomen in de verordening. Onderwerp
Inhoud
Veel voorkomend in verordeningen?
Woonruimteverdeling
O.a. toewijzingssystemen (aanbodmodel, loting, etc.), voorrang voor doelgroepen (onder andere lokale woningzoekenden, toewijzing woonwagenstandplaatsen)
Niet verplicht, wel veel voorkomend
Urgenties
O.a. urgentiecategorieën, wijze van aanvragen urgentie, zoekprofiel, geldigheid urgentie
Verplicht. Dit hangt af van de inwerkingtreding van de Wet versterking regie volkshuisvesting en gebeurt op een bij koninklijk besluit nader te bepalen moment.
Woonruimtevoorraadbeheer
O.a. voorwaarden ten aanzien van splitsen, omzetten, samenvoegen, onttrekken
Niet verplicht. Kwam in het verleden beperkt voor in verordeningen, maar is in opkomst
Opkoopbescherming
O.a. voorwaarden ten aanzien van opkopen en verhuren (wijken, prijsgrens, uitzonderingen)
Niet verplicht, komt beperkt voor
Toeristische verhuur
O.a. registratieplicht, nachtencriterium, vergunningplicht
Niet verplicht, komt beperkt voor (vooral gemeenten met relatief grote toeristische sector)
Tabel 2.1: Mogelijke thema’s die gemeenten op kunnen nemen in de huisvestingsverordening
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
6
Verplicht
Urgenties
Optioneel
Woonruimte verdeling
Woonruimte voorraad beheer
Opkoop bescherming
Toeristische verhuur
Inhoud
Inhoud
Inhoud
Inhoud
Inhoud
Opstellen
Opstellen
Opstellen
Opstellen
Opstellen
Uitvoeren
Uitvoeren
Uitvoeren
Uitvoeren
Uitvoeren
Bij de evaluatie van de Huisvestingswet 2014 in 20203 bleek een urgentieregeling het meest voorkomende onderdeel in de huisvestingsverordeningen (166 gemeenten). Mogelijk speelde ook mee dat voor dit onderdeel geen schaarste aangetoond hoeft te worden. In de toekomst zal het onderwerp urgenties voor iedere gemeente verplicht worden. Wellicht zal een groot deel van de gemeenten het bij dit ene onderwerp houden. Maar de kans is aanwezig dat een deel van de gemeenten het uitwerken van het thema urgenties ook aangrijpt om andere onderwerpen op te nemen in een huisvestingsverordening. Ook het onderdeel woonruimteverdeling komt in veel huisvestingsverordeningen voor (137 gemeenten, ten tijde van de evaluatie). Regels ten aanzien van woonruimtevoorraadbeheer kwamen aanzienlijk minder vaak voor (77 gemeenten)4. Huisvestingsvergunning als kerninstrument in de verordening Binnen de huisvestingsverordening moet de gemeente een verplicht vergunningsstelsel opnemen voor het in gebruik nemen van woningen die onder de verordening vallen. Het instrument dat de wet bij die gereguleerde woningen verplicht stelt, is de huisvestingsvergunning. In de huisvestingsverordening geeft de gemeente aan wie in aanmerking komt voor die huisvestingsvergunning.
Dit betekent dat de gemeente bij elke toewijzing van woningen die onder de verordening vallen een vergunning moet verstrekken aan de kandidaat die de woning krijgt. Dit is ook het moment om te toetsen of de kandidaat voldoet aan de voorwaarden uit de verordening. Rekening houden met eigendomsrecht en vrij verkeer van diensten Bij het opstellen en uitvoeren van de huisvestingsverordening moeten gemeenten rekening houden met bepaalde rechten van met name woningeigenaren. Hierbij gaat het onder andere om het recht op ongestoord genot van eigendom, ook wel het eigendomsrecht genoemd. Inperking van dat eigendomsrecht kan alleen als:
3
Evaluatie Huisvestingswet 2014. Instrumenten voor het lokale huisvestingsbeleid. Rigo (2020).
4
De onderdelen ‘toeristische verhuur’ (invoering per 1-1-2021) en ‘opkoopbescherming’ (invoering per 1-1-2022) zijn pas na de evaluatie opgenomen in de huisvestingswet.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
7
1. de maatregel bij wet voorzien is (de inperking moet toegankelijk, precies en voorzienbaar zijn); 2. de inmenging moet noodzakelijk zijn in het algemeen belang; 3. er is sprake van een fair balance tussen na te streven doel en het belang van de eigenaar. Met name bij het in gebruik geven of nemen van sociale koopwoningen en sturing ten aanzien van woonruimtevoorraadbeheer wordt het eigendomsrecht beperkt. Een ander recht waar de huisvestingsverordening rekening mee moet houden is het vrije verkeer van diensten, voor zover deze vallen onder de Dienstenrichtlijn. Dat zijn doorgaans economische activiteiten die tegen vergoeding plaatsvinden. Een vergunningsstelsel zoals bij de huisvestingsverordening kan alleen als: • dit middel noodzakelijk is vanwege het algemeen belang dat met de beperking wordt gediend en dat dit middel niet verder gaat dan wat nodig is om het doel te bereiken; • het beoogde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt; • de maatregel geen onderscheid maakt naar nationaliteit; • de maatregel duidelijk, ondubbelzinnig en objectief is, vooraf is bekendgemaakt, transparant en toegankelijk is. Met name bij het in gebruik geven of nemen van sociale koopwoningen, voorrang aan vitale beroepsgroepen en het sturen op woonruimtevoorraadbeheer vanwege de leefbaarheid wordt het vrij verkeer van diensten beperkt.
2.2
Voorwaarden huisvestingsverordening
Onderbouwing van de huisvestingsverordening Als een gemeente voor een of meerdere niet-verplichte onderwerpen een huisvestingsverordening wil opstellen, zal zij eerst moeten onderbouwen dat er sprake is van een legitiem doel om het recht op vrijheid van vestiging in te perken. Dat legitieme doel kan bestaan uit: • Het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte. • Het behoud van de leefbaarheid van de woonomgeving. Er is in het verleden gesproken over een uniforme wijze waarop gemeenten deze onderbouwing moeten geven. Maar door de grote verscheidenheid in woningmarktsituaties over het land (mate van schaarste, opbouw van de woningvoorraad) is hier door het Rijk van afgezien. Daardoor hebben gemeenten veel vrijheid om de onderbouwing naar eigen inzicht vorm te geven en die ook past bij de woningmarktsituatie die op lokaal of regionaal niveau speelt. Het is wel belangrijk dat de onderbouwing van schaarste een duidelijke relatie heeft met het onderdeel dat de gemeente vergunningplichtig wil maken. In paragrafen 4.5, 5.4, 5.5 en 5.6 gaan we daarom per onderdeel in op de specifieke aandachtspunten ten aanzien van de onderbouwing. Check op onderbouwing Gemeenten moeten de noodzaak van een huisvestingsverordening (en vooral de onderbouwing daarvan) opnemen in hun woonbeleid5 (Huisvestingswet, artikel 6, lid 4).
Daarnaast moeten gemeenten tijdens de totstandkoming van de huisvestingsverordening advies vragen aan Gedeputeerde Staten (Huisvestingswet, artikel 6, lid 3). Enerzijds krijgt de provincie daarmee een beter inzicht in de huisvestingsverordeningen die gemeenten hanteren. Anderzijds kan de provincie hierdoor aanbevelingen doen over de afstemming tussen lokale huisvestingsverordeningen en regionale opgaven. Het ligt voor de hand dat bij deze adviesronde Gedeputeerde Staten ook een blik werpt op
5
In de Huisvestingswet (2024) wordt hier als voorbeeld de woonvisie in genoemd. Met de Wet versterking regie op de volkshuisvesting komt de verplichting van een woonvisie te vervallen. Het ligt in de lijn der verwachting dat de onderbouwing nu in de Omgevingsvisie en/of het Volkshuisvestingsprogramma wordt opgenomen.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
8