E VNG ledenbrieven
Tekst van het document
Ingekomen stukken Hoofddocument: E1 VNG 2025-044 Toelichting Cao Gemeenten SGO 2025-2027 Nummering
2025-11-E1
Onderwerp
E1 VNG 2025 044 Toelichting Cao Gemeenten SGO 2025 2027
Categorie
E VNG ledenbrieven
Datum ontvangst
06-10-2025
Datum raadsvergadering
11-11-2025
Hoofddocument
E1 VNG 2025-044 Toelichting Cao Gemeenten SGO 2025-2027
Hoofddocument: E2 VNG 2025-045 Functiewaardering Cao Gemeenten en Cao SGO Nummering
2025-11-E2
Onderwerp
E2 VNG 2025 045 Functiewaardering Cao Gemeenten en Cao SGO
Categorie
E VNG ledenbrieven
Datum ontvangst
06-10-2025
Datum raadsvergadering
11-11-2025
Hoofddocument
E2 VNG 2025-045 Functiewaardering Cao Gemeenten en Cao SGO
Hoofddocument: E3 VNG 2025-046 Ontwikkelingen asiel en Oekraïne-opvang Nummering
2025-11-E3
Onderwerp
E3 VNG 2025 046 Ontwikkelingen asiel en Oekraïne opvang
Categorie
E VNG ledenbrieven
Datum ontvangst
14-10-2025
Datum raadsvergadering
11-11-2025
Hoofddocument
E3 VNG 2025-046 Ontwikkelingen asiel en Oekraïne-opvang
1
Hoofddocument: E4 VNG-047 Modelverordening lokaal eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek Nummering
2025-11-E4
Onderwerp
E4 VNG 047 Modelverordening lokaal eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek
Categorie
E VNG ledenbrieven
Datum ontvangst
20-10-2025
Datum raadsvergadering
11-11-2025
Hoofddocument
E4 VNG-047 Modelverordening lokaal eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek
Hoofddocument: E5 VNG-048 Modelbeleidsregels schuldhulpverlening Nummering
2025-11-E5
Onderwerp
E5 VNG 048 Modelbeleidsregels schuldhulpverlening
Categorie
E VNG ledenbrieven
Datum ontvangst
20-10-2025
Datum raadsvergadering
11-11-2025
Hoofddocument
E5 VNG-048 Modelbeleidsregels schuldhulpverlening
Hoofddocument: E6 VNG-049 Compensatie voor medewerkers sociaal ontwikkelbedrijven Nummering
2025-11-E6
Onderwerp
E6 VNG 049 Compensatie voor medewerkers sociaal ontwikkelbedrijven
Categorie
E VNG ledenbrieven
Datum ontvangst
23-10-2025
Datum raadsvergadering
11-11-2025
Hoofddocument
E6 VNG-049 Compensatie voor medewerkers sociaal ontwikkelbedrijven
2
Hoofddocument: E7 VNG 2025-050 Publiekscampagne maatschappelijke weerbaarheid ‘Denk vooruit’ Nummering
2025-11-E7
Onderwerp
E7 VNG 2025-050 Publiekscampagne maatschappelijke weerbaarheid ‘Denk vooruit
Categorie
E VNG ledenbrieven
Datum ontvangst
23-10-2025
Datum raadsvergadering
11-11-2025
Hoofddocument
E7 VNG 2025-050 Publiekscampagne maatschappelijke weerbaarheid ‘Denk vooruit’
Brief aan de leden
Datum
2 oktober 2025 Kenmerk
U202500601 Lbr. 25 /044 LOGA-nr 25/03 Telefoon
Bijlagen)
-
Onderwerp
Toelichting Cao Gemeenten/SGO 2025-2027
Samenvatting Met deze LOGA-brief wordt een toelichting gegeven op een aantal afspraken uit de Cao Gemeenten en Cao SGO 2025-2027. In LOGA-brief nummer 25/02 van 10 juni jl. is eerder een toelichting gegeven op wijzigingen van de salarisbedragen, vergoedingen en toelagen over 2025. De cao tekst is gepubliceerd op 1 juli jl., zie daarvoor www.caogemeenten.nl en www.wsgo.nl. In deze brief staat een toelichting op de afspraken over: 1. Salarismutaties 2026 en 2027 2. Minimumuursalaris 3. Invloed van de salarismaatregelen op uitkeringen in verband met werkloosheid 4. Aflossing studieschuld met het IKB 5. Toelagen en vergoedingen 6. Vrijstelling nachtdiensten 7. Inclusieve cao 8. Stand van zaken RVU onderzoek zware beroepen 9. Tot slot Deze LOGA-brief staat ook op www.vng.nl onder ledenbrieven en op www.wsgo.nl onder publicaties.
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
1/1
Brief aan de leden
Datum
2 oktober 2025 Kenmerk
U202500601 Lbr. 25 /044 LOGA-nr 25/03 Telefoon
Bijlagen)
-
Onderwerp
Toelichting Cao Gemeenten/SGO 2025-2027
Geachte leden, Met deze LOGA brief wordt een toelichting gegeven op een aantal afspraken uit de Cao Gemeenten en Cao SGO 2025-2027. In LOGA-brief 25/02 van 10 juni jl. is eerder een toelichting gegeven op wijzigingen van de salarisbedragen, vergoedingen en toelagen over 2025. In deze brief staat een toelichting op de afspraken over: 1. Salarismutaties 2026 en 2027 2. Minimumuursalaris 3. Invloed van de salarismaatregelen op uitkeringen in verband met werkloosheid 4. Aflossing studieschuld met het IKB 5. Toelagen en vergoedingen 6. Vrijstelling nachtdiensten 7. Inclusieve cao 8. Stand van zaken RVU onderzoek zware beroepen 9. Tot slot 1. Salarismutaties 2026 en 2027 De salarismutaties in 2026 en 2027 zijn verwerkt in de salaristabellen in de cao in artikel 3.3. De tekst van de cao is te vinden op www.caogemeenten.nl en www.wsgo.nl. 2. Minimumuursalaris Werknemers in de reguliere salarisschalen krijgen vanaf 1 januari 2026 een salaris van minimaal € 16 per uur (€ 2.496 per maand). De €16 per uur wordt niet geïndexeerd met de cao contractloonstijgingen. De € 16 geldt niet voor schaal A.
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
1/6
Periodieken die corresponderen met een uursalaris van minder dan € 16 zijn rood weergegeven in de salaristabellen. Het systeem van periodieken blijft in stand. Een voorbeeld: Een werknemer zit eind 2025 in schaal 1 periodiek 4 (= € 2.406). De vaste periodiek datum is 1 januari. Met ingang van 1 januari 2026 gaat de werknemer naar schaal 1 periodiek 5 (= € 2.448). Omdat deze periodiek onder het minimumsalaris ligt, ontvangt de werknemer per 1 januari 2026 € 2.496. De werknemer gaat met ingang van 1 januari 2027 naar schaal 1 periodiek 6 (= € 2.495). Omdat deze periodiek onder het minimumsalaris ligt, blijft de werknemer per 1 januari 2027 € 2.496 ontvangen. 3. Invloed van de salarismaatregelen op uitkeringen in verband met werkloosheid De structurele salarisstijging van € 35 euro nominaal per 1 januari 2026 werkt door naar de al ingegane uitkeringen in verband met werkloosheid op grond van artikel 10.23 cao en bijlage 8. Voor de hoogte van de indexatie van de uitkeringen dient te worden uitgegaan van de procentuele stijging van de schaal en periodiek tussen 1 oktober 2025 en 1 januari 2026. Door de nominale stijging is dit percentage per schaal en periodiek verschillend. Daarom moet worden gekeken naar de schaal en de periodiek waarin de werknemer zat voorafgaand aan de start van de uitkering.
Is niet meer te achterhalen in welke periodiek de werknemer zat, dan moet voor de indexatie worden gekeken naar de procentuele stijging in de 6e periodiek van de schaal waarin de werknemer zat1. De procentuele stijgingen van de 6de periodiek zijn: Schaal Percentage Schaal Percentage
1 1,5% 10a 0,7%
2 1,3% 11 0,6%
3 1,3% 11a 0,6%
4 1,2% 12 0,6%
5 1,2% 13 0,5%
6 1,1% 14 0,5%
7 1,0% 15 0,4%
8 0,9% 16 0,4%
9 0,8% 17 0,4%
10 0,7% 18 0,3%
(Rekenkundig afgerond op één cijfer achter de komma)
4. Aflossing studieschuld met het IKB Met ingang van 1 januari 2026 kan fiscaal vriendelijk via het IKB de DUO studieschuld ten gevolge van de reguliere studiefinanciering worden afgelost (artikel 4.3 cao). Voor maximaal € 1.250 per werknemer per jaar. Dit bedrag is gebaseerd op een voltijddienstverband. Voor de duidelijkheid: alle bedragen in de cao zijn gebaseerd op een voltijddienstverband tenzij in een artikel expliciet anders is vermeld. Artikel 1.9 cao is leidend. Een “levenlangleren krediet” valt niet onder dit IKB doel. Voor de aflossing moet de werknemer bewijsstukken bij de werkgever aanleveren. Partijen attenderen u daarbij op de werkwijze van de Cao Rijk: Bewijsstukken IKB | Personele informatie Rijk | O&P Rijk P-Direkt . Kort samengevat kan bijvoorbeeld als bewijsstuk gelden: a. Een bankafschrift waarop de betaling aan DUO zichtbaar is (inclusief naam werknemer, bedrag en datum), of b. Een overzicht van Mijn DUO van de werknemer met af- en bijschrijvingen waarop de betaling vermeld staat (inclusief naam werknemer, bedrag en datum), of c. Een bericht of brief van DUO aan de werknemer met als onderwerp ‘extra aflossing’, waarop naam werknemer, de datum en het betaalde bedrag duidelijk staan vermeld.
1
Gelijk aan de systematiek in 2023. Zie LOGA-brief nummer 23/02 van 5 april 2023
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
2/6
5. Toelagen en vergoedingen Toelage beschikbaarheidsdienst Met ingang van 1 januari 2026 wordt de hoogte van de toelage beschikbaarheidsdienst (artikel 3.13 lid 4 cao) voor alle werknemers gekoppeld aan het maximum uursalaris van schaal 8. M.a.w. de berekeningsgrondslag is voor iedereen gelijk ongeacht de eigen salarisschaal. Een voorbeeld: In september 2025 zit de werknemer in schaal 6 periodiek 9. De toelage beschikbaarheidsdienst is dan een percentage van het salaris per uur van schaal 6 periodiek 9. Met ingang van 1 januari 2026 is het een percentage van het salaris per uur van schaal 8 periodiek 11. Reiskostenvergoeding woon-werk De werkgever moet lokaal een regeling vaststellen voor een vergoeding van reiskosten woonwerkverkeer (artikel 3.22 lid 2 cao). Lokaal wordt bepaald voor welke vervoersmodaliteit(en) een onkostenvergoeding wordt gemaakt. Daarbij kunnen ook afspraken worden gemaakt over de reisafstanden waarvoor de vergoeding geldt en of bijvoorbeeld duurzaamheid en vitaliteit een aspect zijn bij het maken van de regeling. Een lokale regeling kan tot gevolg hebben dat niet elke werknemer een reiskostenvergoeding krijgt, bijvoorbeeld omdat de reisafstand woon-werk volgens de lokale regeling te klein is. Het verstrekken van een OV-abonnement is ook een vorm van een onkostenvergoeding.
Een regeling waarin alleen reiskosten kunnen worden uitgeruild via het IKB, is niet toereikend. Op 1 januari 2026 moet er een lokale regeling zijn. Op grond van artikel 12.2 lid 1a cao wordt het lokaal overleg betrokken. Er is voor deze afspraak gekozen omdat de sector gemeenten al een grote verscheidenheid kent aan lokale regelingen. Die regelingen zijn te vinden in het onderzoekrapport: Rapport over duurzame mobiliteit gepubliceerd | VNG Geen herberekening TOR De TOR (bijlage 5A cao) is in 2016 met de wijziging van hoofdstuk 3 ingevoerd. De nieuwe afspraken over de loonontwikkeling en de toelagen leiden niet tot een herberekening van de TOR. In bijlage 5A staat: “Behoudens afkoop of vermindering van de aanstellingsomvang, blijft de aanspraak op een TOR gedurende het dienstverband ongewijzigd bestaan.” 6. Vrijstelling nachtdiensten Werknemers die nachtdiensten draaien waarvoor de toelage onregelmatige dienst geldt (artikel 3.11 cao), kunnen vanaf de leeftijd van 55 jaar vrijstelling vragen en niet meer worden verplicht tot het draaien van deze nachtdiensten (artikel 5.6 cao). Dit artikel gaat in per 1 januari 2026. Een nachtdienst is volgens de cao een dienst waarbij arbeid wordt verricht tussen 00.00 uur en 06.00 uur. De duur van de arbeid in die periode is niet van belang, ook de lokale benaming van de dienst niet.
Voorbeeld: Een organisatie kent een avonddienst van 17.00 uur tot 01.00 uur. Een werknemer die aan de voorwaarden van artikel 5.6 cao voldoet, kan nu een vrijstelling van deze dienst vragen. De dienst loopt namelijk door tussen 00.00 uur en 01.00 uur en is daarmee volgens de cao dus een nachtdienst. Gezien deze nieuwe cao afspraak, is het van belang dat werkgevers hun roosters nalopen. Lid 5 van artikel 5.6 cao betekent dat de vrijstelling van nachtdiensten niet van toepassing is op de beschikbaarheidsdienst volgens 3.13 cao. Een werknemer van 55 jaar en ouder kan dus vragen om te worden vrijgesteld van het draaien van nachtdiensten waarvoor de toelage onregelmatige
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
3/6
dienst geldt, maar die vrijstelling geldt niet voor het draaien van beschikbaarheidsdiensten in de nacht en het eventueel ten gevolge daarvan werken in de nacht. 7. Inclusieve cao Ruilen feestdagen Met ingang van 1 januari 2026 kan de werknemer tweede Paasdag en/of tweede Pinksterdag omruilen (artikel 6.6 lid 2 cao). De cao kent geen termijn voor het aanvragen van het omruilen van feestdagen. Lokaal kan de werkgever daar regels voor afspreken. Zodat bijvoorbeeld rekening kan worden gehouden met werknemers die in een rooster werken, die tijdig bekend moet zijn. Een veel voorkomende wettelijke termijn om wijzigingen rondom arbeidsvoorwaarden aan te vragen, is twee maanden. De ondernemingsraad heeft op grond van artikel 27 lid 1b WOR instemmingsrecht als de werkgever hier een regeling voor maakt. Ouderschapsverlof meerlingen Het ouderschapsverlof voor meerlingen wordt aangepast per 1 oktober 2025. De uitzondering in artikel 6.10 lid 7 cao en 6.10a lid 4 cao wordt geschrapt. De cao sluit daardoor aan bij de Wazo waarbij geldt dat bij twee- of meerlingen per kind recht bestaat op onbetaald ouderschapsverlof en per kind recht bestaat op een Wazo-uitkering. De nieuwe afspraak geldt zowel voor meerlingen die geboren worden na 1 oktober 2025 als voor meerlingen die geboren zijn vóór die datum en nog rechten (over) hebben op grond van de Wazo.
Voorbeeld: een werknemer heeft een tweeling die nog niet 8 jaar is en waarvan nog 4 weken wettelijk onbetaald ouderschapsverlof (van de 26 weken) over is van één van de tweelingen. Voor dit “tweede” kind kan dan nog 4 weken cao betaald ouderschapsverlof worden opgenomen. Ouderschapsverlof meeroudergezin In de cao is een nieuwe bepaling opgenomen voor ouderschapsverlof voor meeroudergezinnen (artikel 6.10b cao) met ingang van 1 januari 2026. In artikel 1.1 cao is een definitie opgenomen van een “meeroudergezin”. Om zo goed mogelijk het recht op en de omvang van het ouderschapsverlof te kunnen vaststellen, zal in de praktijk een gesprek tussen werkgever en werknemer nodig zijn (zie artikel 6.10b lid 2 en lid 3) Een werknemer die ouder is in een meeroudergezin volgens de definitie in de cao, valt (volgens de huidige wetgeving) niet onder de wettelijke regels rondom ouderschapsverlof. In de nieuwe cao krijgt deze werknemer diverse ouderschapsverlof rechten. Zie artikel 6.10b lid 1 cao die verwijst naar de betreffende regelingen waar een werknemer in een meeroudergezin recht op heeft. Zo is er wettelijk geen recht op de 9 weken durende UWV uitkering bij ouderschapsverlof. In artikel 6.10b lid 5 wordt dit recht in de cao wel toegekend. De werkgever dient de “uitkering” daarom te betalen.
Voor de hoogte van de “uitkering” kan waarschijnlijk gebruik worden gemaakt van de schatting van het dagloon door uw salarisverwerker. Veelal zal deze schatting correct zijn, behalve wanneer de werknemer de afgelopen periode te maken heeft gehad met incidentele inkomstenvermindering. Een drietal voorbeelden2 voor ouderschapsverlof bij meeroudergezinnen:
2
Alle voorbeelden gelden vanaf 1 januari 2026. De Wazo brochure op https://www.caogemeenten.nl/uitleg/vakantie-enverlof moet door partijen nog worden aangevuld met de nieuwe cao afspraken.
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
4/6
Voorbeeld 1: De werknemer heeft in een meeroudergezin de zorg voor een kind van 6 jaar. De werknemer werkt 32 uur (vrijdags vrij), heeft een zorgtaak op de maandagen en zit in schaal 8 periodiek 6. De werknemer heeft dan recht op: - Onbetaald ouderschapsverlof. De aanspraak is 1/5 keer (32 uur x 13 weken) = 83,2 uur. Op te nemen voor het 8ste levensjaar van het kind. Zie artikel 6.10b lid 1b en lid 4 cao. - Betaald ouderschapsverlof. De aanspraak is 1/5 keer (32 uur x 13 weken) = 83,2 uur. Zie artikel 6.10b lid 1a en lid 3 cao. Op te nemen voor het 8ste levensjaar van het kind. De werknemer krijgt 50% doorbetaling (volgens artikel 6.10 lid 2), maar kan dus ook de keuze maken voor 70% of 80% doorbetaling van salaris en salaristoelagen (volgens artikel 6.10 lid 4 cao). Voorbeeld 2: De werknemer heeft in een meeroudergezin de zorg voor een baby van 6 maanden. De werknemer werkt 36 uur, heeft een zorgtaak op de maandagen en de woensdagen en zit in schaal 5 periodiek 7. De werknemer heeft dan recht op: - Onbetaald ouderschapsverlof. De aanspraak is 2/5 keer (36 uur x 13 weken) = 187,2 uur Op te nemen voor het 8ste levensjaar van het kind. Zie artikel 6.10b lid 1b en lid 4 cao. - Betaald ouderschapsverlof. De werknemer kiest voor de 9 weken 100% doorbetaling volgens artikel 6.10a cao (zie artikel 6.10b lid 1a).
Het betaald ouderschapsverlof ziet er als volgt uit: o 9/13 weken keer 187,2 uur = 129,6 uur voor 100% doorbetaling, op te nemen voor het einde van het eerste levensjaar o 4/13 weken keer 187,2 uur = 57,6 uur voor 70% doorbetaling, op te nemen voor het 8ste levensjaar. Het is 70% omdat zijn inkomen ligt tussen het einde van schaal 2 en het einde van schaal 4 (artikel 6.10 lid 2) Voorbeeld 3: Identiek aan voorbeeld 2, in dit geval kiest de werknemer er echter voor om de 9 weken van artikel 6.10b lid 5 apart op te nemen. De werknemer heeft dan recht op: - 57,6 uur onbetaald verlof (gelijk aan 4 weken). Op te nemen voor het 8ste levensjaar van het kind. Zie artikel 6.10b lid 1b en lid 4 cao - 129,6 uur ouderschapsverlof voor 70% dagloon doorbetaling door de werkgever (vergelijkbaar met de UWV uitkering van 9 weken), op te nemen voor het einde van het eerste levensjaar. Dit volgens artikel 6.10a lid 3 cao in combinatie met artikel 6.10b lid 5. - 187,2 uur voor 70% doorbetaling salaris en salaristoelagen (gelijk aan 13 weken), op te nemen voor het 8ste levensjaar. Zie artikel 6.10b lid 1a en lid 3 en 6.10 lid 2. Jaarurennorm 2026 In artikel 5.1 lid 4 cao staat dat de werkgever ervoor moet zorgen dat de feestdagen op een gelijke wijze worden toegekend aan werknemers met een voltijd- en deeltijddienstverband om indirecte discriminatie op grond van arbeidsduur te voorkomen.
Een manier om dat te regelen, is door te werken met bijvoorbeeld een jaarurennorm. In de cao is daarom in lid 5 van artikel 5.1 een jaarurennorm opgenomen. De jaarurennorm in de cao wordt berekend door het aantal kalenderdagen in het jaar te verminderen met: het aantal zaterdagen en zondagen in het jaar en het aantal feestdagen in het jaar dat niet valt op een zaterdag of een zondag. Dit aantal resterende dagen wordt vermenigvuldigd met 7,2 uur en afgerond op hele uren.
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
5/6
Voor 2026 betekent dit: - 365 dagen min 52 zaterdagen en 52 zondagen = 261 dagen - 261 dagen min 7 feestdagen = 254 dagen in totaal te werken - 254 dagen x 7,2 uur = 1.829 uren 8. Stand van zaken RVU onderzoek zware beroepen Cao-partijen zijn kort na het afsluiten van het Eindresultaat Cao 2025-2027 uitvoering gaan geven aan het onderzoek naar zware beroepen. Het onderzoek is opgestart onder extern voorzitterschap van Marjolijn Olde Monnikhof (directeur bestuurder van CAOP) en wordt ondersteund door het bureau Basis & Beleid en een paritair samengestelde werkgroep. Zodra er meer nieuws is, communiceren partijen daarover. Volgens afspraak is de deadline 1 november 2025. 9. Tot slot Cao partijen hebben geconstateerd dat een aantal redactionele verbetering en correcties in de aangemelde en gepubliceerde cao tekst moeten worden doorgevoerd. Dit wordt gedaan bij de eerstvolgende gelegenheid. Het betreft: - In artikel 4.2 lid 1c en artikel 4.3 lid 1a moet het zinsdeel “bij een voltijddienstverband” worden geschrapt; - In artikel 6.5 lid 3 cao moet sub e worden geschrapt; - In artikel 12.7 lid 2 cao moet “juli” worden gewijzigd naar “februari”. Deze LOGA-brief staat ook op www.vng.nl onder ledenbrieven en op www.wsgo.nl onder publicaties. Hoogachtend, Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden
Janine Jongepier Secretaris
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
6/6
Brief aan de leden
Datum
6 oktober 2025 Kenmerk
U202500605 Lbr. 25/045 LOGA-nr 25/04 Telefoon
Bijlagen)
-
Onderwerp
Functiewaardering Cao Gemeenten en Cao SGO
Samenvatting Met deze LOGA-brief informeren wij u over functiewaardering in de sector gemeenten. In de twee meest recente cao’s hebben partijen daar (verdere) afspraken over gemaakt. Cao partijen vinden het wenselijk de koers rondom functiewaardering in de Cao Gemeenten en de Cao SGO nader toe te lichten. In deze brief komt aan bod: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Achtergrond functiewaardering in de gemeentelijke sector Cao Gemeenten en Cao SGO 2024-2025 Cao Gemeenten en Cao SGO 2025-2027 Referentiekader voor functiewaardering Ambitie LOGA Publicatie
Deze LOGA-brief staat ook op www.vng.nl onder ledenbrieven en op www.wsgo.nl onder publicaties.
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
Brief aan de leden
Datum
6 oktober 2025 Kenmerk
U202500605 Lbr. 25/045 LOGA-nr 25/04 Telefoon Bijlagen)
-
Onderwerp
Functiewaardering Cao Gemeenten en Cao SGO
Geachte leden, Inleiding Met deze LOGA-brief informeren wij u over functiewaardering in de sector gemeenten. In de twee meest recente cao’s hebben partijen daar (verdere) afspraken over gemaakt. Cao partijen vinden het wenselijk de koers rondom functiewaardering in de Cao Gemeenten en de Cao SGO nader toe te lichten. In deze brief komt aan bod: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Achtergrond functiewaardering in de gemeentelijke sector Cao Gemeenten en Cao SGO 2024-2025 Cao Gemeenten en Cao SGO 2025-2027 Referentiekader voor functiewaardering Ambitie LOGA Publicatie 1. Achtergrond functiewaardering in de gemeentelijke sector
Het College voor Arbeidszaken van de VNG heeft samen met de vakbonden (FNV, CNV en CMHF) in het verleden de keuze gemaakt voor de ontwikkeling van een sectoraal systeem van functiewaardering. Onderzoek van het A&O fonds Gemeenten heeft in het cao akkoord 2009-
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
20111 geleid tot afspraken met de vakbonden over de ontwikkeling van een sectoraal functiewaarderingssysteem: HR212. Deze afspraak betrof in essentie: de ontwikkeling van een sectoraal systeem van functiewaardering; doel: groeien naar eenduidige functiebeschrijvingen en waarderingsverhoudingen, dat is goed voor de transparantie, samenwerking en mobiliteit tussen gemeenten. Destijds was de ambitie van het LOGA om binnen 3 jaar eenderde van de gemeenten, binnen 5 jaar een meerderheid en binnen 10 jaar vrijwel alle gemeenten aan HR21 te laten deelnemen als het systeem van functiewaardering. 2. Cao Gemeenten en Cao SGO 2024-2025 In het op 10 november 2023 ondertekende onderhandelingsresultaat Cao Gemeenten en Cao SGO, dat inging per 1 januari 2024 en voor alle gemeenten en WSGO leden bindend is, hebben partijen de ambitie voor een sectoraal functiewaarderingssysteem herbevestigd. Over HR21 staat in dit onderhandelingsresultaat: “De VNG heeft in 2009 met de leden en met de bonden afgesproken om een gemeentelijk functiewaarderingssysteem te ontwikkelen en te stimuleren dat op termijn alle gemeenten hetzelfde functiewaarderingssysteem hebben. In 2011 is het gemeentelijk functiewaarderingssysteem HR21 ontwikkeld. Cao-partijen hebben afgesproken dat in de cao wordt opgenomen dat HR21 het functiewaarderingssysteem is voor de sector gemeenten.
Organisaties kunnen er nog steeds voor kiezen om toch een ander systeem te hanteren. Partijen hopen hiermee dat dit de transparantie in de sector bevordert, de onderlinge vergelijkbaarheid en dat intergemeentelijke samenwerking daarmee eenvoudiger wordt.” De tekst van de cao van 1 januari 2024 tot 1 april 2025 was: Het systeem van functiewaardering is HR21, tenzij de werkgever een ander systeem van functiewaardering heeft vastgesteld. De werkgever beschrijft en waardeert elke functie volgens het systeem. Partijen geven hiermee in de cao aan dat HR21 het uitgangspunt is voor functiewaardering in de sector gemeenten. De werkgever kan echter een ander systeem hanteren. 3. Cao Gemeenten en Cao SGO 2025-2027 Met ingang van 1 april 2025 is in de cao opgenomen dat een ander systeem van functiewaardering erkend moet zijn door de vakbonden. De tekst van de cao per 1 april 2025 is: Het systeem van functiewaardering is HR21, tenzij de werkgever een ander systeem van functiewaardering heeft vastgesteld dat is erkend door de vakbonden. De werkgever beschrijft en waardeert elke functie volgens het systeem. Met deze afspraak behoudt de werkgever de ruimte om een ander functiewaarderingssysteem te hanteren dan HR21. Met deze aanvullende afspraak wil het LOGA waarborgen dat functiewaarderingssystemen die in de sector gemeenten worden toegepast, deugdelijk zijn.
1
Het cao akkoord 2009-2011 kunt u hier vinden: Akkoorden - Cao Gemeenten , zie afspraak 4.6
2
Zie voor informatie https://www.hr21.nl/nl/home/
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
Dat een functiewaarderingssysteem door de vakbonden erkend moet zijn, is niet ongebruikelijk. Sectorale functiewaarderingssystemen in cao’s zijn doorgaans door vakbonden erkend. 4. Referentiekader voor functiewaardering In bedrijfstak cao’s in Nederland, zoals ook de Cao Gemeenten en de Cao SGO zijn, is het gebruikelijk dat er sprake is van één functiewaarderingssysteem en één loongebouw dat daaraan is gekoppeld. Er bestaat dan geen keuze voor een functiewaarderingssysteem door de werkgever en geen conversietabel voor het loongebouw. De Cao Gemeenten en de Cao SGO zijn daarop een uitzondering ten opzichte van veel andere bedrijfstak cao’s3. De bevoegdheid van cao partijen om afspraken te maken over functiewaardering in de cao ligt in de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst. Partijen zijn bevoegd om afspraken te maken over arbeidsvoorwaarden. Functiewaardering is een onderdeel van het pakket aan arbeidsvoorwaarden in de cao, het leidt immers tot een van de meest fundamentele arbeidsvoorwaarden: het salaris. 5. Ambitie LOGA De ambitie van het LOGA is om toe te groeien naar één functiewaarderingssysteem in de sector gemeenten: HR21. De voordelen van één systeem in de sector zijn nog steeds overduidelijk: eenduidige functiebeschrijvingen en waarderingsverhoudingen; bevordert de transparantie en onderlinge vergelijkbaarheid; goed voor de samenwerking en mobiliteit.
Partijen hebben daarom in het eindresultaat Cao Gemeenten en Cao SGO 2025-2027 afgesproken dat partijen over functiewaardering in de sector verder met elkaar in gesprek gaan, mede naar aanleiding van het werkgeversonderzoek. Zie Functiewaardering in de gemeentelijk sector | VNG
6. Publicatie Deze LOGA-brief staat ook op www.vng.nl onder ledenbrieven en op www.wsgo.nl onder publicaties. Hoogachtend, Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden
3
Andere overheids- en onderwijssectoren hebben het functiewaarderingssysteem voorgeschreven in de cao.
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
Aan de leden
Datum
13 oktober 2025 Ons kenmerk
U20250645 Lbr. 25/046 Telefoon
070 373 8393 Bijlage(n)
-
Onderwerp
Ontwikkelingen asiel en Oekraïne-opvang
Geachte leden van college en gemeenteraad, ‘Het loopt uit de klauwen.’ Met deze directheid heeft de VNG op 22 september een brandbrief gestuurd aan het kabinet over de maatschappelijke onrust in veel gemeenten. Lokale bestuurders worden tijdens besluitvorming over asielopvang geïntimideerd en bedreigd. Protesten monden uit in rellen, waarbij met zwaar vuurwerk wordt gegooid en rechtsextremistische symbolen worden getoond en geuit. Het is haast niet te bevatten dat dit in de afgelopen maanden, en nog steeds, voor velen van u de realiteit was of is. Na een reeks incidenten in verschillende gemeenten was voor ons de maat vol. We voelen ons niet gesteund door Den Haag. We hebben het kabinet opgeroepen om politiek en bestuurlijk verantwoordelijkheid te nemen voor het op orde brengen van de randvoorwaarden voor de opvang van vluchtelingen, en om onverkort achter lokale bestuurders te staan bij de uitvoering van landelijk beleid. Daarnaast hebben we al langer onze zorgen geuit over de continuïteit en houdbaarheid van de opvang van vluchtelingen uit Oekraïne. Ondanks toezeggingen van de minister van Asiel en Migratie tijdens de Landelijke Regietafel van 2 september, zien we nog onvoldoende voortgang. Daarom hebben we ook op 9 oktober een brief gestuurd aan minister Keijzer om acuut en adequaat uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken over de opvang van Oekraïners.
Afgelopen woensdag, 8 oktober, hebben we over deze onderwerpen een stevig gesprek gevoerd met het kabinet. Het kabinet heeft daarbij aangegeven gemeenten ondubbelzinnig te steunen in de uitvoering van de geldende wet- en regelgeving. Begin november gaan we verder in gesprek met het kabinet, onder meer over de financiële aspecten en de aanpak van overlastgevende asielzoekers.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl
1/4
In deze ledenbrief informeren wij u verder over bovenstaande onderwerpen en over de problematiek rond nareizigers. Maatschappelijke onrust Al enige tijd ontvangen we signalen, en zien we in de media, dat de polarisatie rondom asiel steeds verder toeneemt. Dit uit zich ook steeds vaker rondom lokale besluitvorming. Gemeentebesturen worden steeds meer belemmerd in hun werk: raadsvergaderingen over opvang worden ernstig verstoord en bestuurders en raadsleden geïntimideerd. Sinds de zomer is het al in ruim 40 gemeenten tot incidenten gekomen tijdens de raadsvergadering waar asielopvang of huisvesting van statushouders op de agenda staat. We kennen en begrijpen de zorgen van onze inwoners, maar trekken een grens bij deze escalatie. Geweld in welke vorm dan ook tegen de politie, lokale bestuurders of wie dan ook is onacceptabel. De huidige maatschappelijke onrust is inmiddels een explosieve optelsom van lokale intimidatie en geweld, voortdurende overbelasting van Ter Apel, groeiende frustratie bij inwoners en bestuurders, en Haagse signalen die de democratie en uitvoering van wettelijke taken juist ondergraven. In de brief van 22 september vroegen wij het kabinet om ondubbelzinnig achter lokale bestuurders te gaan staan en concreet om: •
• • • •
Onmiddellijk rijksregie te nemen en bestuurlijke rugdekking te geven door publiekelijk ondubbelzinnige steun uit te spreken voor lokale besluitvorming rondom de uitvoering van het asielbeleid; Duidelijkheid en continuïteit te bieden in wet- en regelgeving; De daadwerkelijke problemen in de asielketen aan te pakken; Met een versnelde aanpak van overlastgevende asielzoekers te komen; Houdbare opvang te realiseren voor Oekraïense vluchtelingen.
In het gesprek heeft het kabinet bevestigd de lokale uitvoering van geldende wetgeving te steunen, waaronder de Spreidingswet die op dit moment nog van kracht is. Hoewel het kabinet voornemens is deze wet in te trekken, erkent het kabinet dat de wet gehandhaafd moet worden zolang zij geldt. Hetzelfde principe geldt voor andere wetten, zoals die over de huisvesting van statushouders. Het kabinet wil op termijn het verlenen van voorrang verbieden, maar totdat dit wettelijk is vastgelegd, blijft het gemeenten steunen bij de uitvoering van het huidige beleid. Opvang Oekraïners Het tekort aan opvangplekken voor Oekraïners neemt in steeds meer gemeenten acute vormen aan. Gemeenten uiten ook zorgen over de naderende winter en de groeiende groep dakloze Oekraïners die geen plek vindt in de gemeentelijke opvang. Er is nauwelijks nog capaciteit beschikbaar en de situatie is kritiek. De VNG vraagt het kabinet al geruime tijd om gerichte maatregelen. Het ontbreken van een duidelijk langetermijnperspectief maakt het voor gemeenten bovendien steeds moeilijker om de opvang op peil te houden. Tijdens de Landelijke Regietafel van 2 september zijn hierover met de minister van Asiel en Migratie afspraken gemaakt, zowel voor de korte als de lange termijn. Een maand later is van die voortgang echter nog weinig zichtbaar.
De VNG heeft de minister daarom dringend verzocht om op korte termijn uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken:
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/4
• • • •
Prioritering voor de opvang juridisch mogelijk maken zodat gemeenten voorrang kunnen geven aan kwetsbare groepen Vooruitlopend op een in het vooruitzicht gestelde nieuwe financieringsregeling nu meerjarige financiering en zekerheid te bieden. Zorg te dragen voor landelijk een aantal locaties voor de aanpak van overlastgevende Oekraïners. Beter verankeren van bestuurlijk en ambtelijk overleg met brede kabinetsafvaardiging voor de lange termijn Oekraïne
De urgentie dat prioritering juridisch mogelijk gemaakt moet worden, is nog eens bevestigd door de recente uitspraak van de rechtbank Groningen in de zaak van gemeente Het Hogeland. De rechter oordeelde dat de gemeente verplicht is Oekraïners op te vangen, ook als de opvanglocaties vol zijn, en sprak van een resultaatsverplichting in plaats van een inspanningsplicht. In het overhedenoverleg is afgesproken dat we over met name de financiële aspecten van opvang begin november verder spreken in een vervolgoverleg. Nareizigers De VNG ontving de afgelopen week signalen van diverse gemeenten dat nareizende familieleden van statushouders rechtstreeks – of direct vanuit de opvang – naar gemeenten worden doorgestuurd. Zonder dat zij daarvan op de hoogte zijn. Om een landelijk beeld te krijgen, heeft de VNG een flitspeiling gehouden onder gemeenten en gesprekken gevoerd met het ministerie van Asiel en Migratie en het COA. Ruim de helft van de gemeenten die hebben gereageerd, geeft aan bekend te zijn met deze problematiek. Van deze groep heeft ongeveer de helft al onaangekondigd nareizigers ontvangen of heeft op basis van de brief van de minister bericht gekregen van het COA dat deze groep eraan komt. Dit terwijl er geen passende huisvesting beschikbaar is.
In gevallen waarin vóór 23 september - de publicatie van de kamerbrief van de minister over de nareisactie - al nareizigers zijn aangekomen, ging het doorgaans om personen die op eigen initiatief of op aangeven van het COA zijn doorgereisd naar de woning van de referent vanwege de overvolle opvanglocaties. Deze situaties maken geen onderdeel uit van de recente nareisactie die door de minister is aangekondigd, maar zijn het gevolg van capaciteitsproblemen binnen de COA-locaties en het ontbreken van opvangplekken. De VNG vindt het niet juist dat het COA mensen doorstuurt die opgevangen zouden moeten worden in COA-locaties en die nu, zonder bericht aan gemeenten, intrekken bij referenten — zonder BRP-inschrijving, zonder BSN en zonder zich te hebben gemeld bij de IND. In het kader van de nareisactie heeft het COA gemeenten lijsten gestuurd met nareizigers die op zeer korte termijn gehuisvest moesten worden. Volgens het oorspronkelijke plan van het ministerie van Asiel en Migratie zou het daarbij gaan om kleine gezinnen (één à twee personen) die tijdelijk bij de referent konden verblijven. In de praktijk waren er ook grotere gezinnen op de lijsten gezet. Daarnaast lijken er andere fouten te zijn gemaakt in de uitvoering. Zowel het COA als het ministerie geven aan dat deze foutieve werkwijze inmiddels is hersteld.
In eerste instantie richt de actie voor versneld huisvesten van nareizigers zich nu op situaties met één tot twee nareizigers. Het COA neemt hierover contact op met de betreffende gemeenten. Op een later moment wordt bekeken of – na toestemming van de gemeente – ook gezinnen met drie tot vier nareizigers bij de referent kunnen worden gehuisvest. De VNG plaatst vraagtekens bij de juridische houdbaarheid van de werkwijze van het heenzenden van nareizigers door het COA, omdat de locaties vol zijn en de ‘nareisactie’ en onderzoekt dit verder. Gemeenten die nu acute
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
3/4
problemen hebben als gevolg van de onaangekondigde komst van nareizigers adviseren we om contact op te nemen met de contactpersoon van het COA. Met vriendelijke groet,
dr. mr. L.K. Geluk Directeur Vereniging Nederlandse Gemeenten
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
4/4
Aan de leden
Datum
16 oktober 2025 Ons kenmerk
U202500257 Lbr. 25/047 Telefoon
070- 3738393 Bijlage(n)
2
Onderwerp
Modelverordening Lokaal eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek
Geachte leden van college en gemeenteraad, In deze ledenbrief informeren wij u over de VNG modelverordening Lokaal eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek. Deze heeft gevolgen voor beleid en uitvoering bij gemeenten. Achtergrond en ontwikkelingen Op basis van een bij amendement ingevoegd artikel in de Energiewet (artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet) kan een gemeente bij verordening bepalen dat een producent bij de aanleg of uitbreiding van projecten voor wind- en zonne-energie moet streven naar 50% lokaal medeeigendom. Dit streven is eerder neergelegd in het Nederlandse Klimaatakkoord en op deze manier ook vastgelegd in Nederlandse wetgeving. Lusten en lasten worden zo eerlijker verdeeld. Ook kan lokaal eigendom het draagvlak voor dergelijke energieprojecten vergroten. De VNG heeft vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Energiewet de modelverordening Lokaal eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek opgesteld. Gemeenten kunnen deze modelverordening gebruiken om eigen beleid over lokaal eigendom in algemeen geldende regels te verankeren. Hiermee is de inspanningsverplichting van de producent te toetsen en af te dwingen en is voor iedereen duidelijk hoe lokaal eigendom binnen de gemeente ingevuld wordt.
Met dit model kunt u vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Energiewet (naar verwachting 1 januari 2026) toewerken naar een verordening die past bij uw gemeente. De modelverordening voorziet in een bepaling waarmee de verordening gelijktijdig in werking treedt met de Energiewet. De VNG hoopt met dit duidelijke kader uw gemeentelijke praktijk rond de energietransitie te ondersteunen. Meer informatie De geconsolideerde teksten van de VNG-modellen (met de bijbehorende toelichtingen) zijn te raadplegen via de Kennisbank Decentrale Regelgeving (www.decentraleregelgeving.nl). De VNG modelverordeningen (zonder de toelichtingen) staan ook in Modellen Decentrale
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl
1/2
Modelverordening Lokaal eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek
Regelgeving (https://puc.overheid.nl/mdr/). Bijlagen Deze ledenbrief bevat 2 bijlagen: Bijlage 1 - Modelverordening lokaal eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek met algemene en artikelsgewijze toelichting. Bijlage 2 - Implementatiehandleiding bij de modelverordening lokaal eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek: nadere toelichting van de te maken keuzes en instructies voor de toepassing van de regeling.
Vragen Voor vragen over deze ledenbrief kunt u terecht bij het Klantcontactcentrum van de VNG, via 0703738393 of e-mail: info@vng.nl. Met vriendelijke groet, Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Modelverordening Lokaal eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek
dr. mr L.K. Geluk Algemeen directeur
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/2
Model Verordening lokaal eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek Leeswijzer modelbepalingen - […] of (bijvoorbeeld) [tijdstip] = door gemeente in te vullen. - [iets OF iets] = door gemeente te kiezen. - [iets] = facultatief. - [(iets)] = een voorbeeld ter illustratie of uitleg voor gemeente. Combinaties zijn ook mogelijk; bijvoorbeeld een bepaling die zowel facultatief is als een keuzemogelijkheid inhoudt. Ook wordt er gewerkt met varianten waaruit gekozen kan worden. Hierbij kan het voorkomen dat de ene variant uit meer artikelen of artikelleden bestaat dan een andere variant. Let op dat de nummering of lettering bij het niet overnemen van een facultatief artikel, lid, of onderdeel moet worden aangepast. Bij een opsomming wordt zo nodig achter het voorlaatste onderdeel “en” of “of” geplaatst en wordt het laatste onderdeel afgesloten met een “.” of een “,” als er nog een staarttekst volgt. Nadere uitleg wordt opgenomen in de implementatiehandleiding.
De raad van de gemeente [naam gemeente]; gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet; gezien het advies van de [naam commissie]; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening lokaal eigendom bij grootschalige
elektriciteitsopwek [naam gemeente]
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - Bouwactiviteit: activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in de Omgevingswet; - kring van partijen: natuurlijke personen, micro-ondernemingen, kleine ondernemingen, middelgrote onderneming,gemeenten, waterschappen, provincies, gevestigd in de nabije omgeving van de installatie en binding hebbend met de betreffende (buur)gemeente(n); - lokaal eigendom: het juridisch en economisch in (mede-)eigendom hebben van een installatie en de opwek die met die installatie wordt gerealiseerd door de kring van partijen in de nabije omgeving van die installatie; - nabije omgeving: a. in het geval van elektriciteitsopwek door zonne-energie: binnen de gemeentegrens van [naam gemeente[n]];
1 Vereniging van Nederlandse Gemeenten
b. in het geval van elektriciteitsopwek door windenergie: binnen de gemeentegrens van de [naam gemeente[n]] en binnen een straal van 10 keer de tiphoogte van de windturbine, gemeten vanaf de voet van de turbine. Artikel 2 Toepassingsbereik 1. Deze verordening is van toepassing op de aanleg of uitbreiding van een grootschalige installatie voor de opwek van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. 2. Onder een grootschalige installatie voor de opwek van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen wordt verstaan: a. een zonnepark met een capaciteit van ten minste [aantal MW] MW; of b. een windturbine met een capaciteit van ten minste [aantal MW] MW. [c. […]] Hoofdstuk 2 Motiveringsplicht lokaal eigendom Artikel 3 Inspanningsverplichting lokaal eigendom 1. Bij de aanleg of uitbreiding van een grootschalige installatie voor de opwek van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen geldt er voor de producent een inspanningsverplichting om 50 procent lokaal eigendom te bereiken. 2. Er is in ieder geval niet voldaan aan de inspanningsverplichting als: a. er geen aantoonbaar en verifieerbaar contact is geweest met een bestaande georganiseerde vorm van personen of ondernemingen uit de kring van partijen; b. er niet meer dan één bijeenkomst met die partijen is geweest waarin de mogelijkheden voor lokaal eigendom zijn voorgelegd en is verkend; c.
er geen reële termijn is gegeven aan de omgeving om lokaal eigendom te bereiken; of d. er geen economisch realistisch aanbod is gedaan. Artikel 4 Motivering inspanningsverplichting lokaal eigendom 1. De producent motiveert voorafgaand aan het verrichten van de bouwactiviteit voor de aanleg of uitbreiding van de installatie: a. welke inspanningen hij heeft verricht om mede-eigendom ten aanzien van de voorgenomen installatie en de exploitatie daarvan door een kring van partijen te bevorderen; b. welk percentage mede-eigendom is overeengekomen. c. voor zover minder dan 50 procent mede-eigendom is overeengekomen, wat de redenen daarvan zijn en of er andere vormen van financiële participatie zijn overeengekomen. Artikel 5 Gegevens en bescheiden motivering 1. Voor de motivering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, worden de volgende gegevens en bescheiden door de producent aan het college verstrekt: a. de methoden gebruikt voor de communicatie over het project; b. welke informatie is gedeeld en hoe deze informatie beschikbaar is gesteld; en c. ten aanzien van de kring van partijen: 1° hoe deze is gedefinieerd; 2° op welke wijze deze partijen bij het project zijn betrokken; 3° op welke wijze de wensen van deze partijen zijn verkend; en 4° hoe deze partijen de mogelijkheid hebben gehad om te participeren. 2.
Voor de motivering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, worden de volgende gegevens en bescheiden door de producent verstrekt: a. welke afspraken met deze partijen zijn gemaakt; b. hoe de afspraken met deze partijen zijn vastgelegd; c. een getekende overeenkomst tussen de producent en de kring van partijen, al dan niet vertegenwoordigd door de lokale energiegemeenschap, waarin de gemaakte afspraken over lokaal eigendom zijn vastgelegd; d. een projectstructuurbeschrijving met daarin opgenomen de financiële- en eigendomsstructuur van het project; e. een overzicht van de verdeling van de eigendoms- en zeggenschapsverhouding binnen het project; en f. een overzicht van de taakverdeling. 2 Vereniging van Nederlandse Gemeenten
3. Voor de motivering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, worden de volgende gegevens en bescheiden door de producent verstrekt: a. een overzicht van de andere vormen van financiële participatie die zijn toegepast; en b. de redenen waarom 50 procent lokaal eigendom niet haalbaar is. Hoofdstuk 3 Overige bepalingen Artikel 6 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking gelijktijdig met de inwerkingtreding van artikel 6.12 van de Energiewet. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening lokaal eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek [naam gemeente].
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum].
De voorzitter,
De griffier,
3 Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Bijlage I
Toelichting
Algemene toelichting De grondslag van deze verordening is artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet. De begripsbepalingen uit artikel 1.1 van de Energiewet zijn dan ook van toepassing op deze verordening. Het ligt niet voor alle gemeenten voor de hand om dit model over te nemen, al dan niet met lokale aanpassingen. Wellicht een open deur, maar de gemeente doet er goed aan eerst na te gaan of deze verordening de beoogde doelen realiseert. Wellicht is er aanvullende regelgeving nodig in de vorm van beleid of heeft de provincie regelgeving over dit thema. Mogelijk is er binnen de gemeente al beleid en behoeft dat beleid aanpassing met de inwerkingtreding van de Energiewet en de inzichten van dit model. De gemeente[naam gemeente] vindt het belangrijk dat inwoners in brede zin zeggenschap hebben over en profiteren van grootschalige energieopwek die wordt gerealiseerd in hun omgeving. De ambitie voor het lokaal eigenaarschap kent als uitgangspunt 50 procent per project. Deze ambitie komt tot uitdrukking in het [naam beleid]. Naast dat dit streven is opgenomen in het beleid van de gemeente, maakt de gemeente de keuze om het streven naar 50 procent lokaal eigendom ook juridisch te borgen door middel van deze verordening. Het kunnen profiteren van grootschalige energieopwek wordt ook wel financiële participatie genoemd.
De [naam Participatieverordening] regelt onder andere de wijze van participeren in het kader van ruimtelijke besluiten. Financiële participatie is daar niet onder begrepen. Deze verordening en de participatieverordening sluiten dus op elkaar aan. Deze verordening biedt, anders dan de participatieverordening, geen toetsingskader bij de procedure voor het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet.
Bron: EnergieSamen
4 Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Definities Bij de ‘kring van partijen’ is aangesloten bij de mogelijke leden van een energiegemeenschap zoals vermeld in artikel 2.4 van de Energiewet. Wat onder ‘kleine’ en ‘middelgrote’ ondernemingen wordt verstaan is opgenomen in de begripsbepalingen in artikel 1.1 van de Energiewet. Onder ‘binding hebbend met’ wordt verstaan: bedrijven die hun verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar ze gevestigd zijn of zich vestigen én toegevoegde waarde bieden aan de sociaaleconomische structuur/voorzieningen. Brievenbusfirma’s vallen niet onder de definitie van lokale ondernemers. Maatschappelijke instellingen wel. Bewoners, ondernemers en/of lokale overheden, zoals beschreven bij de ‘kring van partijen’, kunnen zelfstandig of door middel van een energiegemeenschap eigenaar worden van de installatie. Daarbij kan het voorkomen dat een bewoner of een onderneming uit een andere gemeente binnen een straal van 10 keer de tiphoogte gemeten vanaf de voet van de windturbine woont. In dat geval worden zij op grond van artikel 1 ook gerekend tot de kring van partijen. Gemeenten zijn er vrij in overleg te voeren met buurgemeenten om eventueel over en weer elkaar te benoemen in de verordening.
Met de straalhoogte van 10 keer de tiphoogte wordt aangesloten bij de jurisprudentie van het begrip belanghebbende in het omgevingsrecht: gevolgen van enige betekenis kunnen aanwezig worden geacht binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de dichtstbijzijnde windturbine, gemeten vanaf de voet van de windturbine (ABRvS, 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, Windpark de Drentse Monden en Oostermoer, r.o. 7; ABRvS, 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4198, Windpark Zeewolde, r.o. 7). Lokaal eigendom is gedefinieerd als het juridisch en economisch (mede-)eigenaarschap van de installatie en het juridisch bezitten van een energieproject en de daarmee gegenereerde elektriciteit. Dit houdt in dat economisch bezien zowel de lusten als de lasten worden gedragen en dat er zeggenschap over de installatie is. Deze definiëring sluit aan bij de definitie opgesteld door het ministerie van Klimaat en Groene Groei in de monitor Financiële Participatie Hernieuwbare Energie op Land. Lokaal eigendom kan bestaan uit omwonenden of lokaal gevestigde ondernemingen die deelnemen in de Ontwikkelings B.V. door middel van bijvoorbeeld een lokale energiegemeenschap of een directe investering door grondeigenaren of lokale overheden. Artikel 2 Toepassingsbereik Dit artikel regelt het toepassingsbereik van de regels uit deze verordening.
De verordening is van toepassing op de aanleg of uitbreiding van grootschalige installaties voor de opwek van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. De facultatieve sub-bepalingen in het tweede lid benoemt specifiek zonnepark en windturbine als hernieuwbare bron. De Energiewet hanteert een bredere definitie. In de Regionale Energiestrategie (hierna:RES) zijn specifieke afspraken gemaakt omtrent zon en wind, om meer draagvlak te creëren. Daarom zijn deze hernieuwbare bronnen al opgenomen in de verordening in onderdeel a en b van het tweede lid. Wat onder grootschalige installaties voor de opwek van elektriciteit wordt verstaan kan door de gemeente worden ingevuld. Met het invoeren van een drempel worden kleinere windturbines of zonnevelden die zijn aangelegd voor eigen gebruik uitgesloten van het toepassingsbereik van deze verordening. Artikel 3 Inspanningsverplichting lokaal eigendom Eerste lid In het eerste lid is een inspanningsverplichting opgenomen: bij de aanleg of uitbreiding van de installatie, bedoeld in artikel 2 moet de producent streven naar 50 procent lokaal eigendom. Er wordt geen resultaatsverplichting opgelegd, omdat niet kan worden afgedwongen dat de lokale omgeving mede-eigenaar wil zijn van een dergelijke installatie. De producent moet echter wel aantonen dat hij zich voldoende heeft ingespannen om 50 procent lokaal eigendom te realiseren.
Tweede lid Van de producent wordt een aantoonbare inspanning verwacht. Het opmerken dat bij een informatieavond met omwonenden geen animo was voor lokaal eigendom volstaat bijvoorbeeld niet. De producent moet een deugdelijke motivering aanleveren waaruit blijkt dat ondanks de verrichte 5 Vereniging van Nederlandse Gemeenten
inspanningen, niet genoeg interesse was vanuit de lokale omgeving. Bij een georganiseerde vorm van personen en ondernemingen zoals genoemd in dit lid onder a, kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een wijk- of dorpsraad of een bestaande lokale energiecoöperatie of energiegemeenschap Verder is in het tweede lid een niet limitatieve opsomming opgenomen van voorbeelden wanneer er in ieder geval geen sprake is van gegronde redenen waardoor lokaal eigendom niet haalbaar zou zijn geweest. Daarbij kan worden gedacht aan een onrealistische termijn voor de instap van één of twee weken of een inkoopregeling met dermate hoge inkoopprijzen dat deze niet in een paar jaar terug te verdienen zijn uit de opbrengsten van het energieproject danwel op voorhand financieel minder aantrekkelijk is dan als men niet zou deelnemen in het lokale eigendom. Tot slot dient ook een verantwoord rendement te worden geboden en dient het instapbedrag niet te hoog te zijn voor huishoudens uit de omgeving. Artikel 4 Motivering inspanningsverplichting lokaal eigendom De producent is verplicht voorafgaand aan het verrichten van de bouwactiviteit voor de aanleg of uitbreiding van een grootschalige installatie voor de opwek van elektriciteit uit [hernieuwbare bronnen OF zon of wind] aan het college te motiveren hoe is voldaan aan de inspanningsverplichting tot het streven naar lokaal eigendom.
Het gekozen moment is een uiterste moment dat de producent de inspanningsverplichting moet aantonen. Bij voorkeur gebeurt dit eerder, omdat logischerwijs dan alle afspraken rondom financiële participatie zijn vastgelegd. Het ligt voor de hand dat het college de producent vervolgens informeert of aan de inspanningsverplichting is voldaan. Deze bepaling sluit aan bij artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet (Kamerstukken II 2023-2023, 36378, nr. 23, Amendement lid Rooderkerk). Het artikel biedt geen grondslag voor het verzwaard afleggen van verantwoording als wél 50 procent lokaal eigendom is behaald (zie artikel 6.12, derde lid, sub c Energiewet en artikel 4, eerste lid, onder c van deze verordening). Artikel 5 Gegevens en bescheiden motivering In dit artikel is omschreven welke gegevens en bescheiden de producent moet aanleveren voor de motivering van de inspanningsverplichting. In het eerste lid wordt opgesomd welke stukken nodig zijn om de inspanning te motiveren die de producent heeft geleverd voor het streven naar lokaal eigendom. Daarbij kan een geografische kaart als hulpmiddel dienen om de lokale omgeving die benaderd is af te bakenen. Verder kunnen gegevens door middel van onderstaand tabel gestructureerd worden aangeleverd:
6 Vereniging van Nederlandse Gemeenten
In het tweede lid is opgenomen welke stukken de producent moet aanleveren om het percentage lokaal eigendom te onderbouwen. Deze verplichting geldt ook als 50 procent lokaal eigendom wél wordt behaald. De vereiste stukken zijn een overzicht van de afspraken die zijn gemaakt met de lokale omgeving in de vorm van een samenwerkings- of omgevingsovereenkomst waarin de gemaakte afspraken over lokaal eigendom zijn vastgelegd. Daarnaast wordt een projectstructuurbeschrijving met daarin de financiële- en eigendomsstructuur en de verdeling van de eigendoms- en zeggenschapsverhouding aangeleverd. Hierin is ook opgenomen wie de zeggenschap heeft over (welk deel van) de geproduceerde stroom. Verder bevat het een overzicht van de afspraken die zijn gemaakt over welke kosten door wie worden gedragen, een overzicht van de taakverdeling en de overeenkomst tussen de producent en de kring van partijen. Lokaal eigendom houdt in dat de kring van partijen in alle opzichten betrokken kan zijn bij de ontwikkeling, dat is dus niet puur financieel. Het is van belang dat de kring van partijen onderdeel is van het besluitvormingsproces en de ontwikkeling van het park. De gevraagde stukken geven inzicht in de onderlinge verhouding tussen de kring van partijen en de producent.
In het geval dat de producent niet 50 procent lokaal eigendom heeft behaald, wordt in het derde lid stukken gevraagd ter onderbouwing waarom 50 procent lokaal eigendom niet is behaald en welke andere vormen van financiële participatie zijn toegepast. Uit de stukken over de haalbaarheid van 50 procent lokaal eigendom moet de producent deugdelijk motiveren dat deze ondanks alle verrichte inspanningen niet haalbaar was.
Artikel 6 Inwerkingtreding en citeertitel De wettelijke grondslag voor deze verordening is opgenomen in artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet. Daarom treedt deze verordening gelijktijdig in werking met de Energiewet, zoals opgenomen in het eerste lid. De Energiewet treedt in werking op 1 januari 2026 (zie Koninklijk Besluit 17 februari 2025, Stb. 2025/40).
7 Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Implementatiehandleiding bij model Verordening lokaal eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek
Algemeen In artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet is de grondslag opgenomen voor het regelen van de motivering van een inspanningsverplichting om 50 procent lokaal eigendom bij de aanleg of uitbreiding van grootschalige installaties voor de opwek van elektriciteit uit de hernieuwbare bronnen te verkrijgen in een provinciale of gemeentelijke verordening. Het model ‘Verordening lokaal eigendom grootschalige elektriciteitsopwek’ biedt gemeenten een voorbeeld om tot uitwerking van een dergelijke verordening te komen. In deze implementatiehandleiding worden de keuzes die gemeenten kunnen maken en de bijbehorende afwegingen toegelicht. Het model bevat een aantal artikelen waarin individuele gemeenten keuzes kunnen maken. Deze implementatiehandleiding is opgesteld om te ondersteunen bij het maken van die keuzes. Uiteraard is de gehele modelverordening facultatief in die zin dat het verordeningsinstrument alleen gebruikt hoeft te worden als dat voor een individuele gemeente wenselijk is. Gemeenten hebben bovendien de vrijheid om een andere invulling te geven dan in de modelverordening is gekozen.
Gemeenten die ervoor kiezen om de bepalingen uit de modelverordening niet of in gewijzigde vorm over te nemen, of deze aan te vullen, dienen er scherp op te letten dat deze keuzes zowel in lijn zijn met de toepasselijke wetgeving als met de systematiek van de bepalingen uit de modelverordening die wel worden overgenomen. Artikelen of artikelleden moeten mogelijk worden vernummerd. Daarnaast is de modeltoelichting zodanig opgesteld dat gemeenten deze kunnen overnemen, mits zij ook het bijbehorende artikel overnemen. Aanhef In de aanhef van het besluit tot vaststelling van een verordening wordt alleen een considerans of beweegreden opgenomen als het plaatselijk gebruik dat voorschrijft. In dat geval zou een considerans als volgt kunnen luiden: “overwegende dat: -
de gemeente [naam gemeente] de ambitie heeft om het draagvlak voor de energietransitie te vergroten door een zo hoog mogelijk percentage energiesystemen in lokaal eigendom te ontwikkelen; 1
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
-
-
in het Klimaatakkoord is vastgelegd dat voor een evenwichtige eigendomsverdeling in een gebied gestreefd wordt naar 50 procent eigendom van de productie van de lokale omgeving (burgers en bedrijven); dit streven, voor een percentage van 50 procent, ook in de RES1.0 verankerd is; de gemeenteraad van [naam gemeente] [invoegen samenhangend beleid] heeft vastgesteld; de gemeenteraad tevens een Participatieverordening heeft vastgesteld over de wijze van participeren bij ruimtelijke besluiten; de gemeenteraad op grond van artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet de bevoegdheid heeft om bij verordening een motiveringsplicht op te leggen aan een producent bij de aanleg of uitbreiding van een installatie voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen vanaf een bij die verordening te bepalen capaciteit over: • welke inspanningen de producent heeft verricht om lokaal eigendom te bevorderen; • welk percentage daadwerkelijk overeen is gekomen; en • als dit minder is dan 50 procent wat hiervan de redenen zijn en of er andere vormen van financiële participatie zijn overeengekomen.
het gewenst is gebruik te maken van die mogelijkheid om regels te stellen over: • vanaf welke capaciteit de motiveringsplicht geldt, • welke kring van partijen, gevestigd in de nabije omgeving van de installatie, behoren tot de definitie van lokaal eigendom, • op welke wijze de producent voldoet aan de motiveringsplicht.”
Keuzes De keuzes bij het opstellen van de gemeentelijke verordening betreffen de volgende vragen: •
Op welke hernieuwbare-energieprojecten is de verordening van toepassing?
•
Hoe wordt de kring van partijen bij lokaal eigendom gedefinieerd?
•
Welke stukken moeten worden aangeleverd ter motivering van de inspanningsverplichting.
Deze modelverordening is een uitwerking van de mogelijkheid die de Energiewet gemeenten en provincies biedt om de motivering van een inspanningsverplichting om 50 procent lokaal eigendom bij de aanleg of uitbreiding van grootschalige installaties voor de opwek van elektriciteit uit de hernieuwbare bronnen te regelen. De motiveringsplicht geldt daarmee voor het streven naar 50% lokaal eigendom. Gemeenten en provincies hebben de beleidsvrijheid om te streven naar een hoger percentage lokaal eigendom en vast te leggen in ander beleid, zoals aanbestedingsbeleid. In de volgende paragrafen worden deze keuzes behandeld aan de hand van artikelen in de modelverordening en de daarin gemaakte keuzes.
2 Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Definities Er is gekozen voor een definitie van ‘nabije omgeving’ waarbij het gaat om bewoners van de gemeente, en om ondernemingen die gevestigd zijn in en binding hebben met de gemeente. Gemeenten kunnen ervoor kiezen ook buurgemeenten op te nemen in de verordening. Lokaal eigendom van wind- of zonneparken aan de randen van gemeenten kan op die wijze mogelijk beter worden geborgd. De term lokaal eigendom is ook gedefinieerd. De definitie komt uit de landelijke Monitor Financiële Participatie van het ministerie van Klimaat en Groene Groei. Daar sluit de RES ook bij aan. Het staat gemeenten vrij om een andere definitie te hanteren voor lokaal eigendom. Gemeenten kunnen er ook voor kiezen de definitie van lokaal eigendom te verbreden of te verkleinen. Voorbeelden van alternatieve invullingen van lokaal eigendom: •