CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

E VNG ledenbrieven

Gemeenteraad 27 januari 2026, gemeente HelmondBij agendapunt: VNG37.807 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Ingekomen stukken Nummering

2026-01-E1

Onderwerp

E1 VNG 2025 060 RVU Zware beroepen en andere CAO afspraken

Categorie

E VNG ledenbrieven

Datum ontvangst

08-12-2025

Datum raadsvergadering

27-01-2026

Hoofddocument

E1 VNG 2025-060 RVU Zware beroepen en andere CAO afspraken

Nummering

2026-01-E2

Onderwerp

E2 VNG 2025 061 Reactie op het tussenverslag van informateur Buma

Categorie

E VNG ledenbrieven

Datum ontvangst

08-12-2025

Datum raadsvergadering

27-01-2026

Hoofddocument

E2 VNG 2025-061 Reactie op het tussenverslag van informateur Buma

Nummering

2026-01-E3

Onderwerp

E3 VNG 2025 062 Wijziging Model Verordening rechtspositie raads en commissieleden incl bijlage

Categorie

E VNG ledenbrieven

Datum ontvangst

10-12-2025

Datum raadsvergadering

27-01-2026

Hoofddocument

E3 VNG 2025-062 Wijziging Model Verordening rechtspositie raads- en commissieleden incl bijlage

1

Nummering

2026-01-E4

Onderwerp

E4 VNG 2025 063 Garantietoelage nachtdiensten

Categorie

E VNG ledenbrieven

Datum ontvangst

15-12-2025

Datum raadsvergadering

27-01-2026

Hoofddocument

E4 VNG 2025-063 Garantietoelage nachtdiensten

Nummering

2026-01-E5

Onderwerp

E5 VNG 2025 064 Nieuwe Model Winkeltijdenverordening 2025

Categorie

E VNG ledenbrieven

Datum ontvangst

15-12-2025

Datum raadsvergadering

27-01-2026

Hoofddocument

E5 VNG 2025-064 Nieuwe Model Winkeltijdenverordening 2025

Nummering

2026-01-E6

Onderwerp

E6 VNG 2025-066 Wijziging Model Marktverordening

Categorie

E VNG ledenbrieven

Datum ontvangst

22-12-2025

Datum raadsvergadering

27-01-2026

Hoofddocument

E6 VNG 2025-060 RVU Zware beroepen en andere CAO afspraken

Nummering

2026-01-E7

Onderwerp

E7 VNG 2025 65 Model Re integratieverordening

Categorie

E VNG ledenbrieven

Datum ontvangst

22-12-2025

Datum raadsvergadering

27-01-2026

Hoofddocument

E7 VNG 2025-65 Model Re-integratieverordening

2

Nummering

2026-01-E8

Onderwerp

E8 VNG 2026 001 Ledenraadpleging onderhandelaarsresultaat cao aan de slag 2026 2027

Categorie

E VNG ledenbrieven

Datum ontvangst

15-01-2026

Datum raadsvergadering

27-01-2026

Hoofddocument

E8 VNG 2026-001 Ledenraadpleging onderhandelaarsresultaat cao aan de slag 2026 2027

Brief aan de leden

Datum

5 december 2025 Kenmerk

U202500766 Lbr. 25/060 LOGA-nr. 25/06 Telefoon

Bijlagen)

-

Onderwerp

RVU zware beroepen en andere cao-afspraken

Geachte leden, Met deze LOGA-brief wordt u geïnformeerd over de voortgang van het RVU-onderzoek zware beroepen en de stand van zaken van de RVU-regeling per 1 januari 2026. Ook informeren wij u in deze brief over een aantal andere afspraken uit de Cao Gemeenten en Cao SGO 2025-2027. In deze LOGA-brief komen de volgende zaken aan bod: 1. Achtergrond RVU-regeling 2. RVU zware beroepen - afbakening regeling 3. RVU-regeling - hoe verder in 2026? 4. RVU-regeling - diversen 5. Extra inzet op duurzame inzetbaarheid 6. Vakbondscontributie en IKB 7. Schaal A per 1 januari 2026 8. Tot slot

LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag

Brief aan de leden

Datum

5 december 2025 Kenmerk

U202500766 Lbr. 25/060 LOGA-nr. 25/06 Telefoon

Bijlagen)

-

Onderwerp

RVU zware beroepen en andere cao-afspraken

Geachte leden, Met deze LOGA-brief wordt u geïnformeerd over de voortgang van het RVU-onderzoek zware beroepen en de stand van zaken van de RVU-regeling per 1 januari 2026. Ook informeren wij u in deze brief over een aantal andere afspraken uit de Cao Gemeenten en Cao SGO 2025-2027. In deze LOGA-brief komen de volgende zaken aan bod: 1. Achtergrond RVU-regeling 2. RVU zware beroepen - afbakening regeling 3. RVU-regeling - hoe verder in 2026? 4. RVU-regeling - diversen 5. Extra inzet op duurzame inzetbaarheid 6. Vakbondscontributie en IKB 7. Schaal A per 1 januari 2026 8. Tot slot 1. Achtergrond RVU-regeling en stand van zaken per 1 januari 2026 Tussen kabinet en sociale partners is op landelijk niveau op 18 oktober 2024 een onderhandelingsakkoord gesloten Gezond naar het pensioen (hierna: ”RVU-akkoord”)1. Deze landelijke afspraak ziet op een vervroegde uittredingsregeling voor mensen met zwaar werk vanaf 2026. Naar aanleiding van die landelijke regeling hebben cao partijen in het Eindresultaat Cao Gemeenten en Cao SGO 2025-20272 een afspraak gemaakt voor een nieuwe RVU-regeling in de sector gemeenten. De huidige RVU-regeling in artikel 2.11a cao loopt af op 31 december 2025.

1

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/10/18/bijlage-gezond-naar-pensioenonderhandelaarsakkoord 2 https://vng.nl/nieuws/eindresultaat-cao-gemeenten-en-cao-sgo-2025-2027 . In de cao is het artikel 2.11b.

LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag

De nieuwe RVU-regeling zware beroepen in artikel 2.11b cao gaat in per 1 januari 2026 maar is nog niet gereed: cao-partijen en de landelijk toetsende instantie TNO hebben meer tijd nodig voor de uitwerking. Op 3 november jl. heeft de Stichting van de Arbeid3 (verder: STAR) een brief gestuurd aan alle decentrale cao partijen. In die brief wordt wederom benadrukt dat RVU-regelingen vanaf 2026 alleen gericht ingezet kunnen worden voor werknemers in een functie met zwaar werk. Ook moet de doelgroep afgebakend worden. Daarbij geeft de STAR aan dat ondanks vertraging door TNO, er wel gestart kan worden met RVU-regelingen als cao-partijen binnen de landelijk afgesproken kaders blijven. In een eerdere publicatie van de STAR4, maar ook in het landelijke pensioenakkoord, is aangegeven dat blijvend meer aandacht nodig is voor duurzame inzetbaarheid. Cao partijen moeten, in lijn met de landelijke afspraken, investeren in duurzame inzetbaarheid zodat zoveel mogelijk werknemers gezond werkend hun pensioen kunnen bereiken. Ook de werknemers die voor RVU in aanmerking komen. Daarom is landelijk afgesproken dat een afspraak over RVU wordt gekoppeld aan een inzet op duurzame inzetbaarheid, in ieder geval voor de doelgroep die in aanmerking komt voor RVU. In het licht van deze landelijke afspraken en ontwikkelingen heeft het LOGA een aantal zaken afgesproken.

Die treft u onderstaand aan, voorzien van een toelichting. 2. RVU zware beroepen – afbakening regeling Het LOGA heeft een aantal afspraken gemaakt over de afbakening van de RVU-regeling per 1 januari 2026. Daarmee wordt voor veel werknemers duidelijk of zij in aanmerking kunnen komen voor de nieuwe regeling in de cao. Onderstaande afspraken worden zo spoedig mogelijk in de cao-tekst verwerkt. De volgorde van artikel 2.11b cao is aangehouden. Arbeidsverleden (2.11b lid 1 sub c) Een voorwaarde in de cao is dat de werknemer “….de laatste 10 jaar werkzaamheden heeft verricht die voldoen aan de voorwaarden van een zwaar beroep, …..”. Het LOGA gaat dit lid wijzigen en deze voorwaarde aanpassen in de cao: - de werknemer moet gedurende ten minste 7 jaar werkzaamheden hebben verricht die voldoen aan de voorwaarden van een zwaar beroep (bijlage 9) in de periode van 10 jaar direct voorafgaand aan de deelname aan de RVU. De periode van 7 jaar of meer hoeft niet aaneengesloten te zijn. Het LOGA wijzigt deze voorwaarde om de volgende redenen: - er zijn werknemers die in het kader van hun duurzame inzetbaarheid een lichtere functie gaan bekleden richting hun pensioen. Om dit niet te ontmoedigen, hoeven 3 van de 10 jaren voor de RVU-aanvraag niet zwaar te zijn.

Werknemers die lange tijd een zwaar beroep hebben gehad en bijvoorbeeld gedurende een relatief korte periode voor de RVU-datum lichter werk verrichten, houden zo toegang tot de RVU-regeling; - Werknemers met een zwaar beroep, oefenen die functie vaak al (veel) langer uit. De “slijtage” is daarmee in de voorgaande jaren al ontstaan.

3 4

RVU-regelingen vanaf 2026 | Stichting van de Arbeid Handreiking+uitvoering+RVU+na+2025.pdf

LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag

Maximale functieschaalgrens voor deelname RVU-regeling (artikel 2.11b lid 1) Aan artikel 2.11b lid 1 wordt een nieuw sub-lid toegevoegd om de RVU zware beroepen regeling af te bakenen. Cao partijen zijn overeengekomen dat de regeling alleen open staat voor werknemers tot en met functieschaal 9. Werknemers met functieschaal 10 en hoger kunnen dus geen beroep doen op de RVU-regeling. De functieschaal5 op het moment van aanvragen van de RVU is bepalend. Voorbeeld: Een werknemer is in december 2024 van functieschaal 9 doorgegroeid naar functieschaal 10. In april 2026 blijkt de oude functie van de werknemer een zware functie te zijn. De werknemer heeft de zware functie 8 jaar vervuld en voldoet ook aan de voorwaarde van 20 jaar in dienst bij een ABP-werkgever en aan de 10 jaar eis in de gemeentelijke sector. De werknemer zou dus voldoen aan de voorwaarden voor de RVU-regeling als hij/zij in functieschaal 9 was gebleven. Omdat de werknemer nu werkzaam is in functieschaal 10, kan géén beroep worden gedaan op de RVU-regeling. Cao-partijen zijn van mening dat hoe hoger de functie van een werknemer, hoe groter de eigen regierol die verwacht mag worden in het versterken van de inzetbaarheid. Dit omvat ook het tijdig onderzoeken van mogelijkheden voor ander werk of (om)scholing als de huidige functie niet tot aan het pensioen kan worden volgehouden.

De cao kent daarvoor ook de nodige faciliteiten 6. Daarnaast hangt of een werknemer eerder kan stoppen met werken, ook samen met het inkomen. Hogere inkomens, ook als ze zwaar werk hebben, hebben meer handelingsperspectief om vervroegd uit te treden met de inzet van eigen middelen. In het landelijke pensioenakkoord is ook afgesproken dat “…RVU’s beheerst en gericht worden ingezet. Zo komt vervroegd uittreden met een RVU terecht waar dat nodig en verantwoord is”. Cao-partijen hebben er daarom voor gekozen deze grens bij functieschaal 9 te leggen. Grens extra fiscale ruimte van € 300 (artikel 2.11b lid 3) De extra fiscale ruimte van € 300 bruto per maand kan alleen worden toegekend bij zogenaamde “knellende situaties”. In het landelijke RVU-akkoord is afgesproken dat het toekennen van deze extra fiscale ruimte moet worden onderbouwd. Zo geeft de STAR aan dat op veel plekken het huidige drempelbedrag (2025 = € 2.273 bruto per maand), vaak aangevuld vanuit het arbeidsvoorwaardelijk pensioen, genoeg mogelijkheid biedt om eerder met pensioen te gaan. Het LOGA heeft daarom besloten dat in de cao wordt opgenomen dat de extra € 300 per maand alléén geldt voor werknemers tot en met functieschaal 6.7 De functieschaal op het moment van aanvragen van de RVU is bepalend. Het modale inkomen in Nederland in 2026 wordt ongeveer € 3.750 bruto per maand exclusief vakantiegeld.

Gezien deze modale inkomensgrens, zijn partijen van mening dat voor functieschaal 7 en hoger niet meer per se van een “knellende situatie” kan worden gesproken. Maatwerk wordt geschrapt (artikel 2.11b lid 5) Landelijk is afgesproken dat vanaf 2026 een RVU-regeling alleen gericht ingezet wordt voor werknemers met een functie met zwaar werk. Daarom wordt artikel 2.11b lid 5 geschrapt. Er is lokaal géén maatwerk meer mogelijk.

5

Functieschaal: de salarisschaal die bij een functie hoort.

6 Bijvoorbeeld: Verlofsparen, loopbaanadvies, opleidingen, beleidsplan vitaliteit, etcetera. 7

Het gaat om de functieschaal. De salarisschaal die bij de functie hoort. Het gaat dus niet om het daadwerkelijke salaris dat een werknemer verdient, bijvoorbeeld t.g.v. een garantie.

LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag

Partijen spreken dit af om te voorkomen dat met lokaal maatwerk de instroom vanuit de sector gemeenten te groot wordt en/of de regeling wordt toegepast op werknemers waarvoor die niet is bedoeld. Landelijk is namelijk afgesproken dat voor alle sectoren gezamenlijk, er ruimte is voor 15.000 RVU deelnemers met een zwaar beroep per jaar. Kabinet en landelijke sociale partners gaan dit monitoren8. 3. RVU-regeling - hoe verder in 2026? Afbakening doelgroep Hierboven hebben cao-partijen de kaders weergegeven waaraan een werknemer moet voldoen om gebruik te kunnen maken van de RVU-regeling in 2026. In de LOGA-brief nr. 25/05 van 31 oktober jl. hebben cao-partijen aangegeven tien representatieve gemeentelijke functies (hierna “referentiefuncties”) door een gecertificeerd deskundige door het voorlopige TNO-model te laten toetsen (het model is nog niet af). De werkgroep van het LOGA is nog volop bezig met het verzamelen en voorbereiden van de informatie voor de toetsing van de tien referentiefuncties in het “testmodel” van TNO. Zoals aangegeven biedt de STAR de mogelijkheid om RVU-regelingen te laten ingaan, ook als het valideringstraject bij het Expertisecentrum TNO nog niet is afgerond, maar verplicht het LOGA wel tot het afbakenen van de doelgroep en de onderbouwing van zwaar werk. Dit laatste is helaas nog niet gereed.

Dit betekent voor de sector gemeenten dat de RVU-regeling (bijlage 9 cao) niet gereed is voor 1 januari 2026. Hoe nu verder? Aangezien cao-partijen de komende periode nog bezig zijn met de tien referentiefuncties in het TNO-model te toetsen en vervolgens nog moeten beoordelen of de TNO-methodiek leidt tot herkenbare en verdedigbare uitkomsten, kan er per 1 januari 2026 nog géén gebruik worden gemaakt van de RVU-regeling zware beroepen in artikel 2.11b cao. De sector is het meest gebaat bij een duidelijke lijn. Daarom hebben partijen afgesproken dat de regeling naar verwachting 1 april 2026 in gebruik kan worden genomen. En dus niet per 1 januari 2026. Als cao-partijen de regeling eerder klaar hebben, wordt dat natuurlijk gecommuniceerd. Cao-partijen hebben minimaal deze tijd nodig om meer zekerheid te krijgen rondom de referentiefuncties en de beoordeling en validering door TNO. Dat voorkomt ook mogelijke rechtsongelijkheid tussen werknemers. Cao-partijen hebben dan ook meer zicht op zaken als: - Welke referentiefuncties zijn “zwaar werk” en hoeveel functies gaan cao-partijen wegen? - Hoe kan worden beoordeeld of de lokale functie in voldoende mate overeenkomt met de zware referentiefunctie? - Kunnen werkgevers lokaal (andere) functies wegen in het TNO-model en wat zijn de benodigde voorwaarden en/of expertise daarvoor?

8

In de Rijksbegroting 2026 staat ook dat het kabinet het tarief dat werkgevers betalen voor RVU-regelingen die vallen buiten de wettelijke vrijstelling en de extra RVU-uitkering boven het vrijgestelde bedrag worden verhoogd. Deze strafheffing wordt verhoogd van 52% naar 57,7% in 2026, 64% in 2027 en vanaf 2028 geldt een tarief van 65%. Het gebruik van de drempelvrijstelling wordt met ingang van 2028 jaarlijks gemonitord en driejaarlijks geëvalueerd.

LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag

-

-

Wat hebben werkgevers nodig om intern de HR-processen en de communicatie te kunnen voorbereiden naar hun werknemers? Welke middelen moeten cao-partijen ter beschikking stellen aan de sector? Het landelijk toegankelijk maken van de zware referentiefuncties; Etcetera.

Wat betekent dit voor werknemers? Cao-partijen begrijpen dat er een kleine groep werknemers is die per 1 januari 2026 voldoet aan de afbakening zoals die in deze brief is gecommuniceerd onder punt 2. Ook dat een deel van die werknemers het beeld heeft dat hun functie waarschijnlijk zwaar is. Deze werknemers kunnen nog geen gebruik maken van de RVU zware beroepen regeling per 1 januari 2026. Bijlage 9 van de cao is nog niet gereed. Werknemers kunnen wel hun belangstelling voor de RVU-regeling bij hun werkgever kenbaar maken10. Zodra het LOGA de regeling klaar heeft, wordt daarover gecommuniceerd. Het LOGA merkt op dat in de cao is afgesproken dat een werknemer met een zwaar beroep 2 jaar voor de AOW-leeftijd kan deelnemen aan de RVU-regeling. In 2028 is de AOW-leeftijd 67 jaar en 3 maanden11. Dat betekent dat een grote groep werknemers in de sector gemeenten op zijn vroegst per 1 april 2026 gebruik kan maken van de nieuwe RVU zware beroepen regeling. 4. RVU-regeling - diversen Extra € 300 per maand Cao-partijen krijgen vragen van werknemers over hoe de huidige RVU-regeling zich verhoudt tot de nieuwe RVU-regeling, voornamelijk over de € 300 per maand. Het LOGA begrijpt dat het voor werknemers lastig is om een keuze te maken: “Ga ik nu de RVU vastleggen omdat ik aan de huidige algemene regeling voldoe, maar dan mis ik de extra € 300 per maand.

Of wacht ik tot in 2026 op de nieuwe zware beroepen regeling want als mijn functie zwaar is, krijg ik misschien wel die extra € 300 per maand?”. Het LOGA is hierover duidelijk: een RVU vaststellingsovereenkomst die is afgesproken onder de huidige regeling in 2.11a cao (voorheen artikel 2.11 cao), kent geen € 300. Ook niet als in de loop van 2026 blijkt dat de functie van de werknemer zwaar is en de werknemer binnen de kaders van de € 300 valt van de nieuwe regeling. Want de RVU vaststellingsovereenkomst is gemaakt en ondertekend in 2025 (of al eerder) onder de oude algemene RVU-regeling. Daar was de € 300 per maand niet mogelijk en ook niet in de cao afgesproken. RVU en parttimers De RVU-uitkering en de eventuele extra € 300 zijn naar rato van de arbeidsduur. Nieuwe pensioenstelsel en RVU Op 1 januari 2027 is het pensioenfonds ABP van plan over te gaan naar de nieuwe regels voor pensioen. Het totale pensioenvermogen van ABP wordt dan verdeeld. Er wordt dan berekend hoeveel ieders pensioen in totaal waard is en hoeveel geld er in de gezamenlijke buffer komt. Onder andere voor werknemers die voor 1 januari 2027 met RVU gaan, is dit van belang.

10 Het is voor de werkgever van belang om enigszins zicht te hebben op de interesse van werknemers voor de RVU-

regeling zware beroepen. Zodat inzicht ontstaat in het aantal belangstellenden en hun huidige functies. Ook voor het LOGA is dat op termijn goed om zicht te krijgen op mogelijke nieuwe referentiefuncties. 11 AOW-leeftijd gaat stap voor stap omhoog: lees meer | ABP

LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag

Alle deelnemers bouwen nu met elke euro inleg evenveel pensioen op. Ongeacht de leeftijd. In de vernieuwde pensioenregeling verandert dit. Deelnemers die bij ABP-pensioen opbouwen tussen de 40 jaar en 68 jaar kunnen hierdoor meer nadeel hebben dan andere deelnemers. ABP wil deze groep compensatie geven die past bij het nadeel dat deze groep heeft als ABP overgaat naar de nieuwe regels. De compensatie geldt alléén voor deelnemers die op 31 december 2026 bij ABPpensioen opbouwen (een actieve deelnemer). Gaat een werknemer voor 1 januari 2027 uit dienst, in deeltijd met pensioen of minder werken? Dan krijgt die werknemer géén of minder pensioencompensatie. Voor werknemers die voor 1 januari 2027 met RVU gaan (en daarmee dus uit dienst zijn) is er dus géén pensioencompensatie. Voor meer informatie: Pensioenvermogen wordt op 1 januari 2027 verdeeld | ABP. Als werkgever is het van belang uw werknemers hier actief op te wijzen. 5. Extra inzet op duurzame inzetbaarheid Zoals aangegeven onder punt 1 is landelijk afgesproken dat een afspraak over RVU wordt gekoppeld aan een inzet op duurzame inzetbaarheid, in ieder geval voor de doelgroep die in aanmerking komt voor RVU.

Deze inzet is extra van belang omdat de inspanningen op duurzame inzetbaarheid, het verbeteren van arbeidsomstandigheden en het gebruik van regelingen voor de overgang van werk naar pensioen onderdeel uitmaken van de landelijke monitoring en ijkmomenten. Ook zijn ze van belang voor het (sterk) verminderen van zwaar werk op de lange termijn. Het LOGA gaat daarom allereerst alle bestaande cao-regelingen, faciliteiten en instrumenten in de sector gemeenten de komende periode inzichtelijk op een rijtje zetten. 6. Vakbondscontributie en IKB Cao-partijen hebben vragen van werknemers en werkgevers ontvangen over de praktische uitvoering van de vakbondscontributie in het IKB. Sinds dit in artikel 4.3 lid 1 sub d van de cao is opgenomen als een IKB-bestedingsdoel. Het ging daarbij om het wel of niet toepassen van de parttime factor. Het doel van de afspraak was om het cao-stelsel en het draagvlak daarvoor te ondersteunen. Het lidmaatschap van een vakbond is een onderdeel van dat doel. Dit past bij de recente aanbevelingen van de STAR van 16 oktober jl.12 Op basis van de oorspronkelijke bedoeling van de cao-afspraak, is het LOGA tot de conclusie gekomen dat de vakbondscontributie niet naar rato moet worden toegepast. Artikel 1.9 cao is dus (als uitzondering) niet van toepassing op het doel vakbondscontributie in artikel 4.3 lid 1 sub d cao.

Dit betekent dat ook parttimers hun volledige vakbondscontributie fiscaal vriendelijk kunnen betalen uit hun IKB tegoed. De cao tekst wordt daarop aangepast. 7. Schaal A 1 januari 2026 Schaal A is gekoppeld aan het Wettelijk minimumloon (WML). De afgesproken cao-loonstijgingen zijn niet van toepassing op schaal A. Vanaf 1 januari 2026 is het minimumloon € 14,71 per uur.

12

https://www.stvda.nl/-/media/stvda/downloads/publicaties/2025/aanbevelingen-afsluiten-cao-overleg.pdf

LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag

Voor de toepassing van schaal A moet rekening worden gehouden met referentieomrekenmethode van de overheid (zie ook LOGA-brief nr. 25/02 van 10 juni jl.). Voor de Cao Gemeenten en de Cao SGO wordt het WML per maand in 2026 berekend op basis van het aantal SV-dagen in 2026: 261 dagen. Het wettelijk minimum maandsalaris is per 1 januari 2026 € 2.303,59 (formule: aantal arbeidsuren in 2026 is 261 dagen * 7,2 uur = 1879,2 uur. € 14,71 uurloon * 1879,2 uur = € 27.643,03. Het wettelijk minimum maandloon is dan € 27.643,03 gedeeld door 12 maanden = € 2.303,59) 8. Tot slot Deze LOGA-brief staat ook op www.vng.nl onder ledenbrieven en op www.wsgo.nl onder publicaties. Hoogachtend, Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden

Janine Jongepier Secretaris

LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag

Aan de leden

Datum

5 december 2025 Ons kenmerk

U202500783 Lbr. 25/061 Telefoon

070 373 8393 Bijlage(n)

2

Onderwerp

Reactie op het tussenverslag van informateur Buma

Geachte leden van college en gemeenteraad, Op 2 december is het tussenverslag van de eerste formatieronde gepubliceerd. In deze ledenbrief informeert de VNG u over de belangrijkste punten uit het verslag en hoe dit zich verhoudt tot de inzet. De VNG heeft de afgelopen maanden samen met een brede groep partners een gezamenlijke bijdrage geleverd aan de formatie. Hiervoor kreeg de VNG het mandaat van de leden met de resolutie “VNG-inzet richting TK-verkiezingen - Onze inwoners verdienen beter!”. De gezamenlijke inbreng vindt u in de bijlage onder de noemer ‘Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord’. Veel van de input die aan de onderhandelaars is meegegeven, is terug te lezen in het tussenverslag van de informateur. De VNG waardeert het dat de formerende partijen nadrukkelijk zijn ingegaan op de handreiking van de medeoverheden en partners uit het maatschappelijk middenveld. Nog niet eerder is de VNG zo vroeg in het proces betrokken bij een formatie. Eerste duiding van het verslag De VNG is positief over de koers en de inhoud die de onderhandelaars schetsen. In het verslag staan stevige en betekenisvolle keuzes om Nederland weer in beweging te krijgen. Dat is moedig en broodnodig: na jaren van stilstand is vooruitgang essentieel voor inwoners, bedrijven en gemeenten. Deze frisse en voortvarende aanpak verdient de steun die nodig is.

De gekozen richting sluit aan bij het pleidooi voor samenhangend beleid, meerjarige stabiliteit en uitvoerbare oplossingen. Veel van de inbreng van de VNG en partners is daadwerkelijk terug te zien in het verslag. Hieronder wordt het tussenverslag puntsgewijs doorgelopen in relatie tot de bouwstenen. Wonen In het tussenverslag wordt de brede woningbouwopgave voor de korte, middellange en lange termijn terecht met elkaar verbonden. De onderhandelaars kiezen voor richtinggevende nationale keuzes en zetten in op handelingsperspectief en doorbraken die nodig zijn om tot uitvoering te komen. De formerende partijen willen dit gezamenlijk, ook met gemeenten en medeoverheden,

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl

1/4

oppakken. Uitstel van investeringen in de fysieke leefomgeving geeft economische schade, conflicten om de schaarse (milieu)ruimte en overlast voor inwoners en ondernemers. De VNG herkent onder andere:  De urgentie en de omvang van de opgave  Het belang van een totaalplan en realiseren van de noodzakelijke succesfactoren voor toekomstbestendig wonen, inclusief actief grondbeleid en middelen;  De noodzaak van een effectieve en juridisch geborgde aanpak stikstof, natuurherstel en perspectief voor het landelijke gebied Daarnaast worden belangrijke randvoorwaarden benoemd: reactief grondbeleid, innovatie, investeren in infra, een mix van duurzame warmte/energie en voorzieningen met een langjarige investeringsagenda voor Nederland. Landbouw, natuur en stikstof In het tussenverslag wordt voorgesteld om het transitiefonds voor natuurherstel en stikstof terug te brengen. Dit moet worden ingezet op een integrale, gebiedsgerichte aanpak gekoppeld aan juridisch bindende emmissiedoelen. Ook hebben de partijen aandacht voor de uitvoerbaarheid van beleid, de sociaaleconomische gevolgen voor agrariërs en langjarig perspectief. De VNG is positief over deze lijn. Een aandachtspunt is dat gemeenten worden betrokken als partners in de natuurherstelopgave en de transitie in het landelijk gebied.

Economie, energie en klimaat Het tussenverslag bevat duidelijke ambities voor een economisch sterk Nederland. Om onze regio’s weerbaar en economisch toekomstbestendig te houden, zijn bedrijven nodig die producten en diensten leveren die onze maatschappij versterken en die bijdragen aan een economie waarin iedereen kan meedoen en waar groei en welvaart in balans zijn. De VNG is positief dat de volgende punten terugkomen in het verslag:  Een duurzame, toekomstbestendige sterke economie en een gezonde leefomgeving die hand in hand gaan, waar inwoners van profiteren.  Inzetten op een duurzaam en langjarig investeringsklimaat voor grote én kleine ondernemers, met een centrale rol voor het MKB.  Nederland weer op koers brengen voor het klimaat, inclusief aandacht voor circulariteit.  Investeren in energiezekerheid en betaalbare, duurzame energie, ook voor de lange termijn. Daarnaast worden belangrijke randvoorwaarden benoemd, zoals investeren in de arbeidsmarkt van de toekomst, kennis, onderzoek en digitalisering, een mix van duurzame energie- en warmtesystemen en isolatie, infrastructuur en bereikbaarheid. Asiel en migratie Het tussenverslag bevat een aantal duidelijke stappen richting het terugbrengen van rust, realistische uitvoerbaarheid, meerjarige stabiliteit en stevige landelijke regie in de asielketen.

De VNG ziet hierin veel van de elementen terug die gemeenten eerder hebben ingebracht. Zo is het positief dat de Spreidingswet in stand blijft en dat wordt gekozen voor meerjarige financiering van de gehele keten, waaronder COA, IND, DT&V, Nidos en VWN. Ook de inzet op sneller meedoen voor asielzoekers en innovatieve vormen van huisvesting sluit goed aan bij gemeentelijke praktijkervaringen. Daarnaast waardeert de VNG dat migratie breder wordt benaderd dan alleen asiel, met aandacht voor arbeidsmigratie, huisvesting, participatie en integratie. Er zijn ook aandachtspunten. Het aangekondigde verbod op voorrang voor de huisvesting van statushouders is niet opgenomen in het tussenverslag, terwijl dit de druk op de keten aanzienlijk

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/4

zal vergroten en gemeenten voor grote uitvoeringsproblemen stelt. Daarnaast wordt de huidige problematiek rondom de opvang en huisvesting van Oekraïense ontheemden nog onvoldoende onderkend. De VNG benadrukt dat een overgangsperiode van minimaal twee jaar noodzakelijk is en dat het rijk hier meer verantwoordelijkheid en regie moet nemen, zodat deze opgave niet onevenredig bij gemeenten terechtkomt. Defensie en Internationale veiligheid In het tussenverslag wordt nadrukkelijk stilgestaan bij het beschermen van onze vrijheid en democratie. Dat gaat verder dan alleen defensie, stellen ook de formerende partijen. Als samenleving moeten we weerbaarder worden. De VNG onderstreept dit. Gemeenten spelen hierin een steeds belangrijkere rol, onder andere door hun lokale netwerken, maatschappelijke organisaties en veiligheidsstructuren. In het verslag wordt nog niet gesproken over 1,5% NAVOnorm, die bovenop de 3,5% investeringen in defensie komt. De VNG denkt graag mee over de verdere invulling en uitwerking van wat nodig is voor een echt weerbare samenleving. Investeren, hervormen en begroting op orde In het tussenverslag herkent de VNG veel elementen uit de inbreng. Zo wordt aandacht besteed aan het belang van (langjarige) investeringen, het oprichten van een investeringsinstelling en de ruimte die gezocht wordt binnen de Europese begrotingsregels.

Deze onderdelen sluiten aan bij wat door de samenwerkende partijen over investeringen is voorgesteld. Tegelijkertijd reiken sommige punten in het tussenverslag minder ver dan in de aangeleverde bouwsteen is uiteengezet. Met name de concrete voorstellen over de inrichting van de rijksbegroting en het versterken van het nationale investeringsvermogen blijven nog beperkt uitgewerkt. De VNG verwacht dat deze elementen in de vervolgfase van de formatie verder worden geconcretiseerd. Inzet VNG volgende fase formatie Het tussenverslag bevat de vijf thema’s die waren aanbevolen door verkenner Koolmees. In de volgende fase verwacht de VNG dat ook andere onderwerpen aan bod komen. Als VNG blijven we ons inzetten om ook op die thema's tot goede keuzes te komen. Zo zijn duidelijke afspraken nodig om de interbestuurlijke en financiële verhoudingen te verbeteren en de betrouwbaarheid van onze overheid te herstellen. De VNG moedigt partijen aan om dezelfde moed en bereidheid tot keuzes die de partijen nu hebben getoond, ook te tonen voor onderwerpen die nu nog niet uitgewerkt zijn. Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen De VNG ziet een uitgestoken hand van de formerende partijen aan medeoverheden, sociale partners en maatschappelijke organisaties. Die pakt de VNG graag aan.

Een nieuw kabinet kan alleen effectief werken aan de grote dossiers van Nederland als medeoverheden vanaf het begin samen optrekken. Een goede samenwerking vraagt om duidelijke afspraken en financiële randvoorwaarden. De VNG heeft op dit gebied hoge verwachtingen van een nieuw kabinet. De VNG vindt het cruciaal dat het rapport Samen bouwen aan resultaten onderdeel uit gaat maken van het regeerprogramma. Betrouwbare overheid Om het vertrouwen te herstellen is het van belang om een daadwerkelijk betrouwbare overheid te zijn. Hoewel de formerende partijen in alles uitstralen dat zij hier verbetering in willen brengen, zijn hier nog geen expliciete afspraken over gemaakt. Om een betrouwbare overheid te kunnen zijn is meer aandacht nodig voor uitvoering, bescherming van goed bestuur en democratische instituties, een robuuste basis voor politieke ambtsdragers en een Minister voor Digitale Zaken met mandaat en budget.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

3/4

Bestaanszekerheid In het tussenverslag zijn een aantal aanknopingspunten te vinden in lijn met onze inzet op bestaanszekerheid. Zo wordt gesproken van een activerend socialezekerheidsstelsel, hervorming van het arbeidsongeschiktheidsstelsel en vereenvoudiging van het belasting- en toeslagenstelsel. Ook wordt gesproken van de dienstverlening die onder druk staat, door moeilijk uitvoerbare wetten en regels en belemmeringen rond gegevensdeling. De 'Vereenvoudigingswet’ om periodiek de uitvoering te ontlasten komt overeen met de gezamenlijke oproep om het stelsel te vereenvoudigen. De VNG herkent het voorstel om de ondersteuning van inwoners verder te verbeteren door in te zetten op proactieve dienstverlening. Door de inzet op verduurzaming van woningen moet de energierekening betaalbaar worden en er komt structureel budget voor het Noodfonds Energie. In bredere zin ontbreken nog essentiële zaken als het Sociaal Minimum, Schuldhulpverlening, de participatie(wet) en werk voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt. Jeugd, onderwijs en kansengelijkheid De VNG blijft scherp op voldoende aandacht voor jeugd en onderwijs in de volgende ronde. Voor jeugdzorg blijft het essentieel dat taken en middelen in balans zijn. Vanaf 2028 ontstaat namelijk een groot financieel probleem.

Daarom blijft de VNG, vooruitlopend op het vervolgadvies van de Deskundigencommissie van Ark in de kabinetsformatie aandacht vragen voor structureel passende financiering. Gezondheid, welzijn en zorg Het tussenverslag bevat eerste aanknopingspunten, zoals investeren in preventie, welzijn, sport en gezonde leefstijl, de hervorming van de ouderenzorg en gerichte inzet van huishoudelijke hulp. Verdere uitwerking van deze punten is voor de VNG noodzakelijk, zeker gezien de grote verantwoordelijkheden van gemeenten in Wmo, jeugdzorg en publieke gezondheid. Vervolgstappen De formatie gaat verder. In de volgende fase verwacht de VNG dat er nog belangrijke onderwerpen op de agenda komen, waaronder bestaanszekerheid, jeugd en onderwijs, de toekomstbestendigheid van de zorg en de interbestuurlijke verhoudingen. De VNG blijft zich ervoor inzetten dat de plannen uitvoerbaar zijn voor gemeenten en houdt de financiële consequenties voor gemeenten en samenhang in beleid op de agenda. De VNG werkt graag mee aan de strategische agenda om de grote transities uit deze agenda en volgende opgaven te realiseren. Het is van groot belang dat keuzes die in Den Haag worden gemaakt goed kunnen landen in gemeenten — en daarmee bij inwoners, bedrijven en gemeenschappen. De VNG volgt het formatieproces op de voet. We zullen u informeren over relevante ontwikkelingen.

Met vriendelijke groet, Vereniging van Nederlandse Gemeenten

S.A.M. Dijksma Voorzitter

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

4/4

Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord 20-11-2025

Inhoudsopgave

2

1: Bouwsteen Ruimte: De Grote Verbouwing van Nederland 

3

2: Bouwsteen: De Economie van de Toekomst

6

3: Bouwsteen Bestaanszekerheid

11

4: Bouwsteen Jeugd, Onderwijs en Kansengelijkheid

14

5: Bouwsteen Gezondheid, Welzijn en Zorg

17

6: Bouwsteen Asiel en Migratie 

23

7: Bouwsteen Weerbaarheid

27

8: Investeringsagenda en toekomstgericht begroten

30

Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord

1: Bouwsteen Ruimte: De Grote Verbouwing van Nederland Gesteund door

Onze coalitie van maatschappelijke partners reikt formerende partijen perspectief aan met een bouwsteen voor ruimte en investeren. Rapporten van Mario Draghi, de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen, het Rli en het PBL; verzuchtingen van investeerders, bouwers, boeren en medeoverheden over de politiek; een Nota Ruimte die zich tegen afwentelen op de toekomst keert: we moeten naar een grote verbouwing van Nederland, waarbij de uitvoering vandaag begint – maar handelend vanuit een visie met lange lijnen én een publiek-private investeringsagenda. Nederland moet van het slot! Er is een omslag nodig en we staan samen aan de lat voor de grote verbouwing van Nederland!

1.1 Tekst voor het regeerprogramma Algemeen Het kabinet staat voor een grote verbouwing van Nederland. Woningbouw, infrastructuur, energie, economie, water, landbouw en natuur. Er is veel te doen in ons kleine, dichtbevolkte land, zodat ook toekomstige generaties welvarend en gezond kunnen leven. Wij bieden Nederland perspectief met oplossingen om voldoende woningen te realiseren en de economische ontwikkeling te bevorderen. • Het kabinet beziet ruimtelijke ontwikkeling en ruimtelijke keuzes in samenhang en zet in op uitvoeringskracht, zodat Nederland structureel sterker wordt. We handelen vanuit een visie voor de lange termijn met een eerlijke verdeling van lusten en lasten. Een visie die oplossing biedt voor de inhoudelijke dilemma’s die op dit moment voor stilstand zorgen. • Op basis van die lange-termijn visie maken we scherpe en robuuste nationale keuzes over ruimtegebruik, in te zetten capaciteit, investeringen en de verdeling van risico’s. Daarin blijven we op koers en sturen bij, voor een eerlijke, betrouwbare ruimtelijke ordening. Daarbij draagt iedere minister collegiaal vanuit eigen verantwoordelijkheid bij aan de gezamenlijke ambitie. • Het kabinet zorgt voor stabiel fiscaal en investeringsbeleid waar onze inwoners, ondernemers en investeerders langdurig op kunnen vertrouwen. We moeten weer met hen en onze medeoverheden in win-win situaties terecht komen.

Met voorspelbaar lange-termijn beleid en investeringslogica gaat dat lukken.

3

Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord

• Het kabinet en zijn partners omarmen het principe dat het alleen samen kan. Synergie van ideeën, denk- en uitvoeringskracht, capaciteit en investeringen vormen nadrukkelijk basis voor aanpak en samenwerking. De gemaakte afspraken en de allianties en collectieven waarin veel maatschappelijke kracht is gebundeld, worden gerespecteerd en betrokken.

Ruimtevragers in samenhang • De oplopende woningbouwopgave noodzaakt tot verdere versnelling die enkel kan worden bereikt door de investeringsbereidheid te vergroten – en dus stabiliteit en vertrouwen. Het kabinet gaat daarom samen met onze woningbouwpartners onverkort de afspraken uit de Woontop en de Uitvoeringsagenda Wonen uitvoeren: de jaarlijkse bouw van 100.000 woningen. Daarbij wordt ingezet op de kritische succesfactoren, waaronder structurele financiering van de woningbouw en het verbeteren van het investeringsklimaat en de uitvoeringskracht. Focus en prioriteit leggen we bij woningbouwprojecten in brede zin, door de volgende randvoorwaarden op orde te brengen: netaansluiting, bereikbaarheid, stikstof, water en klimaatadaptatie. Knellende of tegenstrijdige regels pakken we aan, met behoud van toekomstbestendigheid, veiligheid en gezondheid. Daarmee stimuleren we onder andere innovatie en industrialisatie in de bouwsector, zodat er sneller, duurzamer en betaalbaarder gebouwd kan worden. • Landbouw en natuur horen bij de grote verbouwing van Nederland. Waarbij we boeren en tuinders perspectief bieden, inwoners een gezonde leefomgeving bieden en voortgang creëren op andere dossiers. Het kabinet zet in op doelsturing en duidelijke juridisch geborgde normen en handhaving die gegarandeerd tot minder stikstofuitstoot leidt in 2030 en 2035, zowel generiek als gebiedsgericht.

Het kabinet zet in op robuuste wetgeving, geborgde emissiereductie NH3 en NOx en geborgd natuurherstel. Dat doen we samen met partners en dit werken we landelijk en gebiedsgericht uit. Met als doel: vergunningverlening van het slot en boeren duidelijkheid bieden. We zetten in op langjarige stabiliteit van de natuurherstelaanpak. Hiermee borgen we natuurbeheer en -herstel, versterken we natuur alsook versterken we de inzet van agrarisch natuurbeheer en maken we goede monitoring en bijsturing mogelijk. Want het is nodig om extra inspanningen te leveren zodat natuur behouden blijft, kan herstellen en in de toekomst beter bestand is tegen externe factoren (o.a. droogte). Om op gebiedsniveau te werken aan deze opgaven gaat het kabinet middelen beschikbaar stellen waarmee de hier beschreven inzet geleverd kan worden. • We zorgen goed voor Nederland; voor ons water, onze bodem en lucht. Goede en gezonde grond, zoet water van goede kwaliteit en essentiële materialen worden steeds schaarser. We willen als land steeds weerbaarder en minder afhankelijk worden van essentiële materialen en producten uit het buitenland. Het kabinet pakt door, ook op de Kaderrichtlijn Water, klimaatadaptatie en waterveiligheid. Want hoe langer we wachten, hoe ingrijpender de maatregelen worden voor inwoners en ondernemers.

Het kabinet zal deze elementen meenemen in ruimtelijke keuzes over wat we waar willen hebben. • Mensen willen bij hun winkel, hun gezondheidscentrum, werk of hun restaurant kunnen komen. Onze open economie en samenleving heeft baat bij bereikbaarheid. Het kabinet gaat de adviezen uit Bereikbaarheid Op Peil uitvoeren en (internationale) bereikbaarheid versterken, de leefbaarheid van steden vergroten en schaarse ruimte goed gebruiken door schonere en andere vormen van mobiliteit. Daartoe investeert zij in onderhoud, vervanging en aanleg van infrastructuur, ongeveer 2% van het BBP, met overheidsgeld en met private fondsen. • Onze welvaart, onafhankelijkheid en de belasting van wegen en voorzieningen hangt af van ruimte voor werken en ondernemen. Het kabinet zet in op die ruimte voor toekomstige economie en geeft ruimte aan de transitie naar een weerbare economie met zoveel mogelijk slimme combinaties van functies. Ruimte voor circulaire economie, werkgelegenheid, werken en wonen, voor het MKB. Wij maken richtinggevende keuzes bij aanpak van knelpunten als het energienet, mobiliteit en milieunormen en laten regio’s doen waar ze goed in zijn. • Beschikbaarheid en betaalbaarheid van energie en warmte is van groot belang voor inwoners en ondernemers, maar ook als randvoorwaarde voor bedrijven, mobiliteit en de bouw van woningen.

Het kabinet zet daarom in op besparing en lokale opwek, warmte- en energienetten en opslag. Door fiscale belemmeringen te verwijderen en stevig te investeren. Zo worden energie en warmte

4

Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord

beschikbaar, betaalbaar, zijn we weerbaarder en minder afhankelijk van het buitenland, en beperken we CO2-uitstoot (zoals bepleit door de Maatschappelijke Alliantie 23 september jl.).

1.2 De opgave en de kans De grote verbouwing van Nederland is nodig voor het verdienvermogen van Nederland, de toekomstbestendigheid van ons kleine dichtbevolkte land, en voor de kwaliteit van leven van onze inwoners. Een greep uit de opgave: bijna een miljoen woningen tot 2030, 55.000 trafo-huisjes, uitbreiding van bedrijventerreinen tussen 2200 en 4000 hectare, de instandhouding en vervanging van bruggen, wegen en circa 1400 kilometer aan dijkversterkingen. Met in het achterhoofd dat er in 2050 ongeveer 19,8 miljoen inwoners kunnen zijn en we natuur en voedselvoorziening ook voor de toekomst willen veiligstellen. Er is de kans om in één keer goed te investeren in een toekomstbestendig en onafhankelijk Nederland, met systemen die tegen een stootje kunnen. Waarin inwoners en ondernemers hun energierekening kunnen betalen, en veilig en gezond leven. Stilvallen geeft economische schade en sectoraal verbouwen levert desinvesteringen, conflicten en extra overlast op. Het is belangrijk om grote transities in de regio’s parallel te plannen, te richten naar een lange periode en de uitvoeringskracht te versterken. Een investeringsagenda voor de fysieke leefomgeving en bijhorende ontwikkelcultuur is dringend nodig.

1.3 Het kan anders De grote verbouwing van Nederland, zoals hierboven beschreven, is in omvang te vergelijken met de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Daarbij zien we drie kerninzichten om door te pakken: • Er is een financiële weg voorwaarts. De huidige financiële instrumenten zijn te klein en te sectoraal. Durven we als Nederland de opgave tot 2050 in volle omvang te bekijken? Gezien de opgaven gaan we publiek en privaat honderden miljarden investeren tot en met 2050. Denk aan de in het publieke debat genoemde 3-5 miljard aan publieke middelen per jaar voor woningbouw*. Lange lijnen, beleids- en investeringszekerheid zijn cruciaal zodat we publieke en private partijen onderdelen van de verbouwing kunnen financieren. Uitgangspunten daarvoor: investeringsdenken in plaats van het kasstelsel en zoeken naar de essentiële passende en structurele financieringsvormen, waaronder een Nationale Investeringsinstelling. Meer hierover in de bouwsteen investeringsagenda. *Het betreft een indicatieve berekening, komende weken blijven diverse partijen cijfers aanleveren o.a. Aedes. • Elke hectare telt. De indicatieve ruimtevraag van de beschreven elementen van de grote verbouwing is een grote opgave, zoals omschreven in de Nota Ruimte.

Een substantieel deel daarvan is voor gebouwen zoals woningen en voor duurzame economie, maar het gaat ook over bijvoorbeeld bredere dijken, meer water vasthouden en beter vervoer. En dan vraagt defensie ook nog ruimte. Deze cijfers maken duidelijk dat een straatje erbij vergunnen de ruimtevraag niet oplost. Nederland heeft een sterke bouwcultuur en planologische traditie om integraal af te wegen. En dat moet nu. Tools zijn: een Nationale Grondbank, adaptief plannen en vooral; robuuste keuzes maken met heldere prioriteiten voor voorspelbaar beleid en krachtige uitvoering. • Alle handen zijn nodig. Als we niet slimmer gaan werken zijn er jaarlijks duizenden nieuwe hooggespecialiseerde professionals nodig, privaat en publiek. Boven op de tekorten die er reeds zijn. Zij moeten de verbouwing plannen en begeleiden. Dit vraagt om inzet van publieke én private partijen én bewoners(collectieven), zowel in voorbereiding als uitvoering. Innoveren, capaciteit delen, leven-langontwikkelen zijn essentieel. Dit vraagt om versterkte afspraken tussen private sector, woningcorporaties en overheden. Zo kunnen we waardevolle kennis bundelen en uitvoeringskracht versterken. Juist de volle omvang van de verbouwing laat zien dat Nederland echt iets te kiezen heeft. De maatschappelijke partners hebben daar een perspectief op en een aanbod bij. Alleen samen brengen we de grote verbouwing op gang!

5

Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord

2: Bouwsteen: De Economie van de Toekomst Gesteund door

Brede welvaart is ons kompas Een sterke economie is een essentiële voorwaarde om de kwaliteit van leven, zekerheid en kansen voor inwoners en ondernemers in alle regio’s te versterken. Om onze economie toekomstbestendig te houden zijn bedrijven nodig die producten en diensten leveren die onze maatschappij sterker maken en die bijdragen aan een economie waarin iedereen mee kan doen en waar groei en welvaart in balans zijn. Met brede welvaart als ons kompas. We werken aan een sterke, veerkrachtige economie waarin tegelijkertijd aandacht is voor een leefomgeving die toekomstbestendig is. Brede welvaart betekent dat we oog hebben voor alles wat mensen nodig hebben om goed te kunnen leven. Denk aan inkomen en verdienvermogen, maar ook aan werkzekerheid, inclusie en een schone en gezonde leefomgeving. We staan zowel in Europa als in Nederland voor grote transities die ons verdienvermogen en onze brede welvaart structureel zullen bepalen. De analyses van Draghi en Letta laten zien dat ons verdienvermogen en concurrentievermogen onder grote druk staan en dat Europa terrein verliest ten opzichte van de VS en China. Fragmentatie, lage investeringen in kennis, menselijk kapitaal en innovatie en een tekort aan technologische slagkracht verzwakken onze positie. Als dit niet verandert, zijn de gevolgen groot.

Het leidt ertoe dat we minder middelen en arbeidscapaciteit hebben om onze publieke voorzieningen op peil te houden, zoals zorg, onderwijs en – steeds belangrijker – defensie. Het maakt ons steeds afhankelijker van buitenlandse partijen, wat ons gelet op de huidige, geopolitieke ontwikkelingen kwetsbaar maakt. En het leidt tot minder verdien- en innovatievermogen van ons land en de regio’s daarbinnen. Niet alleen de economische welvaart staat onder druk maar ook de brede welvaart van onze samenleving. We zetten in op drie invalshoeken: • Stabiliteit en een concurrerend ondernemersklimaat • Investeren in de economie en arbeidsmarkt van de toekomst • Versterken van de regionale economie.  

6

Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord

2.1 Tekst voor het regeerakkoord Stabiliteit en een concurrerend ondernemersklimaat • We brengen de basis van ons economisch beleid op orde. Volgend op de oproep van de SER (2024) nemen wij als uitgangspunt een sociale markteconomie gebaseerd op brede welvaart, een economie die uitgaat van duurzame groei en innovatie.1 • Ondernemers krijgen stabiliteit en voorspelbaarheid, inclusief bij nieuw beleid een fatsoenlijk overgangsregime en beleid dat altijd handelingsperspectief biedt. We zorgen voor een fiscaal stelsel dat bijdraagt en rechtdoet aan een toekomstbestendige en innovatieve economie, ook vanuit de invalshoek van het Europese speelveld. We zetten in op een goed regionaal vestigings- en ondernemingsklimaat, inclusief fiscale innovatieregelingen, door de coördinatiekracht van ministeries te versterken en door te zorgen voor een toekomstgerichte lange termijn planning en ontkokerde financiering. Zo borgen wij uitgangspunten voor brede welvaart in heel Nederland en niet alleen in de huidige groeigebieden. • We voeren een stevige en meetbare regeldrukagenda gericht op 20 - 25% reductie waarbij we toetsen aan doelmatigheid. Europese regels worden voortvarend uitgevoerd zodat Nederland een gelijk speelveld houdt binnen Europa. • De energietransitie raakt ons allemaal en vraagt om versnelling. Dat zorgt voor uitdagingen en biedt tegelijkertijd ook kansen.

Een rechtvaardige energietransitie ondersteunt klimaatdoelstellingen maar vermindert bovenal onze afhankelijkheid van het buitenland, versterkt onze weerbaarheid, de lange termijn bestaanszekerheid én ons concurrentievermogen. Om het energiesysteem van de toekomst te bouwen is stabiel, voorspelbaar en toereikend overheidsbeleid essentieel. Daarom betrekken we ook de partners uit de samenleving (zoals o.a. bepleit door de Maatschappelijke Alliantie 23 sept ’25). • Om de Nederlandse maakindustrie ook in de toekomst concurrerend te laten zijn ten opzichte van o.a. onze buurlanden, richten we ons op het volgende pakket.  We kijken naar nettarieven, energiebelastingen en het bieden van dezelfde steun aan bedrijven die onder het ETS vallen. Bij het uitgangspunt van gelijke concurrentie met o.a. buurlanden werken we binnen de Europees afgesproken kaders en heffingen dat uitstoot tegengaat en investeert in het toekomstige duurzame energiesysteem voor bedrijven. Zolang fossiele energie nog nodig is, investeren we ook in CO₂opslag en gaat dit gepaard met hybride systemen (denk ook aan waterstof). Parallel daaraan zetten we maximaal in op het beter benutten van de energie-infrastructuur, onder andere het benutten van wat er al ligt (w.o.

kabels en leidingen), door slimme inzet van data en door een deel van de beschikbare middelen op de slimmere benutting in te zetten via lokale oplossingen (denk ook aan warmtenetten). Daarmee minimaliseren we de kosten voor uitbreiding van bijvoorbeeld het stroomnet, waardoor elektrificatie en verduurzaming betaalbaarder wordt voor grote en kleine ondernemers én voor de inwoners van Nederland. • Handels- en investeringsakkoorden vergroten onze weerbaarheid door grondstoffen veilig te stellen en strategische afhankelijkheden te beperken. Daarom vinden we het belangrijk dat Europa snel akkoorden sluit met o.a. India, de ASEAN-landen, Zuid-Amerika en de VS. Nederland verstevigt zijn internationale oriëntatie, inclusief een sterker postennetwerk. • Nederland steunt de voorstellen van Draghi en Letta om de interne markt te vervolmaken. We zetten in Brussel actief in op voltooiing van de interne markt alsook op het wegnemen van belemmeringen. We maken werk van de kapitaalmarktenunie, zodat bedrijven – ook het MKB – makkelijker toegang krijgen tot kapitaal. We versterken de strategische autonomie van Europa via gezamenlijke investeringen in sleuteltechnologieën, versnelling van digitale investeringen en economische veiligheid.

1 SER, 2024. Perspectief op brede welvaart in 2040. Bouwen aan de economie van de toekomst. Te raadplegen via: https://www.ser.nl/-/media/ser/downloads/adviezen/2024/visie-perspectief-op-brede-welvaart.pdf

7

Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord

Investeren in de economie en arbeidsmarkt van de toekomst • Hoe we omgaan met artificiële intelligentie (AI), versterkt door kwantumtechnologie, is bepalend voor onze toekomst. We zorgen voor een werkbare implementatie van Europese regels, zodat we de kansen benutten en risico’s beperken. Dit vraagt om duidelijke standaarden en praktische tools. Daarnaast komt er een nationaal AI-plan gericht op infrastructuur, toepassingen en gebalanceerde datadeling, ondersteund door sectorale dataruimtes en AI-hubs. Overheden geven hierbij het goede voorbeeld door Europese cloudoplossingen te gebruiken. • We voeren strategisch industriebeleid op enkele (deel)sectoren en groeimarkten die bepalend zijn voor onze toekomstige economische slagkracht. Een kabinetsbrede aanpak is nodig, omdat industriebeleid raakt aan regeldruk, arbeidsmarktkrapte, stikstof, energie-infrastructuur, klimaat en ruimtelijke ordening. Het ministerie van EZ krijgt hierin een coördinerende rol, met nauwe betrokkenheid van de decentrale overheden en het bedrijfsleven en in samenwerking met Europa. • We ontwikkelen een actieagenda om de Nationale Technologie Strategie (NTS) handen en voeten te geven, gericht op sleuteltechnologieën die de concurrentiekracht van meerdere sectoren bepalen. Innovaties die nu elders worden opgeschaald, moeten in Nederland ruimte krijgen om te groeien.

• Volgens de SER (2025) is de kwaliteit van menselijk kapitaal bepalend voor productiviteitsgroei. Daarom investeren we extra in kennis en talent - dé grondstoffen voor een toekomstbestendig Nederland – met als doel dat publiek en privaat in 2030 samen 3% van het BBP aan R&D besteden, waarbij de publieke investeringen worden verhoogd naar 1% van het BBP. We verbeteren de kwaliteit van onderwijs, organiseren leven lang ontwikkelen, versterken digitale vaardigheden en gezondheid, en vergroten private R&D-investeringen via betere valorisatie, meer ruimte voor startups en scale-ups en gerichte publiek-private samenwerking. Ook versterken we regionale kennisecosystemen, waar bedrijven en instellingen samen innovatie broedplaatsen vormen die economische en sociale ontwikkeling aanjagen. Hierin benutten we o.a. de infrastructuur van de arbeidsmarktregio’s en de publiek-private netwerksamenwerking hierbinnen. • De arbeidsmarkt verandert snel en kampt met toenemende tekorten. Om kennis en vaardigheden actueel te houden en de arbeidsproductiviteit te vergroten, moeten steeds meer werkenden zich bij- of omscholen. Het mbo, hbo en wo vormen samen het publieke fundament voor Leven Lang Ontwikkelen (LLO). Zij beschikken over de kennis en infrastructuur om iedereen, van vakmens tot onderzoeker, te ondersteunen in blijvende professionele groei.

We verankeren LLO als publieke opdracht in wet- en regelgeving. Aanvullend draagt het kabinet zorg voor structurele financieringsarrangementen. • Het mbo, hbo en wo versterken hun samenwerking met regionale partners en sluiten hun ontwikkelinfrastructuur aan op de arbeidsmarktagenda en economische plannen, zodat onderwijs en onderzoek beter inspelen op de regionale arbeidsmarkt- en economische opgaven, met behoud van de autonomie van onderwijs- en onderzoeksinstellingen. • We zetten in op talentontwikkeling om Nederland concurrerend en veerkrachtig te houden in een snel veranderende wereld. Dit is van belang in het licht van demografische krimp en ook om te zorgen dat Nederland aantrekkelijk blijft voor toptalent, met oog voor erkenning van kwalificaties, snelle procedures en een open houding. • We versterken de innovatie-ecosystemen en (top)campussen van Nederland. Die spelen immers een gedegen rol in de economie van de toekomst. We volgen de adviezen uit het Draghi rapport op door de scale-ups uit deze ecosystemen beter te ondersteunen in hun groei. Daarbij investeren we ook op de aansluiting met en verbinding van het breed MKB en de samenwerking in de hele onderwijsketen (mbo, hbo, wo).   

Versterken van de regionale economie • We gaan de economische kracht van álle regio’s versterken en maken dit een structureel thema in het kabinetsbeleid. We hebben daarbij ook oog voor het regionale, sociale en agrarische belang van de plattelandseconomie. • We gaan gemeenten en provincies beter in staat stellen om hun economische rol te vervullen en hun uitvoeringskracht te vergroten. We investeren in de interbestuurlijke samenwerking om

8

Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord

effectiever als een overheid met bedrijfsleven en maatschappelijk middenveld samen te werken aan een toekomstbestendige economie en arbeidsmarkt. • Specifiek als het gaat om arbeidsmigratie, noodzakelijk voor bepaalde sectoren, moet dit vooral bijdragen aan een toekomstbestendige economie met kwalitatief goed werk en aan maatschappelijke opgaven. Daarmee sluiten we aan bij het briefadvies ‘Arbeidsmigratie naar waarde; Minder waar het kan, beter waar het moet’ van de SER. • We intensiveren regionale publiek-private samenwerkingsverbanden tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden en ook binnen en tussen regionale ecosystemen onder meer door een gecoördineerde aanpak en een integrale financieringssystematiek. We pakken de huidige versnippering in regionaal investeringsbeleid aan door koppeling te leggen tussen sociaaleconomische meerjarenagenda’s van de regio’s met Defensie, Regiodeals, Startups & Scale-upsprogramma’s en Human Capital Agenda’s. • Wij creëren ruimte voor economische initiatieven uit de samenleving: coöperaties, maatschappelijke organisaties, burgerinitiatieven en bewonersinitiatieven kunnen een sleutelrol spelen bij de oplossing van economische knelpunten zoals energietransitie of het aanjagen van economische activiteit in wijken en dorpen waar bedrijvigheid afwezig is.

Nu lopen initiatieven uit de samenleving klem omdat economische activiteit in de regelgeving bij bedrijven of overheden hoort, maar niet bij de samenleving. • We verbeteren de dienstverlening aan werkenden, werkzoekenden en werkgevers onder meer door de ontwikkeling van regionale werkcentra die in elke arbeidsmarktregio een publiek-private samenwerking moeten vormen. Ondersteuning wordt geboden op het gebied van werk en scholing via één regionale toegang met een belangrijke rol voor de publieke en private partners in de regionale netwerksamenwerking als een van de onderdelen op de regionale meerjarenagenda’s van de arbeidsmarktregio. • We investeren in de krachtenbundeling van ondernemers, dienstverleners, onderwijs en overheden in 19 regio’s die als voorlopers werken aan een landelijk dekkend netwerk van regionale MKBecosystemen. We bouwen aan regionale en nationale ondersteuning die ondernemers helpt om zekerheden te vergroten: toegang tot materialen, energie, personeel en digitale kansen zoals kunstmatige intelligentie.

• We investeren in de ruimtelijke kant voor een toekomstbestendige economie door: • regio’s te laten doen waar ze goed in zijn • ruimte te geven aan de transitie naar een weerbare economie • zoveel mogelijk slimme combinaties maken van functies, voor circulaire economie, werkgelegenheid, energie, combinaties van kantoren, werken en wonen, ruimte zoeken voor o.a. het MKB • Richtinggevende keuzes te maken bij de aanpak van knelpunten als energienet, mobiliteit en milieunormen. • We gaan investeren in voldoende en kwalitatieve ruimte voor ondernemers om zich te kunnen vestigen of verder te ontwikkelen: betaalbare werklocaties op de juiste plek en bedrijventerreinen, deze beschermen en ontwikkelen, met “werkdeals” naast woondeals, verduurzaming en betere bereikbaarheid en aansluiting op het elektriciteitsnet.   

2.2 De opgave en de kans: zorgen onder de motorkap Met een goed opgeleide bevolking, een gunstige ligging, ondernemerschap en wetenschap van topniveau heeft Nederland alles in huis om internationaal leidend te blijven. Tegelijkertijd gaan achter dit fundament serieuze problemen schuil en is er grote urgentie om veranderingen door te voeren. Net als elders in Europa stagneert de groei van de beroepsbevolking en blijft de arbeidsmarkt structureel krap. Dit zien we ook in het vervolgonderwijs. Het aantal Nederlandse studenten neemt af doordat er minder jongeren zijn, en ook het aantal buitenlandse studenten daalt. Dat is zorgelijk omdat het haaks staat op de ambitie van Nederland om toptalent aan te trekken en te behouden. En ook om een volgende generatie op te leiden tot veerkrachtige burgers die onze samenleving vooruit helpen. De snel veranderende werkgelegenheid door o.a. technologisering en AI zorgen ook voor een toenemende mismatch tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Ondanks de schaarste aan personeel blijft de arbeidsproductiviteitsgroei – ook internationaal

9

Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord

gezien – laag. De SER waarschuwt dat dit alles het verdienvermogen en daarmee de brede welvaart structureel onder druk zet. Er zijn ook specifieke Nederlandse problemen. Er is sprake van krapte op onder meer de arbeidsmarkt, de ruimte en het energienet. De balans tussen economische groei en welvaart staat daardoor onder druk met o.a. vraagstukken rondom arbeidsmigratie – met impact op zaken als huisvesting en leefbaarheid – en wachtlijsten voor bedrijven voor energieaansluiting. Het MKB (zowel bestaand als scale-ups) groeit onvoldoende door. Ook het investeringsklimaat staat sterk onder druk. Ons VPB-tarief ligt ver boven het EU-gemiddelde en de belastingdruk op ondernemerswinst (voor het MKB ook vanuit de inkomstenbelasting) ligt te hoog om investeren in Nederland aantrekkelijk te houden. Multinationals vertrekken geleidelijk en ondernemers ervaren Nederland steeds vaker als onaantrekkelijk om in te ondernemen en te investeren. Politieke instabiliteit en onvoorspelbaar beleid versterken dit beeld; bijna 90 procent van de ondernemers is hierover ontevreden. Investeringen in innovatie, verduurzaming en digitalisering blijven daarom achter. Het bedrijfsleven kampt met hoge energiekosten, een hoog ervaren regeldruk met o.a. nationale koppen op Europese regels en een elektriciteitsinfrastructuur die onvoldoende snel wordt uitgebreid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16498091/1