CN RES Zienswijze Peelgemeenten
Tekst van het document
Reactie gezamenlijke Peelgemeenten (Asten, Deurne, Gemert-Bakel, Helmond, Laarbeek, Someren) op concept-RES 1.0 Metropoolregio Eindhoven Hoofdstuk
Reactie
1. Opgave en kader
1. Wij onderschrijven het belang van de onderwerpen en opgaven van de RES: besparen, duurzame warmte, duurzame opwek.
Kernpunten uit de Concept RES 1.0: 1.1 Onze RES 1.0 is een momentopname. Ze geeft aan waar we op dit moment staan op de weg naar 2030 en verder, de weg naar 2050. 1.2 We hebben niet alleen een flexibele energiestrategie nodig om in een telkens veranderende wereld, de huidige en toekomstige energiedoelstellingen te blijven behalen, maar ook een stevig samenwerkingsnetwerk.
1.2 Extra aandacht vragen wij voor de schaal van samenwerken op deze onderwerpen. Samenwerken moet geen doel op zich worden maar een middel om zo een effectief en efficiënt resultaat te boeken. Het REStraject heeft geresulteerd in zeer goede samenwerking in de subregio De Peel op het gebied van de Energietransitie, zowel op bestuurlijke en ambtelijke vlak. Ten aanzien van efficiëntie en effectiviteit zetten wij deze samenwerking in de uitvoeringsfase voort. Waar het meerwaarde heeft sluiten wij ook aan bij uitvoering met MRE of andere partners.
2. Thema’s RES Metropoolregio Eindhoven
2.
Wij onderschrijven de thema’s in de RES
Kernpunten uit de Concept RES 1.0: 2.1 De kracht van onze regio is de diversiteit. De stad en het landelijk gebied versterken elkaar en profiteren in hoge mate van elkaars kwaliteiten en functioneren als een geheel.
2.2
Wij verwachten vanuit de ‘Sustainport-ambities’ een meer zichtbare voorbeeldrol voor duurzame innovatie in de Brainportregio. Daarbij verwachten wij dat wij als samenwerkende overheden ruimte creëren in wet- en regelgeving om innovatie mogelijk te maken.
2.2 Door op regionaal niveau samen te werken met onder meer Brainport Development en kennisinstellingen kunnen we de innovatie kracht in de regio benutten en versterken, bijvoorbeeld door innovatie in te zetten om in onze regio met de netschaarste om te gaan. 2.3 De ambitie van de 21 samenwerkende gemeenten uit de regio Zuidoost-Brabant is dat het landelijk gebied leefbaar, toekomstbestendig en economisch vitaal blijft. 2.4 We werken samen met Brainport Development en de arbeidsmarktregio’s Zuidoost-Brabant en Helmond-De Peel, om een beter beeld te krijgen van de gevolgen van de energietransitie op de regionale arbeidsmarkt. Daarnaast zorgen we ervoor dat, via het PACT Brabant en het Kennispact MBO Brabant, op
2.3 Extra aandacht vragen wij voor het behoud van de waarden, waardigheid en de identiteit van de landelijke gemeenten met hun specifieke opgaven op het gebied van onder andere de landbouw, natuur en leefbaarheid. Het behoud en versterking van de kwaliteit van natuur en landschap is een belangrijke opgave voor de regio zoals is vastgelegd in het Streefbeeld Landelijk Gebied van de MRE. De N2000-gebieden, zoals Peelvenen, zijn de meest waardevolle natuurgebieden van de regio. Wij verzoeken nadrukkelijk om meekoppelkansen te benutten met andere ontwikkelingen in het buitengebied, zoals waterberging, natuurontwikkeling, transitie landelijk gebied, recreatie en VAB locaties.
provinciale schaal en met de andere Brabantse arbeidsmarktregio’s afstemming en kennisdeling plaats vindt. 2.5 In de ruimtelijke afweging van kansrijke zoekgebieden is de samenhang met andere opgaven cruciaal. De Omgevingsagenda Zuidoost- Brabant faciliteert de samenwerking tussen de betrokken overheden en de realisatie van de gemaakte afspraken. 3
Samen de energieambitie realiseren
Kernpunten uit de Concept RES 1.0: 3.1 Samen onderzoeken we de mogelijkheden om de energietransitie uit te voeren. We kijken hoe we slim gebruik kunnen maken van de inzet van regionale kennis, innovatie en vakmensen. De besluiten daarover worden lokaal genomen. Gemeenten zijn dus zelf aan zet. Daarbij realiseren wij ons dat de mogelijkheden en kansen en fasering per gemeente kunnen verschillen. 3.2 Draagvlak en acceptatie onder omwonenden en andere inwoners en bedrijven uit de omgeving van projecten zijn daarbij van cruciaal belang. Om meer inwoners bekend te maken met de RES bekijken we in overleg met gemeenten wat nodig is om op lokaal niveau participatie te versterken. 3.3 Om te garanderen dat er invulling gegeven wordt aan minimaal 50% lokaal eigenaarschap stellen we in de RES 1.0 een flexibel model dat uitgaat van de oprichting van een stichting/ontwikkelfonds per gemeente en/of project om minimaal 50% van het eigen vermogen in een project in te brengen.
3. Wij onderschrijven de kernpunten over het samen realiseren van de energieambitie. 3.1 We begrijpen dat de mogelijkheden en kansen per gemeente verschillen en dat de focus niet voor elke gemeente bij dezelfde deelopgaven zal liggen in de eerste fase. Daarom vragen we aandacht voor het faciliteren van kennisoverdracht, zodat over de gehele breedte van de opgave geprofiteerd kan worden van opgedane kennis en ervaringen. 3.2 Wij benadrukken dat draagvlak en acceptatie binnen de energietransitie van groot belang is. Het proces wat daarvoor doorlopen wordt is hierbij belangrijk en toetsbaar. We zijn ons er van bewust dat het doorlopen van een traject inzake draagvlak niet inhoud dat iedereen het aan het begin van een project het volmondig eens is. Wel is iedereen gehoord. Dit vergt dus uiteindelijk een politiek besluit. 3.3 Extra aandacht vragen wij voor de uitwerking van het model voor de oprichting van een stichting/ontwikkelfonds per gemeente/sub-regio. Wij verzoeken u dit model zodanig vorm te geven dat ook nietkapitaalkrachtige inwoners kunnen meeprofiteren van zonne- en windparken in hun omgeving. Ook benadrukken wij dat er behoefte is aan meer inzicht in de mogelijkheden tot het oprichten van een eigen energiebedrijf, dan wel een (sub)regionaal energiebedrijf.
4
Besparen – duurzame warmte – duurzame opwek
Kernpunten uit de Concept RES 1.0:
4
Wij onderschrijven de kernpunten over besparen, duurzame warmte, duurzame opwek en energie-infrastructuur.
Onze RES 1.0 is gebaseerd op de volgende elementen: • Besparing binnen de gebouwde omgeving. • Inpassen opwekking van duurzame elektriciteit op land (wind en zon). • Warmtetransitie in de gebouwde omgeving door het opstellen van lokale transitievisies warmte ondersteund door een Regionale Structuur Warmte. • Een benodigde infrastructuur voor transport en opslag van energie.
4.1 Besparen Kernpunten uit de Concept RES 1.0: 4.1.1 Je kunt op een aantal manieren besparing stimuleren en dat gebeurt ook al in de regio. Gemeenten kiezen zelf voor wat ze doen en via welke samenwerkingsverbanden. Daarvoor bieden we een basisinfrastructuur en additionele modules per doelgroep. 4.1.2
In deze Concept RES 1.0 richten we ons op de doelgroepen Wonen, Bedrijven en Maatschappelijk Vastgoed.
4.1.3
Acht ‘bespaarroutes’ voor woningeigenaren en woningbouwcorporaties geven inzicht in wat een gemeente kan doen om een bepaalde route goed te faciliteren of te organiseren.
4.1.4
We ondersteunen bedrijven met besparen zodat ze zich op hun business kunnen richten. We willen ze ontzorgen door bijvoorbeeld Greendeals op te zetten. We zetten handhaving in bij bedrijven die niet of onvoldoende met energiebesparing aan de slag gaan.
4.1.5
Gemeenten hebben een belangrijke (voorbeeld)rol bij het verduurzamen van de gebouwde omgeving. Met de werkwijze ‘Samen Slimmer Duurzaam Bezig’ voorzien we door structurele samenwerking in de kennis-en capaciteitsbehoeften en behalen we zo meer resultaten, zonder extra tijdsbesteding en tegen gelijke of lagere kosten.
4.1
Wij onderschrijven de kernpunten op het onderdeel besparen Wij willen daarnaast benadrukken dat wij de visie onderschrijven dat energiebesparing cruciaal is in onze energietransitie. Wij willen dan ook – conform concept RES 1.0 – primair en maximaal inzetten op besparing.
4.1.1
Extra aandacht vragen wij voor de relatie tussen stedelijke en landelijke gemeenten op het gebied van besparing. De stedelijke gemeenten hebben door hun grotere woningvolume en hun gebrek aan ruimte voor grootschalige opwek een prominentere rol in de besparingsopgave dan de landelijke gemeenten. Zij zullen dan ook naar verwachting vaker een voortrekkersrol nemen bij (gezamenlijke) projecten op dit onderdeel van de RES. De landelijke gemeenten leren graag van de opgedane ervaringen in stedelijke gemeenten. Een voorbeeld hiervan is het opstarten van het energiehuis Slim Wonen, geïnitieerd door gemeente Helmond voor omringende gemeentes. Extra aandacht vragen wij voor het bijhouden van de voortgang op het onderwerp besparing. Door het kiezen voor vrijwillige deelname aan besparingsprojecten ontstaan steeds wisselende coalities van gemeenten. Hierdoor ontstaat het risico dat we het regio brede overzicht over de voortgang verliezen en er ongewilde verschillen gaan ontstaan tussen gemeenten. Door het bijhouden van de voortgang kunnen gemeenten met elkaar en met hun inwoners in gesprek blijven over het halen van doelen en het (bij)stellen van prioriteiten.
4.1.5
Wij benadrukken het belang van de voorbeeldrol van gemeenten. Door volop in te zetten op het realiseren van energiebesparende maatregelen in onze eigen vastgoedportefeuille, vergroten we ook de bereidwilligheid en het draagvlak onder onze inwoners om stappen te zetten.
4.2 Duurzame warmte
4.2
Kernpunten uit de Concept RES 1.0: 4.2.1 De Metropoolregio Eindhoven kent geen overvloed aan bovenlokale warmtebronnen. Het overschakelen op duurzame warmte betekent, afhankelijk van de toegepaste duurzame warmtebron, meestal een toename in het gebruik van elektrische (hulp)energie. Op sommige plekken in de regio komt mogelijk de warmtevraag uit volledig elektrische oplossingen (met individuele warmtepompen bijvoorbeeld), wat betekent dat de belasting op het net op deze locaties nog hoger is.
4.2.1 We vragen aandacht voor de extra belasting op het elektriciteitsnet als op korte termijn actief wordt ingezet op elektrische oplossingen. We dragen aan om in de regio eerst de focus te leggen op besparen en te starten met duurzame warmteoplossingen die niet geheel elektrisch zijn, zoals aquathermie, restwarmte, zonthermie, aardwarmte/geothermie en biogas/groen gas.
4.2.2
Met de Regionale Structuur Warmte willen we: • De bovenlokale / regionale bronnen optimaal benutten; • Desinvesteringen voorkomen; • Maatschappelijke kosten laag houden en daarbij rekening houden met inwoners en bedrijven in nabijgelegen gemeenten.
4.2.3
Om de informatie en bestuurlijke keuzes op lokaal en regionaal niveau zoveel mogelijk op elkaar aan te laten sluiten is goede afstemming nodig.
4.2.4
We werken aan een platform waarop alle informatie is verzameld. We ontwikkelen richting RES 2.0 een methodiek waarin de maatschappelijke kosten en baten van bovenlokale warmtebronnen kunnen worden gewogen.
4.2.5
Omdat we deze moeilijke opgave slim aan willen pakken, maken we afspraken over een gezamenlijke kennis- en leeragenda waarbij we samenwerken met kennisinstellingen en bedrijven.
We onderschrijven de kernpunten voor duurzame warmte.
4.2.2 We vragen extra aandacht voor de uitwerking van de optimale verdeling van bovenlokale / regionale bronnen. Veel gemeenten zijn nu al bezig met hun warmtestrategie en daarin worden ook keuzes gemaakt voor bepaalde bronnen. Om te voorkomen dat bepaalde bronnen overvraagd worden, zijn regionale afspraken van belang. We onderschrijven het belang van de betaalbaarheid van duurzame warmte, maar vragen extra aandacht voor de maatschappelijke meerwaarde van warmteprojecten. Naast het realiseren van CO2 reductie biedt deze opgave ook de kans om andere (regionale) opgaven te verknopen in warmteprojecten. 4.2.5 We vragen extra aandacht voor de meer innovatieve manieren van duurzame woningverwarming, waar waterstof een voorbeeld van is.
4.3 Duurzame opwek
4.3
We ondersteunen de kernpunten voor grootschalige opwek.
Onderstaande kernpunten uit de concept RES 1.0 kunt u betrekken in uw reactie. Bovenal vragen we u om een reactie en om uw aandachtspunten voor de voor uw gemeente relevante zoekgebieden voor grootschalige duurzame opwekking van energie.
4.3.2
We vragen extra aandacht voor het realiseren en faciliteren van de treden 1, 2 en 3 van de zonneladder. Ook grotere grondgebonden zonneprojecten buiten treden 1, 2 en 3 dienen in verbinding met andere gebiedsopgaven te worden opgezet. In zoekgebieden met grote gebiedsopgaven (zoals rond de Peelvenen) is voor deze verbinding vaak dubbel ruimtegebruik nodig. Wij verwachten hierdoor dat in deze zoekgebieden in de praktijk vaker sprake zal zijn van trede 4 (dubbel ruimtegebruik), waar nu in sommige gevallen in de concept RES 1.0 wordt uitgegaan van trede 5 (goed ingepast op landbouwgronden, in verbinding met andere opgaven).
Kernpunten uit de Concept RES 1.0: 4.3.1 De afgelopen jaren hebben we al 0,51 TWh aan zonnedaken, -velden en windturbines gerealiseerd. Ook 0,64 TWh zonnedaken, -velden en windturbines die in voorbereiding zijn (pijplijn) rekenen we mee. 4.3.2
Vervolgens zetten we ons maximaal in voor realisatie van ‘no regret’ maatregelen, ofwel het laaghangend fruit. Hierbij maken we gebruik van de ‘zonneladder’, die de voorkeursvolgorde weergeeft van de aanleg van zonnepanelen. Met de eerste vier stappen op de zonneladder verwachten we 0,28 TWh te kunnen realiseren.
4.3.3
Met behulp van het planMER zijn de globale zoekgebieden uit de concept-RES nader afgebakend en ontstaat er inzicht in de milieu-effecten (leefomgeving, landschap en ecologie), de kansen voor koppeling aan andere thema’s (landbouw, economie, natuur en klimaat) en de mogelijke energie-opbrengst van de zoekgebieden. Er lijkt voldoende potentie aanwezig ter ondersteuning van onze bijdrage van 2 TWh duurzame energie in 2030. Dat een locatie buiten het planMER valt betekent niet per se dat die locatie onmogelijk is. Gemeenten kunnen onderzoeken of (lokaal) maatwerk mogelijk is.
4.3.4
We werken toe naar een meest haalbare selectie van zoekgebieden op basis van het planMER, de inpraak en adviezen (Cie MER en Brabant Advies) n.a.v. het planMER, de analyses van de netbeheerders en de reacties vanuit de gemeenteraden.
4.3.5
Om het bod van 2 TWh in 2030 te verwezenlijken moet de RES vertaald worden naar beleid, regels en uitvoeringsprojecten. Het realiseren van de no-regret maatregelen heeft daarbij prioriteit; Het realiseren van grootschalige zon- en windprojecten vraagt veel voorbereidingstijd. Beide routes moeten we tegelijk bewandelen om ons doel voor 2030 te halen.
4.3.4
We vragen extra aandacht voor een evenwichtige balans tussen windmolens en zonneparken in de zoekgebieden, om zo de belasting op het elektriciteitsnet te kunnen verdelen. Ook vragen we proactief systeemefficiënte na streven. Dat wil zeggen, concrete ontwikkelingen die draagvlak genieten, bijdragen aan maatschappelijke meerwaarde en ook relatief goed aan te sluiten zijn op het net krijgen voorrang bij de realisatie van de noodzakelijke netuitbreidingen. Dit zijn randvoorwaarden om de maatschappelijke kosten van de noodzakelijke netuitbreidingen betaalbaar te houden.
4.3.6
Wij vragen extra aandacht voor onderlinge afstemming tussen gemeenten die afhankelijk zijn van dezelfde netstations van Enexis voor het prioriteren van aansluitingen. Hiermee kan voorkomen worden dat zonnevelden in de ene gemeente zonprojecten op dak niet kunnen doorgaan omdat in de andere gemeente zonnevelden vergund zijn.
4.3.6
Er is continue afstemming tussen netbeheerder en de lokale en regionale overheden. We stemmen de verdeling van de beschikbare capaciteit en noodzakelijke investeringen in de toekomst regionaal af.
4.3.7
Een degelijke en afgestemde uitvoeringsplanning biedt zekerheid om te komen tot nieuwe investeringen.
5 Stap voor stap naar uitvoering Kernpunten uit de Concept RES 1.0: 5.1 Naar verwachting zullen we halverwege 2021 verschillende scenario’s voor samenwerking in de uitvoering kunnen voorleggen aan de gemeenten, provincie en waterschappen. Om vervolgens afspraken te maken om als gezamenlijke overheden, in samenwerking met de betrokken stakeholders, slimmer en efficiënter stappen te zetten in de realisatie van de energietransitie.
5.1 Wij onderschrijven de noodzaak om samenwerkingsscenario’s uit te werken voor het uitvoeren van de RES.