CN IHP Huisvesting Jan van Brabant - bijlage Verkenning Doordecentralisering VO fase 2
Tekst van het document
Verkenning Doordecentralisatie Voortgezet onderwijs Jan van Brabant fase 2 gemeente Helmond
Status : concept Datum : 28 januari 2021 Versie : 4 Bijlage : 1
1
Inhoudsopgave 1.
Inleiding .............................................................................................................................. 3
2.
Doordecentralisatie ............................................................................................................ 5
3.
4
2.1.
Wat is doordecentralisatie? ..................................................................................... 5
2.2.
Uitgangspunten doordecentralisatie ....................................................................... 5
2.3.
Voor- en nadelen van een doordecentralisatie ....................................................... 6
2.4.
Risicobeheersing ...................................................................................................... 7
2.5.
Samenvatting ........................................................................................................... 8
Analyse voortgezet onderwijs ............................................................................................ 9 3.1
Gelijkwaardigheid ..................................................................................................... 9
3.2
Positie OMO versus Jan van Brabant. ...................................................................... 9
3.3
Vergelijking van de toe te kennen vergoeding bij doordecentralisatie................. 10
3.4
Visie gemeente....................................................................................................... 11
3.5
Visie Jan van Brabant College ................................................................................ 11
3.6
Inventarisatie capaciteit en behoefte .................................................................... 12
Advies ............................................................................................................................... 13
2
1. Inleiding In oktober 2020 hebben wij een Plan van aanpak aangeleverd voor de tweede fase van het onderzoek naar mogelijke doordecentralisatie van het primair en voortgezet onderwijs in de gemeente Helmond. In dat plan van aanpak is weergegeven wat fase 2 inhoudt en welke stappen daarin moeten worden genomen. Zoals in het eerder verstrekte plan van aanpak behorende bij de opdracht is vermeld, bestaat het onderzoekstraject uit 3 fases: De fase 1, waarin tussen gemeente en schoolbesturen helder wordt WAAROM doordecentralisatie meerwaarde heeft boven de huidige, op de gemeentelijke verordening gebaseerde, verantwoordelijkheden. De fase 2, betreft het WAT, de omvang van de doordecentralisatie. Het gaat om de zorgplicht voor onderwijshuisvesting en het is noodzakelijk die te definiëren, in kaart te brengen en te begroten. Omdat de overdracht van de zorgplicht in principe voor onbepaalde tijd wordt aangegaan, worden voor een periode van 50 tot 60 jaar, de gemiddelde levensduur van schoolgebouwen, de instandhoudingslasten van het gehele scholenbestand in kaart gebracht. Tot welke financiële jaarlast leidt de verplichting die de gemeente overdraagt aan de schoolbesturen? In deze fase wordt in feite het bestaande IHP op basis van een theoretisch model doorgetrokken naar een periode van 50 jaar.
Fase twee mondt daarmee uit in een akkoord waarin enerzijds het langjarige IHP en anderzijds de financiële grondslag, worden vastgelegd. De fase 3, waarin wordt uitgewerkt HOE de doordecentralisatie vorm krijgt. Deze analyse betreft fase 2 van het doordecentralisatie traject. De gemeenteraad van Helmond heeft in 2017 heeft de gemeente gezamenlijk met de schoolbesturen een IHP opgesteld waarin een aantal inhoudelijke uitgangspunten is vastgesteld. De doelstelling van het IHP 2018-2025 is het realiseren van toekomstbestendige onderwijshuisvesting. Dit is huisvesting die past bij het huidige en toekomstige aantal leerlingen, past bij de onderwijsinhoudelijke ambities én binnen de beschikbare financiële middelen. Het IHP heeft de volgende speerpunten: 1. Realiseren van duurzame én gezonde schoolgebouwen 2. Vormgeven aan gezamenlijke verantwoordelijkheid 3. Creëren van een toekomstperspectief 4. Niet bouwen voor leegstand Daarnaast zijn er ambities afgesproken ten aanzien van duurzaamheid, doorgaande ontwikkelingslijn, gelijkwaardigheid (gelijk speelveld) , ondernemerschap en solidariteit.
In oktober 2019 heeft de gemeenteraad een besluit genomen over de herijking van het IHP voor het primair en voortgezet onderwijs en daarin nadere kaders en middelen beschikbaar gesteld, waaronder de uitspraak, dat de investeringen in fase 1 van het IHP, zoals vastgesteld in 2017, getemporiseerd uit te voeren tot aan 2025 en de gewijzigde afspraken rondom de uitvoering van deze fase met de schoolbesturen vast te leggen. Daarnaast is er besloten om fase 2, inclusief de huisvesting van Jan van Brabant locatie Molenstraat, verder uit te werken. In deze besluitvorming heeft de gemeente de verantwoordelijkheid genomen om knelpunten aan te pakken en op te lossen met name voor het primair onderwijs. Om de daarin opgenomen maatregelen en temporisering verder gestalte te geven is het van belang inzichtelijk te krijgen wat deze investeringen inhouden en op welke wijze deze betaalbaar kunnen
3
worden gemaakt. Vervolgens is het van belang om deze inzichten over de betaalbaarheid als basis te gebruiken voor een doorrekening van het IHP dat voor de komende 40 tot 60 jaar. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de meest actuele inzichten in zake de onderwijskundige concepten (visie op het onderwijs), de demografische ontwikkelingen aan de hand van een recente leerlingenprognose, een toets van de kwaliteit en leeftijd van de gebouwen (de capaciteit) de keuzes en maatregelen in de vorm van huisvestingsoplossingen op wijk/buurtniveau (logische clustering op basis van behoefte en visie) en de investeringen voor de korte en langere termijn aan de hand van realistische parameters. Dat laatste zal vervolgens worden vertaald in een businesscase, waarmee de betaalbaarheid voor de langere termijn (vanaf fase 2) met name vanaf 2025 voor de partijen duidelijk wordt. Omdat bij een doordecentralisatie de overdracht van de zorgplicht in principe voor onbepaalde tijd wordt aangegaan, worden voor een periode van minimaal 40 jaar, de gemiddelde levensduur van schoolgebouwen, de instandhoudingslasten van het gehele scholenbestand in kaart gebracht. Tot welke financiële jaarlast leidt de verplichting die de gemeente overdraagt aan de schoolbesturen? Fase 2 mondt daarmee uit in een akkoord waarin enerzijds de langjarige investeringen en anderzijds de financiële grondslag, worden vastgelegd.
Zoals ook in het door ons geleverde plan van aanpak is aangegeven, is de afgelopen maanden is met name prioriteit gegeven aan de verkenning van mogelijke doordecentralisatie voor het voortgezet onderwijs. Deze prioritering kent zijn aanleiding in de politieke vraagstukken die momenteel actueel zijn ten aanzien van het Jan van Brabant College. Dit rapport bevat daarmee de verkenning voor alleen het Voortgezet onderwijs en de visie op onderwijshuisvesting van zowel de gemeente als het Jan van Brabant College en is daarmee te beschouwen als een tussenrapport. De analyse voor het Voortgezet onderwijs en het Primair - en Speciaal onderwijs is medio 2021 te verwachten.
4
2. Doordecentralisatie In deze paragraaf zal nader worden ingegaan op de verschillende aspecten van doordecentralisatie van de onderwijshuisvestingsmiddelen. Wat houdt het in, welke uitgangspunten kunnen worden gehanteerd, wat zijn voor - en nadelen en op welke wijze worden de risico’s beheerst en eindigt met een samenvatting.
2.1. Wat is doordecentralisatie? Tot 1997 was de onderwijshuisvesting centraal geregeld via de rijksoverheid. Zo functioneerde voor het Primair Onderwijs het zogeheten declaratiestelsel waarbij de gemeente de investeringen op basis van jaarlijkse vergoedingen kon afschrijven. Het Voortgezet Onderwijs kende een rechtstreekse relatie met de Minister (zonder tussenkomst van de gemeente) en werden de investeringen vaak ‘à fonds perdu’ gefinancierd. In 1997 is dit gedecentraliseerd naar de gemeenten. Dat verklaart ook waarom er in de regel vaak relatief lage boekwaarden voor de voortgezet onderwijspanden op de balans van de gemeente staan. Binnen het Voortgezet Onderwijs biedt artikel 76 v van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) de mogelijkheid om de huisvestingsmiddelen van de gemeente over te dragen aan het schoolbestuur. De wettelijke zorgplicht blijft echter bij de gemeente, maar met doordecentralisatie wordt het schoolbestuur zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van deze zorgplicht. De gemeente draagt met de vergoeding ook de taken van deze zorgplicht over. Het schoolbestuur krijgt dus meer zeggenschap en daarmee invloed op de huisvestingskeuzes. De overdracht en de voorwaarden waaronder, zoals de omvang, de jaarlijkse vergoeding, de grondslag van deze vergoeding etc. worden vastgelegd in een overeenkomst.
Het afsluiten van een overeenkomst is nodig, omdat het schoolbestuur met die vergoeding investeringen gaat plegen en (financiële) verplichtingen aangaat. Het is niet wenselijk dat deze afspraken gedurende hun looptijd onderhevig worden aan latere politieke heroverwegingen. Doordecentralisatie is vaak een logisch gevolg van een stap die de gemeente met het schoolbestuur ten aanzien van de wederzijdse verantwoordelijkheid en vertrouwen maakt over de toekomst van de onderwijshuisvesting. Risico’s worden in de doordecentralisatieovereenkomst voor zowel gemeente als het schoolbestuur afgedekt, door middel van passende afspraken en regels. Doordecentralisatie van de onderwijshuisvestingsmiddelen is daarmee een middel om te voorzien in de zorgplicht voor onderwijshuisvesting. Het is enerzijds bedoeld als oplossing voor de financieringsvraagstukken die zich bij onderwijshuisvesting voordoen, waarbij vooral naar de langere termijn wordt gekeken en op basis van horizontaal partnerschap afspraken worden gemaakt. Deze afspraken bevatten een wederzijdse instemming, waarbij de risico’s zijn benoemd en in de afspraken verwerkt, zodat er voor alle partijen sprake is van comfort. Anderzijds kan het schoolbestuur d.m.v. doordecentralisatie integrale afwegingen maken t.a.v. alle aspecten van de huisvestingsverantwoordelijkheid.
Onderhoud, exploitatie en investeren komen in één hand en kunnen optimaal worden afgewogen. Het schoolbestuur zal zich richten op besparing van kosten.
2.2. Uitgangspunten doordecentralisatie Het onderzoek naar mogelijke doordecentralisatie voor Jan van Brabant gaat uit van de gedachte dat het schoolbestuur voldoende middelen in de vorm van een jaarlijkse vergoeding zou moeten krijgen om de investeringen voor tenminste de komende 40 jaar op een juiste wijze te kunnen betalen. Bij doordecentralisatie draagt de gemeente immers de verantwoordelijkheid (taakomvang) én de daarbij behorende financiële middelen over. Vervolgens bepaalt het Jan van Brabant College zelf op welke wijze zij die zorgplicht verder vorm geeft. Daarover maakt zij afspraken met de gemeente. Deze gedachte is bij de bestaande doordecentralisatie aan OMO hetzelfde: OMO heeft lange termijn afspraken met de gemeente om aan de zorgplicht voor onderwijshuisvesting te kunnen voldoen. 5
Belangrijk is dat Jan van Brabant College op een gelijkwaardig niveau wordt door gedecentraliseerd. Daarom maakt een businesscase onderdeel uit van de doordecentralisatie. Die businesscase brengt alle financiële verplichtingen voor een lange periode (60 jaar) in beeld die aan de over te dragen zorgplicht van de onderwijshuisvesting zijn verbonden en resulteert in een jaarlijkse vergoeding van de gemeente aan Jan van Brabant. De Businesscase betreft alle panden die Jan van Brabant op dit moment in gebruik heeft, (Molenstraat, Deltaweg en Gasthuisstraat). Het is van belang de noodzakelijke investeringen voor de verre toekomst op basis van het 60 jaren model en daarmee het bedrag per leerling elke 5 of 10 jaar periodiek op blijvende betaalbaarheid worden getoetst om de kosten voor de onderwijshuisvesting betaalbaar te houden. Veranderende kwaliteitsaanpassing aan de gebouwen, veranderende bouweisen en demografische ontwikkelingen maken dit noodzakelijk. De recente herziening van de overeenkomst met OMO is daar een voorbeeld van. Ook is een evaluatie van bijvoorbeeld eenmaal per vijf jaar van grote waarde om de constructie uitvoerbaar te houden. De gemeente behoudt immers de wettelijke zorgplicht voor onderwijshuisvesting. Met een doordecentralisatie wordt alleen de uitvoering ervan bij het schoolbestuur belegd.
2.3. Voor- en nadelen van een doordecentralisatie In de huidige situatie is de gemeente direct verantwoordelijk voor de zorgplicht om te voorzien in adequate huisvesting. De gemeente hanteert daarvoor de Verordening Voorzieningen huisvesting Onderwijs gemeente Helmond. Een door de gemeenteraad vastgestelde verordening op basis van een model van de VNG. Vanuit die verordening heeft het schoolbestuur en de gemeente een aantal rechten en plichten. Zo heeft het schoolbestuur het recht om jaarlijks een aanvraag voor een voorziening in de huisvesting te doen. Hoewel de gemeente een IHP heeft vastgesteld, kan zij toch worden geconfronteerd met allerlei huisvestingsaanvragen, waar zij in relatieve korte tijd een antwoord op moet zoeken. Het voordeel van een doordecentralisatie vanuit de gemeente bezien is: 1. De gemeente is niet langer direct verantwoordelijk voor de zorgplicht van de onderwijshuisvesting, want de uitvoering van die zorgplicht is aan het schoolbestuur overgedragen. De gemeente heeft hier reeds ervaring mee opgedaan met OMO (voortgezet onderwijs) en Zuiderbos (speciaal onderwijs). 2. De kosten voor de overgedragen zorgplicht zijn transparant en voorspelbaar gemaakt, omdat deze is vertaald in een jaarlijkse vergoeding. Daarmee ontstaat er bij de gemeente ook stabiliteit in de financiële uitgaven. Er kunnen geen verrassingen meer optreden.
Vaak geeft het overlaten van de investering aan het schoolbestuur ook ruimte op de balans in het kader van de schuldpositie van de gemeente. 3. Verder heeft de gemeente geen inhoudelijke verantwoordelijkheid meer voor de onderwijshuisvesting. Dus de vraag welke keuze er moet worden gemaakt voor de Molenstraat is na doordecentralisatie in feite een inhoudelijke afweging van het schoolbestuur geworden. Het voordeel voor het schoolbestuur: 1. Het schoolbestuur bepaalt vanaf de doordecentralisatie zelf welke stappen het wil maken voor de onderwijshuisvesting, welke prioriteiten het wil stellen, welk tempo het wil kiezen en welke kwaliteit en omvang het wil realiseren en in standhouden. 2. Het bestuur is niet langer afhankelijk van de gemeente (los van de grondvraag, omgevingsvergunning, bestemmingsplan etc.).
6
3. Het bestuur kan integrale afwegingen maken met de middelen voor exploitatie en onderhoud (waarvoor zij zelf een vergoeding van het rijk ontvangen) en investeren (waarvoor zij middelen van de gemeente ontvangen) 4. Het bestuur hoeft niet langer energie te steken in aanvragen en onderbouwingen voor een investering bij de gemeente, maar kan alle aandacht richten op een goed integraal gebouwenbeheer voor de gehele huisvestingsportefeuille. Met doordecentralisatie verkrijgt het schoolbestuur dus meer zeggenschap over de investeringen en daarmee over de totale onderwijshuisvesting: zowel de investering (built) als de instandhouding en het onderhoud (maintain). Door deze combinatie zijn er ook bredere afwegingen voor de onderwijshuisvesting mogelijk, die elkaar versterken. In de huidige systematiek is de gemeente verantwoordelijk voor de investering en het schoolbestuur voor de instandhouding. Dit onderscheid, dat in de wet is verankerd, maakt ook dat partijen elkaar nodig hebben en afhankelijk zijn van elkaar. Dat leidt vaak tot een afbreuk van de kansen: bijvoorbeeld het belang tot het doen van investeringen in duurzaamheid, zodat de exploitatiekosten om laag kunnen, liggen voornamelijk bij het schoolbestuur, maar mag /kan niet zelf investeren.
En bij renovatie kan een schoolbestuur de onderhoudsmiddelen inzetten bij een levensduurverlengende maatregel, waardoor combinaties mogelijk zijn, terwijl voor de gemeente de noodzaak vaak wordt betwist, omdat er voor de gemeente geen belang aanwezig is. Meer zeggenschap en het maken van combinaties door het schoolbestuur kan een daarmee belangrijke doelstelling zijn voor de gemeente. Heeft de gemeente daarmee niet langer een stem in de zorgplicht van de huisvesting voor het voortgezet onderwijs? Dat is op zich juist, maar dat betekent ook dat de gemeente niet langer een inhoudelijke beoordeling hoeft te geven over de voorziening en of deze wel of niet noodzakelijk is. Dat geeft ruimte voor beide kanten. De zeggenschap ‘op afstand’ kan verder worden ingevuld, door in de overeenkomst met elkaar bijvoorbeeld een vierjaarlijkse evaluatie af te spreken. Verder blijft de huisvesting altijd een onderwerp dat periodieke afstemming vraagt tussen het schoolbestuur en gemeente. Een nadeel zou kunnen zijn, dat de gemeente ogenschijnlijk geen zeggenschap meer heeft over de kwaliteit en timing van de onderwijshuisvesting. Maar schijn bedriegt, want een doordecentralisatie wordt vastgelegd in een overeenkomst. Die overeenkomst eist een wilsovereenstemming.
In deze overeenkomst kan de gemeente haar eigen voorwaarden opnemen en zijn er ook afspraken te maken over de mate van zeggenschap die de gemeente wenst te behouden. Tot slot zou een zorg van de gemeente kunnen zijn dat door de regionale samenwerking binnen het Jan van Brabant de gelden van de gemeente zouden kunnen worden ingezet voor scholen buiten het territorium van de gemeente Helmond. Deze zorg is eenvoudig weg te nemen, door daarover duidelijke afspraken te maken in de overeenkomst.
2.4. Risicobeheersing Hoe blijven de risico’s beheersbaar? Mocht het schoolbestuur in financiële problemen komen door hogere huisvestingsverplichtingen dan de jaarlijkse vergoeding van de gemeente, dan ontstaat een risico voor de gemeente. Dit risico wordt ingekaderd in de doordecentralisatieovereenkomst door aan de investeringsmomenten bepaalde goedkeuringsrechten van de gemeente te koppelen, zoals bijvoorbeeld het goedkeuren van het aangaan van leningen, die binnen de kaders van de businesscase moeten vallen. Indien het schoolbestuur zich binnen de kaders van de businesscase beweegt en desalniettemin toch niet in staat is om met de beschikbare middelen voor passende huisvesting zorg te dragen, moet er een mogelijkheid worden geboden om dit risico voor het schoolbestuur in goed overleg met de gemeente op te lossen. 7
Bij de uitwerking van de doordecentralisatieovereenkomst zullen de risico’s voor zowel de gemeente als voor het schoolbestuur van een passende aanpak moeten worden voorzien. Alleen op deze wijze kan de doordecentralisatie voor beide partijen veilig voor de lange termijn vorm krijgen.
2.5. Samenvatting Doordecentraliseren is: - Het overdragen van de middelen voor onderwijshuisvesting voor het primair onderwijs het speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs. (artikel 111 WPO, 102 WEC en 76v WVO). - De wettelijke zorgplicht blijft bij de gemeente. - Schoolbestuur worden vanuit claimrecht zelf verantwoordelijk voor de onderwijshuisvesting. - Gemeente draagt met het geld ook de taken zoals vastgelegd in wet- en regelgeving over. - De overdracht en de voorwaarden waaronder worden vastgelegd in een overeenkomst. Doordecentralisatie gaat vooral over houding, gedrag, vertrouwen en samenwerking vastgelegd in een zakelijke afspraak. De overdracht van de stenen is een logische uitwerking. Wat is het in de praktijk: De gemeente: - houdt de wettelijke zorgplicht; - draagt de jaarlijkse vergoeding over en legt deze voor langere periode vast; - draagt alle taken uit de wet en Verordening over; - gaat een horizontaal partnerschap aan; - komt een duurzaam model overeen (langer dan 4 jaar); - legt alle afspraken vast in een overeenkomst; Het schoolbestuur: - krijgt het economisch claimrecht over van de gemeente door aankoop boekwaarde; - trekt op basis van de jaarlijkse vergoeding vreemd vermogen aan; - bepaalt zelf prioriteiten ten aanzien van keuze voor nieuwbouw, renovatie, uitbreiding, onderhoud; - gaat met de gemeente een langjarige overeenkomst aan.
Risico beheersing: Via een businesscase, waarin de uitgaven op basis van de zorgplicht voor de komende 40 jaar zijn vastgelegd en zijn voorzien van financieel gezonde parameters (ratio’s). In de overeenkomst worden de risico’s benoemd en voorzien van afspraken, zodat het voor beide partijen veilig blijft. Wat is de meerwaarde?: - Het schoolbestuur krijgt meer zeggenschap en maakt zelf de keuzes in kwaliteit en timing; - Een hogere kwaliteit bij nieuwbouw, uitbreiding en renovatie (i.c.m. inzet onderhoud); - De gemeente hoeft zelf geen inhoudelijke beoordeling mee te doen over onderwijshuisvesting; - De gemeente verkrijgt stabiliteit in onderwijshuisvestingsuitgaven; - Geen individueel claimrecht meer.
8
3. Analyse voortgezet onderwijs In de gemeente Helmond zijn twee besturen voor voortgezet onderwijs actief: 1. Ons Middelbaar Onderwijs (OMO), die in 2000 reeds een doordecentralisatieovereenkomst met de gemeente heeft gesloten en recentelijk (2018) deze heeft geactualiseerd. OMO heeft 3 VO scholen: Vak college, Carolus Borromeus College en Dr. Knippenberg College. 2. Stichting Openbaar Onderwijs Jan van Brabant, heeft 1 school met drie vestigingen: Jan van Brabant College.
3.1 Gelijkwaardigheid Het bestuur van het Jan van Brabant College heeft de gemeente het verzoek gedaan onderzoek te doen tot een mogelijke doordecentralisatie. Kwartiermasters is eerder gevraagd dat onderzoek te doen en of dit een oplossing kan bieden voor het huisvestingsvraagstuk. OMO, dat eerder is doorgedecentraliseerd, heeft haar gebouwen voor een deel al vernieuwd en gaat dit de komende paar jaar voor de andere panden van het Dr. Knippenbergcollege en het Vakcollege Helmond (de Praktijkschool) ook doen. De kwaliteit van de huisvesting moet gelijkwaardig zijn om te voorkomen dat de keuze van ouders daardoor beïnvloed zou kunnen worden. Kwalitatief goede huisvesting biedt daarnaast kansen om het onderwijs toekomstbestendig te maken. Daarom is het van belang om gelijkwaardigheid als uitgangspunt voor doordecentralisatie te hanteren. De afspraken met OMO kunnen daarmee als referentie worden gebuikt bij het formuleren van de uitgangspunten voor een mogelijke doordecentralisatie naar Jan van Brabant College. Hieronder volgt een nadere uiteenzetting over het begrip doordecentralisatie en de mogelijkheden voor Jan van Brabant en de gemeente Helmond.
3.2 Positie OMO versus Jan van Brabant. In 2000 is met OMO een eerste doordecentralisatieovereenkomst afgesloten. In 2018 is deze geactualiseerd. Destijds is bij de overwegingen van de gemeente om de gelden door te decentraliseren aan OMO, nagegaan of OMO als regionaal schoolbestuur in staat zou zijn met deze middelen voldoende verantwoordelijkheid te kunnen nemen voor de onderwijshuisvesting van de onder hun beheer staande voortgezet onderwijsscholen. In tegenstelling tot OMO heeft de gemeente bij het Jan van Brabant college overwogen dat dit vanuit de beperkte omvang in Helmond mogelijk een risico zou kunnen vormen. In dat kader is het goed te beseffen, dat Jan van Brabant inmiddels op regionaal niveau gespreken voert om te komen tot een bestuurlijke fusie. Deze gesprekken voeren zij met SILVO (fusie Strabrecht College, Stedelijk College Eindhoven en Internationale School), Commanderij college, Willibrord Gymnasium Deurne. Alleen al om die reden is een overweging tot een mogelijke doordecentralisatie zeker op zijn plaats. Aan beide schoolbesturen is voorgesteld om binnenkort met elkaar besprekingen te voeren over de zogeheten optimale schoolgrootte, waardoor niet langer op basis van concurrentie (omvang) maar op basis van competitie (kwaliteit) het voortgezet onderwijs zich kan profileren.
De optimale schoolgrootte biedt voor alle partijen voordelen, omdat daarmee voor de lange termijn helder is wat de schoolorganisatie en haar gebouw maximaal aankan. Dat levert ook zekerheden op ten aanzien van de te bouwen en in stand te houden onderwijscapaciteit.
9
3.3 Vergelijking van de toe te kennen vergoeding bij doordecentralisatie Voorop gesteld dat met een gelijk speelveld voor zowel OMO als Jan van Brabant bedoeld wordt dat Jan van Brabant ook de mogelijkheid krijgt/heeft in het vervolg zelf keuzes te maken voor de huisvesting. Het gelijk speelveld betekent daarnaast ook dat er op gelijke wijze een basis vergoeding aan ten grondslag ligt. Echter, die is in de businesscase voor Jan van Brabant anders opgebouwd dan voor OMO. Uiteindelijk moet het wel allemaal betaalbaar én vergelijkbaar zijn. Hieronder is een aantal elementen benoemd, waarlangs getoetst kan worden of sprake is van gelijkwaardigheid van de opbouw van het bedrag per leerling aan jaarlijkse vergoeding door de gemeente:
3.3.1 Aantal leerlingen Berekening op basis van het aantal leerlingen in 2035 op basis van de prognose1: Molenstraat 753 leerlingen Deltaweg 266 leerlingen Gasthuisstraat 60 leerlingen Totaal 1.079 leerlingen. In de overeenkomst met OMO is het aantal leerlingen op basis waarvoor een vergoeding wordt verstrekt, voor langere periode vastgezet. Het is van belang te beseffen, dat op basis van de leerlingenprognoses de komende jaren in Helmond een krimp van het aantal VO leerlingen is te verwachten. Als een afspraak met Jan van Brabant over doordecentralisatie kan worden gemaakt, zal ten aanzien van deze krimp rekening moeten worden gehouden met de afspraken die ook met OMO zijn gemaakt om van een gelijk speelveld te kunnen blijven spreken.
3.3.2 Vastgoedposities Het bedrag per leerling aan OMO is de uitkomst van een onderhandeling tussen OMO en de gemeente, waarin ook vastgoedwaardes zijn betrokken om de komende jaren hun nieuwbouw te kunnen organiseren. Als dus de vergelijking met OMO wordt gemaakt zal nadere analyse nodig zijn wat het basis bedrag per leerling is en wat er uiteindelijk als resultaat in een totaal pakket is uitgekomen. Dat betekent dat er tussen Jan van Brabant College en de gemeente nog onderhandeld moet worden over de vastgoedposities (hoe wordt omgegaan met de boekwaarden van de drie locaties? Welke afspraken wenst de gemeente daar over te maken? Welk effect hebben die op de jaarlijkse vergoeding? Die zijn in dit stadium nog buiten beschouwing gelaten.
3.3.3 Indexering OMO heeft een afspraak tot 2050 het bedrag per leerling jaarlijks te indexeren met een vast percentage. Daarmee is de verwachting dat op basis van de huidige kennis/inschatting het OMObedrag in de toekomst nog gaat stijgen. Met Jan van Brabant zal ook een vorm van indexering moeten worden afgesproken. In de huidige investering voor de nieuwbouwvariant zit de indexering al verwerkt. Bij het analyseren van de situatie Jan van Brabant hebben wij een aantal stappen doorlopen: Wat is de visie van Jan van Brabant op de toekomst van hun huisvesting? Wat is de visie van de gemeente op de onderwijshuisvesting? Hoe ziet de capaciteit en de toekomstige behoefte er uit? 1
Leerlingenprognose Pronexus d.d. december 2020
10
Daarbij is komen de vast te staan dat de focus op dit moment ligt bij oplossingsscenario’s voor de locatie Molenstraat. Daarom zijn deze scenario’s in de uitwerking vooral meegenomen.
3.3.4 Conclusie De conclusie is, dat het van belang is om bij een doordecentralisatie een vergelijkbaar en gelijkwaardig resultaat te bereiken als bij de doordecentralisatie naar OMO. Op dit moment is deze vergelijking omtrent het bedrag per leerling met Jan van Brabant en OMO slechts op hoofdlijn te maken en is een voorbeeld geschetst van de situatie Molenstraat. Om een volledige analyse te kunnen maken, zijn ook de gegevens van de overige 2 gebouwen nodig. Ons voorstel is dat dit bij de uitwerking van de businesscase rond de doordecentralisatie van Jan van Brabant College plaatsvindt, waarbij ook helder wordt wat de omvang van de doordecentralisatie is en wat de vastgoedposities daarin zullen zijn, een meer specifiek inhoudelijke vergelijking mogelijk wordt. Daarbij kunnen de bedragen die de gemeente ontvangt vanuit de uitkering gemeentefonds voor VO onderwijshuisvesting, als referentie dienen.
3.4 Visie gemeente2 In het IHP is een aantal ambities geformuleerd, dat zeer behulpzaam is bij het bepalen van de uitgangspunten voor de kwaliteit van de gewenste huisvestingsvoorziening, zoals het realiseren van huisvesting die past bij het huidige en toekomstige aantal leerlingen, de onderwijsinhoudelijke ambities op basis van de beschikbare financiële middelen. Verder heeft het IHP speerpunten zoals het realiseren van duurzame en gezonde schoolgebouwen, het vormgeven aan gezamenlijke verantwoordelijkheid, het creëren van een toekomstperspectief en het niet bouwen voor leegstand. Daarnaast zijn er ambities afgesproken ten aanzien van duurzaamheid, doorgaande ontwikkelingslijn, gelijkwaardigheid (gelijk speelveld) , ondernemerschap en solidariteit. Het is van belang een goed vertrekpunt met elkaar af te spreken op basis waarvan de berekeningen en keuze verder worden uitgewerkt. Daarbij horen ook het bepalen van de kwaliteit van de bouwkundige voorzieningen. De gemeente heeft zich eerder uitgesproken dat het kwaliteitsniveau BENG tot de basiseisen behoort en zo mogelijk ENG nastreeft, met behulp van een bijdrage van de schoolbesturen. Dat geldt ook voor het kwaliteitskader rond het Frisse scholen programma.
Kwaliteitsuitgangspunten die door de RVO (Rijksdienst voor ondernemend Nederland) zijn gepubliceerd, maar die langzaam maar zeker één op één worden overgenomen in wet- en regelgeving.
3.5 Visie Jan van Brabant College3 Het Jan van Brabant College biedt op meerdere locaties in Helmond openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs. De school wil openbaar onderwijs bieden van uitstekende kwaliteit. Onderwijs waar mogelijk op maat, dat aansluit bij het niveau en de talenten van een leerling via gepersonaliseerd en gedifferentieerd onderwijs. De leerlingen van het Jan van Brabant College worden hiermee voorbereid op een toekomst, waarin wetenschap, informatie technologie, technologie en design, programmeren en communicatie, een andere dimensie krijgen. De belangrijkste ambitie voor de komende jaren ligt bij de kwaliteit van het onderwijs. Voor het onderwijsaanbod betekent dit dat het Brainportonderwijs zal worden doorontwikkeld waarbij 2 3
Bron: IHP gemeente Helmond Bron: Schoolplan 2020-2024 Jan van Brabant college
11
internationalisering en wereldburgerschap speciale aandacht krijgen. Uitbreiding van het digitaal onderwijs en meer eigenaarschap zullen in de tweede helft van deze schoolplanperiode leiden tot een herijking van de lessentabel met meer ruimte voor keuzevrijheid en onderwijs op maat. Centraal in het schoolplan 2020-2024 staan de vier kernwaarden die inhoud hebben gekregen in samenwerking met medewerkers, leerlingen, ouders en overige stakeholders: relatie, eigenaarschap, ambitie en inspiratie. Deze vier kernwaarden zullen in de loop van de schoolplanperiode verder worden uitgewerkt in de plannen van secties, afdelingen en school en uiteindelijk de basis vormen van ons onderwijs.
3.6 Inventarisatie capaciteit en behoefte Het toekomstperspectief voor wat betreft het aantal leerlingen wordt voornamelijk bepaald door de leerlingenprognose. Dat is ook een eis vanuit de wet- en regelgeving (WVO en Verordening). Daarbij wordt gerekend met een toekomstperspectief van + 15 jaar. In dit geval dus 2035-2036. De gemeente Helmond heeft recent een leerlingenprognose4 opgesteld. Het bestuur van Jan van Brabant College verwacht echter een minder grote daling van het aantal leerlingen. Omdat beide nogal uit elkaar liggen en om een goede vergelijking te kunnen maken, heeft de gemeente in overleg met Jan van Brabant College recentelijk besloten om ook door een onafhankelijk prognosebureau (Pronexus) een leerlingenprognose te laten opstellen. Deze prognose verwacht circa 753 leerlingen in 2035 voor de Molenstraat. Voor de Deltaweg verwacht de prognose circa 266 leerlingen. Er moet echter nog een definitieve uitspraak komen over het te hanteren aantal leerlingen als toekomstperspectief. Vooralsnog wordt thans uitgegaan van dit laatste aantal leerlingen. Jan van Brabant college is thans gehuisvest op 3 locaties: Molenstraat (AVO, VWO), Deltaweg (VMBO) en Gasthuisstraat (EOA).
De Molenstraat kent 5 gebouwen, waarvan 3 een monumentale status hebben (dateren uit de 19de eeuw), een gebouw uit 1992 en een gebouwdeel dat wordt gehuurd vanaf 2010 en een looptijd heeft tot en met 2031. De Deltaweg kent 3 gebouwdelen: het hoofdgebouwdeel uit 1986, met 2 uitbreidingen van 2017 en 2018. De Gasthuisstraat is gemeentelijk eigendom.
4
juli 2020
12
4 Advies Op basis van de bovenstaande analyse komen wij tot het volgende advies:
1. Aan de hand van de gekozen voorkeursvariant voor de locatie Molenstraat, de intentie uit te spreken nader onderzoek te doen naar de mogelijkheid tot een doordecentralisatievorm voor het Jan van Brabant College, die geldt voor alle drie de locaties (Molenstraat, Deltaweg en Gasthuisstraat) en de daarbij behorende vastgoedposities te betrekken. Een gelijkwaardige positie ten opzichte van eerder overeengekomen doordecentralisaties geldt als uitgangspunt. Dit onderzoek leidt tot een businesscase en een ‘akkoord op hoofdlijnen’, waarin de diverse thema’s en risico’s van de doordecentralisatievorm nader zijn uitgewerkt. 2. Parallel hieraan het onderzoek naar mogelijkheden tot doordecentralisatie voor het Primair onderwijs en het Speciaal onderwijs verder uit te werken. 3. Voor wat de uitwerking van deze onderzoeken zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij de stappen die nodig zijn voor een juiste financiële besluitvorming van de inhoudelijke oplossingen voor Jan van Brabant college door de gemeente.
13