CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

B2 Wijziging gemeenschappelijke regeling (GEANONIMISEERD) GGD Brabant Zuid Oost

Gemeenteraad 26 september 2023, gemeente HelmondBij agendapunt: Voor advies naar college16.973 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost

Pagina 36 van 49

Artikelsgewijze toelichting Artikel 2

Algemeen

Het openbaar lichaam GGD heeft rechtspersoonlijkheid en kan uit dien hoofde zelfstandig aan het rechtsverkeer deelnemen. De wet bepaalt dat in de regeling de vestigingsplaats benoemd moet worden. Het betreft de statutaire vestigingsplaats van het openbaar lichaam. Dit is onder meer van belang voor de inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Artikel 3

Belang en doel

Doel, belang en taken van de GGD dienen in de GR beschreven te worden. De Wet laat gemeenten vrij hoe zij dat doen en er geldt daarbij slechts één beperking: het openbaar lichaam kan niet zelf besluiten om de taken en bevoegdheden uit te breiden. Hier moet dus altijd een besluit van de deelnemers aan ten grondslag liggen. Het is belangrijk dat de omschrijving van doel en belang en taken afdekt waarvoor men de GGD in stand houdt en dat de omschrijving robuust is, d.w.z. dat de beschrijving enige jaren meekan. Een te algemene beschrijving geeft te weinig sturing, daarentegen is het nadeel van een te concrete beschrijving dat de GR voortdurend moet worden aangepast door verandering in de werkelijkheid. Het gaat om het vinden van een goede balans. Over het algemeen is er draagvlak voor het algemene doel van de GGD: een bijdrage te leveren aan de publieke gezondheidszorg en de ambulancezorg. De GGD is in 2021 door de minister aangewezen als de aangewezen organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de ambulancezorg in de regio BZO (zowel de meldkamer als de rijdienst). Het belang van de GGD kan worden gezien in het bundelen en beschikbaar stellen van (deskundige) menskracht en middelen om de doelstelling te realiseren. Artikel 4

Taken

Bij de omschrijving van de taken is een onderscheid gemaakt in gezamenlijke taken en contracttaken. Gezamenlijke taken worden zoals het bijvoeglijk naamwoord al suggereert uitgevoerd voor alle deelnemers. In het eerste lid van artikel 4 worden de gezamenlijke taken onderverdeeld in drie categorieën: 1

gemeentelijke taken die ingevolge de Wpg verplicht aan de GGD belegd dienen te worden;

2.

taken die op grond van andere, sectorale wetgeving, aan de GGD zijn toevertrouwd;

3.

aan gemeenten wettelijk voorgeschreven taken ten aanzien waarvan de deelnemers besloten hebben die aan de GGD op te dragen. Zij passen binnen de doelomschrijving van artikel 3.

De gezamenlijke taken worden overwegend gefinancierd uit de jaarlijkse inwonerbijdrage van de deelnemers en voorts uit algemene bijdragen en rijksbijdragen.

Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost

Pagina 37 van 49

Naast de gezamenlijke taken voert de GGD op contractbasis andere taken uit voor de deelnemers. De taken dienen te passen binnen de algemene doelomschrijving van de GGD. De afname van contracttaken is vrijwillig en deze worden individueel door de afnemende gemeenten gefinancierd. Het onderscheid in gezamenlijke taken en contracttaken is ook relevant voor de afspraken die men wil maken over het dragen van financiële risico’s en het dragen van frictiekosten. Het is de GGD ook toegestaan contracten af te sluiten met niet deelnemende gemeenten of met derden over het uitvoeren van taken die passen binnen de doelstelling van de GGD. Een voorwaarde voor het accepteren van contracttaken ten behoeve van niet deelnemers is dat de dienstverlening aan derde partijen niet ten koste mag gaan van de dienstverlening aan de vaste deelnemers. Zo mag de GGD de taken alleen uitvoeren indien dat voor de deelnemers geen nadelige financiële consequenties heeft. Het spreekt voor zich dat in voorkomende gevallen ook rekening dient te worden gehouden met aanbestedingswetgeving. In het derde lid is zeker gesteld dat de GGD niet eigenstandig het (gezamenlijke) takenpakket kan wijzigen. Hier dient besluitvorming van de deelnemers onder te liggen, in de vorm van een wijziging van de Gemeenschappelijke regeling. Voor die wijziging hebben de deelnemers toestemming nodig van hun raad.

In het vierde lid is tot slot vastgelegd dat bij de uitvoering van de (gezamenlijke) taken ruimte is voor maatwerk. De intensiteit van afname van gezamenlijke taken kan per deelnemer verschillen. Dit is mede afhankelijk van incidenten, door de GGD gepresenteerde keuze in het aanbod e.d. Artikel 5

Bevoegdheden

In dit artikel is een algemene bevoegdheidsomschrijving gegeven die aansluit bij de Wet. Gehandhaafd is de bepaling dat in de Gr beperkingen kunnen worden gesteld aan bevoegdheden die de deelnemers overdragen aan het openbaar lichaam. Het eerste lid van artikel 5 geeft daar uitvoering aan. De GGD heeft geen verordende bevoegdheid, behalve als het gaat om aangelegenheden die de eigen bedrijfsvoering betreffen. Voorbeelden zijn een archiefverordening, klachtenregeling, financiële verordening en een aanvullende regeling voor de rechtspositie van het personeel. Voor het overige is de GGD een uitvoerende dienst, waaraan alleen collegebevoegdheden kunnen worden toegekend. In de sporadische gevallen dat de GGD rechtens bindende besluiten moet nemen, doet zij dat, voor zover het gemeentelijke taken betreft, op basis van een expliciet mandaatbesluit. Dat is geregeld in het vijfde lid. De leden 2 tot en met 3 benoemen een aantal die ingevolge de Wgr. aan het Algemeen Bestuur van een openbaar lichaam toevertrouwd kunnen worden indien de Gr die mogelijkheid biedt. Het vierde lid stelt zeker dat aan het Dagelijks Bestuur de bevoegdheid toekomt om met andere publiekrechtelijke rechtspersonen een overeenkomst af te sluiten over het over en weer inzetten van personeel voor uitvoering van de zogenaamde PIOFACH-taken.

De GGD kan mede op deze wijze voldoen aan de wens van de gemeenten om de ambtelijke organisatie volgens het ‘lean and mean’ principe in te richten. Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost

Pagina 38 van 49

Speciale vermelding verdient het uitvoeren van taken door de GGD op het gebied van leerplicht en voortijdig schoolverlaten. De colleges van de gemeenten hebben met toestemming van hun raden besloten deze taken over te dragen aan het Dagelijks Bestuur van de GGD. De gemeenschappelijke regeling is met het oog hierop in 2017 voor een derde maal gewijzigd. In tegenstelling tot de taken die de GGD uitvoert op grond van artikel 4, eerste lid, onder a tot en met d, en het tweede lid, van de gemeenschappelijke regeling, is in dit geval sprake van taakoverdracht, dus van delegatie. De colleges hebben aan het Dagelijks Bestuur van de GGD al hun bevoegdheden overgedragen die hen op grond van de Leerplichtwet, artikel 118h van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 162b van de Wet op de expertisecentra. Concreet komt die overdracht neer op het uitvoeren van de volgende taken: a.

Het bespreken met de colleges van aangelegenheden die de coördinatie, planning en uitvoering van de taken op het gebied van de leerplichten voortijdig schoolverlaten betreffen;

b.

Het uitoefenen van de bevoegdheden die de colleges toekomen op grond van de leerplichtwet, artikel 118h van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 162b van de Wet op de expertisecentra;

c.

Alle voorbereidings- en uitvoeringshandelingen die met de uitoefening van bevoegdheden als bedoeld onder b, gepaard gaan. Meest in het oog springende handeling is het aanbesteden en inkopen van een geautomatiseerd systeem waarin de gegevens worden geregistreerd en geraadpleegd, als bedoeld in de Leerplichtwet en de overige genoemde wetten.

Artikel 6

Organen

Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 7

Samenstelling Algemeen Bestuur

Onderwerp van deze gemeenschappelijke regeling is de uitoefening van collegebevoegdheden. Op grond van de wet kunnen alleen leden van het college van burgemeester en wethouders lid zijn van het Algemeen Bestuur van het openbaar lichaam. Elk college kan een lid voor het Algemeen Bestuur aanwijzen. Ook dient er per gemeente een plaatsvervangend lid aangewezen te worden. Op deze manier is men steeds verzekerd van de bestuurlijke betrokkenheid van de deelnemende gemeente bij het bestuur over het openbaar lichaam. Artikel 8

Werkwijze Algemeen Bestuur

In de wet is geregeld dat het Algemeen Bestuur een reglement van orde vaststelt. In het reglement van orde worden minimaal regels opgenomen met betrekking tot: -

vaststellen vergaderschema;

-

opstellen agenda, uitnodiging c.q. kennisgeving vergadering en verslaglegging;

-

wijze van behandeling van voorstellen en besluitvorming;

Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost

Pagina 39 van 49

-

handhaving van de orde tijdens de vergadering;

-

besloten- c.q. openheid van vergadering. In beginsel zijn de vergaderingen openbaar.

Onder voorwaarden kan besloten worden tot een besloten vergadering. De onderwerpen waarover niet in een besloten vergadering kan worden beraadslaagd of besloten, zijn limitatief opgesomd in het vierde lid. De verwijzing naar de artikelen uit de Gemeentewet hebben betrekking op het functioneren van de gemeenteraad (b.v. ordehandhaving, onthouden van deelname aan stemmingen). In de Wgr. wordt de gemeenteraad gelijk gesteld aan het Algemeen Bestuur. De vergaderfrequentie van het Algemeen Bestuur is gebonden aan het wettelijke minimum van twee keer per jaar. Bij die gelegenheden wordt over de begroting respectievelijk jaarrekening beraadslaagd. Het tweede lid kent een procedure voor het houden van meer vergaderingen. Doorgaans zal het bijeenroepen van het Algemeen Bestuur op instigatie van het Dagelijks Bestuur gebeuren. In de praktijk vergaderen DB en AB ca. 5 keer per jaar. Artikel 9

Besluitvorming

Het Algemeen Bestuur bestaat uit 21 leden. Dat is inclusief de stemmen van het Dagelijks Bestuur. Ingevolge de monistische opzet van de Wet, behoren de leden van het Dagelijks Bestuur tot het Algemeen Bestuur. Bij de besluitvorming geldt het principe van ‘one man one vote’. Uitzondering hierop is de besluitvorming over de begroting, begrotingswijzigingen en jaarrekening. Over die dossiers beslist het Algemeen Bestuur met gewogen stemmen.

Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost

Pagina 40 van 49

Artikel 10

Bevoegdheden

In de wet bepaald dat de bevoegdheden bij de regeling worden overgedragen aan het Algemeen Bestuur tenzij bij de wet of in de regeling anders is bepaald. In artikel 33 van de Wgr zijn bevoegdheden opgesomd die in elk geval behoren bij het Dagelijks Bestuur. Met het toekennen van eigen bevoegdheden aan het Dagelijks Bestuur is een duaal element in de onderlinge verhouding van het geleed bestuur van een openbaar lichaam toegevoegd. Bij het toekennen van bevoegdheden aan het Dagelijks Bestuur heeft de wetgever zoveel mogelijk aangesloten bij de collegebevoegdheden zoals die zijn omschreven in artikel 160, van de Gemeentewet. Zo is het Dagelijks Bestuur nu bevoegd om regels te stellen over de organisatie van het openbaar lichaam en over de rechtspositie van de eigen medewerkers. Voorheen lagen die bevoegdheden bij het Algemeen Bestuur. Artikel 11

Geheimhouding

Bepaling is gelijk aan bepalingen uit de Gemeentewet die gelden voor raadsvergaderingen (artikel 25, van de Gemeentewet). Artikel 12

Samenstelling Dagelijks Bestuur

De gemeenten Eindhoven en Helmond hebben volgens gewoonterecht standaard een vertegenwoordiger in het Dagelijks Bestuur. Daarnaast heeft het Algemeen Bestuur ervoor gekozen dat de volgende clusters van gemeenten een vertegenwoordiger in het Dagelijks Bestuur hebben: De Peel, De Kempen, A2-gemeenten, Dommelvallei Plus en het cluster Best-Oirschot-Veldhoven. Op grond van artikel 14 derde lid Wgr mogen de leden van het Dagelijks Bestuur nimmer de meerderheid uit maken in het Algemeen Bestuur. Met deze bepaling is uitdrukkelijk rekening gehouden bij de samenstelling van het Dagelijks bestuur en bij het toebedelen van stemgewicht. De ratio van deze bepaling is dat de verantwoordingsplicht van het Dagelijks Bestuur aan het Algemeen Bestuur anders volkomen illusoir zou worden. Artikel 13

Taak Dagelijks Bestuur

Naast de vaste portefeuilles van voorzitter en plaatsvervangend-voorzitter is er tenminste een portefeuillehouder financiën. Daarnaast kunnen er meer portefeuilles worden gevormd. Combinatie van portefeuilles is mogelijk. Artikel 14

Bevoegdheden Dagelijks Bestuur

Dit artikel behoeft door de letterlijke vertaling van de wettelijke bepalingen ter zake geen toelichting. Verwezen wordt naar het gestelde bij artikel 10.

Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost

Pagina 41 van 49

Artikel 15

Vergaderingen Dagelijks Bestuur

De bepalingen in de Gemeentewet betrekking hebbende op stemmingen en het functioneren van het college van burgemeester en wethouders zijn van overeenkomstige toepassing. De vergadering van het Dagelijks Bestuur vinden plaats achter gesloten deuren. Het Dagelijks Bestuur stelt een regelement van orde op dat aan het Algemeen Bestuur wordt toegezonden. Artikel 16

Geheimhouding

Identiek aan het gestelde onder artikel 11, met dien verstande dat de bepaling een analoge toepassing is van artikel 55, van de Gemeentewet. Artikel 17

Voorzitter, plaatsvervangend-voorzitter

De voorzitter wordt door en uit het Algemeen Bestuur aangewezen op grond van het bepaalde in artikel 13 negende lid Wgr. Het aanwijzen van een externe voorzitter is onder vigeur van de gewijzigde WGR niet langer mogelijk. De voorzitter van het Algemeen Bestuur is tevens voorzitter van het Dagelijks Bestuur (artikel 13 lid 9 juncto artikel 14 lid 1 Wgr). Vervanging geschiedt door en uit het Algemeen Bestuur. Artikel 18

Secretaris

Uitgegaan wordt van de situatie dat het Algemeen Bestuur en Dagelijks Bestuur worden bijgestaan door een bestuurlijk secretaris met als aandachtsgebied de bewaking van de bestuurlijke, juridische en financiële kaders waarbinnen het openbaar lichaam moet functioneren. De secretaris is afkomstig van een van de deelnemende gemeente en maakt deel uit van het Dagelijks Bestuur. De secretaris ondertekent mede de stukken die van het Algemeen Bestuur en Dagelijks Bestuur uitgaan. Artikel 19

Bestuurscommissies

Omwille van korte heldere bestuurlijke lijnen dient terughoudend omgegaan te worden met het instellen van het zware instrument van bestuurscommissies. Voor de volledigheid is deze optie toch in de regeling opgenomen Het Algemeen Bestuur dient ingevolge artikel 25 eerste lid Wgr het voornemen om een functionele bestuurscommissie in het leven te roepen te melden bij de raden van de deelnemende gemeenten en hen in de gelegenheid stellen hun wensen en bedenkingen ter kennis te brengen van het Algemeen Bestuur. Artikel 20

Commissies van advies

Raadsleden kunnen in een collegeregeling geen lid zijn van een adviescommissie. De instelling van vaste commissies van advies aan het Dagelijks Bestuur en aan de voorzitter geschiedt door het Algemeen Bestuur. Andere commissies van advies aan het Dagelijks Bestuur of de voorzitter worden ingesteld door het Dagelijks Bestuur respectievelijk de voorzitter.

Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost

Pagina 42 van 49

Artikel 21

Werkgroepen, overlegvormen

Het gaat hier om informele overlegvormen, die als zodanig niet zijn benoemd in de Gemeentewet. Genoemde overlegvormen kunnen een rol spelen bij de beleidsvoorbereiding of beleidsuitvoering. Bekend voorbeeld zijn de portefeuillehouders overleggen. Artikel 22

Tegemoetkoming

Uitgangspunt is dat zo min mogelijk bestuurskosten ten laste van het openbaar lichaam worden gebracht. Denkbaar is dat in incidenteel gevallen een uitzondering gemaakt moet worden op deze hoofdregel. In een op te stellen verordening zal dit uitgewerkt moeten worden. Artikel 23

Voorhangprocedure/majeure dossiers

De gemeenschappelijke regeling is een collegeregeling. Bewust is ervoor gekozen om geen bevoegdheden van de gemeenteraden in te brengen. Om de inhoudelijke betrokkenheid van de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten te borgen is een voorhangprocedure opgenomen met betrekking tot dossiers die het predicaat majeur verdienen. Het gaat dan over dossiers met een grote politieke of bestuurlijke impact. Te denken valt aan een andere opzet van de financiële of bestuurlijke structuur van de GGD. Voor zover die binnen de grenzen van de Gemeenschappelijke regeling gewijzigd kunnen worden, verdient het aanbeveling dat de colleges vooraf het gevoelen van hun gemeenteraad inwinnen alvorens daarover een besluit in het Algemeen Bestuur te nemen. Het blijft een kwestie van inschatting in hoeverre een dossier gekwalificeerd moet worden als majeur. Bedacht dient te worden dat een wijziging van de Gemeenschappelijke regeling in ieder geval al onderhevig is aan het toestemmingsvereiste van de lokale raden en dat die regeling al een uitgebreide inspraakprocedure kent voor met name genoemde dossiers. Te noemen valt de vaststelling van de jaarlijkse begroting, deelname aan privaatrechtelijke rechtspersonen en het instellen van een bestuurscommissie. Er is afgezien van het creëren van een afzonderlijke procedure voor het bestempelen van een dossier als ‘majeur’.

Het is het Algemeen Bestuur dat hierover met gewone meerderheid beslist. Artikel 24

Interne inlichtingenplicht en verantwoordingsplicht lid Dagelijks Bestuur

De artikelen 24 tot en met 26 zijn aangepast als gevolg van de wijziging van de Wgr Artikel 25 De GGD kent sinds 2018 een meerjarige beleidsvisie. De wet biedt de mogelijkheid om andere voorgenomen besluiten dan het vaststellen van de begroting of een begrotingswijziging voor een zienswijze aan raden voor te leggen. De meerjarige beleidsvisie is een belangrijk sturend document waaraan gemeenten (colleges en raden) kaders en doelstellingen kunnen verbinden.

Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost

Pagina 43 van 49

Artikel 26

Passieve informatieplicht

Artikel 26 spiegelt met artikel 17 van de Wgr. De externe inlichtingenplicht betreft het Dagelijks Bestuur het Algemeen Bestuur en de voorzitter als bestuursorganen. Zij verschaffen de deelnemers en de raden de door die bestuursorganen gevraagde inlichtingen. Eenzelfde externe verplichting heeft het lid van het Algemeen Bestuur jegens het college dat hem heeft aangewezen en jegens de raad van de gemeente waar hij lid van het college is. Artikel 27

Actieve informatieplicht

De Wet Open Overheid stelt kaders voor de actieve informatieplicht van een openbaar lichaam. Hieraan is in deze GR invulling gegeven door de vergaderstukken van het Algemeen Bestuur openbaar te maken via de website van de GGD. Vanaf 19 juni 2023 wordt het mogelijk om een koppeling tussen de GGD website en de WOO-index zodat deze vergaderstukken ook via dit landelijke systeem voor iedereen toegankelijk is. Artikel 28

Verantwoordingsplicht AB-lid

Dit artikel spiegelt met artikel 16 Wgr, dat ingevolge artikel 18 Wgr eveneens van toepassing is op collegeregelingen. De verantwoordingsplicht kan naar zijn aard alleen betrekking hebben op afzonderlijke leden van het Algemeen Bestuur jegens het ‘eigen’ college of de raad. Het Algemeen Bestuur als zodanig legt geen verantwoording af aan de deelnemers en raden. Dit heeft te maken met de autonome positie van het Algemeen Bestuur. Zij neemt in staatsrechtelijk opzicht een eigen positie in en is niet ondergeschikt aan de deelnemers en raden. De wijze waarop een individueel AB-lid verantwoording aflegt een college en raad is een interne aangelegenheid binnen een gemeente. Artikel 29 Dit artikel is toegevoegd n.a.v. de wetswijziging in 2022 waarin de wet het bestuur van een openbaar lichaam de mogelijkheid biedt om andere voorgenomen besluiten dan het vaststellen van de begroting voor een zienswijze voor te leggen aan colleges en raden. Artikel 30

Informatieplicht rekenkamer(commissies) en accountant

Door expliciete vermelding van deze medewerkingsplicht kunnen de lokale reken(commissies) hun onderzoeksterrein uitbreiden naar het openbaar lichaam. Zij ontlenen hun bevoegdheid daartoe aan de Gemeentewet, in het bijzonder aan de artikelen 184, lid 1, onder a. Het is het openbaar lichaam, niet toegestaan een eigen rekenkamer(commissie) in te stellen. De Wgr kent die mogelijkheid niet.

Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost

Pagina 44 van 49

Artikel 31

De directeur publieke gezondheid

De Wpg bepaalt dat aan de leiding van de GGD een directeur publieke gezondheid staat. De Wgr bepaalt voorts dat het Algemeen Bestuur de directeur benoemt. Zij kan die bevoegdheid niet overdragen aan bijvoorbeeld het Dagelijks Bestuur. Bij de benoeming betrekt het Algemeen Bestuur, het bestuur van de Veiligheidsregio, aangezien de directeur publieke gezondheid ook het GHOR-bureau functioneel aanstuurt. De Wgr spreekt over overeenstemming. Dit impliceert dat de Veiligheidsregio dient in te stemmen met de benoeming. Artikel 32

Organisatie

Het stellen van regels over de organisatie was voor de wetswijziging voorbehouden aan het Algemeen Bestuur. Sinds 1 januari 2015 is deze bevoegdheid overgeheveld naar het Dagelijks Bestuur. Om die reden spreken we niet meer van een organisatieverordening, maar van een organisatiebesluit. Artikel 33

Personeel

Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 34

Rechtspositie personeel

Het stellen van aanvullende regels over de rechtspositie van het personeel van de GGD is sinds 1 januari 2015 een bevoegdheid van het Dagelijks Bestuur. In de Gr is alleen vastgelegd dat de CAO/SGO en de CAO/Ambulancezorg van toepassing zijn op het GGD personeel. . Het vaststellen van de CAO’s zelf gebeurt op landelijk niveau door akkoord tussen werkgevers en werknemers. Artikel 35

Financiële informatieplicht

Dit artikel vloeit voort uit het bepaalde in artikel 34b Wgr. Artikel 36

Begroting

De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn ook van toepassing verklaard op de gemeenschappelijke regelingen. Ook het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) is van toepassing. De ontwerpbegroting wordt zodanig ingericht dat daaruit blijkt welke kosten met welke producten verband houden. Het Dagelijks Bestuur zendt de ontwerpbegroting minimaal 12 weken (was 8) voordat zij wordt vastgesteld toe aan de colleges van de deelnemende gemeenten conform het bepaalde in artikel 35 Wgr. Binnen die periode zijn de colleges in de gelegenheid het gevoel van de gemeenteraad in te winnen.

Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost

Pagina 45 van 49

Het Dagelijks Bestuur stuurt de vastgestelde begroting toe aan gedeputeerde staten vóór 15 september in het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting dient. Voorheen was dat 1 augustus. De termijn waarop de begroting uiterlijk moet zijn vastgesteld door het Algemeen Bestuur stelt gemeenten in staat de uitgaven die gemoeid zijn met het openbaar lichaam in de eigen begroting te verwerken. Het gaat immers om verplichte uitgaven ex artikel 193 Gemeentewet. Nieuw opgenomen zijn de leden 4 t/m 6 die voortvloeien uit de wetswijziging 2022. Artikel 37

Jaarrekening

Het Algemeen Bestuur stelt de jaarrekening vast vóór 10 juli in het jaar volgend op het jaar waarop deze rekening betrekking heeft. De jaarrekening wordt na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten van Noord-Brabant en aan de colleges van de deelnemende gemeenten gezonden. De totstandkoming van de jaarstukken bij de GGD loopt parallel aan die bij gemeenten. Dit laat de informatiebehoefte van onze deelnemers onverlet. Vandaar dat de 4GR middels een uitgewerkt format de benodigde gegevens zo snel mogelijk verstrekken d.w.z. uiterlijk op 1 maart volgende op het jaar waarop de jaarstukken betrekking hebben. Hiermee wordt geborgd dat de deelnemers tijdig en eenduidig van de voor de jaarstukken benodigde informatie worden voorzien. In de praktijk stelt het AB de jaarrekening bij voorkeur in maart vast inclusief de bestemming van het exploitatieresultaat.

Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost

Pagina 46 van 49

Artikel 38

Verdeling der kosten

Voor de kosten van de gemeenschappelijke basistaak Jeugdgezondheidszorg voor 0-4 jarigen betalen gemeenten een kindbijdrage. We zien dat als een verbijzondering van de inwonerbijdrage (kinderen zijn ook inwoners). De Algemene bijdragen vloeien voort uit specifieke afspraken met één of meerdere gemeenten en die zij ieder jaar aan de GGD betalen. Te noemen vallen onder meer: •

Bij de fusie in 2008 is overeengekomen dat de gemeente Eindhoven de kosten van de uitloopschaal van medewerkers die van de GGD Eindhoven in de fusie zijn ingebracht zal blijven betalen. Dat wordt jaarlijks berekend en door Eindhoven betaald;

•

Gemeenten bepalen zelf hoe zij de onderzoeklocaties voor JGZ willen organiseren. De ene gemeente regelt en betaalt dat helemaal zelf en de ander laat dat aan de GGD over en vergoedt de kosten dan aan de GGD;

•

Over frictiekosten kan nog het volgende worden vermeld. Frictiekosten voor gemeenten hebben zich tot nu toe altijd alleen maar voorgedaan als een langjarige/structurele opdracht van ‘enige omvang’ beëindigd wordt, met name omdat daar vaak vast personeel met specifieke kennis op is ingezet die je niet zo gemakkelijk kunt herplaatsen.

Of er sprake is van frictiekosten en hoeverre die voor rekening van de betreffende gemeenten komen, zal voorafgaand aan de taakbehartiging situationeel/afhankelijk van de omstandigheden door het AB worden bepaald. Relevante omstandigheden zijn de situatie op de arbeidsmarkt, krijgt de GGD tegelijkertijd nieuwe opdrachten, worden er tegelijkertijd meerdere opdrachten beëindigd? Artikel 39

Verplichte uitgaven

De kosten voortvloeiend uit deelname aan een gemeenschappelijke regeling zijn voor de deelnemers verplichte uitgaven als bedoeld in artikel 193 Gemeentewet. Als de gemeenteraad deze kosten niet opvoert als uitgaven in de programmabegroting gebeurt dat door gedeputeerde staten. Deelname aan het openbaar lichaam is daarom geen vrijblijvende aangelegenheid. De deelnemende gemeenten zijn samen en ieder voor zich verantwoordelijk voor het openbaar lichaam GGD. Artikel 40

Financiële gegoedheid

Het openbaar lichaam zal bancaire relaties moeten aangaan. Deze bepaling is op verzoek van de Bank Nederlandse Gemeenten opgenomen. De bank verkrijgt hiermee de zekerheid dat het openbaar lichaam alle maatregelen zal nemen om de gemeenten aan hun verplichtingen te laten voldoen. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in een circulaire uit 1999 aangedrongen op het opnemen van deze bepaling in gemeenschappelijke regelingen. Artikel 41

Financiële voorschriften

De verordenende bevoegdheid als genoemd in dit artikel wordt ontleend aan de Gemeentewet hoofdstuk XIV-artikelen 212 en 213. In artikel 4 tweede lid van de regeling is deze verordende bevoegdheid van het Algemeen Bestuur exclusief benoemd.

Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost

Pagina 47 van 49

Artikel 42

Archiefbescheiden

Gekozen is voor een ruime formulering. De zorg voor archiefbescheiden die voortvloeien uit door gemeenten gemandateerde taken blijft berusten bij die gemeenten. Dat wordt anders als in de toekomst eventueel besloten wordt taken over te dragen (delegeren). In dat laatste geval wordt de zorg voor die archiefbescheiden ook een verantwoordelijkheid van het openbaar lichaam. Het openbaar lichaam is voor het overige belast met de zorg voor de eigen archiefbescheiden. Het Algemeen Bestuur stelt hiervoor een archiefverordening vast. De uitwerking daarvan wordt overgelaten aan het Dagelijks Bestuur die op haar beurt Nadere regels kan vaststellen.

Artikel 43

Archiefbewaarplaats

In de regio Brabant-Zuidoost is het Regionaal Historisch centrum Eindhoven (RHcE) aangewezen als archiefbewaarplaats. In de tekst van de regeling is er voorshands van uitgegaan dat de archiefbescheiden van het openbaar lichaam worden overgebracht naar de archiefbewaarplaats van het RHcE. Artikel 44

Ter beschikking te stellen archiefstukken

Het gaat om een technische uitwerking hoe om te gaan met het ter beschikking stellen van archiefstukken. De Archiefwet bevat strikte regels over hoe om te gaan met archiefbescheiden. Artikel 45

Evaluatie van de regeling

De wet schrijft voor dat in de GR afspraken worden vastgelegd over de evaluatie van de regeling. Hiervoor is een ruime bepaling opgenomen waarin uiteindelijk het Algemeen Bestuur bepaalt wanneer, met welke reikwijdte en op welke wijze de evaluatie plaatsvindt. Het Algemeen Bestuur rapporteert over de resultaten van de evaluatie met colleges en raden. Het Algemeen Bestuur kan inwoners in de regio betrekken bij de evaluatie. Het Algemeen Bestuur heeft de intentie om elke bestuursperiode te evalueren, bij voorkeur in het derde jaar van de bestuursperiode. In de praktijk voert de GGD daarnaast regelmatig klanttevredenheidsonderzoeken uit waarin aan klanten van de GGD vragen worden gesteld over de geleverde diensten. Verder heeft de GGD een digitaal klantenpanel waaraan regelmatig vragen worden voorgelegd. Artikel 46

Toetreding

Een gemeenschappelijke regeling dient regels te bevatten over toetreding. De bepaling van de condities bij toetreding wordt bepaald door het Algemeen Bestuur in overleg met de toetredende gemeente. Toetreding veronderstelt wijziging van deze gemeenschappelijke regeling. Toetreding tot de gemeenschappelijke regeling van de GGD is een vrijheid in gebondenheid. De Wpg maakt het slechts mogelijk om toe te treden tot een gemeenschappelijke gezondheidsdienst indien de indeling van de Veiligheidsregio’s wijzigt. De GGD-regio en de Veiligheidsregio zijn congruent aan elkaar. Een tweede mogelijkheid om toe te treden tot een gemeenschappelijke regeling waarbij een GGD is ingesteld, vinden we terug in

Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost

Pagina 48 van 49

artikel 14, vijfde lid, van de Wpg. De colleges van de gemeenten die zijn gelegen in twee of meer Veiligheidsregio’s kunnen besluiten om voor deze regio’s één GGD op te richten. Artikel 47

Uittreding

De gevolgen van uittreding en de daaraan te stellen voorwaarden zijn uitgewerkt in dit artikel. De wet verplicht dat. Een college kan niet zonder meer besluiten uit te treden uit de gemeenschappelijke regeling. Deelname aan een gemeenschappelijke regeling waarbij een GGD is opgericht, is verplicht op grond van de Wpg. Artikel 48

Wijziging

Gekozen is voor wijziging van de gemeenschappelijke regeling alleen ingeval alle colleges na verkregen toestemming van de gemeenteraden hierover eensluidend besluiten. Artikel 49

Opheffing

Opheffing van de gemeenschappelijke regeling kan alleen ingeval alle colleges na verkregen toestemming van de gemeenteraden hierover eensluidend besluiten en de Wpg hieraan niet in de weg staat. In de praktijk zal een opheffing alleen aan de orde zijn bij het samenvoegen van twee of meer GGD-regio’s tot één gezamenlijke regio (artikel 14, vijfde lid, van de Wpg). Artikel 50

Geschillen

Dit artikel sluit aan bij de wet. Er is eerder gekozen voor een geschillencommissie voordat een geschil aan gedeputeerde staten wordt voorgelegd. Artikel 50

Klachten

Een openbaar lichaam is evenals gemeenten verplicht een klachtenvoorziening in stand te houden. Dat geldt zowel voor de interne klachtenvoorziening als voor behandeling van klachten in tweede aanleg. Uitwerking van deze wettelijke verplichting geschiedt via het vaststellen van een klachtenverordening door het Algemeen Bestuur. De deelnemende gemeenten zullen in hun eigen klachtenverordening een uitzondering moeten maken voor die taken die eventueel in mandaat worden verricht door het openbaar lichaam GGD. De GGD beschikt over een klachtenregeling en een klachtenfunctionaris. Artikel 49

Inwerkingtreding

Verwezen wordt naar de nieuwe bepaling in artikel 26 tweede en derde lid Wgr. Artikel 50

Toezending

Verwezen wordt naar de nieuwe bepaling in artikel 26 eerste lid Wgr.

Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost

Pagina 49 van 49

Aanpassing Gemeenschappelijke Regeling (GR) GGD BZO Was GR 2021 Gewijzigde tekst is geel gearceerd Vervallen tekst is blauw gearceerd

Wordt GR 2024 Gewijzigde tekst is geel gearceerd Nieuwe tekst is groen gearceerd

Reden van wijziging Verbetering in redactie en hernummerde artikelen worden niet apart toegelicht

De gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost voor een vierde maal te wijzigen, waarna deze als volgt luidt:

De gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost voor een vijfde maal te wijzigen, waarna deze als volgt luidt:

De GR GGD BZO stamt uit 2008 en is eerder in 2014, 2016, 2017 en 2020 gewijzigd.

Artikel 2, lid 4 Onderdelen van de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam kunnen in verschillende deelnemende gemeenten gevestigd zijn of zijn ondergebracht bij een ander openbaar lichaam.

Groene tekst is toegevoegd. Voorbeelden hiervan zijn het bureau GMV dat is ondergebracht bij de GGD West-Brabant en voor alle gemeenten in Brabant werkt en de Meldkamer Ambulancezorg (personeel in dienst bij GGD, huisvesting en apparatuur in Den Bosch in de

Hoofdstuk 1

Algemene Bepalingen

Artikel 2, lid 4 Onderdelen van de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam kunnen in verschillende deelnemende gemeenten gevestigd zijn.

gemeenschappelijke meldkamer Oost Brabant). Hoofdstuk 4

Algemeen Bestuur

Artikel 8, lid 3 De vergaderingen van het Algemeen Bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer ten minste 5 van de aanwezige leden hierom verzoekt of de voorzitter dit nodig acht en het Algemeen Bestuur hiertoe besluit.

Artikel 8, lid 3 De vergaderingen van het Algemeen Bestuur zijn openbaar. De vergadering krijgt een besloten karakter wanneer ten minste 5 van de aanwezige leden hierom verzoekt of de voorzitter dit nodig acht en het Algemeen Bestuur hiertoe besluit. Voor het overige is ten aanzien van de openbaarheid artikel 23 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Redactionele wijziging.

Artikel 8, lid 4b. b. de vaststelling van de rekening;

Artikel 8, lid 4b. b. de vaststelling van de jaarrekening;

Redactionele wijziging

1

Artikel 10, lid 2a.

Artikel 10, lid 2a.

Het Algemeen Bestuur kan de uitoefening

Het Algemeen Bestuur kan de uitoefening van door hem te

van door hem te bepalen bevoegdheden

bepalen bevoegdheden volgens

volgens

regels overdragen aan het Dagelijks Bestuur of aan een

door hem te stellen regels

door hem te stellen

overdragen aan het Dagelijks Bestuur of

commissie als bedoeld in artikel 25 van de wet, met

aan een commissie als bedoeld in artikel

uitzondering van:

25 van de wet, met uitzondering van:

a.. het vaststellen en wijzigen van de meerjarige

a.

het vaststellen en wijzigen

van de begroting; b.

b. het vaststellen en wijzigen van de begroting;

het vaststellen van de

jaarrekening; c.

beleidsvisie; c. het vaststellen van de jaarrekening; d. het stellen van regels over het aangaan van geldleningen,

het stellen van regels over

het uitlenen van geld, of de directe regeling van hetgeen

het aangaan van geldleningen, het

verder de geldmiddelen van het openbaar

uitlenen van geld, of

aangaat;

de directe

lichaam

regeling van hetgeen verder de

e. het nemen van besluiten over het instellen van

geldmiddelen van het openbaar

commissies, als bedoeld in de artikelen 24 en 25 van de

d.

lichaam aangaat;

wet;

het nemen van besluiten over

f. het oprichten en deelnemen in een rechtspersoon als

het instellen van commissies, als bedoeld

bedoeld in artikel 31a van de

in de

g. het benoemen van de voorzitter, de plaatsvervangend

artikelen 24 en 25 van de

wet;

wet;

voorzitter en de secretaris; e.

het oprichten en deelnemen

in een rechtspersoon als bedoeld in artikel 31a van de

wet;

h. het benoemen van de directeur publieke gezondheid en de ambtelijk secretaris;

Punt a en g. zijn toegevoegd. Bij punt h. is “ambtelijk” toegevoegd, ter onderscheiding van de secretaris van het bestuur. Deze laatste is AB-lid.

f.

het benoemen van de

i. het regelen van de gevolgen van toetreding of uittreding

directeur publieke gezondheid en de

van een college tot respectievelijk uit de regeling alsmede

secretaris;

het verbinden van nadere voorwaarden

g.

het regelen van de gevolgen

daaraan;

j. het doen van een voorstel aan de colleges tot wijziging

van toetreding of uittreding van een

van de regeling;

college tot

k. het vaststellen van een liquidatieplan bij opheffing van het openbaar lichaam.

respectievelijk uit

de regeling alsmede het verbinden van nadere voorwaarden daaraan; h.

het doen van een voorstel

aan de colleges tot wijziging van de regeling; i.

het vaststellen van een

liquidatieplan bij opheffing van het openbaar lichaam. …………….

Artikel 10, lid 2g g.

Benoeming van 3 bestuurlijke functies toegevoegd

Artikel 11 Het Algemeen Bestuur kan in een besloten vergadering, op grond van de belangen, genoemd in artikel 10 van de Wet Openbaarheid van bestuur omtrent het in die vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken welke aan het Algemeen Bestuur worden overgelegd, geheimhouding opleggen.

Artikel 11 Het Algemeen Bestuur kan in een besloten vergadering, op grond van de belangen, genoemd in artikel 5.1 van de Wet Open Overheid, omtrent het in die vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken welke aan het Algemeen Bestuur worden overgelegd, geheimhouding opleggen.

De WOO vervangt de WOB.

Hoofdstuk 5

Dagelijks Bestuur

Artikel 12, lid 1 1. Het Dagelijks Bestuur bestaat inclusief de voorzitter uit acht leden.

Artikel 12, lid 1 1. Het Dagelijks Bestuur bestaat inclusief de voorzitter uit zeven leden.

In het verleden is gekozen voor 8 leden omdat er een zetel was voorzien voor het DB-lid uit de VR dat de portefeuille Ambulancezorg had. Dat is inmiddels achterhaald omdat de vergunning voor de Ambulancezorg aan de GGD is overgedragen. Het getal van 7 leden is als volgt verdeeld: 1 zetel voor Eindhoven, 1 zetel voor Helmond, 1 zetel voor de Kempengemeenten, 1 zetel voor de Peelgemeenten, 1 zetel voor de A2-gemeenten, 1 zetel voor de Dommelvallei plus gemeenten en 1 zetel voor BOV.

Artikel 16, lid 1 Het Dagelijks Bestuur kan op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1 van de Wet Openbaarheid van Bestuur, omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan het Dagelijks Bestuur worden overgelegd, geheimhouding opleggen.

Artikel 16, lid 1 Het Dagelijks Bestuur kan op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1 van de Wet Open Overheid, omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan het Dagelijks Bestuur worden overgelegd, geheimhouding opleggen.

De WOO vervangt de WOB.

Artikel 16, lid 2 2. Op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1 van de Wet Openbaarheid van bestuur kan de geheimhouding …

Artikel 16, lid 2 2. Op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1 van de Wet Open Overheid, kan de geheimhouding ……

De WOO vervangt de WOB.

Paragraaf

Redactionele wijziging

Hoofdstuk 8 Paragraaf

Kosten

Tegemoetkoming

Tegemoetkoming in kosten

Hoofdstuk 9

Voorhangprocedure

Hoofdstuk 9

Majeure Dossiers

Hoofstuk 10

Informatie- en verantwoordingsplicht

Hoofstuk 10

Informatie- en verantwoordingsplicht

Paragraaf Externe inlichtingenplicht

Paragraaf

Meerjarige beleidsvisie

Redactionele wijziging

Artikel 25 1. Het Algemeen Bestuur stelt de colleges en raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid om hun zienswijzen kenbaar te maken op het ontwerp van de meerjarige beleidsvisie voordat zij deze visie vaststelt. 2. Het Algemeen Bestuur biedt de raden in het kader van de in het eerste lid genoemde een termijn van minimaal twaalf weken om een zienswijze naar voren te brengen Paragraaf

Externe verantwoordingsplicht Algemeen Bestuur

Artikel 25

Paragraaf

Passieve informatieplicht

Artikel 26, lid 3 3. De inlichtingen zoals bedoeld in lid 1 en lid 2 worden verstrekt door middel van het toezenden van stukken of het verwijzen naar de vindplaats van stukken via de griffies. Paragraaf

Externe verantwoordingsplicht lid Algemeen Bestuur

Artikel 26 1. Het lid van het Algemeen Bestuur is aan het college die dit lid heeft aangewezen verantwoording schuldig over het door hem in het Algemeen Bestuur gevoerde beleid.

Paragraaf

Redactionele wijziging De wet schrijft voor dat een openbaar lichaam bepaalt op welke wijze deze informatieplicht wordt ingevuld.

Actieve informatieplicht

Artikel 27 Agenda en stukken van de vergaderingen van Algemeen Bestuur worden voorafgaande aan de vergadering via de website van de GGD openbaar gemaakt. Paragraaf

Nieuw artikel. In de wet is bepaald dat in de GR moet worden geregeld welke voorgenomen besluiten (naast begroting ed.) het bestuur voor een zienswijze aan raden wil voorleggen. De termijn in lid 2 komt overeen met de termijn bij zienswijze op de begroting.

Nieuw artikel, ingegeven door de Wet Open Overheid.

Verantwoordingsplicht lid Algemeen Bestuur

Artikel 28 1. Het lid van het Algemeen Bestuur is aan het college die dit lid heeft aangewezen verantwoording schuldig over het door hem in het Algemeen Bestuur gevoerde beleid.

Lid 3 en 5 van artikel 26 van de huidige regeling zijn geschrapt omdat een individueel lid van het AB zelf moet kunnen bepalen op welke wijze hij/zij verantwoording aflegt aan zijn/haar college of raad.

2. Een lid van het Algemeen Bestuur verstrekt aan het college die hem heeft aangewezen de door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen, voor zover zulks niet strijdig is met het openbaar belang. 3. De inlichtingen worden zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee maanden in een vergadering van dat college of schriftelijk verstrekt. 4. Het college kan een door hem aangewezen lid van het Algemeen Bestuur, indien dit lid het vertrouwen van dat college niet meer bezit, als zodanig ontslag verlenen. 5. Het reglement van orde van het Algemeen Bestuur regelt de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid. 6. Het in het eerste en tweede lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de raden.

2. Een lid van het Algemeen Bestuur verstrekt aan het college die hem heeft aangewezen de door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen, voor zover zulks niet strijdig is met het openbaar belang. 3. Het college kan een door hem aangewezen lid van het Algemeen Bestuur, indien dit lid het vertrouwen van dat college niet meer bezit, als zodanig ontslag verlenen. 4. Het in het eerste en tweede lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de raden.

Zienswijzen Artikel 29 Buiten de meerjarige beleidsvisie zoals bedoeld in artikel 25, de begroting, zoals bedoeld in artikel 36, en wijziging van deze regeling, zoals bedoeld in artikel 48, kan het Algemeen Bestuur besluiten om ten aanzien van andere voorgenomen besluiten de raden in de gelegenheid te stellen een zienswijze in te dienen.

Daarover zijn doorgaans binnen een gemeente afspraken gemaakt.

Nieuw artikel conform wetswijziging. De genoemde termijn voor het dienen van een zienswijze komt overeen met de termijn voor het indienen van een zienswijze op de meerjarige beleidsvisie, de begroting en de wijziging van de regeling.

Het Algemeen Bestuur biedt de raden in het kader van de in het eerste lid genoemde besluiten een termijn van minimaal twaalf weken om een zienswijze naar voren te brengen.

Hoofstuk 11

Ambtelijke Organisatie

Rechtspositie

Rechtspositie personeel

Artikel 31 1. Het Dagelijks Bestuur stelt voor personeel van het openbaar licht de arbeidsvoorwaardenverordening vast conform de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor het gemeentepersoneel (CAR/UWO), dan wel de (gewijzigde) collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, 2. Het Dagelijks Bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden.

Artikel 34 1.

Voor het personeel van het openbaar lichaam geldt de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties en de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling Ambulancezorg 2. Het DB kan aanvullend op voornoemde CAO’s personele regelingen vastleggen in een verordening.

Dit artikel is aangepast aan de Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren. De GGD heeft te maken met twee CAO's. Het GGD bestuur is gehouden aan de afspraken in deze CAO's maar kan aanvullende personele regelingen vastleggen in een verordening.

Hoofdstuk 12 Financiële bepalingen Paragraaf financiële informatieplicht

Paragraaf Kadernota

Artikel 32 Het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam zendt voor 15 april van het jaar voorafgaande aan waarvoor de begroting dient de algemene financiële en beleidsmatige kaders en het voorlopige jaarverslag aan de colleges en raden van de deelnemende gemeenten.

Artikel 25 Het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam zendt voor 30 april van het jaar voorafgaande aan waarvoor de begroting dient de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de colleges en raden van de deelnemende gemeenten.

De wettelijke termijn is gewijzigd cf de wet. De passage “… en het voorlopige jaarverslag…” is geschrapt. De afspraken m.b.t. jaarrekening staan in artikel 37 van de GR.

Begroting Artikel 33 3. De ontwerpbegroting wordt, minimaal 8 weken voordat deze wordt vastgesteld door het Algemeen Bestuur, aan de raden van de deelnemende gemeenten gezonden om hen in de gelegenheid te stellen daarop hun zienswijze kenbaar te maken.

Begroting Artikel 36 3. De ontwerpbegroting wordt, minimaal 12 weken voordat deze wordt vastgesteld door het Algemeen Bestuur, aan de raden van de deelnemende gemeenten gezonden om hen in de gelegenheid te stellen daarop hun zienswijze kenbaar te maken. 5.

6.

Paragraaf

Rekening

Het Dagelijks Bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting, schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het tweede lid, alsmede de conclusies die het daaraan verbindt. De inlichtingen zoals bedoeld in lid 5 worden verstrekt door middel van het toezenden van stukken of het verwijzen naar de vindplaats van stukken via de griffies.

Paragraaf

Jaarrekening

Formulering in de wet is hier aangehouden. In onze regio is afgesproken dat de ontwerpbegroting uiterlijk 15 maart naar gemeenten en raden wordt gezonden en dat raden tot uiterlijk 8 juni hun zienswijzen kenbaar maken. Dat zijn in de praktijk dus 12 weken.

De leden 5 en 6 zijn aan dit artikel toegevoegd en vloeien voort uit de wetswijziging.

Redactionele wijziging.

Hoofdstuk 13 Archief Artikel 40, lid 2 Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van het openbaar lichaam is aangewezen de archiefbewaarplaats van het RHCe.

Artikel 43, lid 2 Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van het openbaar lichaam is aangewezen de archiefbewaarplaats van het RHCe. Tot de bewaarplaats wordt nadrukkelijk ook het e-depot van de deelnemende gemeente(n) gerekend.

Laatste zin is toegevoegd.

Hoofdstuk 14

Evaluatie

Artikel 42 1. Het Algemeen Bestuur evalueert in het derde jaar van iedere bestuursperiode het functioneren van het openbaar lichaam en de dienstverlening aan de deelnemende gemeenten 2. Het Algemeen Bestuur rapporteert aan de colleges het resultaat van de uitgevoerde evaluaties onder vermelding van de daaruit getrokken conclusies.

Hoofdstuk 14

Evaluatie van deze regeling

Artikel 45 1. Het Algemeen Bestuur kan, eventueel op voorstel van individuele leden of op verzoek van een of meerdere colleges of raden, besluiten tot het houden van een evaluatie van deze regeling. 2. Het Algemeen Bestuur bepaalt hierbij wat de concrete vraagstelling is, wat de reikwijdte van de evaluatie is en welke procedure wordt gevolgd. 3. Het Algemeen Bestuur rapporteert aan de colleges en raden het resultaat van de uitgevoerde evaluaties onder vermelding van de daaruit getrokken conclusies. 4. Het Algemeen Bestuur kan in het kader van een specifiek besluit of agendapunt ertoe besluiten om ingezetenen van de gemeenten en belanghebbende te betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid zoals ‘beschreven’ in artikel 10, zevende lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Cf de wetswijziging. Er is hier gekozen voor een ruimere formulering cf de andere GR'en in de regio. Evaluatie in het 3e jaar is losgelaten, maar dat laat onverlet dat AB daar wel voor kan kiezen (artikel 45 biedt daarvoor alle ruimte).

Hoofdstuk 15 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Artikel 44 Op uittreding van een college uit de gemeenschappelijke regeling is artikel 43 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 47 1. Indien het uittreden van een gemeente leidt tot overdracht van materiaal, materieel of gebouwen van de regeling dan vindt de overdracht ervan plaats tegen boekwaarde op de uittredingsdatum. 2. Over de overdracht van personeel worden in goed overleg afzonderlijke afspraken gemaakt. 3. Indien het uittreden van een gemeente leidt tot een daling van opbrengsten worden de negatieve financiële

De wet schrijft voor dat in de GR een regeling moet worden opgenomen over uittreding.

gevolgen ervan aangemerkt als frictie- en desintegratiekosten, deze worden als volgt over een periode van drie jaar door het uittredend bestuursorgaan gecompenseerd: Het eerste jaar na uittreding voor 100%, het tweede jaar 66% en het derde jaar 33% van deze kosten. 4. De frictie- en desintegratiekosten worden als volgt bepaald, de daling van opbrengsten vermindert met de directe kosten op jaarbasis van de overgedragen taken, materiaal, materieel, gebouwen en personeel. 5. Voor het opgebouwde vermogen (reserves) dat kan worden toegerekend aan de uittredende gemeente vindt compensatie plaats naar rato van de verdeelsleutel. 6. Voorzieningen worden alleen overgedragen voor het onderdeel dat betrekking heeft op overdragen taken, materiaal, materieel, gebouwen en personeel. 7. Op uittreding van een college uit de gemeenschappelijke regeling is artikel 46 van overeenkomstige toepassing Artikel 45 ………………….

Artikel 48 3. Het Algemeen Bestuur stelt dat de colleges en raden van de deelnemende gemeenten, zoals vereist op grond van artikel 1, tweede en derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, in de gelegenheid om bij het college een zienswijze naar voren te brengen over het ontwerp van de onderhavige gewijzigde regeling. 4. Het Algemeen Bestuur biedt de colleges en raden in het kader van de in het derde lid genoemde een

Lid 3 en 4 zijn toegevoegd en vloeien voort uit de wetswijziging. De termijn in lid 4 komt overeen met de termijn bij zienswijze op de begroting en de meerjarige beleidsvisie.

termijn van minimaal twaalf weken om een zienswijze naar voren te brengen. Hoofdstuk 17

Slotbepalingen

Artikel 49 Deze regeling wordt aangegaan voor

Artikel 52 Deze regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en

onbepaalde tijd en treedt in werking met

treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. De

ingang van 1 januari 2021. De bekendmaking

bekendmaking van deze regeling geschiedt door het college

van deze regeling geschiedt door het college

van de gemeente Eindhoven.

van de gemeente Eindhoven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13110235/1