CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

B1 Aanbieding gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling Metropoolregio Eindhoven

Gemeenteraad 11 april 2024, gemeente HelmondBij agendapunt: Voor advies naar college39.359 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Samenstelling dagelijks bestuur

In Gemeenschappelijke Regeling Metropoolregio Eindhoven 2015 is bepaald dat het dagelijks bestuur bestaat uit de regiovoorzitter en twee leden waaronder de vicevoorzitter. De burgemeesters van beide centrumsteden Eindhoven en Helmond hebben “qualitate qua” een vaste zetel in het dagelijks bestuur. Het derde (wettelijk verplichte) lid van het dagelijks bestuur wordt door het algemeen bestuur uit zijn midden aangewezen. In deze gemeenschappelijke regeling wordt de mogelijkheid geboden het dagelijks bestuur uit te breiden met andere door het algemeen bestuur uit haar midden aangewezen perso(o)n(en) zitting te nemen in het dagelijks bestuur. De complexiteit van de in het dagelijks bestuur belegde opgaven kunnen het gewenst maken deze opgaven te beleggen bij een extra bestuurslid in plaats van bij een adviseur. Het dagelijks bestuur gaat na of daarbij aanwijzing van een 2e en daaropvolgend vicevoorzitter aan de orde is. Indien deze mogelijkheid wordt toegepast, dan wijst de gemeenteraad van de gemeente waaruit het ‘extra’ lid van het dagelijks bestuur afkomstig is, een tweede lid aan om namens die gemeente zitting te nemen in het algemeen bestuur. Beide leden hebben dan één stem en de leden van die gemeente hebben bij elkaar twee stemmen, zoals is toegelicht bij artikel 12. Artikel 15

Zittingsduur dagelijks bestuur

De zittingsperiode loopt parallel aan de zittingsperiode van de leden van het algemeen bestuur. Opgenomen is de bepaling dat de leden van het dagelijks bestuur hun functie waarnemen totdat in hun opvolging is voorzien. Daarmee is bestuurlijke continuïteit verzekerd. Artikel 16

Werkwijze dagelijks bestuur

Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 17

Taken en bevoegdheden dagelijks bestuur

Het dagelijks bestuur is bestuurlijk opdrachtnemer van de regionale agenda en heeft als primaire taak het bewaken van de realisatie van de agenda op het gebied van voortgang en integraliteit in procesmatige zin. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur een taak in het borgen van de regionale lange termijn strategie. In het dagelijks bestuur kunnen specifieke complexe opgaven worden belegd 2. Zoals op dit moment de afronding van het dossier Landgoed Gulbergen. Ook het dagelijks bestuur heeft een signaalfunctie voor “nieuwe” binnen de Metropoolregio Eindhoven op te pakken thema’s. Daarnaast geeft het dagelijks bestuur sturing aan de samenwerking in het algemeen en de regionale ondersteuningsorganisatie in het bijzonder. Tot slot is het dagelijks bestuur het externe gezicht van de samenwerking. Daarbinnen heeft de voorzitter een speciale rol. 2 Daarbij laat het dagelijks bestuur zich indien gewenst adviseren door adviescommissies of

bestuurscommissies.

-43

De directeur van de regionale ondersteuningsorganisatie Metropoolregio Eindhoven fungeert als secretaris van het dagelijks bestuur. In formeel opzicht verdient vermelding dat het dagelijks bestuur ook eigen, geattribueerde bevoegdheden heeft. Speciale aandacht krijgt de bevoegdheid tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen. Als grondeigenaar (in casu van het Landgoed Gulbergen) neemt de Metropoolregio hier een bijzondere positie in. Vanwege het budgetrecht van het algemeen bestuur is in lid 4 bepaald dat privaatrechtelijke rechtshandelingen van het dagelijks bestuur, die van invloed zijn op de eigendomssituatie (van het landgoed) en die financiële implicaties hebben, onderhevig zijn aan instemmingsrecht van het algemeen bestuur. We hebben het dan over het vervreemden van het landgoed, maar ook het (opnieuw) vestigen van een erfpacht op de grond van het landgoed. Verder gelden er geen beperkingen aan de bevoegdheid van het dagelijks bestuur om privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten. Het dagelijks bestuur heeft een procesrol wanneer ontwerpbesluiten eerst worden voorgelegd aan de colleges, respectievelijk de raden voor een reactie, wensen of bedenkingen, of zienswijzen. Dat geldt zowel wanneer de wetgeving dit voorschrijft, dan wel de regeling, of wanneer het bestuur dat zelf nodig acht.

Deze procesrol sluit ook aan bij de taak van het dagelijks bestuur om besluiten door het algemeen bestuur voor te bereiden. Het dagelijks bestuur is ook belast met de uitvoering van de bepalingen over participatie (artikel 24). Voorheen benoemde het algemeen bestuur de directeur / secretaris, op voordracht van het dagelijks bestuur. De bevoegdheid van het dagelijks bestuur om ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan omvat echter ook de directeur (als ‘hoogste’ ambtenaar). In de Gemeenschappelijke Regeling Metropoolregio Eindhoven 2024 is dit aangepast. Het dagelijks bestuur hoort het algemeen bestuur (zie artikel 32). Artikel 18

Geheimhouding dagelijks bestuur

Bepaling is gelijk aan bepalingen uit de Gemeentewet, die gelden voor collegevergaderingen. Artikel 19

Aanwijzing voorzitter

Expliciet in dit artikel is opgenomen dat de burgemeester van Eindhoven fungeert als voorzitter van de Metropoolregio. De Wet gemeenschappelijke regelingen maakt dit mogelijk. Ook is in de regeling in artikel 14 opgenomen dat de burgemeester van Helmond zitting heeft in het dagelijks bestuur en in die hoedanigheid optreedt als vicevoorzitter. Artikel 20

Rol en taken voorzitter

De positie van de voorzitter is vergelijkbaar met die van burgemeester in een gemeente. Indien het noodzakelijk is dat snel en een doortastend gehandeld wordt ligt het voor de hand dat de voorzitter aan het algemeen bestuur een expliciet mandaat of volmacht vraagt om de Metropoolregio te binden. Op die manier kan binnen het kader van de bevoegdheden van het openbaar lichaam juridische binding verkregen worden. In juridisch opzicht kan de voorzitter geen rechtstreekse en formele binding creëren tussen externe partijen en de gemeenten. De voorzitter is het nationale en internationale boegbeeld van de regio. De voorzitter brengt de agenda van de regio in op (inter)nationale podia en behartigt op basis van deze agenda de belangen van de gemeenten zonder dat de voorzitter daarbij rechtens bindende besluiten neemt. Samen met de overige leden van het dagelijks bestuur is de voorzitter bovendien trekker van de regionale agenda en de internationale acquisitie. In de vertegenwoordigde taken wordt de voorzitter bijgestaan door de vicevoorzitter.

-44

Artikel 21

Overlegorganen

Reeds bij de omzetting van de samenwerking van SRE naar MRE is ervoor gekozen de strategische opgaven en de regionale agenda te laten voorbereiden door de gemeenten bij voorkeur in samenwerking met ondernemers, onderwijs en maatschappelijke organisaties. Via het Statuut Overlegorganen kunnen daarvoor verschillende werkvormen worden ingesteld. Medio 2021 zijn dat de portefeuillehoudersoverleggen en de bestuurlijke koplopersgroepen. De Raadstafel21 functioneert ook als zodanig en is daarom ook in het Statuut Overlegorganen opgenomen. Ofschoon de taken, bevoegdheden en werkwijze in het Statuut Overlegorganen zijn geregeld en dus niet zijn opgenomen in de gemeenschappelijk regeling, over ieder van die overlegorganen het volgende: Elk van de benoemde thema’s uit de regionale agenda krijgt bestuurlijk uitvoering in een portefeuillehoudersoverleg. Daarnaast heeft ieder portefeuillehoudersoverleg een signaalfunctie voor “nieuwe” binnen het thema op te pakken opgaven. Alle verantwoordelijke wethouders van de 21 gemeenten hebben zitting in het portefeuillehoudersoverleg. Ieder portefeuillehoudersoverleg stelt jaarlijks een concept-deelwerkprogramma met een financiële paragraaf op. Integratie van de deelprogramma’s tot één integraal concept-werkprogramma vindt plaats in het dagelijks bestuur.

Wethouders kunnen in hun eigen raad (informeel) ophalen welke zaken er binnen hun portefeuille van belang zijn voor het werkprogramma. Ook tijdens de regionale bijeenkomst wordt dit opgehaald. Het is geen wettelijke verplichting om het concept-werkprogramma aan de colleges en raden voor te leggen voor zienswijzen. Het werkprogramma dient om aan te geven hoe de ambities en doelen, zoals opgenomen in de regionale agenda en de begroting, in de periode waarop het werkprogramma betrekking heeft, uitgevoerd te worden met projecten en activiteiten. Op grond van ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan met een min of meer ‘opgelegde’ zienswijzen procedure, is in deze toelichting aangegeven dat het bestuur zelf de afweging maakt hoe de colleges en raden betrokken worden in de voorbereiding van het werkprogramma. De ‘actieve’ informatieplicht (artikel 29) en de open bepaling in de voorhangprocedure (artikel 25, derde lid) bieden daarvoor de ruimte. Ieder lid van het portefeuillehoudersoverleg is daarnaast verantwoordelijk voor de lokale vertaling van de in de regionale agenda vastgelegde afspraken, (inhoudelijke) inbreng en het afleggen van verantwoording in eigen college en raad.

De 21 inhoudelijke wethouders van de 21 gemeenten binnen een portefeuillehoudersoverleg formeren uit hun midden een ‘bestuurlijke koplopersgroep’, bestaande uit bestuurders die de diverse deelopgaven verder uitwerken en besluiten voorbereiden. Naast affiniteit en persoonlijke motivatie is ook gespreide herkomst over de Metropoolregio een motivatie voor de samenstelling van een bestuurlijke koplopersgroep. Per portefeuillehoudersoverleg wordt van enkele gemeenten verwacht dat zij ambtelijke capaciteit leveren voor de uitwerking van de inhoudelijke opgaven. Dit geldt bij voorkeur voor gemeenten, waarvan de portefeuillehouder deelneemt aan de bestuurlijke koplopersgroep. Samen met medewerkers van de uitvoeringsorganisatie ondersteunen zij het portefeuillehoudersoverleg bij alle werkzaamheden. Externe partners kunnen participeren in de koplopersgroep. In het “plenaire” portefeuillehoudersoverleg ligt het accent op de bestuurlijke discussie en (voorbereiding van) besluitvorming tussen de 21 gemeenten. Externen maken daar geen onderdeel van uit. De leden van ieder portefeuillehoudersoverleg kiezen aan het begin van iedere bestuursperiode uit hun midden een voorzitter en vicevoorzitter. De voorzitters van het portefeuillehoudersoverleg zijn inhoudelijk trekkers van het thema, in lijn met de beschreven opgaven uit deze regionale agenda en bijbehorende acties uit het werkprogramma.

De voorzitters van de portefeuillehoudersoverleggen nemen als adviseur deel aan beraadslagingen van het dagelijks bestuur, met name daar waar deze gericht zijn op de strategie. Zij worden echter geen lid van het dagelijks bestuur. Dit bevordert de keuzevrijheid aan het portefeuillehoudersoverleg, omdat het voorzitterschap van het inhoudelijk thema overleg niet verbonden is aan het lidmaatschap van het algemeen bestuur, respectievelijk het dagelijks bestuur. In het Statuut Overlegorganen is geregeld dat de voorzitters in het algemeen bestuur verantwoording afleggen over de realisatie van de opgaven in hun werkprogramma. De leden van het portefeuillehoudersoverleg leggen ook verantwoording af in hun eigen raad. Naast de portefeuillehoudersoverleggen is voor raadsleden de Raadstafe21 van belang. In de regeling is opgenomen dat het algemeen bestuur dit overlegorgaan in ieder geval instelt, zodat het bestaan

-45

ervan formeel is geborgd. De taken, bevoegdheden en werkwijze zijn geregeld in het Statuut Overlegorganen en komen neer op het volgende. De Raadstafel21 is ontstaan in 2015, toen het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE) werd omgevormd tot Metropoolregio Eindhoven. Betrokken raadsleden wilden de afstand tussen de Metropoolregio Eindhoven en de gemeenteraden verkleinen en de betrokkenheid van de raadsleden vergroten. Een klankbordgroep met raadsleden bedacht de Raadstafel21. De eerste Raadstafel21 bijeenkomst was op 25 november 2015. Alle gemeenteraden in de Metropoolregio benoemen in beginsel twee raadsleden in de Raadstafel21. Iedere gemeente kan ook een plaatsvervangend lid benoemen. De Raadstafel21 is het overlegplatform van raadsleden in de Metropoolregio Eindhoven. De Raadstafel21 heeft geen besluitvormende bevoegdheden, noch maakt zij in formele zin onderdeel uit van de besluitvorming in het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur. Met het oog op de primaire taak van de Raadstafel21 is dit overlegorgaan gerechtigd procesvoorstellen in te dienen bij het algemeen bestuur, waaruit volgt dat dit zowel gevraagd als ongevraagd kan zijn. Informatie-uitwisseling, kennisdeling en vervullen van de ambassadeursrol naar de eigen gemeenteraad zijn de belangrijkste functies, die de leden vervullen.

De Raadstafel21 fungeert als: - schakel tussen gemeenteraden en Metropoolregio; - sparringpartner voor de portefeuillehoudersoverleggen, c.q. voorzitter en vicevoorzitter van het portefeuillehoudersoverleg; - de verbinder tussen bestuur en raad in hun eigen gemeente. raadstafelleden zijn adviesgevers aan de raad en de portefeuillehouders, t.b.v. het bevorderen van de informatie-uitwisseling. - klankbord bij de voorbereiding van de Metropoolconferenties. De ambitie van de Raadstafel21 is het samenwerken van 21 autonome gemeenteraden samenwerken als één regio op de thema’s, die voor alle 21 gemeenten van belang zijn. Als doel hanteert zij hierbij: - Het in positie brengen van gemeenteraadsleden, zodat zij hun kaderstellende en controlerende rol in de samenwerking kunnen vervullen. - Vergroten van de betrokkenheid van gemeenteraadsleden bij de regionale opgaven. De gewijzigde Wgr biedt de mogelijkheid, op grond van artikel 24a tot instelling van een gemeenschappelijke adviescommissie. De procedure, die de Wgr voorschrijft is reeds doorlopen in 2021 voor de Raadstafel21. In de gewijzigde regeling is aangegeven dat artikel Wgr 24a van toepassing is op de Raadstafel21. Dit houdt in dat de Raadstafel21 wordt aangemerkt als gemeenschappelijke adviescommissie van de MRE. In artikel Wgr 24a is aangegeven op welke manier invulling kan worden gegeven aan de adviserende rol.

Door de verwijzing naar Wgr artikel 24a in de regeling is beoogd ontwikkelruimte te creëren voor de doorontwikkeling van de Raadstafel21, maar niet om deze doorontwikkeling te verplichten. De beschrijving van de taken, bevoegdheden en werkwijze van de Raadstafel21 in het huidige Statuut Overlegorganen laat zien dat er al veel aanknopingspunten voor de Raadstafel21 zijn om invulling te geven aan de mogelijkheden, die art 24a Wgr biedt. Mocht blijken dat er in de toekomst behoefte is aan uitbreiding, dan kan het Statuut Overlegorganen hierop worden aangepast. De raden moet dan, zoals ook vereist wordt door de Wgr, de mogelijkheid worden geboden wensen en bedenkingen kenbaar te maken. Het algemeen bestuur stelt het statuut vast. Artikel 22

Bestuurscommissies

Het algemeen bestuur regelt bij verordening de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van in te stellen bestuurscommissies. Bij de regeling van de werkwijze dient ook de openbaarheid geregeld te worden. Het voorzitterschap van de eventueel in te stellen bestuurscommissies berust bij een lid van het dagelijks bestuur. Dit om zoveel mogelijk de integraliteit van het bestuur te waarborgen. Het algemeen bestuur heeft een verordening vastgesteld, regelend de instelling en het functioneren van de Bestuurscommissie RHCe.

-46

Artikel 23

Commissies van advies

De bevoegdheid tot instelling van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur, algemeen bestuur en de voorzitter, berust bij het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze. Het voorzitterschap van de commissies van advies berust bij leden van het dagelijks bestuur. Per 2024 zijn ingesteld de Commissie van advies voor Gulbergen en de Commissie van advies voor financiën, die het dagelijks bestuur voorziet van adviezen over documenten in het kader van de planning en control cyclus, zoals de begroting. De gemeenschappelijke regeling biedt de mogelijkheid ook tijdelijke commissies van advies aan het dagelijks bestuur en de voorzitter in te stellen. De bevoegdheid tot regeling van de bevoegdheden en de samenstelling ligt bij het dagelijks bestuur en de voorzitter zelf. Artikel 24

Betrokkenheid van ingezetenen en andere belanghebbenden (inspraak) bij voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van de regeling

De gewijzigde Wgr (artikel 10, lid 7) schrijft voor dat gemeenschappelijke regelingen bepalingen moeten inhouden “omtrent de wijze waarop ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken worden”. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat het om inspraak en andere vormen van participatie kan gaan. Artikel 24 van de regeling heeft derhalve betrekking op inspraak, en andere vormen van participatie, door inwoners van de deelnemende gemeenten, en andere partijen die een belang hebben bij het beleid dat op grond van de regeling wordt voorbereid, uitgevoerd of wordt geëvalueerd. Primair gebeurt dit via de reguliere procedures bij de colleges en de raden van de deelnemende gemeenten, op grond van hun eigen ‘inspraakbeleid / participatiebeleid’. Zoals ook elders in deze toelichting wordt aangegeven, ligt de beslissingsmacht over de uitvoering van de regionale agenda bij hen. Zij bepalen dus zelf of en op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden betrokken worden. Daarnaast kan het dagelijks bestuur besluiten dat een apart participatietraject wordt doorlopen. De mogelijke ingrijpende gevolgen van een te nemen besluit zijn hiervoor leidend.

Deze ruime omschrijving laat naast de feitelijke gevolgen van een te nemen besluit, ook toe mee te nemen welke beleidsvrijheid gemeenten nog hebben, nadat het betreffende besluit is genomen en of ze hier überhaupt nog aan te pas komen. Ook kan hiermee worden voorzien in een uniforme inspraakprocedure voor de hele regio. Het dagelijks bestuur kan ook besluiten dat een apart participatietraject wordt doorlopen als tenminste 1/5 deel van de deelnemende raden daarom vraagt. Dit past bij de versterking van de democratische legitimatie, zoals voorzien bij de wijziging van de Wgr. Voorkomen wordt dat willekeur kan optreden. Het dagelijks bestuur informeert immers alle deelnemende gemeenten. Artikel 25

Voorhangprocedure gemeenteraden

Op grond van de Wgr, artikel 10, lid 5 houdt de Gemeenschappelijk Regeling Metropoolregio Eindhoven bepalingen in over de besluiten van het bestuur, waarover de raden van de deelnemende gemeenten een zienswijze naar voren kunnen brengen voorafgaand aan het nemen van het besluit. Deze bepalingen kunnen dus zowel betrekking hebben op besluiten van het algemeen bestuur als van het dagelijks bestuur. De Gemeenschappelijke Regeling MRE is een gemengde regeling (college- en raadsregeling). Om de inhoudelijke betrokkenheid van de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten te borgen is in het eerste en tweede lid een voorhangprocedure opgenomen met betrekking tot besluiten, die de positie van de gemeenten direct raken. Daartoe behoren ingevolge de Wet gemeenschappelijke regelingen ook besluiten inzake deelneming dan wel ontbinding of beëindiging van participatie in privaatrechtelijke rechtspersonen. Ook het aangaan, wijzigen etc. van een gemeenschappelijke regeling is onderworpen aan de voorhangprocedure, althans voor zover het om een raadsregeling handelt, die het algemeen bestuur aangaat.

-47

In het derde lid is bepaald dat het bestuur kan besluiten ook andere onderwerpen voor te hangen bij de raden van de deelnemende gemeenten. Uit de toelichting op de gewijzigde Wgr blijkt dat ervoor is gekozen niet dwingend voor te schrijven voor welke besluiten een zienswijze aan de raden moet worden gevraagd, maar dit over te laten aan de deelnemers en de raden. De wijziging is bedoeld om een bewuste afweging hierover te bevorderen. In deze afweging kan het bestuur bijvoorbeeld betrekken, wat de consequenties zijn voor gemeenten van het te nemen besluit. Denk aan inzet van capaciteit, middelen, aanpassing van eigen beleid, et cetera. Ook het draagvlak bij raden voor een te nemen besluit kan van belang zijn. In een zienswijze kunnen raden deze en andere relevante aspecten opnemen, zodat het bestuur dit kan betrekken in hun besluitvorming. Het vierde lid biedt de raden een mogelijkheid te verzoeken om een zienswijzeprocedure. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer dat door het dagelijks of algemeen bestuur aanvankelijk niet wordt voorgesteld. Het zesde lid biedt het bestuur de mogelijkheid af te zien van een zienswijzeprocedure in spoedeisende gevallen. Uiteraard geldt dit niet wanneer een dergelijke procedure wettelijk vereist is.

Het dagelijks bestuur dient de raden hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen en te motiveren waarom wordt afgezien van een zienswijzeprocedure. Deze verlengt immers de besluitvormingstermijn met minimaal 8 tot 12 weken. Dit kan ongewenst zijn vanwege bijvoorbeeld een termijn waarbinnen een besluit genomen moet worden, of een situatie waarin snel gehandeld moet kunnen worden. Het bestuur dient deze belangen af te wegen tegen het belang van betrokkenheid van de raden. Het is niet gewenst de redenen van spoed in de regeling te omschrijven, omdat dit in gaat tegen de beoogde flexibiliteit zoals is toegelicht bij het derde lid. Het zevende lid is overeenkomstig de Wgr, artikel 10, zesde lid. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat een inspraakprocedure op grond van artikel 24 niet uitsluit dat ook een voorhangprocedure wordt toegepast op grond van artikel 25, en vice versa. Leden 8, 9 en 10 hebben betrekking op een wijziging van de gemeenschappelijke regeling zelf. Bij een wijziging van de gemeenschappelijk regeling heeft het algemeen bestuur een procesrol. De besluitvorming over de gemengde regeling bestaat uit eensluidende besluiten van de raden en de colleges om de gewijzigde regeling te treffen. Een en ander conform Wgr artikel 1.

De gewijzigde Wgr artikel 1, tweede lid en derde lid zien erop toe dat een ontwerp van de regeling wordt toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten voor zienswijzen, met uitzondering van het ontwerp van een regeling die getroffen of mede getroffen wordt door de raden. In het achtste en negende lid is evenwel opgenomen dat bij wijziging van de gemeenschappelijke regeling een reactieprocedure wordt gevolgd. Beoogd is een procedure die hetzelfde beoogt als Wgr artikel 1, tweede en derde lid. Omdat echter geen sprake is van een verplichte zienswijze procedure is gekozen voor de duiding als een reactieprocedure.

Artikel 26

Voorhangprocedure colleges

De gemeenschappelijke regeling is een gemengde regeling (college- en raadsregeling). Om ook de inhoudelijke betrokkenheid van de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten te borgen is in het eerste en tweede lid vastgelegd dat voorstellen die leiden tot een aangaan van een gemeenschappelijke collegeregeling door het dagelijks bestuur van de Metropoolregio met een ander openbaar lichaam dan wel het wijzigen van of het uitreden uit een dergelijke regeling, worden voorgelegd aan de colleges. Door uit te gaan van een reactietermijn van acht weken kunnen de colleges van de deelnemende gemeenten, indien zij daartoe besluiten, hun eigen gemeenteraad nog raadplegen over het kenbaar gemaakte voornemen. Doordat de regionale beslissingsmacht van het dagelijks bestuur hoofdzakelijk is beperkt tot de eigen organisatie en bedrijfsvoering, is het niet nodig de voorhangprocedure voor de colleges verder uit te breiden. De strekking van het derde lid is overeenkomstig de Wgr, artikel 10, zesde lid.

-48

Artikel 27

Regionale bijeenkomst

In de gemeenschappelijke regeling is verankerd de verplichting voor het dagelijks bestuur om twee keer per jaar bijeenkomst te organiseren voor de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten om hen te informeren over actuele ontwikkelingen, die betrekking hebben op de Metropoolregio. Collegeleden ontvangen tevens een uitnodiging. Doorgaans zullen dergelijke bijeenkomsten zich afspelen in de avonduren om zo rekening te houden met de werkzaamheden van raadsleden overdag. Het spreekt voor zich dat het dagelijks bestuur daarnaast gehouden is de gemeenteraden ook buiten deze twee ontmoetingsmomenten actief te informeren over relevante zaken, mede op grond van artikel 29, derde lid van de regeling. Artikel 28

Dagelijks bestuur / algemeen bestuur

Dit artikel heeft betrekking op de interne verantwoordingsrelatie binnen het openbaar lichaam Metropoolregio Eindhoven. Het algemeen bestuur als hoogste orgaan kan aan het dagelijks bestuur inlichtingen vragen en vervolgens het dagelijks bestuur of een lid daarvan ter verantwoording roepen. Daartoe behoort sinds 2015 ook een actieve inlichtingenplicht van het dagelijks bestuur. Die invoering hangt samen met een wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (artikel 19a Wgr), die op 1 januari 2015 in werking is getreden. Sluitstuk van dit artikel is de ontslagbevoegdheid van het algemeen bestuur indien een lid van het dagelijks bestuur niet meer het vertrouwen geniet van het algemeen bestuur. Artikel 29

Metropoolregio / gemeenteraden

De bestuursorganen van het openbaar lichaam verstrekken de raden van de deelnemende gemeenteraden de door hen gevraagde informatie. Primair wordt deze taak ingevuld door het dagelijks bestuur, maar het artikel heeft betrekking op alle bestuursorganen. Deze informatieplicht vloeit voort uit artikel 17 van de Wgr. De strekking van artikel 17 Wgr is in zoverre aangevuld dat dit ook betrekking heeft op de colleges van de deelnemende gemeenten, en uit eigen beweging wordt verstrekt. De wijze waarop het bestuur hieraan invulling geeft is niet vastgelegd in de regeling. Het bestuur kan gebruik maken van verschillende communicatiemiddelen, zoals bijeenkomsten, informatiebrieven, publicatie van besluiten et cetera. Met de actieve informatieplicht krijgt dit de voortdurende aandacht van het bestuur van de Metropoolregio. Artikel 30

Lid algemeen bestuur / gemeenteraad

Dit artikel regelt de verantwoordingsrelatie tussen een lid van het algemeen bestuur en de gemeenteraad, die hem of haar heeft aangewezen. In eerste instantie gaat het om een inlichtingenplicht. Vervolgens kan de gemeenteraad besluiten het betreffende lid, indien dit lid niet meer het vertrouwen van de gemeenteraad geniet, ontslag verlenen als lid van het algemeen bestuur van de Metropoolregio Eindhoven. Met dit artikel wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 16, eerste, tweede en vierde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 31

Ambtelijke organisatie

Ter ondersteuning van de samenwerking van de 21 gemeenten is een gezamenlijke regionale ondersteuningsorganisatie beschikbaar. Deze organisatie is op maat toegesneden en werkt samen met de gemeentelijke ambtelijke organisaties aan de bestuurlijke realisatie van de regionale agenda. Actieve ambtelijke inzet vanuit de gemeenten, samen met de ondersteuningsorganisatie, is cruciaal voor slagkracht, eigenaarschap en vertrouwen. De ambtelijke ondersteuning richt zich op: • het ondersteunen van de portefeuillehoudersoverleggen, de bestuurlijke koplopersgroepen, de Raadstafel21 (procesmatig), het dagelijks en het algemeen bestuur bij het realiseren van de opgaven, zoals opgenomen in de regionale agenda;

-49

•

het signaleren, verkennen en agenderen van maatschappelijke ontwikkelingen en mogelijk daaruit voortvloeiende opgaven, die door de gemeenten in de Metropoolregio Eindhoven kunnen worden belegd. De regionale ondersteuningsorganisatie bestaat primair uit programmaregisseurs en procesmanagers, die de samenwerking van de 21 gemeenten ondersteunen, aanjagen en doorontwikkelen. Samen met hun gemeentelijke collega’s organiseren, faciliteren en begeleiden zij het regionale samenwerkingsproces in de portefeuillehoudersoverleggen, dagelijks bestuur en algemeen bestuur. Ook worden (bestuurlijke) netwerken en regionale ontmoetingsmomenten van raden en colleges georganiseerd. De ambtelijke voorbereiding en opvolging van portefeuillehoudersoverleggen/ bestuurlijke koplopergroepen vindt plaats in periodieke ambtelijke overleggen. Hierin hebben de relevante regionale programmaregisseurs en procesmanagers en gemeentelijke (vak)ambtenaren zitting. De regionale procesmanagers initiëren en faciliteren deze overleggen. Voorstellen met betrekking tot de samenwerking in algemene zin worden ambtelijk voorbereid in samenspraak en overleg met de bestuursadviseurs van de 21 gemeenten. De regionale programmaregisseurs en procesmanagers nemen actief deel in landelijke kennisnetwerken en ontsluiten deze voor de gemeenten.

De regionale ondersteuningsorganisatie Metropoolregio Eindhoven wordt aangestuurd door het dagelijks bestuur. Actualisering van de regionale agenda kan andere accenten leggen en om andere vormen van ondersteuning vragen. Het is van belang dat de regionale ondersteuningsorganisatie adaptief meebeweegt met ontwikkelingen en veranderende opgaven. Tegelijkertijd is ook van belang dat de organisatie stabiel en robuust is en in staat is – samen met gemeenten – de verschillende bestuurlijke opdrachten uit te voeren. Artikel 32

Directeur / secretaris

De bevoegdheid tot benoeming van de directeur als hoogste ambtelijke leidinggevende binnen de ondersteunende organisatie berust bij het dagelijks bestuur. Er is op grond van het tweede lid sprake van een personele unie tussen de directeur en het vervullen van het secretarisschap van dagelijks bestuur en algemeen bestuur. Derhalve hoort het dagelijks bestuur het algemeen bestuur over de benoeming, schorsing en ontslag van de directeur. Artikel 33

Taak directeur

De directeur is het hoofd van de ambtelijke organisatie en geeft daaraan leiding en sturing. Daarnaast is de directeur gesprekspartner voor andere directeuren, directie provincie en dergelijke en strategisch adviseurs en gemeentesecretarissen. Artikel 34

Rechtspositie

Het dagelijks bestuur besluit over de benoeming, de schorsing en het ontslag van het personeel. In dit artikel wordt gesproken over overig personeel, omdat artikel 32 betrekking heeft op de directeur. Het dagelijks bestuur kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 168, lid 1 van de Gemeentewet resp. hoofdstuk 10 van de Algemene wet bestuursrecht, de uitoefening van zijn bevoegdheid, zowel geheel als gedeeltelijk, mandateren aan een of meer van leden van het dagelijks bestuur c.q. mandaat verstrekken aan de regiodirecteur. Artikel 35

Toepasselijke rechtspositieregels

De Metropoolregio Eindhoven volgt qua rechtspositie van de medewerkers de CAO-SGO (samenwerkende gemeentelijke organisaties). Verder zijn lokale rechtspositieregelingen van kracht. Voorbeelden zijn de werktijdenregeling, de reiskostenregeling, het beloningsbeleid, de IKB doelen, de verlofregeling. Deze zijn vastgelegd in het personeelshandboek van de Metropoolregio Eindhoven. Artikel 36

Vergoedingen

Uitgangspunt is dat zo min mogelijk bestuurskosten ten laste van het openbaar lichaam Metropoolregio Eindhoven worden gebracht. Denkbaar is dat in incidenteel gevallen een uitzondering

-50

gemaakt moet worden op deze hoofdregel. In een op te stellen verordening zal dit uitgewerkt moeten worden. In het derde lid is voorzien dat ook de leden van de Bestuurscommissie RHCe onder de werking van dit artikel vallen. De strekking van het vierde lid is gelijk aan de strekking van de Wgr, artikel 24a, zesde lid. Het gaat om een ‘kan’ bepaling, waarbij gekeken kan worden welke (bindende) afspraken hierover landelijk worden gemaakt. Artikel 37

Kadernota en voorlopige jaarrekening

De verplichting tot het opstellen van een kadernota vloeit voort uit de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 34b van deze wet schrijft voor dat het dagelijks bestuur voor 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de gemeenten toestuurt. In de huidige praktijk wordt de kadernota in december vastgesteld en vervolgens toegezonden aan de gemeenten. De techniek van planning en control is onderhevig aan wijzigingen. Met uitzondering van wettelijk voorgeschreven termijnen en bepalingen wordt in de regeling daarom verwezen naar het ter zake vastgestelde document, zodat bij wijziging van de techniek de gemeenschappelijke regeling deze wijziging niet in de weg staat of ook gewijzigd moet worden. De voorlopige jaarrekening kan in een beleidsdocument met een andere benaming ondergebracht worden. Artikel 38

Begroting

De begrotingsprocedure is, met inachtneming van artikel 34 en 35 Wgr, als volgt: - Het dagelijks bestuur maakt jaarlijks (bij voorkeur voor 1 april) de ontwerpbegroting op (lid 1). - Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting minimaal 12 weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de gemeenteraden (lid 4). - De raden kunnen over de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur hun zienswijze doen toekomen (lid 4). - De begroting wordt tijdig vastgesteld door het algemeen bestuur, mede gelet op de termijn, waarop deze moet worden toegezonden aan gedeputeerde staten. - Voorafgaand aan de besluitvorming voegt het dagelijks bestuur de commentaren uit de zienswijzen bij de ontwerpbegroting (lid 6). Tevens worden de raden voorafgaand aan de besluitvorming geïnformeerd over het oordeel over de zienswijzen en de consequenties van dat oordeel (lid 7). - Indien daartoe aanleiding bestaat worden afschriften van de vastgestelde begroting toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten (lid 8). - Het dagelijks bestuur stuurt de vastgestelde begroting voor 15 september toe aan gedeputeerde staten (lid 9). Op grond van Wgr, artikel 35, tweede lid wordt de ontwerpbegroting door de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

Deze bepaling is opgenomen in het vijfde lid van de regeling. Elke gemeente kan hieraan invulling geven op een wijze, die aansluit bij de lokale praktijk. De Metropoolregio Eindhoven kan dit faciliteren door publicatie van de ontwerpbegroting op haar eigen website. In dit artikel van de regeling is tevens de bijdrageverplichting van de deelnemende gemeenten opgenomen. Als uniforme sleutel wordt gehanteerd een bedrag per inwoner (lid 2 en lid 3). Dit maakt dat de bijdrage per gemeente kan fluctueren naar gelang uit het aantal inwoners op de vastgestelde peildatum een stijging of daling van het aantal inwoners blijkt in vergelijking met het voorgaande jaar. De gemeenten kunnen op grond van artikel 35, lid 4 Wgr, nadat zij de vastgestelde begroting hebben ontvangen, bij gedeputeerde staten zo nodig hun zienswijze naar voren brengen. De besturen van de openbare lichamen, waaraan de gemeenten van de Metropoolregio deelnemen, hebben afgesproken dat zij hun planning en control cyclus zo veel als mogelijk uniformeren. Dit vergemakkelijkt de controlerende taak van de raden. Het betreft de besturen van de Metropoolregio Eindhoven, de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, GGD Brabant Zuidoost en de Veiligheidsregio Zuidoost-Brabant. De berekeningsmethodiek (inclusief de wijze van indexering) is vastgelegd in een gezamenlijk opgestelde beleidsnotitie.

-51

Begrotingswijzigingen volgen in beginsel de procedure als voorgeschreven voor de begroting. Dit artikel zondert in het elfde lid daarvan uit die begrotingswijzigingen, die niet leiden tot verhoging van de gemeentelijke bijdragen alsmede blijven binnen het door het algemeen bestuur vastgestelde financiële beleid. De formele procedure daarvoor is: dagelijks bestuur – algemeen bestuur. Artikel 39

Voorschotbetaling

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Het is een continuering van het systeem, zoals dat al bij het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven werd gehanteerd. Artikel 40

Jaarrekening

Artikel 34 van de Wgr bepaalt dat de jaarrekening uiterlijk 15 juli van het jaar, volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft, wordt toegezonden aan gedeputeerde staten. Rekening houdend met de vaststelling van de voorlopige jaarrekening voor 30 april, betekent dit dat de definitieve jaarrekening in die tussenliggende periode wordt vastgesteld door het algemeen bestuur. Het is goed gebruik dat de voorlopige cijfers van het voorgaande jaar opgenomen worden als vergelijkingsmateriaal in de begroting van het komend jaar. Artikel 41

Financiële gegoedheid

Het openbaar lichaam zal bancaire relaties moeten aangaan. Deze bepaling is op verzoek van de Bank Nederlandse Gemeenten opgenomen. De bank verkrijgt hiermee de zekerheid dat het openbaar lichaam alle maatregelen zal nemen om de gemeenten aan hun verplichtingen te laten voldoen. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in een circulaire uit 1999 aangedrongen op het opnemen van deze bepaling in gemeenschappelijke regelingen. Artikel 42

Financiële voorschriften

De verordenende bevoegdheid als genoemd in dit artikel wordt ontleend aan de Gemeentewet hoofdstuk XIV-artikelen 212 en 213.

Artikel 43

Archiefbescheiden

De Archiefwet 1995, artikel 40, eerste lid vereist dat een gemeenschappelijke regeling een voorziening inhoudt over de zorg voor de archiefbescheiden van bij die regeling ingestelde openbare lichamen. Het eerste lid van artikel 43 van de Gemeenschappelijke Regeling Metropoolregio Eindhoven belast het dagelijks bestuur met die zorg, overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen archiefverordening. De zorg omvat alle plichten en bevoegdheden, die op grond van de Archiefwet 1995, het Archiefbesluit 1995 en de Archiefregeling zijn toegekend aan de zorgdrager. Het gaat om de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van de Metropoolregio Eindhoven, zowel voor, tijdens als na overbrenging van deze archiefbescheiden naar de daarvoor aangewezen archiefbewaarplaats. Het algemeen bestuur heeft de bevoegdheid een archiefverordening vast te stellen, op grond van artikel 5 en 11 van de gemeenschappelijke regeling. In de overeenkomstig vastgestelde archiefverordening zijn in ieder geval nader geregeld de zorg en beheer over de archiefbescheiden van de organen van de Metropoolregio, en de verantwoording daarover. De taken en bevoegdheden genoemd in artikel 4 en 5 van de regeling staan in zoverre los van artikel 43 van de regeling, dat het in artikel 4 en 5 gaat over de (overgebrachte) archiefbescheiden van gemeenten.

Niettemin is in het tweede lid de archivaris, als bedoeld in artikel 5, eveneens belast met het toezicht op de bewaring en beheer van de archiefbescheiden van de organen van de Metropoolregio Eindhoven. In artikel 45 van de regeling is de aangewezen archiefbewaarplaats, dezelfde als aangewezen is in artikel 5. Het dienstonderdeel Regionaal Historische Centrum Eindhoven voert de feitelijke (beheer)taken uit.

-52

Het derde lid voorziet erin dat bij opheffing van de regeling een voorziening wordt getroffen ten aanzien van de archiefbescheiden van de organen van de Metropoolregio, zowel de archiefbescheiden die zijn overgebracht, als die nog niet zijn overgebracht. Dit lid volgt de Archiefwet1995, artikel 4, eerste lid. De Archiefwet, artikel 5, verplicht de zorgdrager tot het ontwerpen van selectielijsten waarin tenminste wordt aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging in aanmerking komen. Op grond van het vierde lid van artikel 43 van de regeling zijn de daartoe vastgestelde selectielijsten van de gemeente Eindhoven van toepassing, tenzij het bestuur van de Metropoolregio zelf nieuwe en/of aanvullende selectielijsten vaststelt. Het vijfde lid van de regeling zorgt ervoor dat, voor zover niet anders daarin is voorzien, de voorziening in de regeling zoveel mogelijk overeenkomstig de bepalingen van de Archiefwet is, zoals die gesteld zijn voor gemeenten. Een en ander zoals vereist is in de Archiefwet 1995, artikel 40, tweede lid. Conform de landelijke handreiking van het LOPAI, KIA en KVAN is in het zesde lid van de regeling vastgelegd dat de streekarchivaris tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uitbrengt over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van de Metropoolregio, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

Conform de landelijke handreiking van het LOPAI, KIA en KVAN is in het zevende lid van de regeling vastgelegd dat het dagelijks bestuur tweejaarlijks verslag uitbrengt aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van de Metropoolregio. Deze verantwoording is nu ook staande praktijk op grond van de Archiefverordening Metropoolregio Eindhoven 2023. De achterliggende gedachte voor verankering in de regeling (en niet alleen in de archiefverordening) is de deelnemende gemeenten meer grip te laten krijgen op het informatiebeheer bij de regeling. Artikel 44

Terbeschikkingstelling

De Archiefwet 1995, artikel 4 derde lid vereist dat een regeling, waarbij taken van een overheidsorgaan geheel of gedeeltelijk worden overgedragen aan een rechtspersoon, een voorziening inhoudt over de terbeschikkingstelling aan die rechtspersoon van de op die taken betrekking hebbende archiefbescheiden. Deze voorziening, indien van toepassing, dient in de regeling te zijn opgenomen. De voorziening in de regeling volgt de Handreiking inrichting informatie- en archiefbeheer bij samenwerkingsverbanden. Artikel 4, derde lid, van de Archiefwet 1995 is van toepassing op de Gemeenschappelijke Regeling Metropoolregio Eindhoven 2024, omdat hierbij zijn overgedragen: • als taken het toezicht op de niet overgebrachte archiefbescheiden (artikel 4, derde lid, sub c van de regeling), de advisering op het gebied van de inrichting van de documentaire informatiehuishouding (artikel 4, derde lid, sub c van de regeling), • de bevoegdheid tot het aanwijzen van de gemeentelijke archiefbewaarplaats(en) (artikel 5, derde lid, sub b, en de bevoegdheid tot het aanwijzen, schorsen en ontslaan van een gemeentearchivaris (artikel 5, derde lid, sub c). Met uitzondering van de gemeente Gemert-Bakel (op grond van artikel 4, vierde lid, en artikel 5, vierde lid) dienen de overige gemeenten de bescheiden, die nodig zijn voor de uitvoering van deze taken ter beschikking te stellen aan het dagelijks bestuur.

Denk aan de lokale archiefverordening en de raadsvoorstellen waarmee deze zijn vastgesteld, en rapportages die betrekking hebben op het interbestuurlijk toezicht door de provincie. Volledigheidshalve wordt hier opgemerkt dat in de Gemeenschappelijke Regeling Metropoolregio Eindhoven 2024 geen andere taken voor uitvoering zijn overdragen van de organen van de gemeenten. Artikel 44 van de regeling heeft dus geen betrekking op andere archiefbescheiden.

-53

Mocht daar bij wijziging van de regeling toe worden overgegaan, dan krijgt artikel 44 ook toepassing op de archiefbescheiden, die nodig zijn voor de uitvoering van die overdragen taken.

Artikel 45

Archiefbewaarplaats

De noodzaak tot aanwijzing van de archiefbewaarplaats volgt uit artikel 43, vijfde lid van de regeling en bijgevolg artikel 31 van de Archiefwet 1995. Ook voor het aanwijzen van de bewaarplaats van de over te brengen archieven van de Metropoolregio is aangesloten bij de voortgezette regeling van het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven. Met het toezicht is belast de door het dagelijks bestuur te benoemen streekarchivaris. Wettelijk kader bij deze taken is de Archiefwet 1995, het Archiefbesluit 1995 en de Archiefregeling. Artikel 46

Verwijzingen naar de Archiefwet

Zoals ook aangegeven is in de inleiding, is een wetsvoorstel in procedure dat strekt tot intrekking van de Archiefwet 1995 en vervanging door de Archiefwet 2021. Zekerheidshalve is daarom artikel 46 opgenomen in de regeling als overgangsbepaling. Overigens bevat dit wetsvoorstel ook overgangsbepalingen en voorziet het wetsvoorstel in een overgangstermijn van twee jaren om gemeenschappelijke regelingen met de artikelen in de nieuwe wet in overeenstemming te brengen. Artikel 47

Toetreding

Een gemeenschappelijke regeling dient een regeling te bevatten over toetreding en uittreding. De bepaling van de condities bij toetreding wordt bepaald door het algemeen bestuur in overleg met de toetredende gemeente. Toetreding vereist wijziging van deze gemeenschappelijke regeling. Artikel 48

Uittreding

De gevolgen van uittreding en de daaraan te stellen voorwaarden worden geregeld door het algemeen bestuur. Op grond van (het gewijzigde) artikel 9, eerste lid van de wet, bevatten de leden 2 tot en met 7 bepalingen over de gevolgen voor het vermogen van de Metropoolregio Eindhoven als rechtspersoon. Het algemeen bestuur zal rekening hebben te houden met jurisprudentie ter zake, die kan veranderen. Belangrijk is dat de uiteindelijke voorwaarden redelijk en billijk zijn, waarbij zowel de belangen van de uittredende deelnemer, de belangen van de deelnemers met wie de regeling wordt voortgezet, als die van de Metropoolregio Eindhoven als rechtspersoon tegen elkaar zijn afgewogen. De bepaling in het achtste lid geeft het algemeen bestuur derhalve de mogelijkheid af te wijken van de bepalingen wanneer de feiten en omstandigheden dat vereisen. In het algemeen ligt aan de leden 2 tot en met 7 de gedachte ten grondslag, dat het karakter van de MRE anders is dan die van bijvoorbeeld de Veiligheidsregio. Als een gemeente uit de Veiligheidsregio treedt, moeten hun wettelijke taken wel door blijven gaan. Het is dan logisch dat de uittredende gemeente materialen, middelen en mensen overneemt van de gemeenschappelijke regeling. Hiermee zijn de frictiekosten bij -in dit voorbeeld- de Veiligheidsregio beperkt.

Als een gemeente uit de Metropoolregio Eindhoven treedt, kan niet 1/21 van de Metropoolregio Eindhoven worden overgedragen. Dit geeft hogere frictiekosten. En deze hogere frictiekosten komen voor rekening van de gemeenten, die blijven samenwerken in de Metropollregio Eindhoven. Dan is een langere afbouwregeling (dan, in het voorbeeld, bij de Veiligheidsregio ) legitiem. Het tweede lid voorziet erin dat er voldoende tijd is de regeling aan te passen, maar is ook nodig omdat in het jaar van opzegging mogelijk al een begroting is vastgesteld voor het eerste jaar na het jaar van opzegging, die nog gebaseerd is op deelname van de uittredende gemeente. Voor het derde lid geldt dat de bijdrage van de uittredende deelnemer aan het Stimuleringsfonds wel kan vervallen, omdat vanaf dat moment geen middelen meer worden toegekend aan partijen

-54

gevestigd in de gemeente van de uitgetreden deelnemer. Omdat het besluit om uit te treden geen gevolgen mag hebben voor dergelijke partijen aan wie voor de ingang van de uittreding nog middelen zijn toegekend, geldt dat deze nog worden afgehandeld conform het subsidiebesluit (overgangsrecht). Het vierde lid voorziet in een geleidelijke afbouw van de bijdragen, op basis van voorgaande toelichting met betrekking tot frictiekosten, in het bijzonder de doorlopende organisatie kosten en de bijdrage aan Brainport. Voor de berekening wordt steeds uitgegaan van de inwonerbijdrage, zoals berekend in de laatste begroting die is vastgesteld door het algemeen bestuur waar de uitgetreden deelnemer nog onderdeel van uitmaakte. Het bedrag wordt daarna niet meer geïndexeerd of anderszins aangepast, aangezien de uitgetreden deelnemer niet meer betrokken is bij de vaststelling van de indexering of aanpassingen anderszins. Het vijfde lid dient om te voorkomen dat wanneer een gemeente na uittreding diensten blijft afnemen op grond van een overeenkomst, de betreffende gemeente via de afbouwregeling deze kosten in de vorm van een (gereduceerde) inwonerbijdrage ‘dubbel betaalt’. Bijvoorbeeld voor de afname van diensten van het RHCe. Wanneer een gemeente uittreedt, deelt deze gemeente niet in toekomstige verliezen in het algemeen.

Wel deelt de uittredende of uitgetreden gemeente op grond van het zesde lid in eventuele verplichtingen (verliezen) vanuit de nazorg van Gulbergen. Dit is een collectieve onderwerp, waarvan de grondslag van een mogelijke verplichting al lang geleden is ontstaan. Het delen in opgebouwd vermogen is niet mogelijk (zevende lid). De algemene reserve dient ervoor om risico’s op te kunnen vangen. De risico’s nemen voor de MRE niet af als een gemeente uittreedt. Naast de algemene reserve kent de MRE ook bestemmingsreserves. Hiervoor geldt dat de voorziene kosten, die met deze reserves worden gedekt, niet afnemen wanneer een gemeente uittreedt. Dit maakt dat uit deze reserves geen betaling kan worden gedaan aan een uittredende gemeente. Artikel 49

Evaluatie

Op grond van Wgr, artikel 11a houdt een regeling bepalingen in over de evaluatie van de regeling. De gemeenschappelijke regeling vormt daarbij de juridische grondslag. De regeling is geen doel op zich, maar een middel om de samenwerking te faciliteren. Derhalve zijn de bepalingen over de evaluatie primair gericht op het functioneren van de samenwerking. Daarbij zal ook gekeken worden naar de relatie tussen de samenwerking en de regeling. Een en ander kan reden geven de regeling te gaan wijzigen en daarvoor de procedure op te starten, zoals vereist door de wet en de regeling. De voorbereiding van de regionale agenda is een natuurlijk moment om, naast het bepalen van het gezamenlijk toekomstbeeld van de regio, de strategie en de opgaven, te reflecteren op de kwaliteit en de vorm van de samenwerking, omdat deze ook nodig is om de strategie te kunnen realiseren. De (gewenste) aanpassingen in de governance worden dan opgenomen in de regionale agenda en voor zover al mogelijk binnen de regeling geïmplementeerd. Reflectie is een vorm van zelfevaluatie. Het algemeen bestuur stelt bij de start van de voorbereiding een proces vast, waarin ook is opgenomen op welke wijze de reflectie plaatsvindt. Een dergelijke reflectie vond ook plaats bij de voorbereiding van het Samenwerkingsakkoord 2023-2026.

Door de reflectie te koppelen aan de regionale agenda, wordt tenminste een maal in elke vier jaar de samenwerking en de regeling geëvalueerd. Het tweede en derde lid voorzien in de mogelijkheid het functioneren van de samenwerking en de regeling te doen evalueren. Dit op grond van een verzoek vanuit het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur legt aan het algemeen bestuur een voorstel voor op welke aspecten van het functioneren van de samenwerking, respectievelijk de regeling de evaluatie, als bedoeld in het tweede lid, betrekking heeft. De ervaring met de evaluatie in 2017 is dat een evaluatie een langdurig proces kan zijn dat ook met onzekerheid gepaard gaat. De samenwerking is er niet bij gebaat, wanneer deze ‘voortdurend’ ter discussie staat. Daarom is in het tweede lid opgenomen dat een evaluatieverzoek pas gedaan kan worden na 24 maanden na vaststelling van de regionale agenda. Overigens kan een dergelijk verzoek ook neerkomen op aandachtspunten voor de volgende reflectie. Artikel 50

Wijziging of opheffing

Gekozen is voor wijziging van de gemeenschappelijke regeling alleen ingeval alle colleges en raden hierover eensluidend besluiten. Dit doet niet alleen recht aan de intentie tot samenwerking, maar is

-55

ook vereist, omdat de colleges en raden anders niet dezelfde regeling treffen. Datzelfde uitgangspunt geldt voor een opheffingsbesluit. Ook hier is unanimiteit vereist. Het vaststellen van een liquidatieplan is voorbehouden aan het algemeen bestuur en is onderworpen aan de voorhangprocedure van artikel 25. De Metropoolregio blijft als rechtspersoon bestaan voor zover dit tot vereffening van het vermogen nodig is, overeenkomstig het bepaalde in de Wgr, artikel 9, derde lid. Artikel 51 en 52 Geschillen en klachtenregeling Opname van deze artikelen vloeit voort uit wettelijke verplichtingen een klachtenvoorziening in het leven te roepen over gedragingen van de bestuursorganen c.q. medewerkers van het openbaar lichaam.

Artikel 53

Inwerkingtreding

Het heeft de voorkeur een vaste datum van inwerkingtreding te noemen. Gekozen is voor de datum 1 juli 2024. Voorwaarde daarbij is wel dat de wijzigingsprocedure op dat moment in alle colleges en raden is afgerond. Is dat niet het geval, dan treedt de gemeenschappelijke regeling pas in werking op het moment dat het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven de gewijzigde regeling op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt in het door dat gemeentebestuur uitgegeven gemeenteblad. Dit volgt uit artikel 26, eerste lid, van de Wgr (zoals gewijzigd door de Wet elektronische publicaties).

-56

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING METROPOOLREGIO EINDHOVEN 2024 (ontwerpwijziging) (wijzigingen n.a.v. reacties) wijzigingen n.a.v. afsluiten dossier Attero en juridische toets archiefbepalingen

De gemeenteraden en de colleges van de gemeenten Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen c.a., Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre, ieder voor zover voor de eigen gemeente bevoegd

In aanmerking nemende dat, • • •

• • •

de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in ZuidoostBrabant hun onderlinge samenwerking vastgelegd hebben in de Gemeenschappelijke Regeling Metropoolregio Eindhoven 2021; de samenwerking gericht is op het handhaven en uitbouwen van het kenmerkende economische profiel van de regio, om op die manier het vestigings- en verblijfsklimaat voor onze inwoners en bedrijven te stimuleren; de voorgestane wijze van samenwerken in de regio om een bestuurlijk arrangement vraagt dat enerzijds snel aangepast kan worden aan de inhoud van de samenwerking c.q. de regionale opgaven, waar de gemeenten voor staan en anderzijds recht doet aan de eisen van democratische legitimatie; om die reden in de Gemeenschappelijke Regeling van de Metropoolregio Eindhoven een hoofdstuk is opgenomen over het instellen van overlegorganen, dat nader wordt uitgewerkt in een door het algemeen bestuur van de Metropoolregio Eindhoven vast te stellen statuut; het Statuut Overlegorganen Metropoolregio Eindhoven een onverbrekelijk geheel vormt met deze gemeenschappelijke regeling; het noodzakelijk is de gemeenschappelijke regeling te actualiseren in verband met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022 en daarnaast enkele actualisaties naar aanleiding van recente ontwikkelingen zijn doorgevoerd.

Besluiten: De Gemeenschappelijke Regeling Metropoolregio Eindhoven 2021 te wijzigen, zodat deze komt te luiden als volgt:

-1

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Begripsbepalingen Artikel 1 In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. Wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen. b. Regeling: de Gemeenschappelijke Regeling Metropoolregio Eindhoven. c. Metropoolregio: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze gemeenschappelijke regeling. d. Gemeenten: de raden en colleges van de gemeenten Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen c.a., Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre. e. Colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten. f. Raden: de gemeenteraden van de gemeenten. g. Commissie van advies: een commissie als bedoeld in artikel 24, eerste lid van de wet. h. Bestuurscommissie: een commissie als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet. i. Regionale agenda: het periodiek vast te stellen strategische beleidsdocument dat de inhoud van de samenwerking bepaalt. j. Thema: de in de regionale agenda door de gemeenten benoemde maatschappelijke thema’s, waarop structureel wordt samengewerkt. k. Regionale opgave: de beleidsinspanningen, die gemeenten in het kader van de regeling leveren met het oog op het bereiken van de doelstellingen op de thema’s van de regionale agenda. l.

RHCe: het dienstonderdeel – Regionaal Historisch Centrum Eindhoven – belast met de taken genoemd in artikel 4, derde lid, van deze gemeenschappelijke regeling.

Openbaar lichaam Artikel 2 1. 2. 3. 4. 5.

Er is een openbaar lichaam, genaamd: ‘Metropoolregio Eindhoven’. Het is gevestigd te Eindhoven. Onderdelen van de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam kunnen in de verschillende deelnemende gemeenten gehuisvest zijn. Het bestuur van de Metropoolregio bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter. De bestuursorganen laten zich in hun taakuitoefening bijstaan door commissies van advies en andere overlegorganen. Samenstelling en werkwijze van deze overlegorganen is geregeld in een onderliggend statuut.

-2

HOOFDSTUK 2

BELANGEN, DOEL, TAKEN EN BEVOEGDHEDEN

Belangen en doelen Artikel 3 1. De regeling is getroffen met het oog op het handhaven en uitbouwen van het kenmerkende economische profiel van de regio, om op die manier het vestigings- en verblijfsklimaat voor onze inwoners en bedrijven te stimuleren. Daartoe organiseert de Metropoolregio een adequate vorm van samenwerking tussen gemeenten onderling en tussen overheid en maatschappelijke partners ter behartiging van de gezamenlijke belangen op de thema’s, zoals nader uitgewerkt in een regionale agenda. 2. Als voortzetting van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven behartigt de Metropoolregio tevens het belang van de gemeenten bij een zorgvuldig beheer van de taken van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven, zoals die na datum van inwerkingtreding van deze wijziging van de regeling nog bestaan. 3. De raden en colleges treffen deze regeling eveneens met het oog op het behartigen van de gemeentelijke belangen op het gebied van cultuurhistorie en erfgoedbeheer.

Taken Artikel 4 1. Ter bereiking van het doel waartoe zij is opgericht, richt de Metropoolregio zich op de navolgende taken: a. Het opstellen van een regionale agenda. b. Het organiseren van de inzet van gemeenten op de thema’s van de regionale agenda. c. Het gezamenlijk optrekken van gemeenten, op de thema’s van de regionale agenda naar provincie, Rijksoverheid, Europese en internationale instellingen, -bedrijven en overheden. d. Het inzetten van regionale investerings- en stimuleringsfondsen binnen de thema’s van de regionale agenda. 2. De taken, die bij de belangenbehartiging als bedoeld in artikel 3, tweede lid, horen, luiden als volgt: a. Het beheer van de fondsen en voorzieningen, verkregen uit de verkoop van de NV RAZOB ter dekking van de verplichtingen ten aanzien van de eindafwerking en de nazorg van de stortplaats en de ontwikkeling van het Landgoed Gulbergen alsmede het optreden als grondeigenaar van het landgoed dat uit het beheer voortvloeit. b. Optreden als contractspartij namens de gemeenten, in de rechtsverhouding tussen de Vereniging van Contractanten, Afvalsturing Brabant en Attero N.V. c.q. de rechtsopvolgers, inzake de verwerking van restafval en GFT-afval, alsmede het beheren van dat contract. 3. De taken, die bij de belangenbehartiging als bedoeld in artikel 3, derde lid, horen, luiden als volgt: a.

Het initiëren en stimuleren van en participeren in initiatieven op het gebied van cultuurhistorie en erfgoedbeheer. b. De zorg voor en het beheer van de archiefbescheiden, die krachtens de Archiefwet 1995 naar de archiefbewaarplaats(en) van de Metropoolregio zijn overgebracht. c. Het toezicht op de niet-overgebrachte archiefbescheiden van de gemeenten en de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. d. Het adviseren van de gemeenten en de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden op het gebied van de inrichting van de documentaire informatiehuishouding. 4. Het bepaalde in lid 3, is niet van toepassing op de gemeente Gemert-Bakel.

-3

Bevoegdheden Artikel 5 1.

2.

3.

4.

Onverminderd de rechtstreeks door de wet aan haar toegekende bevoegdheden, is het bestuur van de Metropoolregio ter uitoefening van haar taken, genoemd in artikel 4, eerste lid, bevoegd: a. algemeen verbindende voorschriften te geven over: − het instellen en beheren van regionale investerings- en stimuleringsfondsen; − de eigen organisatie en bedrijfsvoering. b. een regionale agenda vast te stellen. c. het oprichten van onderscheidenlijk deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperaties en verenigingen, dan wel de ontbinding daarvan of beëindiging van deelneming daarvan, onverminderd het bepaalde in artikel 31a van de wet. d. een gemeenschappelijke regeling tussen het openbaar lichaam en andere openbare lichamen vast te stellen en te wijzigen, alsmede het toetreden tot en het uittreden uit een dergelijke gemeenschappelijke regeling. e. met één of meer gemeenten samenwerkingsovereenkomsten te sluiten met betrekking tot ondersteunende dienstverlening. De bevoegdheden, die het bestuur van de Metropoolregio heeft ter uitoefening van de taken als bedoeld in artikel 4, tweede lid, luiden als volgt: a. Landgoed Gulbergen: het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen als grondeigenaar van het landgoed en het doen van uitgaven uit het fonds en de voorzieningen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a. b.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13882505/1