Antwoorden op technische vragen PvdA over Lijst Verklaring van geen bedenkingen
Tekst van het document
Berg, Bauke van der Van: Verzonden: Aan: CC: Onderwerp:
Berg, Bauke van der woensdag 23 juni 2021 16:00 Burgercommissieleden; Collegeleden; Raadsleden Jaspers, Jan; Leenders, Paul FW: technische vragen t.a.v. agendapunt 8 in AdviesCie 24 juni
Geachte mevrouw, meneer, De heer De Mare (PvdA) heeft technische vragen gesteld over het raadsvoorstel over de lijst Verklaringen van geen bedenkingen. Dit voorstel wordt besproken in de adviescommissie van 24 juni. Hieronder vindt u de vragen en de antwoorden hierop. Deze plaatsen we ook in Notubox. Met vriendelijke groet,
B.F. (Bauke) van der Berg adjunct raadsgriffier Postbus 950, 5700 AZ Helmond Zuid Koninginnewal 4, 5701 NT Helmond Tel. (0492) 58 71 54 Mob. (06) 10 94 19 14
Vraag 1: Uit de toelichting op het voorstel begrijpen wij dat onze raad in 2011 unaniem heeft besloten dat in alle gevallen waarbij deze projectbesluitprocedure zou kunnen worden doorlopen, het college dat dan ook gemandateerd zou mogen doen, zonder de raad om een VVGB te vragen. En dat ons nu wordt voorgelegd om enige beperkingen - en dus juist géén uitbreiding - t.o.v. dat oude besluit in te stellen. Is deze constatering juist? Deze constatering is juist. Zie ook het raadsbesluit uit 2011 dat aan de stukken is toegevoegd. Zoals u in het raadsbesluit uit 2011 kunt lezen heeft de gemeenteraad destijds besloten om alle aanvragen voor een projectbesluit-procedure aan te wijzen als gevallen waarvoor een ‘verklaring van geen bedenkingen’ (vvgb) van de gemeenteraad niet is vereist. Op basis van jurisprudentie blijkt nu dat categorieën omschreven moeten worden. Op basis van het nu voorliggende raadsvoorstel worden deze categorieën omschreven en is aangesloten bij het raadsvoorstel van 2011. Het betreft feitelijk een technische wijziging. Hierbij moet gezegd worden dat, in tegenstelling tot het raadsbesluit van 2011 waarin alle aanvragen werden aangewezen, met het nu voorliggende raadsbesluit aanvragen zoals zonneparken en windmolens niet onder deze categorieën vallen en dus altijd via een vvgb aan de raad worden voorgelegd. Het betreft dus juist geen uitbreiding.
Vraag 2: Het voorstel heeft een zuiver juridische insteek, geen inhoudelijke. In welke gevallen wordt voor deze procedure gekozen? Want in gevallen waarbij een nieuw project of een projectverandering flinke invloed op de omgeving heeft is het vanuit de bescherming van de rechtspositie van de omgeving (omwonenden of andere bedrijven) toch altijd beter om een bestemmingsplanprocedure te doorlopen? Daar is die toch voor bedoeld? En déze procedure is toch vooral bedoeld om plannen met minder vérstrekkende, of minder omstreden, gevolgen vlotter te kunnen laten doorgaan? Hier ontvangen wij graag wat meer uitleg over. Een initiatiefnemer heeft bij een ontwikkeling die in strijd is met het bestemmingsplan zelf de keuze om een aanvraag in te dienen voor een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan, of om te vragen om een herziening van het bestemmingsplan. In een bestemmingsplan worden regels opgenomen die voor herhaalde toepassing vatbaar zijn (m.a.w. op basis van een bestemmingsplan kan in lengte van jaren verschillende initiatieven worden ingediend en vergund mits deze passen binnen de nieuwe bestemming) en vervalt de onderliggende “oude” bestemming. Bij de keuze voor het bestemmingsplan kan rekening worden gehouden met wijzigingen in het project door het project wat ruimer te bestemmen.
Bij een omgevingsvergunning dient het project concreet te zijn uitgewerkt en kunnen in een later stadium in principe geen wijzigingen worden doorgevoerd zonder de procedure opnieuw te doen. Welke procedure voor hem het meest geschikt is, is primair aan de aanvrager. Het is niet zo dat de bestemmingsplanprocedure vanuit een oogpunt van rechtsbescherming met meer waarborgen is omkleed. Voor beide procedures moet een goede ruimtelijke ordening zijn gewaarborgd, en moet er een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld (waarbij dezelfde onderzoeken moeten worden gedaan). Beide procedures doorlopen een vergelijkbare zienswijzeprocedure waarop een ieder een zienswijze kan geven (deze zienswijzeprocedure inclusief publicatieplicht geldt altijd, of een situatie nu wel of niet onder de categorieën van gevallen wordt opgenomen). Na vaststelling geldt bij een bestemmingsplanprocedure rechtstreeks beroep bij de Raad van State. Bij een omgevingsvergunning is er de mogelijkheid van beroep in twee instanties (eerst bij de rechtbank, dan bij de Raad van State).
Vraag 3: Het vastleggen van een grens tussen deze beide procedures lijkt ons heel moeilijk. Bijvoorbeeld tot 1 bouwlaag méér dan het vigerende bestemmingsplan? Of tot 100 m² BVO méér? Zelfs een behoorlijk beperkte verandering – zoals bijvoorbeeld alleen een aanpassing van de functionaliteit kan al voor flinke commotie zorgen. Kunt u aangeven of een begrenzing van de omvang van de gevallen die onder deze regeling vallen haalbaar of werkbaar zou kunnen zijn? De keuze welke procedure (Wabo-projectafwijking of wijziging bewstemmingsplan) het meest geschikt is, is niet altijd even eenvoudig te maken. Aanvrager is daar in principe zelf sturend in (zie antwoord onder 2). Indien u vraagt of er qua maatvoering/oppervlak een begrenzing is aan te brengen in de voorgestelde categorieën (dus dat de raad bij een bepaalde maatvoering of oppervlak wel een verklaring van geen bedenkingen wenst af te geven), dan kunnen we u melden dat dat mogelijk is. Het is echter tot op een bepaalde hoogte wat arbitrair (zoals u aangeeft moeilijk) om getallen of oppervlaktes op te nemen en gezien het raadsbesluit van 2011 is het voorstel een dergelijke begrenzing niet aan te brengen. Overigens zal een aanvraag altijd getoetst worden aan een goede ruimtelijke ordening. Indien daarvan geen sprake is kan en zal een vergunning niet worden verleend.
Ook de gemeenteraad kan een aanvraag enkel weigeren of verlenen op basis van ruimtelijk relevante aspecten.
1