CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

A3 Aanbiedingsbrief TNO-Jaarrapportage Meetnet Luchtkwaliteit (GEANONIMISEERD)

Gemeenteraad 9 januari 2024, gemeente HelmondBij agendapunt: Ter kennisname22.619 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

regionaal meetnet zuidoost-brabant.

N<•>)REAS 1

LUCHT&GELUID Datum: 30 november 2023 Onderwerp: TNO-Jaarrapportage Regionaal Meetnet Luchtkwaliteit 2022

Aan: Geadresseerde

Beste partner, lezer,

Als onderdeel van het Regionaal Meetnet maakt TNO een jaarlijkse analyse van de sensormetingen zoals deze nu in Zuidoost-Brabant plaatsvinden. De TNO-jaarrapportage 2022 wordt via deze brief aan u aangeboden. Het Regionaal Meetnet* draagt bij aan een gezondere leefomgeving in Zuidoost-Brabant door te onderzoeken hoe innovatieve sensortechnieken inzicht kunnen bieden in de regionale luchtkwaliteit, op welke manieren meetgegevens kunnen bijdragen aan campagnes ten behoeve van gedragsverandering in de samenleving en de wijze waarop monitoring in het kader van de Omgevingswet mogelijk kan worden gemaakt. Analyse en rapportage meetresultaten 2022 In de bijgaande infographic zijn de huidige inzichten en belangrijkste aanbevelingen voor verbetering van de luchtkwaliteit vanuit de jaarrapportage 2022 samengevat. Hier valt bijvoorbeeld in te ontdekken dat: • Stedelijk gebied: Stikstofdioxide (NO2) wordt sterk lokaal bepaald waarbij verkeer een belangrijke bron is. Concentratiepieken worden gemeten tijdens de ochtend- en avondspits gedurende werkdagen. In het stedelijk gebied liggen de concentraties daarbij hoger dan in het buitengebied. Op zaterdag en zondag is de ochtendpiek, ook in de stad, gemiddeld bijna niet waarneembaar doordat er dan veel minder verkeer is.

Dit verschil tussen week- en weekenddagen geeft een indicatie van het belang van verkeer gerelateerde maatregelen om NO2 concentraties te verlagen. • Buitengebied: Naar schatting komt meer dan tweederde van het fijnstof de regio binnengewaaid als achtergrondbelasting. Met name bij (noord-)oostenwind is dit zo. Opvallend is de relatieve toename van kleinere deeltjes (PM2.5) tijdens de winterperiode. Dit valt samen met een toename van roet, gemeten aan het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, in de stad én buitengebied. Waarschijnlijk komt dit door toenemende verbrandingsemissies door verwarming en, wellicht, transport. Mogelijke invloed van veehouderij is te zien in pieken van grove deeltjes fijnstof (PM10) op enkele locaties. Niet alle meetlocaties gericht op veehouderij meten echter deze pieken, wat erop duidt dat type veehouderij, specifieke activiteiten of lokale omgevingsfactoren een rol spelen in wat we terugzien. • Luchthavengebied: In het luchthavengebied meten we ultrafijnstof op drie meetlocaties. De invloed van vliegverkeer en het nabije autoverkeer is te zien in deze metingen. Dit levert gedurende de dag een verhoging op van ultrafijnstof op de meetlocaties in het luchthavengebied, met uitschieters op plekken benedenwinds van luchthaven en (snel-)wegen. In hoeverre dit ultrafijnstof zich over de rest van de regio verspreidt is een vraag voor verder onderzoek.

Regionaal Meetnet initiatiefnemende partners: AiREAS. Gemeente Eindhoven. Provincie Noord-Brabant. GGD Brabant-Zuidoost. RIVM. TNO, Universiteit Utrecht, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant

regionaal meetnet zuidoost-brabant.

A(<•>)REAS 1

LUCHT&GELUID Datum: 30 november 2023 Onderwerp: TNO-Jaarrapportage Regionaal Meetnet Luchtkwaliteit 2022

Hoe kunt u het meetnet gebruiken? De meetgegevens van het Regionaal Meetnet zijn openbaar toegankelijk voor eigen gebruik door overheden, bedrijfsleven en burgers. Zie Fijnstof-monitoring en/of Samen Meten (ook vindbaar via www.odzob.nl/meetnet). Heeft u bijvoorbeeld al eens gedacht aan de volgende mogelijkheden? • Fijnstof en stikstofdioxide in het omgevingsplan: Onder de Omgevingswet wordt het mogelijk om een lagere norm voor onder meer fijnstof en stikstofdioxide 1 op te nemen dan de Europese normen en daarmee te gaan voor een gezondere leefomgeving. Dat mag een begrenzende norm zijn (de belasting is nog lager dan de nieuwe norm) of een beperkende (de belasting is al hoger dan de nieuwe norm). In het laatste geval is volgens de Omgevingswet een omgevingsprogramma luchtkwaliteit nodig met maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Data van het Regionaal Meetnet kan hierbij waardevolle input geven. • Selectie van verkeersmaatregelen: Zoals de meetresultaten laten zien is verkeer binnen de stad de belangrijkste bron van stikstofdioxide. Via een verkeersanalyse kan beoordeeld worden welke verkeersmaatregelen nodig zijn om de concentratie van verontreinigde stoffen te verminderen. De meetdata kan hier verdere onderbouwing aan geven. Het helpt hierbij een selectie te maken van verkeersmaatregelen, bijvoorbeeld in de context van het Schone Luchtakkoord (SLA).

• Vuurwerkverbod: In Eindhoven is recent een vuurwerkverbod ingevoerd (zie Eindhoven krijgt vuurwerk- en lichtshow, vuurwerkverbod wordt definitief}. Uit een combinatie van verschillende soorten meetdata bleek dat de bijdrage van fijnstof tijdens oudjaar zodanig hoog is dat deze een gezondheidsbelasting geeft die gelijk is aan 5 maanden blootstelling tijdens normale werkdagen. Hier zijn onder andere ook meetgegevens van het Regionaal Meetnet voor gebruikt welke een overzicht geven over de toename van fijnstof rond oudjaar in de gehele stad (en regio). Vervolgacties voor 2024 In het verlengde van deze rapportage en de ervaringen en kennis opgedaan tot dusver, breiden we onze inzet voor een schonere regio in 2024 uit. Hiervoor gaan we aan de slag met een drietal pijlers, te weten "Meten en kennisbasis", "Inzicht delen" en "Instrumenten". Binnen de eerste pijler gaan we ons richten op aansprekende mobiele meetcampagnes in de regio, welke een inspiratie kunnen vormen voor het werken aan schone lucht. Onder de tweede pijler vallen activiteiten om inzichten uit het meetnet nog meer te verspreiden in de regio en het samen werken aan schone lucht te stimuleren.

Binnen de derde pijler worden nieuwe manieren vormgegeven om de operationele meetgegevens en kennis voortkomend uit het Regionaal Meetnet toegankelijk en bruikbaar te maken voor burgers, bedrijfsleven en overheid voor hun eigen schone lucht aanpak.

1 Op basis van artikel 2.11 Omgevingswet en artikel 2.la Besluit kwaliteit leefomgeving

Regionaal Meetnet initiatiefnemende partners: AiREAS. Gemeente Eindhoven, Provincie Noord-Brabant, GGD Brabant-Zuidoost, RIVM. TNO, Universiteit Utrecht, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant

2

r

ion

UI

L J( 1 l l , , Dë1l1m1: JO novomtmr 202:l Ondurwnrp TNO-.J;1;1r!",1ppoil:iqcJ f oq1011,wl Muoltwl l ud1lkw,1litrnl '.-'02J

Neem contact met ons op De TNO jaarrapportage over 2022 brengt de regionale luchtkwaliteit verder in beeld. Via werksessies in de regio zullen we de tot dusver opgedane kennis samen met gemeenten omzetten in handelingsperspectief om de luchtkwaliteit te verbeteren. Ook zijn we benieuwd welke mogelijke aanvullende behoeftes er leven bij u. Uw vragen, opmerkingen en suggesties naar aanleiding van deze rapportage of het meetnet in zijn algemeenheid horen we dan ook graag en kunt u sturen naar meetnet odzob.nt.

Met vriendelijke groet,

Lid Alge rfBestuur Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant Voorzi?pstuurgroep Regionaal Meetnet

Opdrachtgever AIREAS Lid Regiegroep Regionaal Meetnet

Bijlagen • Infographic • TNO-Rapportage: 'Regionaal Meetnet ILM2 in Zuidoost-Brabant: Jaarrapportage 2022'

"Regionaal Innovatief Lucht Meetnet (ILM2.0) In 2020 zijn we met de deelnemende partners• gestart met het opzetten van een Regionaal Meetnet lucht (Innovatief Lucht Meetnet 2.0) in Zuidoost-Brabant. Het Regionaal Meetnet is een samenwerkingsverband met als doel om de kwaliteit van de lucht te meten en te monitoren in het stedelijk gebied, het buitengebied en de omgeving van de luchthaven Eindhoven. Nagenoeg alle regiogemeenten in Zuidoost-Brabant, de provincie en de gemeenten Boxtel en Melerijstad zijn aangesloten bij het Regionaal Meetnet. Het Meetnet heeft ca. 50 innovatieve meetstations operationeel die (ultra)fijnstof en stikstofdioxide meten (zie ïn ·tof-monit rin en/of S men M n). Samen met de drie meetstations van hel Landelijke Meetnet Luchtkwaliteit kunnen we de luchtkwaliteit daardoor in de regio fijnmazig en continu (24/7) monitoren via open data. www.odzob.nl/meetnet N'!I

f:INDHOVEN

N1' fW

, I ( 11n. •nih·1t l '111·1 h1 • ,.- Il,

•

1

1,

1'

'

1 •t. '

11 '

',

1 1 f 1

'.

.'

\

.

UM<,1 VING',IJII N',1

TNO-Jaarrapportage luchtkwaliteit 2022

Toch is er op regionaal vlak ook voor stikstofdioxide een grootschaliger patroon zichtbaar. Bij oostenwind stijgen Met (noord) in de hele regio de oostenwind stijgen de concentraties.fijnstofconcentraties

Meetresultaten 2022 Het Regionaal Innovatief Lucht Meetnet (ILM2.0) geeft een beeld over de luchtkwaliteit in de regio. Beweeg met je muis over onderstaande knoppen om de resultaten te tonen.

Fijnstof

beweegt zich als BOXTEL een deken over de regio. Op sommige meetlocaties (NO2) is sterker lokaal zijn verhoogde bepaald dan fijnstof en met concentratiepieken name rondom drukke wegen zichtbaardoor lokale activiteiten (weg-) Verkeer vind jezoals verhogingen. OIRSCHOT werkzaamheden. is dan ook een belangrijke

MEIJERIJSTAD

Stikstofdioxide

GEMER BAKEL

LAARBEEK SON EN BREUGEL BEST

bron van NO2.

FIJNSTOF

in de regio ZuidoostBrabant. Voor mensen met onderliggende • In de zomer van 2022 waren de gezondheidsklachten iets gemiddelde om rekeningfijnstofconcentraties mee in tegemiddeld houden. gemeten buitengebied en stedelijk gebied • het De concentraties gelijkend. de zijn winterperiode meten fijnstof enIn NO2 gelijkend aan 2021.

HELMOND

EINDHOVEN AIRPORT

in het buitengebied gemiddeld De laagste concentraties fijnstofdan en • we Ultrafijnstof zijn deeltjes kleiner

NUENEN CA

gezien lagere fijnstofen NO2 NO2 vinden we net vorig jaar terug 100nm en wordt opals 3 meetlocaties

EINDHOVEN

STIKSTOFDIOXIDE

DEURNE

25

concentraties dan (waarschijnlijk in de stad. in in de hetstadsparken luchthavengebied gemeten.

MEETPUNTEN

doordat er hier lokaleen bronnen De invloed van geen luchtvaart De concentraties • Net 2021 op een aantal zijn). wegverkeer is inworden de metingen • als Hetingebied Regionaal Meetnet meet in het stedelijk meetlocaties op regelmatige basis duidelijk zichtbaar. fijnstof, stikstofdioxide en zijn•gemiddeld hoger PM10 concentratiepieken Op werkdagen zijn er NO2 gemeten pieken ASTEN UFP via sensoren op ca. dan in luchthavenwelke samenhangen met zichtbaar dedeochtenden nabij • het Rond 7mogelijk uurtijdens nemen gemiddeld 50 meetlocaties in de regio en buitengebied. gelegen Het is echter nog avondspits. Tijdens de weekenddagen gemetenveehouderij. concentraties ultrafijnstof Zuidoost-Brabant. In de winter worden niet uit sluiten andere factoren ontbreekt desamen piekdat inmet de ochtend door toe,er dit te valt het opstarten regiobreed relatief kleinere Op werkdagen hier eenverkeersdrukte. rol in spelen. afnemende Dittoename verschil van ook de vliegactiviteiten en de deeltjes fijnstof gemeten •illustratief De data zijn de openbaar liggen de concentraties is voor bijdrage te aan NO2 van het wegverkeer. door toenemende emissies uit gebruiken viade dustmonitor/ verwarming en mogelijk ook hoger op meetlocaties • Op andere nabij vandan verkeer binnen stad. transport. Efficiënte manieren samenmeten. is ditblijft nietde het geval.

• veehouderijen Gedurende de dag hoeveelheid weekenddagen en de van verwarmen kunnen deze zijn de gemiddeld • Hier De ultrafijnstof verhoogd gemeten binnen fijnstof ochtendenachtergrondconcentraties avondspits toename helpen verminderen. meer in lijn zo’n binnen liggen het waarbij • luchthavengebied, Er het zijnstedelijk mobielegebied meetpunten zijn fijnstofconcentraties zichtbaar. met achtergrondlocaties in het en wat 5% hoger dan in het buitengebied, benedenwinds van luchthaven beschikbaar voor gerichte buitengebied. Mogelijk datverhogingen het type enig inzicht geeft in de bijdrage van de (snel-)wegen de grootste onderzoeksvragen. veehouderij hier een rol in speelt. stad als geheel. zichtbaar zijn.

Regionaal Meetnet initiatiefnemende partners: AiREAS, gemeente Eindhoven, Provincie Noord-Brabant, GGD Brabant-Zuidoost, RIVM, TNO, Universiteit Utrecht, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant

| www.odzob.nl/meetnet

GELDRO MIERLO

VELDHOVEN

LUCHTHAVENGEBIED

STEDELIJK GEBIED BUITENGEBIED

REUSE DE MIERDEN

BLADEL

WAALRE

E

SOMEREN

EERSEL

BERGEIJK

V WAARD

CRANENDONCK

| Dustmonitor / Samenmeten

TNO-Jaarrapportage luchtkwaliteit 2022

Aanbevelingen Het Regionaal Meetnet legt een unieke basis voor onderzoek naar en innovatie m.b.t. de luchtkwaliteit in de leefomgeving van Zuidoost-Brabant. In het verlengde van de ervaringen en kennis opgedaan dusver gaan we aan de slag met een drietal pijlers voor verdere inbedding van het Regionaal Meetnet in de regio.

Vervolgstappen 2024: Pijler 1 - Meten en kennisbasis We meten de regionale luchtkwaliteit toegespitst op het stedelijk gebied, rondom veehouderijen en Eindhoven Airport. De huidige meetboxen, mobiele meetboxen en eventuele aanvullende metingen geven meer inzicht in de regionale luchtkwaliteit en handelingsperspectief voor een gezondere leefomgeving. In 2024 zetten we in op: • • Het vormgeven en uitvoeren van aansprekende meetcampagnes binnen de regio met de mobiele meetboxen. Hierbij richten we ons op Activiteiten die lokaal potentieel veel luchtvervuiling veroorzaken in een bepaalde periode danwel Experimentele maatregelen die op korte termijn doorgevoerd gaan worden die de lokaal veroorzaakte luchtvervuiling verlagen. • Het doel van deze meetcampagnes is om te leren en te enthousiasmeren. Op deze locaties zijn de beoogde (verandering van) activiteiten bekend, wat betekent dat er een veel directere koppeling te maken is tussen dynamiek in de lokaal heersende luchtkwaliteit en activiteiten. Dit kan inspirerende voorbeelden opleveren van de regio.

Pijler 2 - Inzicht geven We luisteren en leggen uit wat de resultaten en bevindingen zijn vanuit het Regionaal Meetnet (meetdata, burgerparticipatie, sensoren, veehouderij onderzoek etc.) en geven hiermee inzicht in de regionale luchtkwaliteit voor handelingsperspectief / beleidsaanpassing gemeenten. Dit vertaalt zich in 2024 in: • Het voorzien van gemeentes van inzichten over de luchtkwaliteit en argumenten om deze te verbeteren via doelgerichte ILM 2.0 bijeenkomsten per gebied. Het doel hierbij is om via enkele presentaties en breakout sessies te komen tot gezamenlijke stappen op de weg naar schone lucht. • Daar waar reeds mogelijk de samenwerking tussen burgers, gemeente en andere stakeholders te voorzien van instrumenten, inspiratie en open ruimte voor eigen initiatieven.

Pijler 3 - Instrumenten We faciliteren deelnemende gemeenten met instrumenten/ hulpmiddelen voor luchtkwaliteit die bijdragen aan beleidsaanpassing/handelingsperspectief voor een gezondere leefomgeving. Met behulp van deze ‘instrumenten’ kan er gecommuniceerd worden met de doelgroepen over luchtkwaliteit. In 2024 gaan we aan de slag met: • Het samenbrengen van informatie over de (regionale) luchtkwaliteit en de hieraan gerelateerde gezondheidsimpact en dit via verschillende communicatielijnen toegankelijk maken aan de verschillende doelgroepen binnen het Regionaal Meetnet. • Het onderzoeken van nieuwe manieren om de meetgegevens van het Regionaal Meetnet toegankelijk te maken aan overheden, burgers en bedrijfsleven. Bijvoorbeeld in de vorm van doelgroep-specifieke apps en/of dashboarden danwel integratie van deze meetgegevens in een te ontwikkelen regionale kaart van de luchtkwaliteit.

*Regionaal Meetnet initiatiefnemende partners: AiREAS, gemeente Eindhoven, Provincie Noord-Brabant, GGD Brabant-Zuidoost, RIVM, TNO, Universiteit Utrecht, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant

| www.odzob.nl/meetnet

| Dustmonitor / Samenmeten

Regionaal Meetnet ILM2 in ZuidoostBrabant: Jaarrapportage 2022

TNO 2023 R11852 7 november 2023

TNO Intern

Energy & Materials Transition www.tno.nl +31 88 866 42 56 info@tno.nl

TNO 2023 R11852 7 november 2023

Regionaal Meetnet ILM2 in Zuidoost-Brabant: Jaarrapportage 2022

Rubricering rapport

Daniëlle van Dinther, Ruben Goudriaan, Gerrit Jan de Bruin, Jun Zhang, Janot Tokaya, Sjaak Kaandorp, Marcus Blom TNO Intern

Titel

TNO Intern

Rapporttekst

TNO Intern

Bijlagen

TNO Intern

Aantal pagina's

71 (excl. voor- en achterblad)

Aantal bijlagen

3

Opdrachtgever

AiREAS

Projectnaam

AiREAS - ILM2

Projectnummer

060.34603

Auteurs

Consortium Regionaal Meetnet Zuidoost-Brabant

TNO 2023 R11852

Alle rechten voorbehouden Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van TNO.

© 2023 TNO

TNO Intern

TNO 2023 R11852

Terminologie CAIREBox

Daggang Fijnstof (PM)

Grenslaag (hoogte)

ILM1

ILM2

Jaarprofiel van daggemiddelde LML Meetlocatie

Normering

NO2 UFP Weekgang

Windroosanalyses

TNO Intern

De CAIREBox is het meetplatform waarmee het Regionaal Meetnet is opgebouwd. De CAIREBox bevat sensoren voor metingen aan fijnstof en stikstofdioxide welke elke 10 minuten een meting uitvoeren. De daggang vertoont de gemiddelde gang van luchtvervuilende stoffen per uur over de dag. Fijnstof is een vorm van luchtvervuiling die bestaat uit deeltjes die blijven zweven. De afkortingen PM1, PM2.5 en PM10 staan voor de fijnstoffracties met deeltjesgroottes tot aan respectievelijk 1; 2,5; en 10 µm. De deeltjesgrootte is mede illustratief voor de bijdragende bron. Ook wel menglaag genoemd. In deze onderste laag van de atmosfeer is de invloed van het aardoppervlak direct merkbaar en zorgen turbulente wervels voor transport en menging van luchtverontreinigende stoffen. De grenslaag(hoogte) is de bovenkant van de grenslaag. Het ILM1 sensornetwerk is de voorloper van het huidige Regionaal Meetnet waarbij op 35 locaties in Eindhoven van 2013 tot en met 2018 de luchtkwaliteit gemeten werd. Dit is het huidige Regionaal Meetnet in Zuidoost-Brabant. Hierbij wordt zowel het stedelijk gebied, de invloed van de luchthaven als het buitengebied. In het jaarprofiel staan de daggemiddelde gemeten concentraties per stof getoond verdeeld over het jaar. Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, het referentie meetnet voor luchtkwaliteit van het RIVM.

De meetlocatie geeft de plek aan waar de luchtkwaliteit bemeten wordt. Deze locaties hebben een uniek ID gevormd door de letters ILM plus een volgnummer. Normen geven aan tot welke concentraties lucht-vervuilende stoffen, zoals fijnstof en stikstofdioxide, beperkt moeten worden. De WHOadvieswaarden uit 2021 (PM2.5: 5 µg/m3, PM10: 15 µg/m3, NO2: 10 µg/m3) zijn strenger dan de geldende wettelijke EU-grenswaardes (PM2.5: 20 µg/m3, PM10: 40 µg/m3, NO2: 40 µg/m3). Stikstofdioxide. Deze stof komt vooral in de lucht terecht door uitlaatgassen van verkeer en industrie. Ultrafijnstof, met deeltjesgroottes tot aan 0,1 µm. De weekgang vertoond de gemiddelde gang van luchtvervuilende stoffen per uur over de week. Hierdoor wordt bijvoorbeeld het verschil in luchtkwaliteit tussen week- en weekenddagen inzichtelijk. Windroosanalyses onderzoeken hoe de concentraties per stof variëren over het jaar in relatie tot variaties in windrichting en windsnelheid. Daardoor wordt het mogelijk eventuele bronnen in de regio te identificeren.

TNO 2023 R11852

Achtergrond Het consortium ILM2 bestaat uit AiREAS, gemeente Eindhoven, Provincie Noord-Brabant, GGD Brabant-Zuidoost, RIVM, TNO, het IRAS instituut van de Universiteit Utrecht (UU-IRAS) en Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. ILM2 wordt uitgevoerd met financiële steun van de Provincie Noord-Brabant, gemeente Eindhoven, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant en deelnemende regiogemeenten: Asten, Bergeijk, Best, Boxtel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven (partner en deelnemer), Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Meierijstad, Nuenen, Oirschot, Reusel-De Mierden, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre. Daarnaast heeft een aantal gemeenten deelname in beraad of wacht op officiële besluitvorming. Met de aanleg van het Innovatief Luchtmeetnet 2.0 (ILM2) wordt de luchtkwaliteit in de regio Zuidoost-Brabant bemeten op ongeveer 50 meetlocaties. De aandachtsgebieden zijn het stedelijk gebied, het gebied rond de luchthaven en het buitengebied met veel veehouderij. Alle data zijn daarbij openbaar beschikbaar, zoals via Dustmonitor en Samen Meten. ILM2 legt hiermee een unieke basis voor onderzoek naar en innovatie in de leefomgeving van Zuidoost-Brabant: door bewustwording van de heersende luchtkwaliteit, het bieden van handelingsperspectieven en/of verschillende samenwerkingsvormen wordt in co-creatie gewerkt aan een gezondere regio.

Het ILM2 is door het consortium geïnitieerd ter ondersteuning van beleid voor een gezondere samenleving. Met dat doel in het achterhoofd is het logisch dat ook veel van de deelnemende overheden bij de initiatiefnemers van het Schone Lucht Akkoord horen. Het doel van dit akkoord is om de luchtkwaliteit in Nederland permanent te verbeteren. Concreet streven de deelnemende partijen naar een gezondheidswinst van minimaal 50 procent in 2030 ten opzichte van 2016. Om dit te bereiken zijn er themagroepen ingericht en heeft het RIVM gezondheids-indicatoren ontwikkeld waarmee het rijk, provincies en gemeenten hun ambitie kunnen monitoren. Een belangrijk onderdeel in de rekenketen is het vaststellen van concentraties en blootstelling. Dat is mede waar het ILM2 aan moet gaan bijdragen. Dit rapport betreft de tweede jaarrapportage van het ILM2 voor het jaar 2022.

Rol RIVM en UU-IRAS in het onderzoek Dit rapport geeft de visie van TNO weer, zoals door de auteurs beschreven. Het RIVM en UUIRAS waren als kennispartner bij het onderzoek betrokken en hebben vooraf geadviseerd over de opzet en uitvoering van het ILM2-meetnet. Als tegenlezers hebben het RIVM en UUIRAS feedback gegeven op de conceptversie van het eindrapport. De eindverantwoordelijkheid voor de inhoud van de rapportage ligt bij TNO.

TNO Intern

TNO 2023 R11852

Samenvatting Het Regionaal Meetnet Zuidoost-Brabant

Overzicht 2022 Het Innovatief Luchtmeetnet 2.0 (ILM2) onderzoekt de luchtkwaliteit in Zuidoost-Brabant. De meetlocaties van het ILM2 zijn bepaald door TNO, RIVM en UU-IRAS. Via deze meetlocaties wordt de stedelijke luchtkwaliteit, luchtkwaliteit rond de luchthaven en de luchtkwaliteit in het buitengebied, waaronder de invloed van veehouderij hierin, onderzocht. Op elke meetlocatie worden de concentraties fijnstof in verschillende groottes, namelijk PM1, PM2.5, PM10, en stikstofdioxide (NO2), gemeten met sensoren. Ook wordt in het luchthavengebied UFP gemeten. Deze stoffen zijn voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor de gezondheidslast gerelateerd aan luchtvervuiling en daarmee (regionale) luchtkwaliteit.

Het ILM2 meetnet in Zuidoost-Brabant in 2022. Alleen operationele meetlocaties staan getoond.

In 2022 zijn er drie meetlocaties toegevoegd aan het vaste meetnet tot een totaal van 47 vaste meetlocaties: • Er zijn 25 meetlocaties in het stedelijk gebied. Dit zijn 21 vaste meetlocaties in Eindhoven en 4 gemeentelijk gefinancierde meetlocaties in Helmond. • Er zijn 3 meetlocaties in het luchthavengebied rond Eindhoven Airport. Op deze 3 meetlocaties wordt ook UFP gemeten. • De selectie van de meetlocaties in het buitengebied is gedaan op basis van de GCN kaart met de veehouderij bijdragen van stallen op de PM10 concentraties. Er zijn 15 meetlocaties in het buitengebied: dit zijn 6 meetlocaties met een verwachte lage bijdrage PM10 vanuit veehouderij (< 1 µg/m3), 6 meetlocaties met een verwachte middelhoge bijdrage PM10 (1-5 µg/m3) en 3 meetlocaties met een verwachte hoge bijdrage PM10 (> 5 µg/m3).

TNO Intern

TNO 2023 R11852

•

•

Daarnaast zijn 4 gemeentelijk gefinancierde meetlocaties geplaatst in de regio: 2 in Best (beide op verkeersbelaste locaties) en 1 in Reusel-de Mierden en 1 in Oirschot (beiden regionale achtergrond). Er is op 2 meetlocaties in Nuenen tijdelijk gemeten als onderdeel van een tijdelijke meetcampagne gericht op het inzichtelijk maken van de invloed van lokaal verkeer op de luchtkwaliteit.

Werking meetnet in 2022 Een belangrijk aandachtspunt binnen het ILM2 meetnet is het meten van de luchtkwaliteit met sensoren in netwerkverband te evalueren en verder te optimaliseren. De gemiddelde uptime van het meetnet ligt in 2022 rond de 98%, in verhouding tot de maximaal aantal beschikbare meetdagen na plaatsing van een meetpunt. Dit betekent dat er voor 98 van de 100 mogelijke meetdagen meetgegevens zijn waarop een daggemiddelde zou kunnen worden berekend. De fijnstofsensoren presteren vergelijkbaar aan 2021. De sensoren correleren qua dagelijkse variatie goed met het LML aan de Genovevalaan, met een correlatie1 van 0,82 op basis van daggemiddelde waardes voor de ILM2 meetlocatie naast het LML. Uit verschillende analyses blijkt dat er ongeveer tot 20% sensor specifieke onzekerheid zit op de gemiddelde meetwaarden over een langere periode (een aantal maanden tot een jaar), waarbij sommige sensoren hoger en sommige lager meten dan de referentie (en daarmee tot elkaar). Op kortere tijdschalen kan er meer verschil optreden, bijvoorbeeld omdat op deze korte tijdschaal kleine bronnen in de omgeving voor korte pieken kunnen zorgen. In 2021 werden met name tijdens de zomermaanden afwijkende metingen zichtbaar voor NO2. In 2022 is actief ingezet op additioneel onderhoud om deze afwijkingen tot een minimum te beperken.

Daarnaast is voor deze rapportage een selectie gemaakt van de beschikbare NO2 meetgegevens. Wanneer er hoge correlaties ontstaan tussen de NO2 meetgegevens en ozon (correlatie>0.5) en/of anti correlatie tussen NO 2 en relatieve luchtvochtigheid (correlatie<-0.5) worden de meetgegevens niet gebruikt voor de analyses in dit rapport. Deze controlestap is per week uitgevoerd, hiermee blijven 56% van de meetgegevens beschikbaar voor analyse.

Aanpak analyses Gelijk aan 2021 worden de analyses van de regionale luchtkwaliteit uitgevoerd op verschillende schaalniveaus. Deze sluiten aan bij de opbouw zoals getoond in onderstaand figuur. De achtergrondconcentraties beschreven in dit rapport zijn bepaald door voor heel 2022 voor elk uur het 10-percentiel (oftewel laagste 10% van de metingen) te bepalen over alle sensormeetwaarden in het gehele ILM2 meetnet. Hierdoor wordt inzicht verkregen in hoeverre concentraties van luchtvervuilende stoffen kunnen worden gereduceerd door interventies te doen in Zuidoost-Brabant zelf. Er wordt daarnaast een vergelijking gemaakt van de gemiddelde concentraties per maand tussen het stedelijk gebied, het buitengebied en het luchthavengebied en groepen van locaties binnen deze aandachtsgebieden. Binnen deze drie aandachtsgebieden wordt op individuele meetlocaties ingezoomd om een beeld te krijgen van meer lokale bijdrages.

_______ 1

Correlatie geeft aan hoeveel samenhang er tussen twee grootheden zit. Hoe dichterbij één hoe meer samenhang er tussen de grootheden is.

TNO Intern

TNO 2023 R11852

Generieke opbouw van concentraties van (verkeersgerelateerde) luchtvervuilende stoffen (Bron: RIVM)

Analyse metingen van regionale luchtkwaliteit

Vergelijking met normen De gebruikte sensoren zijn geen referentieapparatuur en kunnen dus niet gebruikt worden om aan te tonen of normen gehaald worden. Desalniettemin geven de sensoren een indicatie dat op geen van de meetlocaties de wettelijke EU-Grenswaardes (jaargemiddelde PM2.5: 20 µg/m3, PM10: 40 µg/m3, NO2: 40 µg/m3) worden overschreden. De WHO advieswaarden uit 2021 (jaargemiddelde PM2.5: 5 µg/m3, PM10: 15 µg/m3, NO2: 10 µg/m3) liggen veel lager dan de EU-Grenswaardes2. De meest recente WHO advieswaarden worden voor alle genoemde stoffen in 2022 op vrijwel alle meetlocaties wel overschreden. Dit stemt overeen met het beeld voor grote delen van Nederland (Maas et al., 2022).

Fijnstof in de regio De metingen laten zien dat fijnstofconcentraties relatief homogeen zijn en als het ware als een deken over de regio heen liggen. Over het hele meetnet was de gemiddelde PM1, PM2.5 en PM10 concentratie respectievelijk 10,3; 12,7; en 18,9 µg/m 3. Dat is een fractie lager dan de gemiddelde concentraties gemeten door het ILM2 in 2021, respectievelijk 11,5; 13,9; en 19,3 µg/m3. De maandgemiddelde gemeten PM concentraties zijn tijdens de meeste maanden van het jaar 2022 vergelijkbaar in stedelijk en buitengebied: in het najaar liggen de gemiddelde PM concentraties in het stedelijk gebied iets hoger. In het luchthavengebied worden wel hogere PM waarden gezien, wat waarschijnlijk komt door nabijgelegen (weg)werkzaamheden (en niet met activiteiten op de luchthaven) tussen juni en begin september in de buurt van het meetpunt aan de Landardseweg. In Q1 en Q4 worden in alle gebieden relatief gezien meer fijne deeltjes gemeten (hogere PM2.5/PM10 ratio). Dit was ook in 2021 het geval en hangt waarschijnlijk samen met een toename van emissies uit _______ 2

Bron: https://www.rivm.nl/ggd-richtlijn-medische-milieukunde-luchtkwaliteit-en-gezondheid/wet-en-regelgevingluchtkwaliteit/europese-wetgeving-luchtverontreiniging

TNO Intern

TNO 2023 R11852

verbrandingsprocessen voor vervoer en verwarming. Een toename van roet in de regio in de wintermaanden, zichtbaar binnen het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, onderschrijft dit. Gedurende 2022 bestaat naar inschatting ongeveer 73% van de gemiddeld gemeten PM10 concentraties in de regio Zuidoost-Brabant uit achtergrond. Dit deel van het fijnstof komt waarschijnlijk vrijwel volledig van buiten de regio. De dynamiek in deze achtergrondconcentraties over de tijd hangt sterk samen met variaties in windrichting. Bij wind uit een NO en ZO gaan de gemeten concentraties PM in de hele regio omhoog, een patroon dat we in geheel Nederland terugzien. Dit geldt ook voor wind uit het ZW: wat hier precies de oorzaak van is zou verder moeten worden onderzocht. Daarnaast bewegen de regionale PM (achtergrond-)concentraties mee met de grenslaaghoogte in de atmosfeer.

Stikstofdioxide in de regio Stikstofdioxide wordt sterker lokaal bepaald dan PM. Hierbij is zichtbaar dat locaties met relatief hoge verkeersdrukte, net als in 2021, over het algemeen hogere concentraties NO 2 kennen. Daarmee is het logisch dat de gemiddeld gemeten concentraties NO 2 in het stedelijk gebied hoger zijn dan in het buitengebied. Binnen stedelijk gebied en luchthavengebied zijn twee NO2 concentratiepieken zichtbaar op een gemiddelde werkdag, welke te koppelen zijn aan de ochtend- en avondspits. In het weekend is de ochtendpiek minder goed zichtbaar. De gemeten piek in de middag ligt over het algemeen hoger dan de piek in de ochtend. Waarschijnlijk veroorzaakt door een afnemende grenslaaghoogte in de atmosfeer gedurende de namiddag/avond in combinatie met verkeersemissies. In het buitengebied zijn deze twee pieken ook zichtbaar maar gemiddeld over alle meetlocaties minder uitgesproken.

Luchthavengebied Binnen het luchthavengebied vallen met name de fijnstofconcentraties aan de Landardseweg (I14) op. Deze zijn van juni tot begin september in 2022 sterk verhoogd (voor PM10 gemiddeld 6 µg/m3 hoger gedurende deze periode). De verhogingen zijn met name zichtbaar in de namiddag, de wekelijkse gang laat pieken zien tot 60 µg m-3 (in vergelijking met 25 µg/m3 zonder werkzaamheden). Voor alle windrichtingen wordt de verhoging waargenomen. Deze verhogingen hebben waarschijnlijk te maken met nabijgelegen wegwerkzaamheden in de buurt deze meetlocatie. Mogelijk hangt dit samen met de aanleg van een tunnel onder de A2/N2 welke in deze periode plaats vindt. Voor UFP zien we hetzelfde beeld als in 2021. De UFP concentraties zijn verhoogd op de meetlocaties wanneer de wind vanaf de start- en landingsbaan of platforms van de luchthaven naar de meetlocaties staan. Ook de dagelijkse gang toont aan dat UFP vanaf de luchthaven zichtbaar is op de meetlocaties; voor alle locaties zien we een piek in de ochtend wanneer het vliegverkeer begint. Het patroon is daarmee vergelijkbaar met dat gemeten op het platform van de luchthaven door van Dinther et al. (2022). Het maximum van de ochtendpiek is binnen ILM2 wel significant lager dan op het platform (18.000 tegen 150.000 deeltjes per cm3). Dit zal deels veroorzaakt worden, doordat de metingen in Van Dinther et al.

(2022) dichter bij de vliegtuigen en daarmee de bron hebben plaatsgevonden. Anderzijds, zal ook de gebruikte apparatuur (high-end tegen sensoren) van invloed zijn, aangezien sensoren een ondergrens hebben van 10 nm en high-end apparatuur van 7 nm. De meeste deeltjes bevinden zich juist in deze hele kleine klasse. Aan de Landardseweg zijn ook verhogingen in UFP geconstateerd vanuit het oosten vanaf de A2/N2. Daarmee zijn dus ook invloeden van wegverkeer zichtbaar.

TNO Intern

TNO 2023 R11852

Stedelijk gebied Net als in 2021 worden de laagste concentraties, zowel voor PM als NO 2, gemeten op stadsachtergrondlocaties. Voor NO2 is in de dagelijkse gang de ochtend- en avondspits duidelijk waarneembaar, met name op drukke verkeerslocaties (zoals Fellenoord, Vestdijk, Willemstraat en Beukenlaan). De verhoging van NO2 concentraties op verkeersintensieve meetlocaties sluit aan gemeten jaargemiddelde concentraties door Palmes buisjes welke verspreid in Eindhoven te vinden zijn (https://data.eindhoven.nl/explore/dataset/ stikstofdioxide-metingen/table/?disjunctive.locatie&sort=jrgem_2022) Ook op een locatie in de stad (Finistérelaan, I04) lijkt de invloed van werkzaamheden waarneembaar met pieken in PM10 oplopend tot boven de 50 µg m-3 uursgemiddeld voor een korte periode medio augustus. In het stedelijk gebied wordt net als op de andere meetlocaties voor fijnstof een naar rato hoger aandeel PM2.5 binnen PM10 gemeten in de wintermaanden. Zichtbaar aan de LML meetlocaties is wel dat de hoeveelheid roet in het stedelijk gebied in die periode hoger ligt dan in het buitengebied, wat duidt op de effecten van toenemende verbrandingsemissies in deze gebieden. Uit analyse van de milieuzone van Eindhoven rond de binnenstad, lijken de gemiddeld gemeten PM concentraties over het algemeen licht lager te zijn in de milieuzone dan vlak daarbuiten.

Dit geeft een indicatie dat de milieuzone een positieve invloed heeft op de luchtkwaliteit. Voor NO2 is dit minder duidelijk zichtbaar in de sensormetingen, ook al zien we ook voor NO2 vaker lagere concentraties binnen de milieuzone dan daarbuiten.

Buitengebied In het buitengebied wordt onderzocht of de bijdrage van veehouderij aan heersende PM concentraties in beeld kan worden gebracht. Uit literatuur is bekend dat veehouderij met name een effect heeft op PM10 (Winkel et al., 2018). Net als in 2021 zijn er voor de fijnere fracties PM1 en PM2.5 inderdaad niet veel verschillen zichtbaar tussen de verschillende meetlocaties in het buitengebied. De locaties nabij veehouderijen laten geen substantieel andere temporele patronen voor PM1 en PM2.5 zien dan de andere locaties in het buitengebied. Gemiddeld is het ook niet zo dat de sensoren een groot verschil meten tussen locaties in de buurt van veehouderij en andere meetlocaties wat betreft PM10. Wat opvallend blijft, en ook in 2021 is geconstateerd, is dat op een aantal meetlocaties in de nabijheid van veehouderijen jaarrond concentratiepieken van PM10 zichtbaar zijn welke niet worden gemeten op meetlocaties die niet bij veehouderij in de buurt staan. De windrozen laten zien dat deze verhogingen worden gemeten en mogelijk samenhangen met wind uit de richting van de stallen. Tegelijkertijd vertonen niet alle meetlocaties gericht op veehouderij deze concentratiepieken van PM10.

Dit duidt erop dat lokale omstandigheden hier een rol spelen, zoals het type veehouderij, specifieke activiteiten en/of emissiereducerende technieken die bij de ene veehouderij wel aanwezig zijn en bij de andere niet. Ook eventuele andere invloeden vanuit de directe omgeving vallen niet uit te sluiten. Aanbevelingen De resultaten van de analyses uit 2022 bouwen grotendeels voort op de eerste inzichten opgedaan in 2021. De aanbevelingen voor verdere inbedding van het meetnet in de regio Zuidoost-Brabant zijn daarmee in grote mate gelijkend aan de aanbevelingen gedaan in de eerste jaarrapportage. Er is op een aantal vlakken behoefte aan meer informatie om betere duiding van de meetgegevens mogelijk te maken: dit gaat bijvoorbeeld over informatie over verkeersintensiteit, verkeerssamenstelling, aantallen vluchten, staltypes en aantallen dieren. Daarmee kunnen verbanden in tijd en ruimte tussen luchtkwaliteit en mogelijke bronnen

TNO Intern

TNO 2023 R11852

onderzocht worden. Ook kan gedacht worden aan aanvullende metingen om bijvoorbeeld de invloed van houtstook op de luchtkwaliteit in het stedelijk domein beter te kunnen kwantificeren. Daarnaast is de suggestie om de UFP sensoren die nu in het luchthavengebied worden gebruikt aanvullend in te zetten langs (snel)wegen. Daarmee kan naast de UFP deeltjesaantallen in het luchthavengebied ook de deeltjesaantallen rond wegen in de regio inzichtelijk worden gemaakt. Het behalen van de meeste gezondheidswinst gerelateerd aan de luchtkwaliteit hoeft niet alleen te gaan over het verminderen van concentraties (ultra)fijnstof en NO2 in de atmosfeer: niet overal heeft luchtvervuiling dezelfde impact. Dit hangt bijvoorbeeld ook samen met waar en wanneer mensen daadwerkelijk worden blootgesteld aan slechte lucht. Zie bijvoorbeeld de rapportage van de GGD over blootstelling in Brabant hoe dit op jaargemiddelde basis in kaart kan worden gebracht (Denissen, 2022). En de schadelijkheid van fijnstof is mede afhankelijk van de deeltjesgrootte en chemische samenstelling wat weer verband houdt met het type bron. Een gezondheidsgerichte aanpak rond luchtkwaliteit richt zich daarmee naast het verlagen van heersende concentraties van luchtvervuilende stoffen op het verminderen van blootstelling en het identificeren van bronnen met de meeste gezondheidsimpact.

Uit de analyse van de meetgegevens van 2022 komen een aantal aandachtspunten als het gaat om de luchtkwaliteit voor de onderzoeksgebieden stedelijk gebied, luchthavengebied en buitengebied: •

•

•

•

TNO Intern

Het onderzoeken van mogelijkheden om in de wintermaanden emissies van fijnstof gerelateerd aan verbrandingsprocessen te reduceren is aanbevolen. Dit kan bijvoorbeeld door het gebruik van efficiënte verwarmingsbronnen te stimuleren en het optimaliseren van voorlichting over houtstook (zoals gebruik van stookwijzer). Ook kan aanvullend onderzoek naar de bronnen van deze toename van de PM2.5 fractie in de winter helpen om tot gerichte maatregelen te komen. Binnen het stedelijk gebied is verkeer, volgens verwachting, een belangrijke bron voor de lokaal heersende luchtkwaliteit. Uit de analyse blijkt dat de stadsachtergrondlocaties de laagste waarden van PM en NO2 registreren in het stedelijk gebied. Vergroening binnen de stad, waar mogelijk, en daarmee deels ook het weghalen van bronnen op bepaalde locaties zal zorgen voor een verbetering van de luchtkwaliteit. De milieuzone lijkt een licht positief effect te hebben op de luchtkwaliteit binnen de Ring. Een milieuzone, waarbij de schadelijkste voertuigen worden geweerd, danwel het weghalen van emissiebronnen is met name relevant op plekken waar veel mensen samenkomen. Vliegverkeer zorgt voor verhogingen van UFP in het luchthavengebied. Wat nog niet kan worden vastgesteld is hoe ver deze invloed reikt in de regio.

Voor een eerste indicatie van deze verspreiding is het gebruik van verspreidingsmodellen een optie, met name om te zien of er substantiële verhogingen in UFP te verwachten zijn in woon- en werkgebieden rond de luchthaven. Ook zichtbaar in de metingen is dat er een bijdrage is van UFP uit wegverkeer. Het is daarmee aanbevolen ook metingen te gaan verrichten aan drukke wegen waar veel mensen komen. In het buitengebied worden op een aantal meetlocaties op regelmatige basis PM10 concentratiepieken gemeten welke mogelijk samenhangen met veehouderij in de nabijheid van die meetlocaties. Op andere meetlocaties waar ook veehouderijen in de nabijheid staan is dit niet het geval. Het is daarom van belang om vast te gaan stellen of 1) deze concentratiepieken inderdaad direct te relateren zijn aan veehouderij in de nabijheid van de meetlocatie, 2) welke type veehouderij, activiteiten, en omstandigheden deze concentratiepieken veroorzaken en 3) of er mogelijkheden zijn deze concentratiepieken te reduceren.

TNO 2023 R11852

•

TNO Intern

In 2022 lijkt het zo dat nabijgelegen (weg)werkzaamheden kunnen leiden tot een duidelijk waarneembare stijging van PM en daarmee een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het is daarmee aan te raden (weg)werkzaamheden waar mogelijk te beperken en stofbeperkende maatregelen te nemen. Ook kan er advies gegeven worden bepaalde plekken op het moment van de werkzaamheden te vermijden. Voor personeel dat werkzaamheden uitvoert waarbij veel stof ontstaat is het, indien nog niet van toepassing, aan te raden beschermmiddelen te gebruiken om de blootstelling zoveel mogelijk te beperken.

TNO Intern TNO 2023 R11852

Inhoudsopgave Terminologie ................................................................................................................................................. 4 Achtergrond .................................................................................................................................................. 5 Samenvatting ............................................................................................................................................... 6 Inhoudsopgave ..........................................................................................................................................13 1

Inleiding ..........................................................................................................................................14

2

Methode en Meetlocaties ...........................................................................................................16

2.1 2.2 2.3

Meten met sensoren ................................................................................................................................................16 Meetlocaties ILM2 ....................................................................................................................................................16 Aanpak analyse regionale luchtkwaliteit ............................................................................................................20

3

Performance meetnet .................................................................................................................22

3.1 3.2 3.2.1 3.2.2

Data beschikbaarheid ..............................................................................................................................................22 Datakwaliteit.............................................................................................................................................................. 24 Consistentie meetresultaten in 2022...................................................................................................................24 ILM2 vergelijking met het LML ............................................................................................................................... 26

4

Regionale luchtkwaliteit 2022 ...................................................................................................30

4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Algemeen beeld Zuidoost-Brabant ......................................................................................................................30 Regionaal overzicht 2022 .......................................................................................................................................30 Meetgemiddelde per meetlocatie ........................................................................................................................31 Achtergrondconcentraties fijnstof en NO2 ..........................................................................................................33 Vergelijking onderzoeksgebieden in Zuidoost-Brabant ...................................................................................36 Het luchthavengebied ruimtelijke en temporele variatie.............................................................................40 Het stedelijk gebied ruimtelijke en temporele variatie .................................................................................44 Het buitengebied ruimtelijke en temporele variatie......................................................................................50 Mobiele meetboxen..................................................................................................................................................52

5

Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................56

5.1 5.2

Conclusies ...................................................................................................................................................................56 Aanbevelingen ...........................................................................................................................................................57

6

Referenties .....................................................................................................................................60

7

Ondertekening...............................................................................................................................63

Bijlagen Bijlage A:

Meetlocaties ILM2

63

Bijlage B:

Data beschikbaarheid

67

Bijlage C:

Data selectie NO2

68

TNO Intern

13

TNO Intern TNO 2023 R11852

1

Inleiding Het Innovatief Luchtmeetnet 2.0 (ILM2) is geïnitieerd ter ondersteuning van beleid voor een gezondere samenleving. Door de regionale luchtkwaliteit in ZuidoostBrabant te bemeten en te analyseren wordt onderzocht waar mogelijkheden zijn om de luchtkwaliteit te verbeteren. Er is daarbinnen specifieke aandacht voor de invloed van de stedelijke gebieden, de luchthaven en de intensieve veehouderij in het buitengebied op de luchtkwaliteit in deze regio. De meetlocaties van het ILM2 zijn ingericht met sensoren die fijnstof (PM) en stikstofdioxide (NO 2) meten. Deze stoffen zijn voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor de gezondheidslast gerelateerd aan luchtvervuiling in Nederland (Fischer et al., 2015). Het ILM2 meetnet is sinds september 2020 actief. Een eerste jaarrapportage over het meetjaar 2021 beschrijft de werking van het meetnet en de eerste meetgegevens (Goudriaan et al., 2022). Dit rapport beschrijft de meetgegevens van het jaar 2022. De meetlocaties van het ILM2 zijn geselecteerd door TNO, RIVM en UU-IRAS met input van GGD, de Gemeente Eindhoven, de Provincie Noord-Brabant en de ODZOB. Binnen het ILM2 meetnet wordt gebruik gemaakt van het meetplatform CAIREBox. Tijdens het ILM1, lopend van 2013 tot en met 2018, zijn de CAIREBoxen ook ingezet in het stedelijk gebied van Eindhoven (zie ook www.aireas.com; Otjes, 2014; Otjes, 2015; Van Dinther et al., 2017).

Het onderzoeken van de stedelijke luchtkwaliteit via sensoren sluit aan bij een trend waarin gelijkende netwerken worden gerealiseerd in veel steden rond de wereld (Morawska et al., 2018). Naast het stedelijk gebied is er binnen het ILM2 aandacht voor de invloed van veehouderij gelegen in het buitengebied op de luchtkwaliteit in de regio. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat intensieve veehouderij negatieve gevolgen kan hebben op de lokale luchtkwaliteit en de gezondheid van omwonenden (Lelieveld et al., 2015; Air Quality Expert Group, 2018; Maassen et al. 2016; Hagenaars et al., 2017; Wouters et al., 2019). Op de drie meetlocaties van het ILM2 in het luchthavengebied wordt ook ultrafijnstof (UFP, deeltjes kleiner dan 100 nm) gemeten, omdat vliegtuigen UFP uitstoten (onder andere van Dinther et al., 2019; Voogt et al., 2019; Voogt et al., 2023). In algemene zin heeft de inzet van sensoren om de luchtkwaliteit te monitoren zich snel ontwikkeld in het afgelopen decennium. Hoewel deze technologie niet geschikt is om op geaccrediteerde wijze (i.e. niet rechtsgeldig om normen te verifiëren) de heersende luchtkwaliteit vast te stellen, kan deze technologie wel gebruikt worden om indicaties te krijgen en invloed van uiteenlopende activiteiten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen.

Een belangrijk aandachtspunt binnen het ILM2 meetnet is dan ook de meerwaarde van het meten van de luchtkwaliteit met sensoren in netwerkverband te evalueren en verder te optimaliseren. In de vorige ILM2 rapportage van 2021 was zichtbaar dat de ILM2 metingen van fijnstof en UFP over het algemeen van voldoende kwaliteit waren om gebruikt te worden voor trendanalyses van de heersende concentraties (Goudriaan et al., 2022). In 2021 waren in de NO2 metingen, met name in de zomerperiode, wel verstoringen in de metingen zelf zichtbaar. Deze verstoringen zijn gelijkend aan observaties die in andere studies ook worden genoemd (Fattoruso et al., 2020; Nowack et al., 2021). Het resultaat is dat binnen meetstudies vaak slechts enkele maanden aan NO 2 meetgegevens bruikbaar zijn (van Zoest et al., 2019; van Ratingen et al., 2021). In

TNO Intern

14

TNO Intern TNO 2023 R11852

2022 zijn enkele verbeteringen uitgevoerd om een hogere beschikbaarheid van NO2 meetgegevens te bereiken binnen het ILM2 meetnet. Deze worden beschreven in dit rapport. Uit de eerste analyses van het ILM2 over 2021 kwam het beeld naar voren dat fijnstof zich als een deken over de regio heen beweegt waarbij windrichting, tijd van het jaar en grenslaaghoogte van grote invloed zijn (Goudriaan et al, 2022). Tegelijkertijd lijken er wel lokale invloeden zichtbaar te zijn op locaties met veel verkeer en nabij veehouderij. NO2 is meer lokaal bepaald waarbij verkeersdrukte een belangrijke factor is. Met name op drukke verkeerswegen zijn verhoogde concentraties zichtbaar waarbij de hoogste concentraties worden gezien tijdens de ochtend- en (met name) de avondspits. De UFP-metingen bij het vliegveld tonen zowel invloeden van vlieg- als wegverkeer. Dit uit zich in de windrozen alsmede de gemiddelde gang van UFP concentraties over de dag en week. Deze tweede jaarrapportage bouwt voort op deze eerdere bevindingen en presenteert de metingen en analyses van de luchtkwaliteit in de regio Zuidoost-Brabant voor het jaar 2022. De meetgegevens per meetlocatie zijn via verschillende webapplicaties toegankelijk, zoals https://ilm2.site.dustmonitoring.nl/ van TNO en het portaal https://samenmeten.rivm.nl/ van RIVM.

TNO Intern

15

TNO Intern TNO 2023 R11852

2

Methode en Meetlocaties

2.1

Meten met sensoren Op de meetlocaties van het ILM2 wordt de luchtkwaliteit bemeten via het meetplatform CAIREBox. Dit meetplatform is ontwikkeld door en eigendom van TNO en haar rechtsvoorganger ECN. TNO werkt samen met Admatec Europe B.V. voor de verzorging van deze apparatuur voor ILM2. Het meetplatform kan verschillende typen sensoren bevatten: de CAIREBoxen gebruikt in het ILM2 zijn uitgerust met sensoren voor het meten van fijnstof en NO2. Daarnaast wordt op drie locaties UFP gemeten via een additionele sensor. Elke CAIREBox bevat ook sensoren om de luchtvochtigheid en temperatuur in de box te meten. De CAIREBox is uitgerust met een accu waarmee deze indien volgeladen minimaal 18 uur kan werken zonder stroomvoorziening. Daardoor kan de CAIREBox op uiteenlopende locaties Figuur 1: Een CAIREBox van het worden opgehangen; binnen het ILM2 is dit Regionaal Meetnet Zuidoost-Brabant. meestal aan een lichtmast (figuur 1). Op iedere meetlocatie wordt per 10 minuten voor iedere component de meetwaarde vastgesteld. Via het gsm-netwerk worden de meetgegevens vervolgens verzonden naar een server van TNO en ontsloten via verschillende online kanalen. Het kalibreren van de CAIREBoxen vindt plaats in Alkmaar waarbij de boxen voor minimaal twee weken naast referentieapparatuur worden geplaatst. Voor PM is dit een Fidas® 200 S, voor NO2 een EcoPhysics CLD 700 AL.

De periode van kalibreren hangt af van de variatie in concentraties in de buitenlucht. Er is voldoende variatie in concentraties nodig om de meetapparatuur te kunnen kalibreren. De meetapparatuur en manier van kalibreren staat uitgebreider omschreven in de eerste jaarrapportage van het Regionaal Meetnet Zuidoost-Brabant (Goudriaan et al., 2022).

2.2

Meetlocaties ILM2 In totaal is er in 2022 op 49 meetlocaties gemeten. Dit is inclusief twee tijdelijke meetlocaties geïnstalleerd in Nuenen. De meetlocaties zijn geïdentificeerd door TNO, RIVM en UU-IRAS en staan in detail toegelicht in Bijlage A. Binnen het ILM2 meetnet wordt aandacht besteed aan het stedelijk gebied, het vliegveld en het buitengebied. De stedelijke meetlocaties en de meetlocaties in het

TNO Intern

16

TNO Intern TNO 2023 R11852

luchthavengebied staan gepresenteerd in figuur 2. Het gehele meetnet in 2022 is zichtbaar in figuur 3. Per deelgebied zijn verschillende soorten meetlocaties te onderscheiden: •

Stedelijk gebied: In 2022 waren 21 permanente meetlocaties actief in het Eindhoven en 4 gemeentelijk gefinancierde meetlocaties in Helmond. De meetlocaties in Eindhoven zijn verdeeld over verschillende subcategorieën: Stadsachtergrond (n=4), Binnenstad (n=7), Verkeersintensief (n=4), Industrie (n=2), en Snelweg (n=4). Er zijn 2 meetlocaties bijgeplaatst in 2022 langs de A67, zowel ten noorden als ten zuiden van de snelweg. De meetlocatie I01 ten noorden van de A67, op het High Tech Campus terrein, is geplaatst op 7 juni 2022. De meetlocatie I06 aan de Waalre-kant van de A67 is geplaatst op 4 november 2022.

•

Luchthavengebied: Binnen het luchthavengebied in Eindhoven zijn 3 meetlocaties actief. Op deze 3 meetlocaties wordt ook UFP gemeten. Ultrafijnstof metingen zijn een belangrijk onderdeel in het vaststellen van luchtkwaliteit rond vliegvelden. Dit wordt bevestigd in recente onderzoeken rond Schiphol (Tromp et al., 2021; Voogt et al., 2019; van Dinther et al., 2019).

•

Buitengebied: In 2022 waren er 19 meetlocaties actief in de regio, exclusief de stedelijke agglomeraties van Helmond en Eindhoven. Dit betreffen 15 meetlocaties van het vaste meetnet: op 19 januari 2022 is meetlocatie I50 is bijgeplaatst aan de Meijelseweg in Asten. De andere meetlocaties waren ook in 2021 al actief. Voor het selecteren van de vaste meetlocaties is gebruik gemaakt van de GCN-kaart voor fijnstof afkomstig van veehouderijstallen van het jaar 2019 (beschikbaar gesteld door RIVM). De te verwachten bijdrage aan PM10 concentraties vanuit veehouderijen was leidend in de locatiekeuze. Daarbij is voor de 15 meetlocaties onderscheid gemaakt tussen 6 meetlocaties met een verwachte lage bijdrage PM10 vanuit veehouderij (< 1 µg/m3), 6 meetlocaties met een verwachte middelhoge bijdrage PM10 (1-5 µg/m3) en 3 meetlocaties met een verwachte hoge bijdrage PM10 (> 5 µg/m3). Daarnaast zijn er 2 gemeentelijk gefinancierde meetlocaties in Best (langs doorgaande wegen). De gemeentelijk gefinancierde locaties in Oirschot en Reusel betreffen locaties waar waarschijnlijk vooral de regionale achtergrond gemeten wordt.

•

Tijdelijke meetlocaties: Binnen het ILM2 zijn er 6 mobiele meetboxen beschikbaar voor meetcampagnes om vraagstukken van individuele gemeentes te onderzoeken. In 2022 zijn er twee mobiele meetboxen ingezet in de gemeente Nuenen voor een vraagstuk rond luchtvervuiling gerelateerd aan verkeersdrukte. Deze zijn in april en mei 2022 geplaatst aan de Geldropse Dijk en Zandsche Put en hebben daar vervolgens tot het einde van het jaar gestaan.

TNO Intern

17

TNO Intern TNO 2023 R11852

Figuur 2 Overzicht van de meetlocaties in het stedelijke gebied van Eindhoven en Helmond in 2022.

TNO Intern

18

TNO Intern TNO 2023 R11852

Figuur 3 Het ILM2 meetnet in Zuidoost-Brabant in 2022.

TNO Intern

19

TNO Intern TNO 2023 R11852

2.3

Aanpak analyse regionale luchtkwaliteit

Figuur 4 Generieke opbouw van concentraties van (verkeer gerelateerde) luchtvervuilende stoffen. Bron: RIVM

Deze rapportage behandelt de metingen van het ILM2 voor het jaar 2022. Het doel is daarbij de regionale luchtkwaliteit in Zuidoost-Brabant te onderzoeken, met daarbij aandacht voor het stedelijke gebied, vliegveld en het buitengebied met veehouderij. Daarbij worden ook mogelijke bronnen van luchtvervuilende stoffen onderzocht. De analyse van de regionale luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op verschillende schaalniveaus. Deze sluiten aan bij de opbouw getoond in figuur 4. •

•

•

TNO Intern

Eerst wordt de gemiddelde luchtkwaliteit over het gehele meetnet beschouwd voor het jaar 2022 en voor de vier kwartalen afzonderlijk. Er worden gemiddelden bepaald per week, maand en jaar (sectie 4.1.1 en 4.1.2). De nationale en grensoverschrijdende, hier ook regionale te noemen, achtergrond is zeer bepalend voor de gemiddelde luchtkwaliteit van de regio als geheel. De berekening van de achtergrondconcentratie is niet triviaal. Er is voor gekozen de 10-percentiel waarde over alle sensoren per uur als achtergrond te nemen, hierdoor wordt deze niet bepaald door één sensor. Het 10-percentiel betekent dat 10% van de metingen binnen ILM2 onder deze waarde liggen. De aanname daarbij is dat er op die 10percentiel waarde (vrijwel) geen luchtvervuiling afkomstig van emissies uit de regio worden gemeten (sectie 4.1.3). Binnen de regio wordt een vergelijking gemaakt tussen de gemiddelde concentraties van de verschillende luchtvervuilende stoffen in het stedelijk gebied, het buitengebied en rondom het vliegveld. Dit wordt gedaan per jaar, kwartaal, maand en week. Hierdoor worden variaties in luchtkwaliteit door het jaar heen inzichtelijk gemaakt. Ook geeft dit een eerste indicatie van dominante bronnen binnen deze drie aandachtsgebieden (sectie 4.2).

20

TNO Intern TNO 2023 R11852

•

•

Binnen deze drie aandachtsgebieden wordt een vergelijking gemaakt tussen de types meetlocaties beschreven in sectie 2.2. Hierdoor wordt bijvoorbeeld inzichtelijk hoe stadsachtergrondlocaties en locaties met veel verkeer zich verhouden. Daarbij zijn een aantal individuele meetpunten uitgelicht die inzicht geven in het belang van lokale bronnen op de heersende luchtkwaliteit in het luchthavengebied, stedelijk gebied en buitengebied (sectie 4.3, 4.4 en 4.5). Voor de windroosfiguren wordt gebruik gemaakt van meteorologische informatie van het KNMI-station op Eindhoven Airport. De aanname is dat dit station representatief is voor de hele regio vanwege het veelal vlakke terrein. Het kan zijn dat deze aanname leidt tot een onder- of overschatting van de windsnelheid op sommige meetlocaties. Dit geldt ook voor de windrichting, welke mede afhankelijk is van gebouwen, bossen of juist open gebied. In figuur 5 is zichtbaar hoe combinatie van windrichting en windsnelheid varieert in het jaar. We zien dat de wind voornamelijk uit het zuidwesten komt.

Figuur 5 Deze windroos laat zien hoeveel uur de verschillende windrichtingen en windsnelheden werden waargenomen. Hoe verder van het centrum, hoe hoger de windsnelheid. De kleur van elk blokje vertegenwoordigt het totaal aantal uren dat de wind uit die specifieke richting blies met de aangegeven snelheid. Let op; de kleurschaal is logaritmisch.

TNO Intern

21

TNO Intern TNO 2023 R11852

3

Performance meetnet

3.1

Data beschikbaarheid De data beschikbaarheid in 2022 per meetlocatie is over het algemeen hoog. figuur 6 toont de beschikbare meetgegevens per meetlocatie tussen installatiedatum en 31 december 2022. Het maximale aantal meetdagen is daarmee 365 voor een meetlocatie die op of voor 1 januari 2022 is geïnstalleerd. De gemiddelde uptime van het meetnet ligt in 2022 rond de 98%, in verhouding tot de maximaal aantal beschikbare meetdagen na plaatsing van een meetpunt. Op verschillende manieren vindt er monitoring plaats op de beschikbaarheid van meetgegevens en werking van de CAIREBoxen om de uptime en kwaliteit van het ILM2 meetnet zo hoog mogelijk te krijgen. Dit gebeurt onder andere via: • • •

• •

Automatische checks op afwijkende meetresultaten, zoals negatieve waardes en excessieve ruis. Automatische checks op meetresultaten die verkregen zijn bij temperaturen of luchtvochtigheden buiten de specificaties van de sensor. Automatische checks op de status van de batterij, GPS-locatie en oriëntatie van de box. Zo kan bijvoorbeeld gecontroleerd worden of de box (onrechtmatig) is verplaatst door derden. Enkele malen per week een handmatige check op beschikbaarheid van meetgegevens via de verschillende kanalen. Eenmaal per maand een check op alle meetboxen waarbij zowel beschikbaarheid als waarschijnlijkheid van de meetgegevens door een specialist wordt beoordeeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13567628/1