CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

20231031 Matrix zienswijzen wijziging Gemeenschappelijke Regelingen GGD ODZOB MRE VRBZO

Gemeenteraad 7 november 2023, gemeente HelmondBij agendapunt: Wijziging gemeenschappelijke regelingen9.047 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Matrix zienswijzen wijziging gemeenschappelijke regelingen Wijzigingen ten opzichte van de versie van 24 oktober 2023: Reacties uit Gemert-Bakel toegevoegd. Witte cel = Nog geen zienswijze beschikbaar. Groene cel = geen inhoudelijke zienswijze; instemming met de concept regeling. VRBZO Asten

Wij verzoeken u om bij artikel 31 de Handreiking Inrichting informatie- en archiefbeheer bij samenwerkingsverbanden te volgen.

GGD

ODZOB

MRE

Wij vinden dat artikel 1 “begripsbepalingen” er niet duidelijker op is geworden. Het lijkt dat er een alfabetische volgorde is aangehouden maar als dat zo is dan staat het begrip frictiekosten niet goed. Deelnemende gemeenten staat wel vermeld maar wordt niet omschreven. Frictiekosten is opgenomen maar komt verder in de regeling niet terug waarom staat het dan bij begripsbepalingen? Bij de omschrijving van Landelijk basis(taken)pakket staat in de waswordt lijst een andere beschrijving dan in ontwerpregeling. Voor het Dagelijks bestuur wordt in artikel 4.1. aangegeven dat leden uit en door het algemeen bestuur worden gekozen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur. Voor de leden van het Algemeen bestuur wordt in artikel 3.1. enkel aangegeven dat de colleges en Gedeputeerde staten ieder uit hun midden een lid aanwijzen maar wanneer dit gedaan wordt staat er niet. Artikel 4.6 gaat over een tegemoetkoming voor de leden van het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of de voorzitter waarom staat deze onder de paragraaf dagelijks bestuur het is immers een taak van het algemeen bestuur. In artikel 5.1 wordt de Wgr genoemd. Volgens de begripsbepalingen moet dit de Wet zijn. In artikel 5.1. lid 2 staat de eerste vergadering van het algemeen bestuur. Waarom geen verwijzing zoals in artikel 4.1.

lid 2? In artikel 5.4 staat de niet uitgeschreven of in de begrippenlijst opgenomen afkoring SGO. Artikel 6.1. Het lid van het algemeen bestuur legt verantwoording af aan de raad en Provinciale Staten. Moet en geen of zijn? In artikel 7.3 wordt gesproken over het bestuur wordt hier het Algemeen bestuur of het Dagelijks bestuur mee bedoeld? In andere gemeenschappelijke regelingen is een personeelsparagraaf opgenomen, in de GR ODZOB ontbreekt deze. Wanneer je de GR wijziging naast de Handreiking Inrichting informatie- en archiefbeheer bij samenwerkingsverbanden legt blijken er grote verschillen. Geadviseerd wordt om het Dagelijks Bestuur te verzoeken om de Handreiking Inrichting informatie- en archiefbeheer bij samenwerkingsverbanden te volgen. Verwezen

Wij vragen uw aandacht voor artikel 25 lid 5 waarin u als het ware de gemeenteraad het indienen van een zienswijze ontneemt als er sprake is van participatie. Ten aanzien van artikel 43 tot en met 45 (archiefbepalingen) verzoeken wij u om de Handreiking Inrichting informatie- en archiefbeheer bij samenwerkingsverbanden te volgen. De opgenomen uittredingsregeling in de voorgestelde regeling doet geen recht aan de wetgeving en bestaande jurisprudentie, wij vragen u deze nogmaals te bezien.

wordt naar het model voor een archiefparagraaf bij bijlage 3.1 in de handreiking: Model archiefparagraaf gemeenschappelijke regeling met openbaar lichaam. In paragraaf 10 wordt gesproken over interne geschillen of interne bezwaarschriften, dit impliceert ook externe geschillen of bezwaarschriften. Onduidelijk is wie partijen zijn (deelnemers en bestuur?). Bij klachtbehandeling heb je volgens de Awb een interne en externe procedure, eerst de klacht intern behandelen daarna door de ombudsman of commissie hoe is dat hier geregeld. Bergeijk

Een reactie te geven op de ontwerp gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling MRE 2024, waarbij de raad het MRE bestuur verzoekt de volgende opmerkingen te verwerken in het definitieve voorstel tot wijziging van de regeling: Artikel 24 24, lid 1. Ingezetenen en andere belanghebbenden worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling, indien sprake is van een direct effect op hun belangen. Reactie Het is onze raad niet helder wat onder “betrekken” moet worden verstaan. Ons verzoek is om de redactie van deze tekst te vereenvoudigen en te verduidelijken door aan te geven dat het om inspraakmogelijkheden gaat. 24, lid 2 Er is sprake van een direct effect, indien voor de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid geen besluitvorming door de colleges, respectievelijk de raden vereist is of mogelijk is. Reactie Met dit artikel wordt de mogelijkheid tot inspraak voor ingezetenen en belanghebbenden ingeperkt. Gesteld wordt dat in het geval college en/of raad van een deelnemende gemeente iets mag of kan vinden van voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid, dat ingezetenen dan bij hun lokaal bestuur aan moeten kloppen voor inspraak. Het is ons echter niet duidelijk waar het omslagpunt ligt: wanneer is er wel of geen direct effect van beleid op de ingezetene. Dat is voor meer interpretaties vatbaar.

Ons verzoek is om dit te verhelderen. Artikel 25, lid 5 Het bestuur maakt geen gebruik van de mogelijkheden de raden een zienswijze, respectievelijk wensen en bedenkingen te vragen als bedoeld in het derde lid, indien ingezetenen

en andere belanghebbenden op grond van artikel 24 van de regeling betrokken zijn bij de voorbereiding van een besluit. Reactie De suggestie wordt met lid 5 gewekt dat gemeenteraden geen zienswijzen kunnen indienen als er sprake is geweest van burgerparticipatie. Dat kan niet de bedoeling zijn. Ons verzoek is om dit artikel te laten vervallen. Artikel 21 lid 2 Het algemeen bestuur stelt op voorstel van de raden in ieder geval een Raadstafel21 in. Artikel 24a, lid 2 van de wet (Wgr, red.) is van toepassing op Raadstafel21. Reactie Op dit moment zijn de taken en bevoegdheden van Raadstafel21 vastgelegd in het MRE-statuut. De taken zijn vooral: schakel, sparringpartner, verbinder en klankbord. Invulling hiervan door informatie-uitwisseling, kennisdeling en de ambassadeursrol. De vraag is echter of dit voor een formele gemeenschappelijke adviescommissie voldoende is. Een meer adviserende rol voor Raadstafel21 zou dan voor de hand liggen. Dit sluit ook beter aan bij het feit dat de MRE een gemengde regeling is, getroffen door colleges én raden. Het AB van de MRE bestaat volledig uit burgemeesters en wethouders. Aanvullend hierop zouden taken en bevoegdheden met meer impact (b.v. advisering) voor Raadstafel21 in de rede liggen.

De MRE verwijst zelf naar artikel 24a, lid 2 van de Wgr, waarin gesteld wordt dat deelnemende raden in staat gesteld moeten worden hun wensen en bedenkingen inzake de bevoegdheden, taken en werkwijze van de commissie ter kennis van het Algemeen Bestuur te brengen. Ons verzoek is om in de gemeenschappelijke regeling een artikel op te nemen waarin concreet wordt benoemd dat de Raadstafel 21 een adviserende stem heeft in het bestuur, zonder stemrecht. Best

Bladel

Cranendonck

Deurne

De nieuwe Wgr biedt de mogelijkheid om burgers beter te betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het beleid van de gemeenschappelijke regeling. In de ontwerpregeling van de GGD is hiertoe onder artikel 45 lid 4 toegevoegd. Dit artikel gaat echter enkel over de “evaluatie van de regeling” en niet over de voorbereiding en uitvoering van het beleid. Onzes inziens is het logischer om een apart (en uitgebreider) artikel te wijden aan het betrekken van inwoners zodat zij bij alle drie genoemde aspecten van het beleid betrokken kunnen worden.

De Raadstafel21 wordt met de voorgestelde wijziging een formele gemeenschappelijke adviescommissie. De Raadstafel21 richt zich vooral op informatie-uitwisseling, kennisdeling en een ambassadeursrol. Onzes inziens ligt een meer adviserende rol voor de ‘opgewaardeerde’ Raadstafel21 voor de hand, gezien het feit dat de MRE een gemengde regeling is tussen 21 gemeenteraden en colleges. In een meer adviserende rol kan de Raadstafel21 gevraagd en ongevraagd advies geven aan het AB. Hierbij kan de Raadstafel21 adviseren over de invulling van de Metropoolconferentie, de informatievoorziening vanuit de MRE naar de deelnemende gemeenten en over meer procesmatige aspecten van de planning & control cyclus zoals de ontwerpbegroting en het Samenwerkingsakkoord. Over het geheel bezien kunnen wij ons vinden in het voorliggende ontwerp. Op een drietal onderwerpen hebben wij een specifieke reactie. Informatievoorziening Ontwerp artikel 29 is naar onze mening summier en daarmee te vrijblijvend omschreven. De ontwerptekst luidt: 1. Het bestuur van de Metropoolregio verstrekt schriftelijk aan de colleges en de raden de door een of meer leden van die colleges en raden gevraagde inlichtingen zo spoedig mogelijk, voor zover dat niet strijdig is met het openbaar belang. 2.

De inlichtingen worden in ieder geval binnen twee maanden schriftelijk verstrekt en wel door het dagelijks bestuur, tenzij de inlichtingen uitdrukkelijk van het algemeen bestuur of de voorzitter worden verlangd. 3. Het bestuur van de Metropoolregio verstrekt schriftelijk aan de colleges en de raden alle inlichtingen die de colleges en de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken Wij stellen u voor dit artikel te vervangen door de volgende tekst waarmee deze mogelijke vrijblijvendheid wordt ondervangen: Tekstvoorstel: Externe informatievoorziening Een lid van het Algemeen bestuur verstrekt aan het college dat hem heeft aangewezen de door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen, voor zover dat niet strijdig is met het openbaar belang. Het Algemeen bestuur, Dagelijks bestuur en de voorzitter van het openbaar lichaam verstrekken

schriftelijk aan de raden de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen zo spoedig mogelijk, voor zover dat niet strijdig is met het openbaar belang. De inlichtingen worden in ieder geval binnen twee maanden schriftelijk verstrekt en wel door het Dagelijks bestuur, tenzij de inlichtingen uitdrukkelijk van het Algemeen bestuur of de voorzitter worden verlangd. Het Algemeen bestuur, het Dagelijks bestuur en de voorzitter geven de raden van de deelnemende gemeenten uit eigen beweging alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. In afwijking van het vierde lid verschaffen het Algemeen bestuur, het Dagelijks bestuur en de voorzitter geen informatie rechtstreeks aan de raden over zaken waaromtrent krachtens artikel 13 of artikel 18 geheimhouding is opgelegd. Indien de raden deze informatie wel nodig hebben voor de uitoefening van hun taken, wordt deze informatie via de colleges met de raden gedeeld onder de voorwaarde dat de colleges krachtens artikel 87 Gemeentewet geheimhouding hebben opgelegd. Aanvullende argumenten zijn dat deze formulering vollediger is ten aanzien van de beschrijving van organen, minder vrijblijvend door het benoemen van termijnen, juridisch correcter door het benoemen strijdigheid openbaar belang en ze bevat een noodzakelijke bepaling over het “doorleggen” van geheimhouding.

Bepalingen inzake archivering: algemeen en omschrijving zorgplicht Na een periode van evaluatie en onderzoek heeft het Algemeen bestuur van de MRE op 1 maart 2023 besloten geen wijziging aan te brengen in de relatie MRE-RHCE (Regionaal Historisch Centrum Eindhoven). In het verlengde daarvan wordt voorgesteld artikel 42 dat gaat over archiefbescheiden ongewijzigd te laten. Met de vorming van de regionale uitvoeringsdiensten in 2012 ontstond de roep om handvatten voor het regelen van informatie- en archiefbeheer bij het uitbesteden van taken aan samenwerkingsverbanden. In 2017/2021 verscheen op initiatief van een werkgroep van leden van het Landelijk overleg van provinciale archiefinspecteurs (LOPAI) en de sectie archieftoezicht van de Branchevereniging van Archiefinstellingen in Nederland (BRAIN) een (geactualiseerde) handreiking informatie- en

archiefbeheer bij de uitbesteding van taken aan samenwerkingsverbanden. Hierin wordt aandacht besteed aan de noodzakelijke acties bij het aangaan van een samenwerkingsverband, zorg voor en beheer van archiefbestanden, en ook aan de gevolgen van uittreding of de opheffing van een samenwerkingsverband. Nu de regionale archieftaak van het RHCE binnen de GR van de MRE bestendigd wordt, is de wijziging van de GR naar onze mening ook een passend moment om de bepaling over archivering te actualiseren. Het ware gewenst dat dat bij het voorliggende ontwerp voor een gewijzigde GR gebeurd was aan de hand van de genoemde handreiking – dit als waarborg voor een goed geregelde uniformiteit in de opzet en werkwijze van regionale archiefdiensten. Dit is echter niet het geval. Wij vragen u op dit punt om verduidelijking. Verder, meer specifiek, in artikel 41 van de GR wordt gesproken over de zorg van het dagelijks bestuur van de MRE voor en het beheer van de archiefbescheiden. Onduidelijk is hoe zich deze bepaling verhoudt tot de wettelijke zorgplicht op dit vlak van het gemeentelijke archiefbeheer. Wij vragen u ook op dit punt om verduidelijking. Voorbereiding van vergaderingen van het Algemeen en Dagelijks Bestuur In de gemeenschappelijke regeling is in artikel 10 de bepaling opgenomen dat het Algemeen Bestuur voor zijn vergadering een reglement van orde vaststellen.

In het Reglement van orde vergaderingen Algemeen Bestuur Metropoolregio Eindhoven 2022 zijn bepalingen opgenomen aangaande de termijnen waarop agenda’s en vergaderstukken moeten worden toegezonden. Die termijn is nu bepaald op ten minste 10 dagen voor de vergadering. Naast het feit dat deze periode op zich al krap is, constateren we in de afgelopen periode dat geregeld sprake is van nazendingen van belangrijke voorstellen waardoor een integrale ambtelijke advisering onder druk komt te staan en daarmee de positie van de colleges wordt verzwakt. Ons voorstel is deze termijn te verruimen naar 21 dagen. Eenzelfde knelpunt doet zich voor bij de aanlevering van stukken voor vergaderingen van het Dagelijks Bestuur. Daar ontbreekt op dit moment zelfs een reglement van orde, hoewel de regeling wel die mogelijkheid biedt.

Wij verzoeken u daarom om gelijktijdig met de gemeenschappelijke regeling een gewijzigd Reglement van orde voor het Algemeen Bestuur hierop aan te passen. Tevens stellen wij u voor een dergelijke bepaling ook voor de werkwijze van het Dagelijks Bestuur op te nemen.

Eersel

Eindhoven

Opmerkingen bij uittredingsregeling Met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen hebben wij enkel een opmerking bij artikel 35 m.b.t. de uittredingsregeling. Wij constateren dat de uittredingsregeling is op verschillende manieren uitgewerkt en verdient ons inziens nader onderzoek naar haalbaarheid, uitvoerbaarheid en harmonisatie tussen de 4 grote GR’en. De GR dient conform de Wgr bepalingen te hebben omtrent de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding. Dit was al het geval voor GR’en die voor onbepaalde tijd zijn getroffen, maar deze verplichting geldt door de wetswijziging ook voor GR’en van bepaalde tijd. Daarnaast schrijft de wet voor waarover afspraken gemaakt moeten worden. Volgens de wetgever laat de praktijk zien dat veel problemen worden ervaren ten gevolge van de uittreding omdat in de GR vaak wordt volstaan met de afspraak dat in geval van uittreding het (algemeen) bestuur de uittreedvoorwaarden vaststelt. De nieuwe wetgeving is om die reden aangescherpt. In de GR moeten in ieder geval afspraken worden gemaakt over de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon en de deelnemende gemeente(n), waarbij moet worden gedacht aan afspraken over personeel, contracten, huisvesting en investeringen. In de voorgestelde wijzigingen van de GR’en is hier uitvoering aan gegeven, maar niet op een eenduidige manier.

De voorwaarden waaronder uitgetreden kan worden, verschilt namelijk per GR. We vragen ons af ook of die voorstellen financieel haalbaar en uitvoerbaar zijn voor gemeenten en of er geen nadere harmonisatie van de voorwaarden op dit onderdeel tussen de

Opmerkingen bij uittredingsregeling Met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen hebben wij enkel een opmerking bij artikel 47 m.b.t. de uittredingsregeling. Wij constateren dat de uittredingsregeling van de 4 grote GR’en op verschillende manieren is uitgewerkt. Dit verdient ons inziens nader onderzoek naar haalbaarheid, uitvoerbaarheid en harmonisatie tussen de 4 grote GR’en. De GR dient conform de Wgr bepalingen te hebben omtrent de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding. Dit was al het geval voor GR’en die voor onbepaalde tijd zijn getroffen, maar deze verplichting geldt door de wetswijziging ook voor GR’en van bepaalde tijd. Daarnaast schrijft de wet voor waarover afspraken gemaakt moeten worden. Volgens de wetgever laat de praktijk zien dat veel problemen worden ervaren ten gevolge van de uittreding omdat in de GR vaak wordt volstaan met de afspraak dat in geval van uittreding het (algemeen) bestuur de uittreedvoorwaarden vaststelt. De nieuwe wetgeving is om die reden aangescherpt. In de GR moeten in ieder geval afspraken worden gemaakt over de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon en de deelnemende gemeente(n), waarbij moet worden gedacht aan afspraken over personeel, contracten, huisvesting en investeringen. In de voorgestelde wijzigingen van de GR’en is hier uitvoering aan gegeven, maar niet op een eenduidige manier.

De voorwaarden waaronder uitgetreden kan worden, verschilt namelijk per GR. We vragen ons af ook of die voorstellen financieel haalbaar en uitvoerbaar zijn voor gemeenten en of er geen nadere harmonisatie van de voorwaarden op dit onderdeel tussen de

Opmerkingen bij uittredingsregeling Met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen hebben wij enkel een opmerking bij artikel 9.2 m.b.t. de uittredingsregeling. Wij constateren dat de uittredingsregeling van de 4 grote GR’en op verschillende manieren is uitgewerkt. Dit verdient ons inziens nader onderzoek naar haalbaarheid, uitvoerbaarheid en harmonisatie tussen de 4 grote GR’en. De GR dient conform de Wgr bepalingen te hebben omtrent de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding. Dit was al het geval voor GR’en die voor onbepaalde tijd zijn getroffen, maar deze verplichting geldt door de wetswijziging ook voor GR’en van bepaalde tijd. Daarnaast schrijft de wet voor waarover afspraken gemaakt moeten worden. Volgens de wetgever laat de praktijk zien dat veel problemen worden ervaren ten gevolge van de uittreding omdat in de GR vaak wordt volstaan met de afspraak dat in geval van uittreding het (algemeen) bestuur de uittreedvoorwaarden vaststelt. De nieuwe wetgeving is om die reden aangescherpt. In de GR moeten in ieder geval afspraken worden gemaakt over de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon en de deelnemende gemeente(n), waarbij moet worden gedacht aan afspraken over personeel, contracten, huisvesting en investeringen. In de voorgestelde wijzigingen van de GR’en is hier uitvoering aan gegeven, maar niet op een eenduidige manier.

De voorwaarden waaronder uitgetreden kan worden, verschilt namelijk per GR. We vragen ons af ook of die voorstellen financieel haalbaar en uitvoerbaar zijn voor gemeenten en of er geen nadere harmonisatie van de voorwaarden op dit onderdeel tussen de

Voorstel college: geen reactie te geven. Op verzoek van het presidium wordt een concept-amendement opgesteld om een zienswijze in te dienen. Onderwerpen: Het omzetten van Raadstafel21 naar een adviescommissie. Het presidium is geen voorstander van een adviescommissie (artikel 24a lid 1 Wgr) en betrokkenheid ingezetenen etc. (artikel 24 en 25 lid 5). Opmerkingen bij uittredingsregeling Met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen hebben wij enkel een opmerking bij artikel 47 m.b.t. de uittredingsregeling. Wij constateren dat de uittredingsregeling van de 4 grote GR’en op verschillende manieren is uitgewerkt. Dit verdient ons inziens nader onderzoek naar haalbaarheid, uitvoerbaarheid en harmonisatie tussen de 4 grote GR’en. De GR dient conform de Wgr bepalingen te hebben omtrent de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding. Dit was al het geval voor GR’en die voor onbepaalde tijd zijn getroffen, maar deze verplichting geldt door de wetswijziging ook voor GR’en van bepaalde tijd. Daarnaast schrijft de wet voor waarover afspraken gemaakt moeten worden. Volgens de wetgever laat de praktijk zien dat veel problemen worden ervaren ten gevolge van de uittreding omdat in de GR vaak wordt volstaan met de afspraak dat in geval van uittreding het (algemeen) bestuur de uittreedvoorwaarden vaststelt. De nieuwe wetgeving is om die reden aangescherpt.

In de GR moeten in ieder geval afspraken worden gemaakt over de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon en de deelnemende gemeente(n), waarbij moet worden gedacht aan afspraken over personeel, contracten, huisvesting en investeringen. In de voorgestelde wijzigingen van de GR’en is hier uitvoering aan gegeven, maar niet op een eenduidige manier. De voorwaarden waaronder uitgetreden kan worden, verschilt namelijk per GR. We vragen ons af ook of die voorstellen financieel haalbaar en uitvoerbaar zijn voor gemeenten en of er geen nadere harmonisatie van de voorwaarden op dit onderdeel tussen de

GR’en kan plaatsvinden. Wij doen hierbij dan ook een oproep om, conform de wijze waarop de kaders voor P&C instrumenten en reservevorming eenduidig voor de 4 GR’en zijn vastgesteld, tot een voor de 4 grote GR’en eenduidige uittredingsregeling te komen en de hiervoor genoemde financiële aspecten van haalbaarheid en uitvoerbaarheid hierin mee te nemen. Opmerking bij procedure vaststelling beleidsplan en vaststelling risicoprofiel In aansluiting op de artikelen 14 en 15 van de Wet Veiligheidsregio’s zijn wij akkoord om voor vaststelling van het beleidsplan en de vaststelling van het risicoprofiel deze voor zienswijze voor te leggen aan de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten (artikel 11 Gemeenschappelijke Regeling Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost). Opmerkingen bij artikelen over archiefbescheiden Wij hebben wel opmerkingen bij de artikelen die ingaan op het archiefbescheiden. Er ontbreken artikelen over archiefbeheer, verantwoording en terbeschikkingstelling. De artikelen over de archiefbewaarplaats en toezicht zijn niet concreet genoeg. Er wordt aangeraden om hiervoor aan te sluiten bij de bepalingen zoals genoemd in de handreiking inrichting informatie en archiefbeheer bij samenwerkingsverbanden, opgesteld door de werkgroep van het LOPAI, de Koninklijke Vereniging Archiefsector Nederland (KVAN) en het Kennisnetwerk Informatie en Archief (KIA).

Het gaat voor de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost dan om het toevoegen van de volgende bepalingen zoals in deze handleiding: Artikel 2: Archiefbeheer Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. Artikel 3: Archiefbewaarplaats Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente + naam/ het regionaal historisch centrum + naam/ orgaan + naam. Artikel 4: Toezicht Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van …../ …… Artikel 5: Verantwoording 1. De archivaris van ….. / …… brengt jaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht

GR’en kan plaatsvinden. Wij doen hierbij dan ook een oproep om, conform de wijze waarop de kaders voor P&C instrumenten en reservevorming eenduidig voor de 4 GR’en zijn vastgesteld, tot een voor de 4 grote GR’en eenduidige uittredingsregeling te komen en de hiervoor genoemde financiële aspecten van haalbaarheid en uitvoerbaarheid hierin mee te nemen. Opmerkingen bij artikelen over archiefbescheiden Voor wat betreft de archiefbescheiden hebben we opmerkingen over enerzijds de verantwoording en anderzijds de terbeschikkingstelling. Hieronder lichten we deze toe. Verantwoording Er ontbreekt een artikel over verantwoording. Er wordt aangeraden om hiervoor aan te sluiten bij de bepalingen zoals genoemd in de handreiking inrichting informatie en archiefbeheer bij samenwerkingsverbanden, opgesteld door de werkgroep van het LOPAI, de Koninklijke Vereniging Archiefsector Nederland (KVAN) en het Kennisnetwerk Informatie en Archief (KIA). Het gaat voor de GGD dan om het toevoegen van de volgende bepaling zoals in deze handleiding: “Artikel 5: Verantwoording 1. De archivaris van de GGD Brabant-Zuidoost brengt jaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 2.

Het dagelijks bestuur brengt jaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam.” Terbeschikkingstelling In het concept GR GGD Brabant-Zuidoost 2023 is in artikel 44 een bepaling opgenomen die in strijd is met bestaande wetgeving (AVG en Archiefwet), waardoor wij verzoeken deze te verwijderen. Het gaat om de volgende bepaling: Artikel 44 3. Terbeschikkingstelling geschiedt voor 5 jaar en kan, met telkens een aaneengesloten periode van maximaal 5 jaar, worden verlengd tot ten hoogste 20 jaar. Onze voorkeur gaat uit naar vervanging van deze bepaling door: “In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden vastgelegd.” Een andere mogelijkheid is: “Terbeschikkingstelling geschiedt voor maximaal 5 jaar en kan, met telkens een aaneengesloten periode van maximaal 5 jaar, worden verlengd”. Deze periode kan namelijk worden beperkt door het al dan niet aanwezig

GR’en kan plaatsvinden. Wij doen hierbij dan ook een oproep om, conform de wijze waarop de kaders voor P&C instrumenten en reservevorming eenduidig voor de 4 GR’en zijn vastgesteld, tot een voor de 4 grote GR’en eenduidige uittredingsregeling te komen en de hiervoor genoemde financiële aspecten van haalbaarheid en uitvoerbaarheid hierin mee te nemen. Opmerkingen m.b.t. de stemverhouding In zowel de nu vigerende als de nu voorliggende Gemeenschappelijke Regeling ODZOB is dezelfde bepaling opgenomen omtrent de stemverhouding bij besluiten die zien op: a. het vaststellen van de begroting; b. de wijziging van de begroting; en c. het vaststellen van de jaarrekening. Deze bepaling houdt in dat bij deze besluiten een gekwalificeerde meerderheid nodig is, waarbij de meerderheid van stemmen tevens tenminste de helft van de omzet vertegenwoordigd welke de omgevingsdienst in het voorgaande jaar heeft gerealiseerd. In de praktijk is het zo dat de provincie circa 33% van de jaarlijkse omzet van de ODZOB op zich neemt. De bijdrage van Eindhoven, als deelnemer met de hoogste bijdrage na de provincie Noord-Brabant, is jaarlijks circa 7% a 8%. Dit betekent dat het in de praktijk vrijwel onmogelijk is een meerderheid over deze besluiten te krijgen, zonder dat de provincie Noord-Brabant hier mee instemt.

Gemeentelijke belangen, die inhoudelijk verschillen van de provinciale belangen, kunnen daarmee zeer lastig overgebracht worden en de controlerende taak van de Gemeenteraad kan daarmee ook niet worden ingevuld. Uit een inventarisatie in den lande is gebleken dat een dergelijke stemverhouding, buiten de provincie Noord-Brabant, vrijwel niet wordt gehanteerd. Derhalve wordt verzocht om de stemverhouding in de nieuwe Gemeenschappelijke Regeling te wijzigen. Er zijn diverse wijzen waarop dat kan, maar twee mogelijke en passende opties zouden zijn: Variant 1 1. Het aantal stemmen van een deelnemer is gerelateerd aan de in de begroting van de omgevingsdienst voor het betreffende kalenderjaar opgenomen bijdrage van de deelnemer. 2. Het aantal stemmen van de provincie is niet hoger dan de deelnemende gemeente met de meeste stemmen. 3. Het aantal stemmen per deelnemer wordt jaarlijks door het dagelijks bestuur op de eerste vergadering van het jaar vastgesteld aan de hand van de voor dat jaar vastgestelde begroting van de omgevingsdienst. Het aantal stemmen wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde even getal. 4. Het aantal stemmen per lid in het algemeen

GR’en kan plaatsvinden. Wij doen hierbij dan ook een oproep om, conform de wijze waarop de kaders voor P&C instrumenten en reservevorming eenduidig voor de 4 GR’en zijn vastgesteld, tot een voor de 4 grote GR’en eenduidige uittredingsregeling te komen en de hiervoor genoemde financiële aspecten van haalbaarheid en uitvoerbaarheid hierin mee te nemen. Opmerkingen bij artikelen over archiefbescheiden Tevens hebben wij een tweetal opmerkingen bij de artikelen die ingaan op archiefbescheiden: Wij verzoeken in de ontwerpwijziging het woord ‘zorg’ te verwijderen in de artikelen die gaan over het overdragen van ‘de zorg voor en het beheer van archiefbescheiden’ van gemeenten aan de MRE (artikel 4.3.b., 5.3.a., 17.1.j. en 43.1). Het overdragen van de zorg voor archiefbescheiden van gemeenten naar het RHCe achten wij onwenselijk. Het college van burgemeester en wethouders is onder de archiefwet (artikel 30, eerste lid) aangewezen als bestuurlijk eindverantwoordelijke voor het beheer van archiefbescheiden, wat betekent dat het college zorgdrager is en ook moet blijven na overbrengen van archiefbescheiden naar een archiefbewaarplaats. Het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven (RHCe) moet belast zijn met het beheer van archiefbescheiden, niet met de zorg voor de archiefbescheiden van de gemeente.

Daarom verzoeken wij u de genoemde artikelen aan te passen en te veranderen in enkel ‘het beheer voor archiefbescheiden’. Ook hebben wij geconstateerd dat er artikelen ontbreken over verantwoording en terbeschikkingstelling archiefbeheer. Wij verzoeken u om hiervoor aan te sluiten bij de bepalingen zoals genoemd in de handreiking inrichting informatie en archiefbeheer bij samenwerkingsverbanden, opgesteld door de werkgroep van het LOPAI, de Koninklijke Vereniging Archiefsector Nederland (KVAN) en het Kennisnetwerk Informatie en Archief (KIA). Concreet gaat het om het toevoegen van de volgende bepalingen m.b.t. verantwoording en terbeschikkingstelling zoals in de handleiding opgenomen: Artikel 5: Verantwoording 1. De archivaris van de MRE brengt jaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 2. Het dagelijks bestuur brengt jaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de

naar de archiefbewaarplaats. 2. Het dagelijks zijn van persoonsgegevens in de bestuur brengt jaarlijks verslag uit aan het archiefbescheiden en de wettelijke algemeen bestuur over de uitoefening van de aan vernietigingstermijn. hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam. Artikel 6: Terbeschikkingstelling 1. De deelnemers aan de regeling stellen tijdig aan het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. 2. In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden vastgelegd. 3. In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de terbeschikkingstelling. Daarnaast is er in Artikel 36 van het concept Gemeenschappelijke Regeling Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost geen bepaling opgenomen over wat er gedaan wordt met het archief van de gemeenschappelijke regeling na opheffing. De vraag wie in dat geval de rechtsopvolger is, wordt hierdoor niet beantwoord.

bestuur wordt berekend door het aantal stemmen per deelnemer te delen door twee. Indien slechts één lid van een deelnemer aan de stemming deelneemt, blijft het afwezige lid separaat stemmingsgerechtigd en kan door middel van een volmacht (in de zin van artikel 3:60 jo 3:62 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek) aan het wél aanwezige lid, zijn stem uitgebracht worden. Het aantal stemmen dat het afwezige lid vertegenwoordigt in het algemeen bestuur blijft in dat geval in stand. 5. Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen. 6. Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van het aantal uitgebrachte stemmen. 7. Indien gedurende het jaar sprake is van toetredende deelnemers, wordt in afwijking van het derde lid, tussentijds de stemverhouding vastgesteld met inachtneming van de in dit artikel vastgestelde methodiek. En Variant 2 1. Het algemeen bestuur bestaat uit 8 personen, waaronder de voorzitter. 2. Namens elke deelnemer maakt één deelnemer deel uit van het algemeen bestuur met uitzondering van de gemeente Nijmegen die twee leden kent. 3.

Een lid van het algemeen bestuur kan niet tevens medewerker in dienst van of op grond van een overeenkomst van opdracht werkzaam zijn voor het samenwerkingsverband dan wel in dienst van de provincie Gelderland. 4. Besluiten worden door het algemeen bestuur genomen met normale meerderheid van de uitgebrachte stemmen tenzij in deze regeling anders wordt bepaald. Voor alle besluiten zijn daarenboven de voorstemmen van minimaal 3 deelnemers vereist met uitzondering van schriftelijke stemmingen. De leden van het algemeen bestuur hebben op basis van de staffel een stemrecht als volgt: Gemeente Beuningen 3 Gemeente Druten 2 Gemeente Groesbeek 5 Gemeente Heumen 2 Gemeente Nijmegen 8 Gemeente Wijchen 2 Provincie Gelderland 4 Bron: Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Nijmegen | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl) Opmerkingen bij artikelen over archiefbescheiden Tenslotte hebben wij een opmerking bij de artikelen die ingaan op het archiefbescheiden: - Artikel 8.4 Verantwoording In dit artikel wordt enkel gesproken over de zorg voor de archiefbescheiden. We verzoeken om in dit artikel ook de verantwoording over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die

archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam. Artikel 6: Terbeschikkingstelling 1. De deelnemers aan de regeling stellen tijdig aan het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. 2. In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden vastgelegd. 3. In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de terbeschikkingstelling.

nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, op te nemen. Er wordt aangeraden om hiervoor aan te sluiten bij de bepalingen zoals genoemd in de handreiking inrichting informatie en archiefbeheer bij samenwerkingsverbanden, opgesteld door de werkgroep van het LOPAI, de Koninklijke Vereniging Archiefsector Nederland (KVAN) en het Kennisnetwerk Informatie en Archief (KIA). Artikel 9.4 Opheffing Dit artikel bevat geen bepaling waarin is opgenomen wat er gedaan wordt met het archief van de gemeenschappelijke regeling na opheffing. Wie wordt in dit geval de rechtsopvolger? Geldrop-Mierlo

Graag willen wij u verzoeken om artikel 10 lid 2 sub h en artikel 34 lid 2 toe te voegen in de aangepaste gemeenschappelijke regeling. Deze artikelen zijn namelijk wel meegenomen in de Was-wordt lijst, maar zijn niet terug te zien in de aangepaste regeling. In de aangepaste versie van de nieuwe gemeenschappelijke regeling staat het onderdeel ‘Artikelsgewijze toelichting’. Dit onderdeel sluit niet aan op de Was-wordt lijst. De artikelsgewijze toelichting is niet aangepast. Ook hierbij het verzoek om dit alsnog te doen.

Toevoeging aan artikel 21 We zijn blij met de bekrachtiging van het nut van de Raadstafel21 door toe te voegen dat artikel 24a van de Wet gemeenschappelijke regelingen van toepassing is op dit orgaan. We zien graag dat aan artikel 21 van de gemeenschappelijke regeling wordt toegevoegd, dat een vertegenwoordiger van Raadstafel21 aansluit bij vergaderingen van het algemeen bestuur (deelname zonder stemrecht). Dit om de betrokkenheid van raden bij de MRE verder te versterken. Opmerkingen bij artikel 24 Verzoek tot vereenvoudigen tekst artikel 24 In eerste instantie lijkt artikel 24 te gaan over participatie, maar het blijkt te gaan over inspraakmogelijkheden. De term ‘betrekken’ veronderstelt meer dan dat. Het artikel is sowieso lastig te lezen, terwijl er juridisch geen noodzaak is om het zo ingewikkeld op te schrijven. Daarom verzoeken wij om de tekst in het artikel te vereenvoudigen en dan direct beter te duiden dat het hier puur om inspraakmogelijkheden gaat. Overigens gaan wij ervanuit dat er binnen de programma’s intensief met ingezetenen en belanghebbenden zal worden samengewerkt buiten de formele inspraakmogelijkheden om en dat er op die manier echte participatie plaatsvindt op de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Verzoek tot afbakenen ‘direct effect’ Met artikel 24 lid 2 wordt de mogelijkheid tot inspraak ingeperkt.

Gesteld wordt dat in het geval het college en/of de raad van een

deelnemende gemeente iets mag of kan vinden van voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid, dat ingezetenen dan bij hun lokaal bestuur aan moeten kloppen voor inspraak. Het is echter niet duidelijk waar het omslagpunt ligt: wanneer is er wel of geen direct effect van beleid op de ingezetene. Dat is voor meerdere interpretaties vatbaar en wij verwachten dat dit bij de uitvoering van de regeling tot onduidelijkheid en verschil in verwachtingen gaat leiden. Daarom verzoeken wij u om dit beter af te bakenen in de regeling. Interpretatievraag over ‘direct effect’ Doordat de term ‘direct effect’ verschillend kan worden geïnterpreteerd rijst gelijk de vraag of er wel of geen sprake is van een direct effect bij een onderwerp waarover de raad een zienswijze of een reactie kan geven. Het is het algemeen bestuur van de MRE dat in die gevallen het besluit neemt. De raden kunnen voeding geven aan dat besluit door een zienswijze of reactie in te sturen. Het dagelijks bestuur weegt vervolgens af of zienswijzen of reacties leiden tot aanpassing van het voorstel en het algemeen bestuur neemt de zienswijzen of reacties bij de besluitvorming al dan niet ter harte. Als bij dat soort onderwerpen de inspraak lokaal plaatsvindt, heeft de inspraak een zeer beperkt bereik en kunnen we ons afvragen of daarmee recht wordt gedaan aan de intentie van de Wgr.

Die intentie is af te leiden uit het amendement van Tweede Kamerlid Bromet: inwoners moeten ook bij gemeenschappelijke regelingen in de gelegenheid worden gesteld om hun mening over beleid of de uitvoering daarvan kenbaar te kunnen maken. Wij verzoeken u om deze overwegingen mee te nemen in de hiervoor gevraagde afbakening. Artikel 24 lid 10 lijkt in strijd met de wet In lid 10 wordt aangegeven dat ‘het bestuur’ – vermoedelijk wordt hiermee het dagelijks bestuur bedoeld – kan afwijken van het voorgaande in artikel 24. De vraag is hoe wordt geborgd dat de overwegingen van het bestuur transparant zijn. De keuze welke procedure wordt toegepast dient in de regeling te worden bepaald en kan omwille van het voorkomen van willekeur niet aan het dagelijks bestuur worden

gelaten. Wij verzoeken u deze bepaling te herzien. Suggestie voor artikel 25 lid 5 Op basis van artikel 25 lid 5 kan de indruk ontstaan dat bij inspraak door ingezetenen uitgesloten wordt dat de raden een zienswijze of wensen en bedenkingen kunnen geven. Dat is niet de intentie van de Wet gemeenschappelijke regelingen, aangezien de bedoeling van de gewijzigde wet is om de raden meer en beter te betrekken bij de gemeenschappelijke regeling. Onze suggestie is om artikel 25 zo aan te passen dat duidelijk is dat er ruimte is voor het indienen van zienswijzen door raden ook als er sprake is van inspraak door ingezetenen. Tot slot verwachten wij dat het toevoegen van een toelichting aan de regeling zal helpen bij toepassing van de regeling. Het bevordert een eenduidige interpretatie en daarmee de transparantie. Ons verzoek is daarom om deze toe te voegen. Gemert-Bakel

De zienswijze op de ontwerpwijziging 2023 van de GGD-Brabant-Zuidoost gewijzigd vast te stellen met de volgende toevoeging: De gemeenteraad van Gemert-Bakel stelt voor dat het AB conform artikel 24a Wet gemeenschappelijke regelingen een gemeenschappelijke adviescommissie instelt bestaande uit raadsleden van de deelnemende gemeentes. De zienswijze op de ontwerpwijziging 2023 van de GGD-Brabant-Zuidoost te veranderen met de onderstaande tekst en vast te stellen: Wij zijn als gemeenteraad van mening dat artikel 29 lid 1 van de regeling te vrijblijvend is geformuleerd en als volgt gewijzigd dient te worden: "Buiten de meerjarige beleidsvisie zoals bedoeld in artikel 25, de begroting, zoals bedoeld in artikel 36, en wijziging van deze regeling, zoals bedoeld in artikel 48, dient het Algemeen Bestuur de raden in de gelegenheid te stellen om hun zienswijze in te dienen ten aanzien van andere voorgenomen besluiten die de gezondheid van, dan wel anderszins, de inwoners van de gemeente direct treft."

Op de volgende wijziging hebben we gekozen voor een reactie. Het gaat daarbij om artikel 47 waar de uittreding in is geregeld. Het valt ons op dat de afbouwregeling binnen dit artikel afwijkend is van andere GR-en (Veiligheidsregio, GGD). Afgezien daarvan vinden we de invulling van de afbouwregeling te lang. We stellen dan ook voor om deze in te steken zoals deze is opgenomen bij de GR Veiligheidsregio en GGD. Dit betekent respectievelijk 100%-66%-33% van de bijdrage in de jaren 1 tot en met 3 en vanaf jaar 4 0%. Artikel 21 lid 2 Het algemeen bestuur stelt op voorstel van de raden in ieder geval een Raadstafel21 in. Artikel 24a, lid 2 van de wet (Wgr, red.) is van toepassing op Raadstafel21. Reactie (aanpassing op voorliggende zienswijze): Op dit moment zijn de taken en bevoegdheden van Raadstafel21 vastgelegd in het MRE-statuut. De taken zijn vooral: schakel, sparringpartner, verbinder en klankbord. Invulling hiervan door informatie-uitwisseling, kennisdeling en de ambassadeursrol. De vraag is echter of dit voor een formele gemeenschappelijke adviescommissie voldoende is. Een meer adviserende rol voor Raadstafel21 zou dan voor de hand liggen. Dit sluit ook beter aan bij het feit

dat de MRE een gemengde regeling is, getroffen door colleges én raden. Het AB van de MRE bestaat volledig uit burgemeesters en wethouders. Aanvullend hierop zouden taken en bevoegdheden met meer impact (b.v. advisering) voor Raadstafel21 in de rede liggen. De MRE verwijst zelf naar artikel 24a, lid 2 van de Wgr, waarin gesteld wordt dat deelnemende raden in staat gesteld moeten worden hun wensen en bedenkingen inzake de bevoegdheden, taken en werkwijze van de commissie ter kennis van het Algemeen Bestuur te brengen.

Heeze-Leende

Helmond

Ons verzoek is om in de gemeenschappelijke regeling een artikel op te nemen waarin concreet wordt benoemd dat de Raadstafel 21 een adviserende stem heeft in het bestuur, zonder stemrecht. De grip op regionale samenwerking staat vaak ter De grip op regionale samenwerking staat vaak ter De grip op regionale samenwerking staat vaak ter De grip op regionale samenwerking staat vaak ter discussie in de gemeenteraad. discussie in de gemeenteraad. discussie in de gemeenteraad. discussie in de gemeenteraad. Gemeenteraadsleden geven aan dat het lastig is Gemeenteraadsleden geven aan dat het lastig is Gemeenteraadsleden geven aan dat het lastig is Gemeenteraadsleden geven aan dat het lastig is om te sturen en controleren op om te sturen en controleren op om te sturen en controleren op om te sturen en controleren op gemeenschappelijke regelingen. Met de gemeenschappelijke regelingen. Met de gemeenschappelijke regelingen. Met de gemeenschappelijke regelingen.

Met de wijzigingen in de gemeenschappelijke regelingen, wijzigingen in de gemeenschappelijke regelingen, wijzigingen in de gemeenschappelijke regelingen, wijzigingen in de Gemeenschappelijke Regeling GGDBZO, op basis van de Wgr, wordt de op basis van de Wgr, wordt de kaderstellende en op basis van de Wgr, wordt de kaderstellende en op basis van de Wgr, wordt de kaderstellende en kaderstellende en controlerende rol van de raad controlerende rol van de raad versterkt. controlerende rol van de raad versterkt. Wij controlerende rol van de raad versterkt. Wij versterkt. Wij vragen dan ook blijvende aandacht voor de vragen dan ook blijvende aandacht voor de vragen dan ook blijvende aandacht voor de Wij vragen dan ook blijvende aandacht voor de informatievoorziening vanuit de informatievoorziening vanuit de informatievoorziening vanuit de informatievoorziening vanuit de gemeenschappelijke gemeenschappelijke regelingen. Kwalitatieve en Gemeenschappelijke Regeling GGD BZO. gemeenschappelijke regelingen. Kwalitatieve en regelingen.

Kwalitatieve en effectieve effectieve informatievoorziening is een effectieve informatievoorziening is een Kwalitatieve en effectieve informatievoorziening informatievoorziening is een randvoorwaarde randvoorwaarde voor sturing en controle op een is een randvoorwaarde voor sturing en controle randvoorwaarde voor sturing en controle op een voor sturing en controle op een op een gemeenschappelijke regeling door de gemeenschappelijke regeling door de raden. gemeenschappelijke regeling door de raden. gemeenschappelijke regeling door de raden. raden. Middels deze zienswijze benadrukt de Middels deze zienswijze willen wij als raad Tot slot blijven wij aandacht vragen voor een gemeenteraad van Heeze-Leende dat het benadrukken dat het belangrijk is de goede wisselwerking tussen de gemeenteraad, belangrijk is dat de aanpassingen niet alleen aanpassingen niet alleen vast te leggen in de het college, de ambtelijke organisatie en het worden vastgelegd in de nieuwe samenwerkingsverband. gemeenschappelijke regeling, maar deze ook zo nieuwe gemeenschappelijke regeling, maar deze uit te voeren. Zo kan recht gedaan worden aan ook zo uit te voeren. Zo kan recht gedaan worden de zorgen die raadsleden hebben en wordt de aan de zorgen die raadsleden hebben en wordt democratische legitimiteit van het regionale de democratische legitimiteit van het regionale samenwerkingsverband versterkt.

samenwerkingsverband versterkt.

Laarbeek

Nuenen c.a.

Tekstuele aanpassing op zorg en beheer van de archiefbescheiden. De gemeenteraad acht het van belang dat het college van de gemeente Laarbeek zorgdrager blijft van onze archiefbescheiden. Bij overbrenging zou enkel het beheer van de archiefbescheiden overgedragen moeten worden, niet de zorg. De concept gewijzigde gemeenschappelijke regeling MRE 2024 zouden we daarom als volgt willen aanpassen. Op de genoemde artikelen (artikel 4.3.b., 5.3.a., 17.1.j. en 43.1), waarbij ‘de zorg voor en het beheer van archiefbescheiden’ wordt aangepast naar enkel ‘het beheer van archiefbescheiden’. Betrokkenheid ingezetenen en belanghebbenden Wij ondersteunen de keus om in de gewijzigde regeling een bepaling (artikel 24) op te nemen over de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid van MRE. Daarbij vragen wij ons wel af of het betreffende artikel voldoende duidelijk en goed hanteerbaar is in de praktijk. Ingezetenen en belanghebbenden zouden betrokken moeten kunnen worden als het gaat om beleid waarvan zij rechtstreeks de gevolgen kunnen ondervinden. Het criterium ‘direct effect’ lijkt hierop aan te sluiten. In lid 2 wordt dit criterium echter vertaald naar geen besluitvorming door colleges c.q. raden vereist of nodig. Met andere woorden, in geval van besluitvorming door alleen gremia binnen MRE geldt artikel 24.

Het wel of geen besluitvorming door de raad c.q. college is niet relevant voor de vraag of er sprake is van direct effect voor onze inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties. De overweging bij invulling van direct effect lijkt te zijn dat als het college of raad een besluit neemt, de gemeente zelf een afweging maakt over de wijze waarop zij de gemeenschap betrekt. Binnen de samenwerking is het juist van belang om daarin één lijn te trekken. Participatie versus inspraak Het betrekken van ingezetenen en belanghebbende kan op velerlei manieren. In artikel 24 is geen onderscheid gemaakt te zijn tussen participatie en inspraak. Dit leidt tot onduidelijkheden. Dat is niet wenselijk. Participatie vindt plaats tijdens het maken van plannen en beleid en het uitvoeren van een evaluatie. Inspraak vindt daarna plaats als onderdeel van het besluitvormingsproces. Ingezetenen kunnen dan reageren op het ontwerp van het plan, beleid, enz. dat een bestuursorgaan wil vaststellen. Daarom vraagt

participatie om een ander proces dan inspraak. Alleen in geval van inspraak is het logisch om aansluiting te zoeken bij Wgr en afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing te verklaren. Als er duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen participatie en inspraak dan is het wellicht ook eenvoudiger om te bepalen in welke situaties het wenselijk is om ingezetenen en belanghebbenden te betrekken en op welke wijze. Oirschot Reusel-De Mierden Someren

Sommige bepalingen in de conceptregeling voldoen niet aan wettelijke of provinciale archiveringsspelregels. In de GR VRBZO 2024 is geen voorziening voor het ter beschikking stellen van archiefbescheiden van aangesloten gemeenten aan de GR. De archiefbepalingen zijn niet in overeenstemming met de modelbepalingen in de Handreiking Inrichting informatie- en archiefbeheer en de Archiefwet. Voorgesteld wordt om de archiefbepalingen in overeenstemming te brengen met de archiefbepalingen in de Handreiking. Het volgen van de Handreiking is ook de uitdrukkelijke wens van de provinciale toezichthouder met het oog op uniformiteit en de juiste inhoud (kwaliteit) van de archiefbepalingen. Verder dienen de zorg- en beheertaken voor archief op zodanige wijze geregeld te zijn dat deze in overeenstemming met de Archiefwet (1995) worden uitgevoerd.

Behalve over de gewijzigde bepalingen geven wij ook een reactie over enkele andere (ongewijzigde) bepalingen die naar ons oordeel aanpassing behoeven. Dat kan nu meteen worden meegenomen bij de gewijzigde vaststelling van de gemeenschappelijke regeling. Onze reactie is als volgt: 1. Uittreedregeling Wij merken op dat de in conceptbepaling 47 voorgestelde uittreedregeling ons zorgen baart. Onwenselijk is dat bij uittreding de uittredende partij niet deelt in enig opgebouwd vermogen maar wél deelt in mogelijk verlies. Het ontbreken van details over de uittreedvoorwaarden leidt er verder toe dat deze bepaling niet (goed) op zijn merites beoordeeld kan worden. Het heeft er in elk geval alle schijn van dat deze bepaling een eventuele uittreding bijzonder onaantrekkelijk maakt. Dat is dan niet in lijn met de rechtspraak: uittredingskosten mogen geen boete op uittreding zijn. Ook al zijn wij niet voornemens om uit de gemeenschappelijke regeling te treden, wij opteren wel voor een uittreedbepaling waarbij de uittreedkosten reëel en redelijk zijn. Immers, niemand weet wat de toekomst brengt. Buiten de gewijzigde bepalingen hebben wij ook vragen over enkele ongewijzigde bepalingen in de regeling. 2. Archiefbepalingen Volgens de conceptregeling ligt de zorg voor naar de regionale archiefbewaarplaats(en) overgebrachte archiefbescheiden bij (het dagelijks bestuur van) de Metropoolregio.

Wij vragen ons af wat de achterliggende gedachte bij deze (al langer bestaande) bepaling is (geweest) maar vinden dit niet terug in de toelichting bij de huidige gemeenschappelijke regeling. Gelet op de bepalingen en bedoeling van de Archiefwet (1995) is (en blijft) de zorg voor (overgedragen) archiefbescheiden naar ons oordeel een taak van de colleges van de Metropoolgemeenten zelf. De vraag is daarom of voornoemde bepaling wel

voldoet aan de vereisten en de bedoeling van de Archiefwet. Wij merken daarbij op dat dit (mogelijk) ook (financiële) gevolgen heeft. Wij stellen verder vast dat de conceptbepalingen over archivering niet in overeenstemming zijn met de modelbepalingen in de ‘Handreiking Inrichting informatie- en archiefbeheer’ van november 2021. Voorgesteld wordt om de archiefbepalingen, daar waar relevant, in overeenstemming te brengen met de archiefbepalingen in de Handreiking. Het volgen van de Handreiking is namelijk de uitdrukkelijke wens van onze provinciale toezichthouder met het oog op uniformiteit en de juiste inhoud (kwaliteit) van de archiefbepalingen. Tot slot wijzen wij er nadrukkelijk op dat de Gemeenschappelijke regeling, vooruitlopend op inwerkingtreding van de Archiefwet 2021, opnieuw gewijzigd moet worden. De Archiefwet 2021 brengt namelijk fundamentele wijzigingen ten aanzien van archiefdiensten met zich mee. 1 Zie artikel 17, lid 1, sub j, conceptregeling. In dat licht zal (opnieuw) kritisch gekeken moeten worden naar de bevoegdheden over archief zoals nu opgenomen in artikel 5, lid 3, van de huidige conceptregeling. Son en Breugel Valkenswaard

De grip op regionale samenwerking staat vaak ter discussie in de gemeenteraad. Gemeenteraadsleden geven aan dat het lastig is om te sturen en controleren op gemeenschappelijke regelingen. Met de wijzigingen in de gemeenschappelijke regelingen, op basis van de Wgr, wordt de kaderstellende en controlerende rol van de raad versterkt. Wij vragen dan ook blijvende aandacht voor de informatievoorziening vanuit de gemeenschappelijke regelingen. Kwalitatieve en effectieve informatievoorziening is een randvoorwaarde voor sturing en controle op een gemeenschappelijke regeling door de raden. Middels deze zienswijze willen wij als raad benadrukken dat het belangrijk is de aanpassingen niet alleen vast te leggen in de nieuwe gemeenschappelijke regeling, maar deze ook zo uit te voeren. Zo kan recht gedaan worden aan de zorgen die raadsleden hebben en wordt de democratische legitimiteit van het regionale samenwerkingsverband versterkt. Tot slot blijven wij aandacht vragen voor een goede wisselwerking tussen de gemeenteraad, het college, de ambtelijke organisatie en het samenwerkingsverband.

De grip op regionale samenwerking staat vaak ter discussie in de gemeenteraad. Gemeenteraadsleden geven aan dat het lastig is om te sturen en controleren op gemeenschappelijke regelingen. Met de wijzigingen in de gemeenschappelijke regelingen, op basis van de Wgr, wordt de kaderstellende en controlerende rol van de raad versterkt. Wij vragen dan ook blijvende aandacht voor de informatievoorziening vanuit de gemeenschappelijke regelingen. Kwalitatieve en effectieve informatievoorziening is een randvoorwaarde voor sturing en controle op een gemeenschappelijke regeling door de raden. Middels deze zienswijze willen wij als raad benadrukken dat het belangrijk is de aanpassingen niet alleen vast te leggen in de nieuwe gemeenschappelijke regeling, maar deze ook zo uit te voeren. Zo kan recht gedaan worden aan de zorgen die raadsleden hebben en wordt de democratische legitimiteit van het regionale samenwerkingsverband versterkt. Tot slot blijven wij aandacht vragen voor een goede wisselwerking tussen de gemeenteraad, het college, de ambtelijke organisatie en het samenwerkingsverband.

De grip op regionale samenwerking staat vaak ter discussie in de gemeenteraad. Gemeenteraadsleden geven aan dat het lastig is om te sturen en controleren op gemeenschappelijke regelingen. Met de wijzigingen in de gemeenschappelijke regelingen, op basis van de Wgr, wordt de kaderstellende en controlerende rol van de raad versterkt. Wij vragen dan ook blijvende aandacht voor de informatievoorziening vanuit de gemeenschappelijke regelingen. Kwalitatieve en effectieve informatievoorziening is een randvoorwaarde voor sturing en controle op een gemeenschappelijke regeling door de raden. Middels deze zienswijze willen wij als raad benadrukken dat het belangrijk is de aanpassingen niet alleen vast te leggen in de nieuwe gemeenschappelijke regeling, maar deze ook zo uit te voeren. Zo kan recht gedaan worden aan de zorgen die raadsleden hebben en wordt de democratische legitimiteit van het regionale samenwerkingsverband versterkt. Tot slot blijven wij aandacht vragen voor een goede wisselwerking tussen de gemeenteraad, het college, de ambtelijke organisatie en het samenwerkingsverband.

De grip op regionale samenwerking staat vaak ter discussie in de gemeenteraad. Gemeenteraadsleden geven aan dat het lastig is om te sturen en controleren op gemeenschappelijke regelingen. Met de wijzigingen in de gemeenschappelijke regelingen, op basis van de Wgr, wordt de kaderstellende en controlerende rol van de raad versterkt. Wij vragen dan ook blijvende aandacht voor de informatievoorziening vanuit de gemeenschappelijke regelingen. Kwalitatieve en effectieve informatievoorziening is een randvoorwaarde voor sturing en controle op een gemeenschappelijke regeling door de raden. De Raadstafel21 wordt met de wijziging van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen een formele gemeenschappelijke adviescommissie. De Raadstafel21 richt zich vooral op informatieuitwisseling, kennisdeling en een ambassadeursrol. Een meer adviserende rol voor de Raadstafel21 ligt voor de hand, gezien het feit dat de MRE een gemengde regeling is. In een meer adviserende rol kan de Raadstafel21 gevraagd en ongevraagd advies geven aan het AB, DB en de MRE. Hierbij kan de Raadstafel21 adviseren over de invulling van de

Veldhoven

Waalre

Metropoolconferentie, de informatievoorziening vanuit de MRE naar de deelnemende gemeenten en over meer procesmatige aspecten van de planning & control cyclus zoals de ontwerpbegroting en het Samenwerkingsakkoord. Middels deze zienswijze willen wij als raad benadrukken dat het belangrijk is de aanpassingen niet alleen vast te leggen in de nieuwe gemeenschappelijke regeling, maar deze ook zo uit te voeren. Zo kan recht gedaan worden aan de zorgen die raadsleden hebben en wordt de democratische legitimiteit van het regionale samenwerkingsverband versterkt. Tot slot blijven wij aandacht vragen voor een goede wisselwerking tussen de gemeenteraad, het college, de ambtelijke organisatie en het samenwerkingsverband. Raadstafel21 De Raadstafel21 wordt omgezet in een gemeenschappelijke adviescommissie. Dit juichen wij toe. En wij gaan er vanuit dat de raden inzake de taken en bevoegdheden van deze commissie om wensen en bedenkingen worden gevraagd, zoals u heeft opgenomen in artikel 21, lid 2 van de nieuwe regeling (met verwijzing naar artikel 24.a van de Wgr). Participatie In de voorgestelde wijziging lezen wij verder dat er geen zienswijzeprocedure wordt gehouden als er een participatietraject is doorlopen. Hiermee zijn wij het niet eens. Nog afgezien van de definitiekwestie van ‘participatietraject’, moet een zienswijzeprocedure niet op voorhand worden uitgesloten.

Als raad behouden wij ons het recht voor om een zienswijze in te dienen. Evaluatie De evaluatie van de regeling wordt gekoppeld aan het samenwerkingsakkoord / de regionale agenda. Dit begrijpen wij. Daarmee komt het moment van evalueren uit op het einde van een bestuursperiode en aan het begin van een nieuwe bestuursperiode. Wij vragen u dit moment te verleggen en de evaluatie in het midden van de bestuursperiode te houden. Aspecten in de zienswijze zullen vermoedelijk zijn: -

rol van de Raadstafel21 niet veranderen; wel cruciaal dat er wordt gewerkt met zienswijzen aan de raden; burgerparticipatie nooit in plaats van de raad;

-

concretere waarborgen bij de bepaling dat bij spoed de raden niet hoeven te worden gehoord.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13418348/1