CConstaterende datHellendoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting wijziging omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle Motivering

Gemeenteraad 27 januari 2026, gemeente HellendoornBij agendapunt: Vaststellen wijziging omgevingsplan Stationsweg 5 Haarle26.970 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 4.4: Geluid in Nederland van wegverkeer (Lden) (bron: Atlasleefomgeving)

Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig omgevingsplan.

Omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle 26

4.6

Luchtkwaliteit

Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Toets Verkeer Voorliggend plan maakt de functiewijziging van 'Bedrijf' naar 'Wonen' mogelijk. De gemeente Hellendoorn heeft reeds een omgevingsvergunning afgegeven voor de realisatie van de vier appartementen. Echter is het voor hypotheek en verzekeringstechnische redenen nodig om de functie te wijzigen. Hoewel de appartementen reeds aanwezig zijn, is voor het kader van de luchtkwaliteit belangrijk om de invloed van de verkeersbewegingen mee te laten wegen tijdens dit onderzoek.

Voorheen was het pand in gebruik als een elektronisch installatiebedrijf. Het elektronisch installatiebedrijf heeft een verkeersaantrekkende werking, naar alle waarschijnlijkheid hebben de vier appartementen een grotere verkeersaantrekkende werking. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen met de onderhavige ontwikkeling afgerond op 24 per dag gesteld worden. Dit aantal betreft een berekening vanuit de factoren 'Koop, appartement, midden' en 'Schil centrum'. Er wordt vanuit

Omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle 27

gegaan dat de appartementen geen vrachtverkeer aantrekken. Wanneer voorgenoemde gegevens worden ingevuld in de NIBM-tool, dan kan worden geconcludeerd dat de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling niet in betekende mate is. Zie figuur 4.5 voor de worst-case berekening.

Figuur 4.5: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan.

4.7

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op

Omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle 28

grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk.

Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning.

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Toets Risicokaart Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas Leefomgeving door deze gegevens in een risicokaart te visualiseren. Op basis van de risicokaart Nederland is in het projectgebied één aandachtsgebied aanwezig, een brandaandachtsgebied van een buisleiding van Gasuni. In de eerder verleende omgevingsvergunning is dit mogelijke vergroting van het groepsrisico ook meegenomen. Tijdens dit proces is niet geconstateerd, dat ligging binnen een brandaandachtsgebied zorgt voor een toename van het groepsrisico.

Omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle 29

Figuur 4.6: Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlasleefomgeving) Uit de inventarisatie van de Risicokaart Nederland blijkt dat er verder geen relevante risicobronnen aanwezig zijn in de omgeving van het plangebied.

Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot omgevingsveiligheid.

4.8

Water

Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Beleidskader Het kader voor de weging van het waterbelang is het vigerend beleid (Vierde Nota waterhuishouding, Waterbeleid 21e eeuw, Europese Kaderrichtlijn water en de beleidslijn Ruimte voor de Rivier). De watertoets wordt uitgevoerd binnen de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en water, op basis van het commitment van de betrokken partijen blijkend uit de Startovereenkomst Waterbeleid 21eeeuw. Een aantal relevante beleidsdocumenten wordt in het navolgende kort besproken. Rijksbeleid

Omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle 30

NWP, Nationaal Waterplan 2016-2021 Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren. Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes: Integraal waterbeheer. Het kabinet houdt vast aan een integrale aanpak van de wateropgaven, door opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet)water in natte en droge situaties in samenhang te beschouwen. Afwenteling voorkomen. Het kabinet wil voorkomen dat waterkwantiteits- en waterkwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd, zoals het afwentelen van bovenstrooms veroorzaakte waterkwaliteitsproblemen op benedenstrooms gelegen wateren. Om afwenteling te voorkomen gelden ook de volgende tritsen: Vasthouden-bergen-afvoeren. Op basis van deze trits wordt water zo lang mogelijk vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater, om wateroverlast en overstromingen te voorkomen en in droge periodes zo lang mogelijk te beschikken over gebiedseigen water. Zo nodig wordt water tijdelijk geborgen. Als vasthouden en bergen niet meer mogelijk zijn, wordt het water afgevoerd naar elders. Schoonhouden-scheiden-schoonmaken.

Bij deze trits gaat het er in de eerste plaats om het water zo schoon mogelijk te houden. In de tweede plaats blijven schoon en vuil water zo veel mogelijk gescheiden. Als laatste, wanneer schoon houden en scheiden niet meer mogelijk zijn, kan het schoonmaken van verontreinigd water aan de orde zijn. Ruimte en water verbinden. Bij de aanpak van wateropgaven en de uitvoering van maatregelen vindt vooraf afstemming plaats met de andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied. Adaptieve aanpak. De waterpartners anticiperen met een adaptieve aanpak op toekomstige ontwikkelingen: gefaseerde besluitvorming, flexibele strategieën en een integrale benadering. Daarmee minimaliseren zij de kans op over- of onderinvesteren. Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van de wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Beleid waterschap Drents Overijsselse Delta Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2022-2027) willen bereiken en hoe ze dat willen doen.

Het waterbeheerprogramma is een belangrijk document. Het bevat de uitwerking van de ambities in de Watervisie "Meer dan water" en geeft voor de periode 2022 tot en met 2027 aan wat hun maatregelen zijn om het watersysteem, de waterketen en de waterkeringen op orde te brengen. Ook zijn de maatschappelijke doelen voor duurzaamheid, circulaire bedrijfsvoering, klimaatadaptatie, educatie en voorlichting uitgewerkt. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 bestaat uit drie delen: 1. Waterbeheerprogramma Water Drents Overijsselse Delta 2022-2027. 2. Gebiedsuitwerkingen WBO 2022-2027. 3. KRW factsheets en achtergronddocument. In de gebiedsuitwerkingen zijn onze doelen en maatregelen voor vijf deelgebieden uitgewerkt. De gebiedskenmerken worden beschreven, de ontwikkelingen in het gebied en de doelen en maatregelen zijn uitgebreid toegelicht. Bij het samenstellen van de programma's gebruiken het waterschap een zogenaamde 'doelenboom', een schematische gestructureerde weergave van onze strategische en operationele doelen en maatregelen.

Omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle 31

Figuur 4.7: Doelenboom (bron: WDOD)

Gemeentelijk beleid Beleidsplan ´Samen leven met water' Het beleidsplan ´Samen leven met water' bevat hoofdlijnen van het waterbeleid in de gemeente Hellendoorn voor de periode 2021 tot en met 2025. De gemeente heeft een aantal wettelijk verplichte watertaken Het inzamelen en verwerken van afvalwater; Het verwerken van afstromend hemelwater; Het beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming. Vanwege een verbreding van taken kiest de gemeente er voor om het plan een titel mee te geven die aansluit bij een aantal actuele ontwikkelingen. In het beleidsplan ´Samen leven met water´ anticiperen de gemeente Hellendoorn op de toekomstige Omgevingswet. De fysieke leefomgeving, waar water een onderdeel van is, komt in de toekomst veel meer centraal te staan samen met ander disciplines die de leefomgeving bepalen zoals groen en inrichting van de openbare ruimte. De gemeente plaatst het plan ook in andere bredere ontwikkelingen zoals de discussie over de energietransitie (duurzaamheid) en klimaatadaptatie. Afvalwaterzorgplicht De gemeente Hellendoorn heeft een zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater in het hele grondgebied van de gemeente. Hiermee wordt het inzamelen van huishoudelijk afvalwater bedoeld, eventueel vermengd met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater of grondwater.

Om aan de zorgplicht afvalwater te voldoen, onderhoudt de gemeente Hellendoorn een omvangrijk rioleringsstelsel. Daartoe behoren de vuilwaterriolering, gemengde riolering, drukriolering, rioolgemalen, persleidingen, bergbezinkbassins en huisaansluitingen in het openbare gebied. Hemelwaterzorgplicht Daarnaast heeft de gemeente Hellendoorn een zorgplicht voor de doelmatige inzameling van hemelwater. De gemeentelijke zorg heeft betrekking op het afvloeiende hemelwater (of smeltwater) van het openbare terrein. De gemeente hoeft niet altijd het hemelwater van particulier terrein af te voeren. Dit geldt alleen als het niet redelijk is te verwachten dat de perceel eigenaar het afvloeiende hemelwater zelf verwerkt of afvoert. Dit geldt bijvoorbeeld als er geen oppervlaktewater in de buurt is of als infiltratie niet mogelijk is door de bodemopbouw. Om aan de zorgplicht hemelwater te voldoen onderhoudt de gemeente een systeem van gemengde riolering, regenwaterriolering, infiltratievoorzieningen en straatkolken. Het hemelwater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater, geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar de zuivering. Bij voorkeur maakt de gemeente zo min mogelijk gebruik van gemengde riolering voor de inzameling van regenwater. Dit komt omdat bij gemengde riolering ongezuiverd afvalwater op het oppervlaktewater kan worden geloosd via de overstorten als

Omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle 32

het rioolstelsel vol zit. Dit is niet goed voor de waterkwaliteit. Daarnaast wordt de rioolwaterzuivering onnodig belast met 'schoon' regenwater. Naast de riolering, onderhoudt de gemeente Hellendoorn ook zelf een deel van het oppervlaktewatersysteem, de kleinere watergangen in het systeem. Grondwaterzorgplicht De gemeente Hellendoorn draagt zorg voor in het openbaar gemeentelijk gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van het waterschap of de provincie behoort. Het voorkomen of oplossen van een te hoge of te lage grondwaterstand kan door het beïnvloeden van de grondwaterstand (waterhuishoudkundige maatregelen zoals aanleg van drainage) of door het treffen van bouwkundige maatregelen. Om aan de zorgplicht grondwater te voldoen onderhoudt de gemeente een grondwatermeetnet en op enkele plaatsen een drainagesysteem op locaties waar de grondwaterstand daar aanleiding toe geeft. Deze drainagesystemen zijn aangesloten op watergangen.

Watertoetsproces Op 29 november 2024 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets verricht. Uit de watertoets is gebleken dat er geen belangen worden geraakt. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft dan ook geen bezwaren. Voor de volledige watertoets wordt verwezen naar Bijlage 2.

Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect water geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig omgevingsplan.

4.9

Natuurwaarden

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Toets Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). De emissie van stikstof tijdens de gebruiksfase is gelijk aan de huidige en leidt daarom niet tot een toename van stikstofdepositie in het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Het uitvoeren van een stikstofberekening is niet nodig. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook worden uitgesloten. Het planvoornemen voorziet in een functiewijziging van 'Bedrijf' naar functie 'Wonen'. Voor de buitengevels geldt dat er geen wijzigingen worden aangebracht. Er vinden geen inpandige werkzaamheden plaats. Ook vinden er geen werkzaamheden plaats aan de (openbare) ruimte rondom het pand. Hierdoor worden geen rust- en/of verblijfsplaatsen voor beschermde soorten aangetast. Eventueel aanwezige beschermde soorten worden niet verstoord.

Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig omgevingsplan.

4.10

Archeologie en erfgoed

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

Omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle 33

Cultureel erfgoed Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst. Archeologie De gemeente Hellendoorn beschikt niet over een eigen archeologisch beleid en het plangebied kent geen archeologische dubbelbestemming. Derhalve wordt gebruik gemaakt van de archeologische verwachtingskaart van de provincie Overijssel, te raadplegen via Atlas van Overijssel. Figuur 4.8 toont een uitsnede van de provinciale archeologische verwachtingskaart.

Figuur 4.8: Uitsnede archeologische verwachtingenkaart provincie Overijssel (bron: Atlas van Overijssel)

Toets Uit figuur 4.8 blijkt dat het plangebied een lage verwachting kent voor archeologische waarden. Gelet hierop wordt niet geacht dat een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Daarnaast zijn er met het voorliggende plan geen werkzaamheden in de bodem beoogd, waardoor eventuele aanwezige archeologische waarden geschaad kunnen worden.

Cultuurhistorie

Omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle 34

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel (zie figuur 4.7) kan worden afgeleid dat het plangebied niet gelegen is binnen een historisch dorpskern en er zijn geen monumenten aanwezig binnen of direct rondom het plangebied die als gevolg van de ontwikkeling aangetast zouden kunnen worden. Gelet hierop wordt geacht dat een nader onderzoek niet noodzakelijk is.

Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig omgevingsplan.

4.11

Verkeer / parkeren

Het plangebied wordt onstsloten via de Stationsstraat. Dit betreft een redelijk drukke weg in het centrumgebied van Haarle. Voorliggend plan voorziet in de functiewijziging van de functie 'Bedrijf' naar de functie 'Wonen'. In eerder stadium zijn de 4 appartementen door de gemeente Hellendoorn vergund. Uitgaande van de CROW-publicatie 381 en de kengetallen voor 'Koop, appartement, midden' en voor 'Schil centrum' zijn de totale verkeersbewegingen 5,8 x 4 = afgerond 24 verkeersbewegingen per etmaal. Deze verkeersbewegingen zijn reeds aanwezig en tot op heden zijn geen problemen met de ontsluiting geweest.

Voor een 'Koop appartement, midden' in de schil van het centrum en weinig stedelijk geldt een parkeernorm in de worst-case scenario van 2,1. Dit resulteert in een benodigd aantal van parkeerplaatsen van 2,1 x 4 = afgerond 9 parkeerplaatsen. Het parkeren vindt plaats op huidige terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien.

Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig omgevingsplan.

Omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle 35

Hoofdstuk 5 5.1

Toelichting op de regels

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de plankaart en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Met het omgevingsplan ‘Stationsweg 5, Haarle’ wordt de functiewijziging van 'Bedrijf naar 'Wonen' mogelijk gemaakt. Deze wijziging op het omgevingsplan van de gemeente Hellendoorn is technisch opgesteld conform de vereisten volgens de Omgevingswet en de STOP/TPOD-standaard.

5.2

Opzet regels

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

5.3

Werkingsgebied

De regels in dit omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Stationsweg 5 in Haarle, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/viewer/locatie?regelsandere=regels. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen. 5.3.1

Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: artikel 1.1 Begrippen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. artikel 2 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit dit omgevingsplan. artikel 3 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. artikel 4 Aanvraagvereisten: In dit artikel is aangegeven dat de aanvraagvereisten uit artikel 22.5.2 van het omgevingsplan van rechtswege ook van toepassing zijn verklaard op omgevingsvergunningaanvragen vereist op basis van dit omgevingsplan. artikel 5 Algemeen gebruiksverbod: Dit artikel geeft aan dat gebruik zoals niet omschreven in de regels van dit hoofdstuk, als strijdig wordt aangemerkt. 5.3.2

Functies en activiteiten

In de bestemmingsregels is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.

Omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle 36

5.3.3

Algemene bepalingen

De Algemene bepalingen bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti dubbeltelbepalingen: Algemene bouwbepalingen: dit artikel bevat de bepalingen ten aanzien van bestaande afmetingen en bestaande afstanden. Algemene gebruiksbepalingen: in dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies. Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestaan gebruik volgens de in het omgevingsplan toegekende functies. 5.3.4

Nadere toelichting op de regels

Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden). Functieomschrijving 'Wonen - 3' De voor 'Wonen - 3' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, aan huis verbonden beroepen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen en verkeersen verblijfvoorzieningen.

Omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle 37

Hoofdstuk 6

Kostenverhaal

Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zal de overheid vaak kosten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen. De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. De wettelijke regeling voor kostenverhaal is niet van toepassing voor gronden die de gemeente in eigendom heeft of in erfpacht uitgeeft, omdat kostenverhaal dan wordt verrekend via de gronduitgifte of de erfpachtcanon. Voor de overige gronden (vol eigendom) bevat afdeling 13.6 van de Omgevingswet de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. Bij het opnemen van nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden in het omgevingsplan wordt gelijktijdig bepaald of een kostenverhaalsgebied moet worden aangewezen. Van belang is of er sprake is van een bouw- of gebruiksactiviteit waarvoor kostenverhaal verplicht is (artikel 13.11 Ow). In artikel 8.13 Omgevingsbesluit (Ob) zijn deze activiteiten limitatief aangewezen. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of transformatie van gebouwen naar een andere functie, zoals een kantoor- of een winkelfunctie. In sommige gevallen zijn de te verhalen kosten gering. Deze gevallen zijn opgesomd in artikel 8.14 Ob.

Het bestuursorgaan kan besluiten in die gevallen geen kosten te verhalen (artikel 13.11 Ow). Als de activiteit niet onder deze uitzondering valt is kostenverhaal verplicht. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het veranderen van de functie van 'Bedrijf' naar 'Wonen'. Daarmee is het plan kostenverhaalsplichtig. Een kostenverhaalsbijdrage kan voldaan worden via afspraken die worden vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst of op basis van de regels voor een kostenverhaalsgebied in het omgevingsplan. Als kostenverhaal verplicht is wordt bij voorkeur een privaatrechtelijke anterieure overeenkomst afgesloten met een initiatiefnemer (artikel. 13.13 Ow). Deze moet zijn afgesloten voordat het omgevingsplan wordt vastgesteld. Voor aanvang van een activiteit wordt vervolgens de verschuldigde kostenverhaalsbijdrage betaald op basis van de afgesloten anterieure overeenkomst. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten, waarmee voldaan is aan de verplichting tot het verhalen van kosten.

Omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle 38

Hoofdstuk 7 7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd. Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Het plan wordt in het kader van vooroverleg aan de provincie Overijssel toegezonden. Waterschap Drents Overijsselse Delta Het plan betreft alleen een functieverandering van bestaande bebouwing. Er worden geen verdere wijzigingen aangebracht binnen het plangebied. Het heeft dan ook geen invloed op de waterhuishouding. Er is geen sprake van (grond)wateroverlast in de omgeving van het plan. Het proces van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Drents Overijsselse Delta gaat akkoord met voorgenomen plan.

7.2

Participatie

Op grond van artikel 10.2, lid 2 van Omgevingsbesluit geldt een participatieverplichting bij het vaststellen van een wijziging van het omgevingsplan. In het vaststellingsbesluit moet staan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat met de resultaten gedaan is. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de plannen de afgelopen jaren uitvoerig doorgesproken, er zijn geen naaste buren/omwonenden die onevenredig overlast zouden kunnen ondervinden met de voorgenomen ontwikkeling, sterker nog, met het inperken van de bedrijfsactiviteiten verbetert de situatie ter plaatse aanzienlijk. Er zijn geen bezwaren of negatieve reacties naar voren gekomen tijdens de participatie met omwonenden.

7.3

Zienswijzen

De wijziging van het omgevingsplan heeft met ingang van 3 oktober 2025 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van de wijziging van het omgevingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.

Omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle 39

Omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle 40

Bijlage bij toelichting

Omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle 41

Bijlage 1

Verkennend bodemonderzoek Stationsweg 5

Omgevingsplan Stationsweg 5, Haarle 42

Verkennend en nader bodemonderzoek Stationsweg 5 te Haarle Project 2019-0021-007

projectnummer versie

auteur

2019-0021-007 1.0 Mevrouw A. Troost

project datum

controle

Stationsweg 5 te Haarle 8 mei 2019 De heer R. Fieten

opdrachtgever

Sallandse Milieu en Advies B.V.

Inhoudsopgave 1.

Aanleiding ................................................................................................................................................. 4

2.

Vooronderzoek .......................................................................................................................................... 5 Werkwijze.......................................................................................................................................................... 5 Locatiegegevens ................................................................................................................................................ 5 Historische informatie ....................................................................................................................................... 6 Geohydrologische gegevens ............................................................................................................................. 7

3.

Uitvoering onderzoek ................................................................................................................................ 8 3.1

Hypothese ......................................................................................................................................................... 8

3.2

Onderzoeksstrategie ......................................................................................................................................... 8

3.3

Uitvoering veldwerk .......................................................................................................................................... 8

3.4

Zintuigelijke waarnemingen .............................................................................................................................. 9

3.5

Uitvoering laboratoriumonderzoek .................................................................................................................. 9

4.

Resultaten ............................................................................................................................................... 11 4.1

Analyseresultaten grond ................................................................................................................................. 11

4.2

Analyseresultaten asbest ................................................................................................................................ 12

4.3

Analyseresultaten grondwater ........................................................................................................................ 12

5.

Nader onderzoek ..................................................................................................................................... 13 5.1

Uitspitsing bovengrondmengmonster ............................................................................................................ 13

5.2

Uitvoering nader onderzoek ........................................................................................................................... 13

5.3

Analyses .......................................................................................................................................................... 14

5.4

Analyseresultaten nader onderzoek ............................................................................................................... 14

5.5

Bespreking resultaten nader onderzoek ......................................................................................................... 15

6.

Conclusies ................................................................................................................................................ 16 5.1

Resultaten grond ............................................................................................................................................. 16

5.2

Resultaten asbest ............................................................................................................................................ 17

5.3

Resultaten grondwater ................................................................................................................................... 17

5.4

Conclusies en aanbevelingen .......................................................................................................................... 17

7.

Pagina

2 van 18

Betrouwbaarheid onderzoek ................................................................................................................... 18

Datum

8-5-2019

Bijlagen

Pagina

1.

Locatiekaart

2.

Situatieschets

3.

Boorprofielen

4.

Toetsing analyseresultaten

5.

Analyserapporten laboratorium

6.

Achtergrond-, streef- en interventiewaarden

7.

Onderzoeksstrategie NEN 5740 ‘niet verdachte’ locaties

8.

Historische informatie

3 van 18

Datum

8-5-2019

1.

Aanleiding

In opdracht van Sallandse Milieu en Advies heeft Lycens B.V. een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Stationsweg 5 te Haarle. Voor de ligging van deze locatie wordt verwezen naar bijlage 1, de locatiekaart.

De aanleiding voor het onderzoek is de geplande bestemmingsplanwijziging en de geplande herinrichting van de locatie. De herinrichting van de locatie voorziet momenteel enkel in een inpandige verbouwing.

Het doel van het verkennend onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit op de locatie en daarmee mogelijke verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren welke consequenties kunnen hebben voor de geplande bestemmingsplanwijziging en herinrichting van de locatie. Hiervoor is de milieuhygienische kwaliteit van de grond en het grondwater beoordeeld door het verrichten van een aantal boringen en het analyseren van een aantal grond- en grondwatermonsters.

Het doel van het nader onderzoek is het bepalen van de aard en de omvang van de tijdens het verkennend bodemonderzoek aangetroffen verontreiniging met PAK in de grond.

Het onderzoek is conform de Nederlandse Normen "Onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek" (NEN 5740) en “Bodem – Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond” (NEN 5707) uitgevoerd.

In hoofdstuk 2 worden de resultaten van het vooronderzoek beschreven. De opzet van het onderzoek wordt in hoofdstuk 3 en de verrichte veld- en laboratoriumwerkzaamheden worden in hoofdstuk 4 beschreven. In hoofdstuk 5 wordt het nader onderzoek beschreven. Tot slot worden in hoofdstuk 6 de resultaten en conclusies van het uitgevoerde onderzoek weergegeven en worden aanbevelingen geformuleerd.

Pagina

4 van 18

Datum

8-5-2019

2.

Vooronderzoek Werkwijze

Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725:2017. Conform deze norm bepaald de aanleiding van het onderzoek de minimale onderzoeksaspecten. In onderstaande tabel zijn deze onderzoeksaspecten per aanleiding weergegeven. In onderhavige situatie is sprake van aanleiding A (bodemonderzoek). Tabel 2.1: Onderzoeksaspecten in relatie tot aanleiding van het onderzoek

Locatiegegevens

2

Bodemopbouw en geohydrologie

3

Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit

4

Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval Terreinverkenning

5

G: Tijdelijke uitplaatsing

F: Ontgraven of toepassen van grond

E: Opstellen bodemkwaliteitskaart

D: Partijkeuring

B: Nul-/eindsituatie onderzoek

A: Bodemonderzoek

1

C: Toepassen grond of baggerspecie

Aanleiding tot vooronderzoek

Onderzoeksaspecten

Eigendomssituatie Hoogteligging Bodemopbouw Antropogene lagen in de bodem Geohydrologie Geval van ernstige bodemverontreiniging? Kwaliteit o.b.v. Bodemkwaliteitskaart O.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken Voormalig Huidig Toekomst Asbestverdacht?

Optioneel

Verplicht

Het doel van het vooronderzoek is om op basis van minimaal de verplichte aspecten in tabel 2.1 inzicht te verkrijgen in de bodemopbouw, het (historische) gebruik van de locatie, de aanwezigheid van potentieel bodembedreigende activiteiten c.q. situaties en de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging.

Locatiegegevens De onderzoekslocatie bevindt zich binnen de bebouwde kom van Haarle. De onderzoekslocatie betreft een bebouwde locatie. Op de locatie is een bedrijfdspand aanwezig. De Stationsweg bevindt zich ten oosten van de onderzoekslocatie. In de directe omgeving bevinden zich voornamelijk woonpercelen. In tabel 2.2 op de volgende pagina zijn de algemene locatiegegevens weergegeven. Op basis van de door de opdrachtgever beschikbaar gestelde gegevens verklaart Lycens B.V. dat de onderzoekslocatie geen eigendom is van Lycens B.V. of een aan Lycens B.V. gerelateerd bedrijf.

Pagina

5 van 18

Datum

8-5-2019

Tabel 2.2: Locatiegegevens Locatie

Stationsweg 5 te Haarle

Ligging locatie

Binnen de bebouwde kom van Haarle

Kadastrale gegevens

Gemeente Hellendoorn, sectie F, nummer 2680 (gedeeltelijk)

Oppervlakte

Circa 645 m2

Topografische aanduiding

Coördinaten: X: 222.490, Y: 486.318

Gebruik locatie - voormalig

Agrarisch

- huidig

Bedrijfsactiviteiten

- toekomstig

Wonen

Opdrachtgever

Sallandse Milieu en Advies B.V.

Overige belanghebbenden

Initiatiefnemers

Historische informatie Onderstaand is een overzicht gegeven van de geraadpleegde bronnen. Er is van uitgegaan dat de geleverde informatie juist en volledig is. Lycens B.V. is niet aansprakelijk voor onjuiste of onvolledige informatie die door derden is verstrekt. Bron: 

Gemeente Hellendoorn, mevrouw P. Nunumete

Opdrachtgever: Sallandse Milieu en Advies B.V, de heer H. Kottink

Bodematlas Provincie Overijssel

www.bodemloket.nl

https://bagviewer.kadaster.nl

www.topotijdreis.nl

Historisch gebruik Voor het historisch onderzoek zijn de topografische kaarten uit 1900, 1936, 1968 en 1994 bestudeerd. Hieruit blijkt dat de onderzoekslocatie en directe omgeving daarvan tot 1936 in agrarisch gebruik zijn geweest. Op historische kaarten vanaf 1968 is de onderzoekslocatie en directe omgeving daarvan ontwikkeld tot de huidige indeling. De huidige bebouwing dateert uit 1994. De terreinindeling is sindsdien niet significant gewijzigd.

Informatie Gemeente Hellendoorn Uit het historisch onderzoek blijkt dat er voor zover bekend op de onderzoekslocatie geen onder- of bovengrondse tanks aanwezig zijn, of zijn geweest. Ook is er voor zover bekend bij de Gemeente ter plaatse van de onderzoekslocatie niet eerder een bodemonderzoek uitgevoerd. Echter heeft de opdrachtgever een bodemonderzoek aangeleverd uit 1993. Deze is onderstaand kort besproken. Uit gegevens van de gemeente Hellendoorn blijkt dat op de locatie in het verleden een smederij aanwezig is geweest. Uit informatie van de opdrachtgever blijkt dat deze medio jaren 70 op de locatie aanwezig was.

Pagina

6 van 18

Datum

8-5-2019

Provinciale bodematlas Uit de door Geofox-Lexmond opgestelde Asbestsignaleringskaart (vlakkenkaart) blijkt dat op de locatie een grote kans aanwezig is om asbest aan te treffen. Uit de Asbestsignaleringskaart (puntenkaart) blijkt echter dat ter plaatse van de onderzoekslocatie er geen aanleiding is voor de aanwezigheid van asbest. Uit navraag bij de provincie Overijssel blijkt dat de Asbestsignaleringskaart is vastgesteld op basis van bureauonderzoek, waarbij geen locatiebezoek of dossieronderzoek is uitgevoerd. Uit de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart blijkt dat ter plaatse van de onderzoekslocatie een lage verwachting aanwezig is.

Rapport: Verkennend bodemonderzoek Station te Haarle, door Aveco de Bondt, kenmerk 93.2450.06, d.d. 5 juli 1993 Het onderzoek is uitgevoerd op de huidige onderzoekslocatie. Op de locatie was destijds een bedrijfspand met opslagruimte en werkplaats aanwezig. In het verleden was een smederij op de locatie aanwezig. Visueel zijn in de bovengrond puinresten en kooldeeltjes aangetroffen. Analytisch zijn in de grond licht verhoogde gehalten aan PAK en EOX aangetroffen. In het grondwater zijn geen van de onderzochte stoffen in een gehalte boven de toenmalige Awaarde aangetoond.

Conclusie Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is de onderzoekslocatie ten aanzien van chemische parameters als onverdacht te beschouwen. Ten aanzien van asbest is de locatie als onverdacht te beschouwen.

Geohydrologische gegevens Uit de Grondwaterkaart van Nederland (Dienst Grondwaterverkenning TNO) zijn de volgende (hydro)geologische gegevens afkomstig:

Ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat de bodem tot circa 18 m –mv uit het eerste watervoerende pakket. Dit pakket bestaat voornamelijk uit matig fijn tot uiterst grof zand. Tot circa 20 m –mv is vervolgens een scheidende laag, bestaande uit voornamelijk kleihoudende (zand)lagen aanwezig. Tot dieper dan 180 m –mv zijn vervolgens afwisselend watervoerende pakketten en scheidende lagen aanwezig.

De stroming van het freatische grondwater in het eerste watervoerende pakket is globaal in zuidoostelijke richting. Lokaal kan de grondwaterstroming van deze richting afwijken. De onderzoekslocatie bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied, waterwingebied en/of boringsvrije zone.

Pagina

7 van 18

Datum

8-5-2019

3.

Uitvoering onderzoek

3.1

Hypothese

Chemische parameters In het kader van de NEN 5740 is een hypothese gesteld over het karakter van de onderzoekslocatie. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek (hoofdstuk 2) wordt de locatie beschouwd als "onverdacht". De hypothese vormt het uitgangspunt van de gevolgde onderzoeksstrategie tijdens dit onderzoek.

Asbest In het kader van de NEN 5707 is een hypothese gesteld over het karakter van de onderzoekslocatie. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt de locatie beschouwd als onverdacht. Een verkennend onderzoek asbest conform NEN 5707 werd in eerste instantie niet noodzakelijk geacht. Gezien het aantreffen van puin in de bodem (zie paragraaf 3.4) is alsnog onderzoek naar asbest uitgevoerd.

3.2

Onderzoeksstrategie

Op basis van de gestelde hypothese wordt de locatie onderzocht conform de strategie voor een ‘onverdachte nietlijnvormige locatie’ (ONV-NL). De oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt circa 645 m2. Conform de gehanteerde onderzoeksstrategie kan afgeleid worden dat in totaal 4 boringen tot 0.5 meter diepte, 1 boring tot circa 2,0 m-mv of de heersende grondwaterstand en 1 boring tot circa 1.5 meter onder de heersende grondwaterstand uitgevoerd moeten worden. De boring tot onder de grondwaterspiegel zal met een peilbuis worden afgewerkt voor het grondwateronderzoek. Voor het asbestonderzoek conform NEN 5707 worden de ondiepe boringen vervangen door gaten met een afmeting van circa 0.3x0.3 x0.5 meter (lxbxd).

3.3

Uitvoering veldwerk

Het veldwerk is uitgevoerd op 18 maart 2019 door de heer R.R. Boers van Lycens B.V.. De veldwerkzaamheden zijn onder certificaat (K46918/09) uitgevoerd conform de BRL SIKB 2000: ‘veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek’ en de daarbij behorende protocollen. Voor aanvang van de veldwerkzaamheden is een maaiveldinspectie uitgevoerd. De inspectie-efficiency wordt geschat op 70% - 90%.

Vervolgens zijn in totaal 6 gaten gegraven. Hiervan zijn 4 gaten verricht tot circa 0,5 m-mv, 1 gat is handmatig doorgezet tot 1,5 m-mv en 1 gat is doorgezet tot circa 3,0 m-mv en is afgewerkt met een peilbuis. Het filter van de peilbuis staat op een diepte van circa 2,0 tot 3,0 m-mv. De peilbuis is na plaatsing op 18 maart 2019 en voor bemonstering conform NEN 5744:2011 op 25 maart 2019 door de heer R.R. Boers doorgepompt. De posities van de onderzoekspunten zijn op de tekening in bijlage 2 weergegeven.

Pagina

8 van 18

Datum

8-5-2019

Het vrijkomende materiaal is zintuiglijk beoordeeld op samenstelling, geur, kleur en overige bijzonderheden die kunnen duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. De resultaten zijn samengevat beschreven in paragraaf 3.4. De uitgetekende bodemprofielen zijn opgenomen in bijlage 3.

3.4

Zintuigelijke waarnemingen

Tijdens de maaiveldinspectie zijn op het maaiveld van de locatie geen asbestverdachte materialen of overige bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging.

Uit de bodemprofielen blijkt dat de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat uit matig fijn zand. Verspreid over de locatie zijn tijdens het uitvoeren van het veldwerk tot een diepte van circa 0,5 m –mv sporen puin en kolengruis waargenomen. Er zijn geen asbestverdachte (plaat)-materialen aangetroffen in de bodem.

Tijdens het uitvoeren van het veldwerk is een gemiddelde grondwaterstand waargenomen van circa 1,5 m -mv. De grondwaterstand kan afhankelijk van seizoen en positie op de locatie variëren.

3.5

Uitvoering laboratoriumonderzoek

Bij de uitvoering van het laboratoriumonderzoek is de gehanteerde onderzoeksstrategie in de NEN 5740 en NEN 5707 als leidraad gebruikt (bijlage 7). Het onderzoek met betrekking tot chemische parameters is uitgevoerd door het laboratorium "Eurofins Analytico B.V." te Barneveld. Het onderzoek met betrekking tot asbest is uitgevoerd door het laboratorium "ACMAA Laboratoria B.V." te Deurningen. Beide laboratoria zijn geaccrediteerd volgens de AS3000. Voor het inschatten van de risico's van eventueel aanwezige verontreinigingen zijn de chemische analyseresultaten (meetwaarden) van het laboratorium gestandaardiseerd (GSSD) en vervolgens getoetst aan de streef-, achtergronden interventiewaarden bodemsanering (bijlage 6). Het toets resultaat wordt weergegeven als index en geeft de verhouding weer tussen het gemeten gehalte en de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. Met betrekking tot asbest zijn daar waar noodzakelijk de gewogen asbestconcentraties bepaald.

Voor de beoordeling van de kwaliteit van de grond en het grondwater is één mengmonster van de bovengrond, één mengmonster van de ondergrond en één grondwatermonster chemisch-analytisch onderzocht op het standaardpakket (bijlage 7). Daarnaast is van de bovengrond één mengmonster samengesteld en conform NEN 5898 onderzocht op de aanwezigheid van asbest.

In tabel 3.1 is de monstercodering, de samenstelling en het doel van het (samengestelde meng-) monster weergegeven.

Pagina

9 van 18

Datum

8-5-2019

Tabel 3.1: Samenstelling van de (meng)monsters Monstercode

Monsters

Diepte (m-mv)

Doel

01-2 02-1 03-1 04-1 05-1 06-2 01-3 01-4 01-5 01-6 02-2 02-3 02-4

0,25 – 0,5 0,08 – 0,5 0,1 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0,16 – 0,5 0,5 – 0,7 0,7 – 1,0 1,0 – 1,5 1,5 – 2,0 0,5 – 1,0 1,0 – 1,2 1,2 – 1,5

Vaststellen milieuhygienische kwaliteit puin- en kolengruishoudende bovengrond

G01 t/m G06

0 – 0,5

Vaststellen kwaliteit bovengrond met betrekking tot asbest

2,0 – 3,0

Vaststellen milieuhygienische kwaliteit grondwater

Grond MM BG

MM OG

Vaststellen milieuhygienische kwaliteit ondergrond

Grond MM FF BG Grondwater 01-1-1

Pagina

10 van 18

Datum

8-5-2019

4.

Resultaten

De laboratoriumrapporten zijn opgenomen in bijlage 5. In bijlage 4 zijn de analyseresultaten getoetst aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden.

4.1

Analyseresultaten grond

Tabel 4.1 geeft een volledig overzicht van de interpretatie van de analyseresultaten van de grond(meng)-monsters. Indien er gestandaardiseerde gehalten zijn aangetoond groter dan de achtergrondwaarde, zijn tevens de meetwaarden vermeld in milligram per kilogram droge stof (mg/kg ds). Naast de meetwaarde is tevens het gestandaardiseerde gehalte (GSSD) en de index weergegeven. De niet weergegeven parameters overschrijden de achtergrondwaarde niet.

Tabel 4.1: Interpretatie van de analyseresultaten van de grond(meng)monsters (Meng)monster

Parameter

Meetwaarde

GSSD

Index

Monsterconclusie

MM BG

Barium

*

-

-

overschrijdt de interventiewaarde

Zink

95

221

0,14

Lood

37

58

0,02

PAK

62

62

1,57

PCB

0,11

0,11

0,09

Minerale olie

250

1000

0,17

Barium

*

-

-

Molybdeen

2,9

2,9

0,01

PAK

15

15

0,35

Minerale olie

98

490

0,06

MM OG

≤0 ≥0<0.5 ≥0.5<1 ≥1 *

: : : : : :

overschrijdt de achtergrondwaarde

niet bepaald kleiner dan of gelijk aan de achtergrondwaarde groter dan de achtergrondwaarde, kleiner dan ½(achtergrondwaarde+interventiewaarde) gelijk aan of groter dan ½(achtergrondwaarde+interventiewaarde) gelijk aan of groter dan de interventiewaarde de normwaarden voor barium zijn tijdelijk buiten werking gesteld, met uitzondering van duidelijk antropogene verontreinigingen

Bespreking resultaten In de bovengrond is een sterk verhoogd gehalte aan PAK gemeten. Tevens zijn licht verhoogde gehalten aan zink, lood, PCB en minerale olie aangetroffen. In de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten aan molybdeen, PAK en minerale olie aangetroffen. De aangetroffen gehalten zijn te relateren aan het voorkomen van puin en kolengruis in de bodem en het bedrijfsmatige gebruik van de locatie door de jaren heen. Omdat in de bovengrond een sterk verhoogd gehalte aan PAK is aangetoond bestaat de noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek. De opzet en de resultaten van het nader onderzoek zijn weergegeven in hoofdstuk 5.

Pagina

11 van 18

Datum

8-5-2019

4.2

Analyseresultaten asbest

In de fijne fractie van de bovengrond is analytisch een gehalte asbest van 0,2 mg/kg d.s. aangetoond. Het aangetroffen gehalte asbest ligt ruim beneden de interventiewaarde en/of grenswaarde voor nader onderzoek. Er is geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek en/of sanerende maatregelen. Op basis van het uitgevoerde asbestonderzoek bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en herinrichting van de locatie.

4.3

Analyseresultaten grondwater

Tabel 4.2 geeft een overzicht van de peilbuisspecificaties en de analyseresultaten van het grondwatermonster. Indien er concentraties zijn gemeten hoger dan de streefwaarde, dan zijn de betreffende parameters en concentraties vermeld in microgram per liter (µg/l). Tevens zijn de index en de monsterconclusie weergegeven.

Tabel 4.2: Interpretatie van de analyseresultaten van het grondwatermonster Peil-

Filter-

Grondwater-

buis

stelling

stand (m-mv)

Parameter

Meetwaarde/

index

GSSD

Monster-

Troebelheid

Zuurgraad

Geleidings-

conclusie

NTU)

(pH)

vermogen µS/cm)

01-1-1

2,00-3,00

1,5

-

-

-

Voldoet aan

10

6,51

485

streefwaarde ≤0 >0≤0.5 >0.5<1 ≥1

: : : : :

niet onderzocht kleiner dan of gelijk aan de streefwaarde groter dan de streefwaarde, gelijk aan of kleiner dan ½(streefwaarde+interventiewaarde) groter dan ½(streefwaarde+interventiewaarde) gelijk aan of groter dan de interventiewaarde

Bespreking resultaten In het grondwater zijn geen parameters in een verhoogde concentratie gemeten. Er bestaat ten aanzien van de chemische kwaliteit van het grondwater derhalve geen belemmering tegen de geplande herinrichting van het terrein en de geplande bestemmingsplanwijziging.

Pagina

12 van 18

Datum

8-5-2019

5.

Nader onderzoek

In dit hoofdstuk zijn de uitvoering en de analyseresultaten van het nader onderzoek opgenomen. De laboratoriumrapporten zijn opgenomen in bijlage 5. In bijlage 4 zijn de analyseresultaten getoetst aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden.

5.1

Uitspitsing bovengrondmengmonster

Omdat in het bovengrondmengmonster MM BG een gehalte PAK boven de interventiewaarde is aangetoond zijn in eerste instantie de deelmonsters van MM BG separaat geanalyseerd op de aanwezigheid van PAK. Tabel 5.1 geeft een volledig overzicht van de interpretatie van de analyseresultaten van de grondmonsters. Indien er gestandaardiseerde gehalten zijn aangetoond groter dan de achtergrondwaarde, zijn tevens de meetwaarden vermeld in milligram per kilogram droge stof (mg/kg ds). Naast de meetwaarde is tevens het gestandaardiseerde gehalte (GSSD) en de index weergegeven. Tabel 5.1: Interpretatie van de analyseresultaten van de grond(meng)monsters Monster (m-mv)

Parameter

Meetwaarde/GSSD

Index

Monsterconclusie

01-2 (0,25 – 0,5)

PAK

155

3,99

Overschrijdt de interventiewaarde

02-1 (0,08 – 0,5)

PAK

5,8

0,11

Overschrijdt de achtergrondwaarde

03-1 (0,1 – 0,5)

PAK

2,7

0,03

Overschrijdt de achtergrondwaarde

04-1 (0 – 0,5)

PAK

3,6

0,05

Overschrijdt de achtergrondwaarde

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16339658/2