Toelichting bestemmingsplan Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn
Tekst van het document
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp 4.2.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De “Natuurlijke laag” en de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” kunnen in dit geval buiten beschouwing blijven aangezien de oorspronkelijke waarden van deze lagen niet meer voorkomen in het plangebied. Daarnaast wordt de “Laag van de beleving” buiten beschouwing gelaten omdat er geen kenmerken of elementen vanuit deze laag op het plangebied van toepassing zijn. De “Stedelijke laag” In de “Stedelijke laag” ontstaat de koppeling van de sociale en fysieke dynamiek van de stedelijke functies aan het verbindende netwerk van wegen, paden, spoorwegen en kanalen. Elke stad of dorp bezit zijn eigen karakteristieke ruimtelijke, sociale en functionele opbouw en kwaliteiten. Het plangebied ligt in de gebiedstypen “Woonwijken 1955 - nu” en “Bebouwingsschil 1900-1955”, zoals weergegeven in afbeelding 4.5.
Afbeelding 4.5
Uitsnede van de ‘Stedelijke laag’ (Bron: Provincie Overijssel)
“Bebouwingsschil 1900 – 1955” De bebouwingsschil 1900-1955 bestaat uit gemengde stadwijken en woonwijken direct aansluitend op de historische centra en binnensteden. Op sommige plaatsen liggen (voormalige) grootschalige fabriekscomplexen direct aansluitend aan woonwijken. Deze stadswijken kennen een gesloten, compacte vorm (bouwblokken) en zijn veelal opdeelbaar in wijken met eigen karakter. De wijken worden van elkaar gescheiden door doorgaande lanen, singels en stadsstraten. Als herstructurering, inbreiding en toevoeging van bebouwing plaats vinden in de individueel ontwikkelde stadswijken van de bebouwingsschil 1900 - 1955, dan dragen deze bij aan behoud, versterking en vernieuwing van de individuele bebouwing met een eigen karakter en uitstraling. Ontwikkelingen voegen zich in maat, schaal en ritme naar de omliggende bebouwing. “Woonwijken 1955 - nu” Deze woonwijken zijn uitbreidingswijken op basis van een gezamenlijk plan en grotere bouwstromen. Functies zoals wonen, werken, voorzieningencentra zijn uiteengelegd en wijken kennen eenheidsbuurten. Hier en daar
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp zijn, voornamelijk aan de randen, gebieden die hiervan afwijken. In deze wijken bevinden zich duidelijke in- en uitgangen en kunst in de openbare ruimte. Daarbij is vooral aandacht voor de aansluiting op de binnenstad en het hoofdwegennetwerk. Soms zijn herkenbare relicten van het oude cultuurlandschap (zoals boerderijen of beplantingsstructuren) opgenomen. De bouwperiode is te zien aan de stedenbouwkundige structuur en architectuur. Er ligt een rangorde in kwaliteit(sbeleid) en stigmatisering op de loer, de kwaliteit van de woningen voldoet vaak niet aan de kwaliteitseisen en er is een gebrek aan onderhoud van de openbare ruimte. Herstructurering is hier een belangrijke opgave. Toetsing van het initiatief aan de “Stedelijke laag” De ontwikkeling sluit functioneel en stedenbouwkundig aan bij de omgeving. Door het toepassen van natuurlijke materialen (hout/metselwerk) en gedekte kleuren valt de bebouwing weg in de groene omgeving. Bij het situeren van de woningen en appartementengebouwen is rekening gehouden met de openheid van het gebied, door doorkijkjes te creëren naar de groene ruimte en de molen ‘de Hoop’ aan de Ninaberlaan. Het voornemen voorziet in een binnenstedelijke herontwikkeling, waarbij de ruimtelijke kwaliteit in en rondom het plangebied toeneemt.
Het voornemen is al met al dan ook passend binnen de stedelijke laag. 4.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
4.3
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. Met betrekking tot het voorliggende bestemmingsplan zijn de hieronder genoemde beleidsstukken van toepassing. 4.3.1
‘Omgevingsvisie Hellendoorn, Natuurlijk Avontuurlijk’
4.3.1.1 Algemeen De ‘Omgevingsvisie Hellendoorn, Natuurlijk Avontuurlijk’ (vastgesteld d.d. 12 februari 2014) bevat een brede visie op de toekomst en vormt het kader van alle ruimtelijke ontwikkelingen. De visie is opgebouwd in 3 lagen, namelijk identiteit, context en kernvisie: •
• •
Identiteit: gericht op versterken en kwaliteit van een gebied: deze geeft deze geeft niet aan welke ontwikkelingen waar mogelijk zijn maar meer binnen welke identiteit een bepaalde ontwikkeling moet worden uitgewerkt/vormgegeven. Context: gericht op de functionele opgave: Dit vanuit het huidige programma; wonen, werken natuur en verkeer. Kernvisie: In de kernvisie zijn de prioriteiten vanuit de workshops gedestilleerd en wordt aangegeven op welke ontwikkeling/wisselwerking de focus ligt.
4.3.1.2 Identiteit, Context en Kernvisie 4.3.1.2.1
Identiteit: ‘Sterke kernen’
De gemeente Hellendoorn is ingedeeld in zes identiteitsgebieden. Onderhavig plangebied bevindt zich in het identiteitsgebied ‘Sterke kernen’. De leefbaarheid van de dorpen (Nijverdal en Hellendoorn), de kernen (Daarle, Daarlerveen, Hulsen en Haarle) en de buurtschappen (Egede, Elen en Raahn, Marle en Hancate) is goed. De lichte daling van het aantal inwoners, ontgroening en vergrijzing zullen ook in de gemeente Hellendoorn hun impact hebben op wonen, zorg, werkgelegenheid en economie. Ondanks deze demografische veranderingen spant de gemeente Hellendoorn zich in om in alle dorpen, kleine kernen en buurtschappen een duurzaam samengestelde samenleving in stand te houden, met een voorzieningenniveau dat daarbij hoort. Passende woon-, leef- en zorgmogelijkheden voor alle leeftijdscategorieën vormen daarbij het uitgangspunt. Dat betekent dat de gemeente Hellendoorn kiest voor vraaggerichte nieuwbouw voor speciale doelgroepen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp met de nadruk op combinaties van wonen, welzijn en zorg. Creatieve initiatieven van alle mogelijke marktpartijen en particulieren op dit gebied worden nadrukkelijk gefaciliteerd. Bij voorkeur wordt gekozen voor inbreiding in plaats van uitbreiding. 4.3.1.2.2
Context: ‘Woongebied – te beheren’
Dit deel geeft een beschrijving van de gemeente Hellendoorn en schetst in het kort de verwachte ontwikkelingen op ruimtelijk, economisch en maatschappelijk vlak. De indeling is gebaseerd op de leidraad van de provincie Overijssel voor structuurvisies (april 2010). In dit geval is het thema ‘woningbouw’ van belang. Woningbouw vindt plaats binnen de in ontwikkeling zijnde gebieden en op inbreidingslocaties (bijvoorbeeld door transformatie). Onderhavig plangebied is gelegen in een gebied dat op basis van de context-laag is aangemerkt als ‘woongebied – te beheren’. Deze bestaande woongebieden functioneren in algemene zin goed. Op gemeentelijk niveau zijn er geen opgaven deze woongebieden volledig te transformeren. Uiteraard zal er blijvend moeten worden geïnvesteerd in de kwaliteit van openbare ruimte, de nabijheid van voorzieningen en de sociale veiligheid. 4.3.1.2.3
Kernvisie
Binnen de kernvisie liggen tien concrete opgaven, waarvan zes ruimtelijke en vier procesmatige. De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling maakt geen onderdeel uit van een concrete opgave. 4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Omgevingsvisie Hellendoorn, Natuurlijk Avontuurlijk’ De beoogde ontwikkeling sluit goed aan bij de beleidsdoelen zoals verwoord in de ‘Omgevingsvisie Hellendoorn, Natuurlijk Avontuurlijk’. Het initiatief draagt bij aan de identiteit ‘sterke kernen’ en voorziet in het realiseren van een aantrekkelijke woonomgeving in Hellendoorn. Het plan resulteert in woningbouw voor de lokale behoefte op een binnenstedelijke locatie. De appartementengebouwen voorzien in een woonbehoefte voor specifieke doelgroepen, zoals senioren of starters. Het groene gebied in het noorden van het plangebied wordt openbaar toegankelijk gesteld, waardoor inwoners van Hellendoorn er gebruik van kunnen maken. Al met al zorgt het plan voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. 4.3.2
Woonvisie gemeente Hellendoorn 2020-2025
4.3.2.1 Algemeen De Woonvisie gemeente Hellendoorn 2020-2025 is op 4 december 2019 door de gemeenteraad van Hellendoorn vastgesteld. Deze woonvisie is tot stand gekomen samen met woningcorporaties, zorgpartijen, marktpartijen, dorpsraden en inwoners. In deze woonvisie wordt het beleid vanaf 2012 geëvalueerd en is de woningmarktsituatie in kaart gebracht en doorvertaald naar een visie tot 2025. 4.3.2.2 Beleid in hoofdlijnen Het thema van de Woonvisie 2020-2025 is ‘van kwantitatieve opgave naar kwalitatieve kans’. De rode draad hierin is het op peil brengen en houden van een hoog kwaliteitsniveau in de bestaande woningvoorraad. Deze bestaande voorraad is het vertrekpunt van de Woonvisie. Nieuwbouw dient te worden ingezet als kwalitatieve toevoeging op de bestaande woningvoorraad. Woningen worden niet toegevoegd voor korte termijn vraag, maar voor lange termijn behoefte. Woningen die nu gebouwd worden staan er immers voor een lange tijd. Een andere belangrijk uitgangspunt is ‘inbreiding gaat voor uitbreiding’. Woningbouw dient in principe binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd te worden. Daarnaast dragen centrumlocaties meer bij aan structuurversterking van een kern (of gemeente) dan locaties aan de rand. Voor de gemeente Hellendoorn is voor de structuurversterking wenselijk aanvullend gebruik te maken van transformatielocaties en aanpakken van ‘rotte kiezen’.
4.3.2.3 Behoefte De basis voor de onderbouwing van de kwalitatieve behoefte is opgenomen in de woonvisie en de woningmarktanalyse die hieraan ten grondslag ligt (bijlage van de Woonvisie). BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp Uit de gemeentelijke Woonvisie blijkt dat er de komende jaren sprake is van een toename van circa 340 tot 420 huishoudens. Onderliggend speelt echter huishoudensverdunning (meer één- en tweepersoonshuishoudens) en vergrijzing. Het aantal 75-plussers neemt sterk toe, terwijl andere doelgroepen in omvang gelijk blijven of afnemen. In tabel 1 is dit weergegeven. De grootste kwalitatieve woningmarktopgave op de middellange termijn is daarom het passend huisvesten van deze toenemende groep oudere huishoudens. De woningvoorraad in de gemeente Hellendoorn bestaat namelijk grotendeels uit grondgebonden (koop)woningen. Levensloopbestendige woningen voor ouderen (waar ook andere doelgroepen in kunnen wonen) zijn nog beperkt beschikbaar.
Tabel 1
Ontwikkeling van huishoudens op basis van leeftijd en huishoudenssamenstelling (Bron: Woonvisie 2020-2025, gemeente Hellendoorn (2019))
De woningmarktanalyse laat daarnaast zien dat er voor netto uitbreiding van de woningvoorraad behoefte is aan nultredenwoningen, zowel in het koop als (midden)huursegment. Levensloopbestendige grondgebonden woningen zijn idealiter nultreden. Brede deurposten, geen drempels en gemakkelijk toe te voegen ruimtes, zoals een slaapkamer en badkamer op de begane grond maken de woning geschikt voor ouderen. 4.3.2.4 Woningbouwprogramma en afwegingskader Het woningbouwprogramma van de gemeente Hellendoorn is dynamisch en bestaat uit initiatieven vanuit de gemeente, woningstichting, particulieren en ontwikkelaars/bouwers. Het college kan besluiten om in specifieke gevallen en onder voorwaarden af te wijken van het woningbouwprogramma en nieuwe initiatieven toe te staan. Voorwaarde vanuit de provincie Overijssel is echter dat wanneer nieuwe initiatieven worden toegestaan andere plannen uit het woningbouwprogramma moeten worden geschrapt. Om te helpen bij het maken van bewuste keuzes over welke woningtypen worden toegestaan en op welke (structuurversterkende) plekken in de gemeente, is in de Woonvisie 2020-2025 een afwegingskader opgesteld. Door de stappen in het afwegingskader te doorlopen ontstaat een gesprek over de toegevoegde waarde van een nieuwbouwplan.
Essentieel is dat kiezen voor een bepaald plan altijd gevolgen heeft voor de bestaande voorraad en ook voor andere nieuwbouwplannen. Het afwegingskader helpt bij het beoordelen en beargumenteren (van de gevolgen) van een plan. De eerste twee criteria van het afwegingskader zijn dwingend: er moet voorzien worden in een kwalitatieve behoefte en het plan moet op een inbreidingsplek liggen. 4.3.2.5 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie gemeente Hellendoorn 2020-2025 Met de voorgenomen ontwikkeling worden drie vrijstaande woningen en negen appartementen toegevoegd aan de woningvoorraad van de gemeente Hellendoorn. De appartementen zijn levensloopbestendige nultredenwoningen en voorzien in de behoefte aan woningen voor ouderen, waar eventueel ook andere doelgroepen in kunnen wonen. De ontwikkeling vindt plaats op een centrale locatie in de kern Hellendoorn, waardoor wordt bijgedragen aan de structuurversterking van de kern. De ontwikkeling sluit daarnaast goed aan bij de gemeentelijke ambitie om zoveel mogelijk in te zetten op ‘inbreiding’ in plaats van ‘uitbreiding’. Tevens verdwijnt door de voorgenomen ontwikkeling een ‘rotte kies’ in Hellendoorn: het in verval geraakte kerkgebouw. Momenteel wordt het kerkgebouw gebruikt voor opslag van auto-onderdelen. Het kerkgebouw is in slechte staat van onderhoud. Door het kerkgebouw te slopen verdwijnt
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp deze uit het straatbeeld en verdwijnt eventueel overlast vanwege het huidige gebruik van het gebouw (opslag). Ten slotte heeft het initiatief maatschappelijke meerwaarde en vindt er een ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaats, aangezien het groene parkachtige gebied ten noorden van de woningen openbaar toegankelijk zal worden gesteld. Geconcludeerd wordt dat het initiatief goed aansluit bij de beleidsambities zoals beschreven in de Woonvisie. 4.3.3
Welstandsnota
4.3.3.1 Algemeen Om bouwplannen op welstand te mogen toetsen zijn gemeenten sinds 1 juli 2004 verplicht een welstandsnota vast te stellen. Met het opstellen van een welstandsnota worden de procedures en de toetsing transparanter gemaakt. De gemeente Hellendoorn heeft er voor gekozen een welstandsnota op te stellen om voor specifieke gebieden in de gemeente Hellendoorn het uiterlijk van gebouwen in de omgeving tot zijn recht te laten komen. Het onderwerp van deze nota is de kwaliteit van de bebouwing in de gemeente Hellendoorn. Het gaat hier om gebouwen en bouwwerken die iedereen dagelijks om zich heen ziet. Bepalend daarbij zijn zowel de kwaliteit van de individuele gebouwen en bouwwerken, als de kwaliteit van het totaalbeeld van de gebouwen in hun onderlinge samenhang. Doorgaans zijn inwoners positief over die dagelijkse leefomgeving. Deze kwaliteit is door bewust en meestal zorgvuldig handelen van particulieren en overheid door de eeuwen heen ontstaan. Sinds een eeuw is deze zorg voor de architectonische kwaliteit ook nadrukkelijk een overheidstaak. Daarbij is het gemeentelijke welstandstoezicht het belangrijkste instrument geweest. De welstandsnota is opgebouwd uit verschillende deelgebieden. Het plangebied ligt in gebied 1: Centrum Hellendoorn 4.3.3.2 Welstandsgebied 1: Centrum Hellendoorn De welstandsnota is opgebouwd uit verschillende deelgebieden.
Onderhavig plangebied is gelegen in gebied 1: Centrum Hellendoorn). In dit gebied gelden de volgende specifieke criteria: Situering •
Aansluiten bij de gebiedseigen kenmerken
Hoofdvorm • •
Eenvoudige hoofdvorm met traditionele kapvorm aansluitend bij omliggende bebouwing Aan-en bijgebouwen afgestemd op architectuur hoofdgebouw
Aanzichten •
Traditionele compositie
Opmaak • • •
Baksteen en dakpannen (of riet) in kleur overeenkomstig de omliggende bebouwing Geen glimmende materialen voor grote vlakken toepassen Rijke detaillering voor statige panden en bescheiden detaillering voor boerderijtjes
4.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Welstandsnota’ Het ontwerp voldoet niet aan de welstandnota. Daarom is hieronder een onderbouwing opgenomen waarin is gemotiveerd dat het plan passend is in de huidige opzet. Onderbouwing Het besloten karakter van het te ontwikkelen gebied en de huidige vormentaal van zowel kerk als pastorie bieden een handvat de bebouwing uit te voeren in eenvoudige hoofdvormen, uitgevoerd met minimalistische, zorgvuldige detaillering. De huidige bebouwing blokkeert de doorkijk naar het Laar, een groen achtergebied. Het uit elkaar halen van deze bouwmassa zorgt voor meer openheid naar het Laar toe. Hierdoor ontstaat de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp mogelijkheid het gesloten achtergebied achter de huidige kerk open te stellen als park voor de inwoners van Hellendoorn. Op afbeelding 4.6 is de verspreiding van bebouwing in het gebied te zien, waaruit duidelijk wordt dat het op dit moment gesloten Laar meer openheid en toegankelijkheid krijgt.
Afbeelding 4.6
Impressie te ontwikkelen gebied (Bron: Madmax Diesajn)
Bij de ontwikkeling is het behouden van de bomen en het onderliggende groen aan de randen van het plangebied, en het behouden van de bomen in het plangebied een voorwaarde. De te bouwen woningen krijgen een transparant karakter met veel glas, waarbij vormentaal en materialisering van de bebouwing op elkaar wordt afgestemd. Door materialiseren en kleurstelling zorgvuldig op elkaar af te stemmen zal rust en eenheid in het gebied ontstaan. Door het toepassen van natuurlijke materialen (hout/metselwerk) en gedekte kleuren valt de bebouwing weg in de groene omgeving. Het parkeren voor de bewoners wordt half verdiept onder de bebouwing voorzien, een duidelijke begrenzing van kavels door heggen zorgt voor een beperkte groene afscheiding, waardoor een parkachtige omgeving ontstaat, zonder verstening ten behoeve van veel parkeerplaatsen. Het toepassen van sedumdaken en het infiltreren van hemelwater in de bodem zorgt voor een goede waterhuishouding ten behoeve van het omliggende groen. Gekozen positionering van de bebouwing zorgt voor doorkijkjes vanaf de Reggeweg richting het parkachtige gebied, vanuit het binnengebied biedt deze situering ruimte voor doorkijk richting de molen ‘de Hoop’ aan de Ninaberlaan. Dit is te zien in afbeeldingen 4.7 en 4.8.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp
Afbeelding 4.7
Impressie te ontwikkelen gebied (Bron: Madmax Diesajn)
Afbeelding 4.8
Impressie te ontwikkelen gebied (Bron: Madmax Diesajn)
Op de plaats van het kerkgebouw is een woongebouw voorzien van maximaal 3 bouwlagen, waarbij de positie van de bouwmassa globaal op de plek van het huidige kerkgebouw is voorzien. Daar waar nu de lagere aanbouw van het kerkgebouw is gepositioneerd, is een woongebouw voorzien van maximaal 2 bouwlagen. Het parkeren ten behoeve van deze 2 woongebouwen is onder de bebouwing voorzien. Bij de transformatie van het bestaande bijgebouw bij de dokterswoning naar woning zal de bestaande hoofdbouw gehandhaafd blijven, waarbij toevoegingen een maximale bouwhoogte van 1 bouwlaag zal omvatten. De woningen in de open ruimten in het achtergebied, totaal maximaal 2 woningen, bestaan uit maximaal 2 bouwlagen, afgedekt met platte daken. Hierbij zal de onderste bouwlaag in afmeting en richting afwijken van de bovenste bouwlaag. De windvang van de dichtbijgelegen molen “de Hoop” zal in de planvorming onderzocht worden, eerste inventarisatie laat zien dat, als er al sprake is van windvang, dit door de aanwezige bomen veroorzaakt wordt. Op basis van vorenstaande motivatie is de afwijking van de welstandsnota gemotiveerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp 4.3.4
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de voorgenoemde beleidsstukken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.
5.1
Geluid
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
Industrielawaai Het plangebied ligt niet in of nabij een zone van een gezoneerd bedrijventerrein. Daarom wordt niet nader op het aspect industrielawaai ingegaan. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid. Railverkeerslawaai Het plangebied ligt niet in de nabijheid van spoorwegen. Er wordt dan ook niet nader op het aspect railverkeerslawaai ingegaan. Wegverkeerslawaai Doordat het plangebied binnen de wettelijke geluidszone van de Reggeweg en de Ninaberlaan ligt, is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Ook ligt het plangebied nabij de Dorpsstraat, waar een snelheidsregime van maximaal 30 km/uur geldt. Voor 30 km/uur wegen geldt op basis van de Wgh geen wettelijke geluidszone. De Dorpsstraat is echter in het kader van een goede ruimtelijke ordening meegenomen in het onderzoek, omdat de te realiseren woningen op korte afstand liggen, er geen afschermende bebouwing aanwezig is en er sprake is van relevante verkeersintensiteiten. Het akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 1 bij deze toelichting. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan. De geluidsbelasting ten gevolgde van wegverkeerslawaai van de Reggeweg bedraagt hoogstens 54 dB ter plaatse van het zuidelijke appartementengebouw. Ter plaatse van de overige woningen bedraagt de geluidsbelasting als gevolg van de Reggeweg hoogstens 47 dB.
De geluidsbelasting ter plaatse van de te realiseren woningen bedraagt hoogstens 44 dB als gevolg van de Ninaberlaan en 45 dB als gevolg van de Dorpsstraat. Er is dan ook een hogere waarde voor het zuidelijke appartementengebouw benodigd ten aanzien van de Reggeweg, aangezien niet aan de voorkeurswaarde voldaan wordt. Voor de overige woningen en wegen wordt aan de voorkeurswaarde voldaan. Bron- en overdrachtsmaatregelen kunnen rekenen op
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp zwaarwegende bezwaren. Als een gevelwering van 26 dB wordt toegepast, wordt een binnenniveau van 33 dB gerealiseerd. Gelet op het bovenstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen wat betreft het aspect wegverkeerslawaai. 5.1.3
Conclusie
Met het vaststellen van de benodigde hogere waarde en het nemen van de benodigde gevelmaatregelen is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is in dit geval door Terra Agribusiness een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies en aanbevelingen voortkomend uit dit bodemonderzoek zijn hieronder opgenomen. Het volledige bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting. 5.2.2
Situatie plangebied
In de bovengrond zijn enkel lichte verhogingen aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BG1 is een lichte verhoging lood aangetroffen en in BG2 een lichte verhoging minerale olie. In het bovengrondmengmonster BG3 en in het ondergrondmengmonster OG zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn lichte verhogingen zink en barium aangetroffen. Er zijn geen concentraties in de grond en het grondwater boven de tussenwaarde aangetroffen, dit houdt in dat er geen aanleiding bestaat voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieu hygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 5.2.3
Conclusie
Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het realiseren van drie vrijstaande woningen en negen appartementen. Een ontwikkeling met een dergelijke omvang is aan te merken als een project welke “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp • •
het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • de Regeling basisnet; • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Regelgeving ten aanzien van transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie in het plangebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven. Het plangebied is aangegeven met een blauwe ster.
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •
5.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt een tweetal gebiedstypen onderscheiden; ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor bijvoorbeeld geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp In voorliggend geval is het plangebied gelegen in een gemengd gebiedstype, aangezien er sprake is van meerdere functies in en rondom het plangebied (zie ook paragraaf 2.2). De locatie bevindt zich bovendien aan de relatief druk bereden Reggeweg, waar veel verstoring is door verkeer. Er kan dan ook uitgegaan worden van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden behorende bij het ‘gemengd gebied’ weergegeven. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Er wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. Tevens wordt met de voorgenomen ontwikkeling het voormalige kerkgebouw, die in de huidige situatie gebruikt wordt als opslagplaats voor auto-onderdelen, gesloopt. Hiermee verdwijnt eventueel overlast van deze milieubelastende functie voor omwonenden. Al met al is dan ook sprake van een verbeterd woon- en leefklimaat voor omwonenden als gevolg van voorliggend initiatief.
5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende milieubelastende functies aanwezig. Het betreffen uitsluitend functies behorend tot milieucategorie 1 en 2, waarvoor een maximale richtafstand geldt van 10 meter voor gebiedstype ‘gemengd gebied’. De dichtstbijzijnde milieubelastende functie betreft een maatschappelijke functie aan de Hofmanstraat 2, wat op circa 20 meter van de dichtstbijzijnde woning in het plangebied bevindt (de pastoriewoning). Er wordt daarmee ruim aan de richtafstand van 10 meter voldaan, waarmee sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woning. Omgekeerd worden bedrijven rondom het plangebied niet in hun bedrijfsvoering aangetast.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp 5.5.4
Conclusie
Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
5.6
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.1
Gebiedsbescherming
5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000gebied betreft het “Wierdense veld”, gelegen op circa 3,2 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de onderlinge afstand is geen sprake van directe negatieve effecten, bijvoorbeeld door geluid of verlichting, op Natura 2000-gebieden is. Naast directe negatieve effecten dient tevens de mogelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. In voorliggend geval worden per saldo negen appartementen en drie vrijstaande woningen gerealiseerd. Deze woningen worden gasloos gerealiseerd. De enige vorm van stikstofemissie bij deze woningen, is hoofdzakelijk afkomstig van de verkeersbewegingen. Zoals in paragraaf 3.2 is beschreven, is de toename van het aantal verkeersbewegingen beperkt.
Gelet op het vorenstaande en het gegeven dat het plangebied op zeer ruime afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt, wordt op voorhand geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet resulteert in een stikstofemissie met significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. 5.6.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Het dichtstbijzijnde als NNN aangewezen gebied bevindt zich op circa 370 meter afstand van het plangebied. Het plangebied behoort niet tot het NNN en het grenst niet aan gronden die tot het NNN behoren. Vanwege de lokale invloedsfeer en de ligging van het onderzoeksgebied op enige afstand van het NNN, wordt gesteld dat de voorgenomen activiteit geen negatief effect heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp 5.6.2
Soortenbescherming
5.6.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggend geval is een quickscan flora en fauna door Natuurbank Overijssel uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan. 5.6.2.2 Situatie plangebied De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten vleermuizen er een vaste rust-of voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Geadviseerd wordt de beplanting te rooien buiten de voortplantingsperiode. Vleermuizen en hun vaste rust- en voortplantingsplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen dient aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd te worden. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode half mei-half september (half oktober). 5.6.3
Conclusie
Ten aanzien van het onderdeel ‘gebiedsbescherming’ vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ten aanzien van soortenbescherming wordt opgemerkt dat een nader onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek en de eventuele ontheffing die hieruit voortkomt, dient ten minste gereed te zijn voordat wordt overgegaan op de sloopactiviteiten in het plangebied. Het genoemde nader onderzoek vormt voor de bestemmingsplanprocedure geen belemmering.
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Onderzoeksresultaten archeologie Het plangebied is getoetst aan de Indicatieve Kaart Archeologische Waarde (IKAW) en aan de provinciale archeologische verwachtingskaart uit de provinciale Omgevingsvisie. Hieruit blijkt dat het plangebied niet is gekarteerd. Door de aanwezigheid van de huidige bebouwing is de bodem binnen het plangebied, net zoals
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp vrijwel de gehele kern van Hellendoorn, (grotendeels) geroerd en dus verstoord. Daarom is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Een archeologische dubbelbestemming hoeft niet opgenomen te worden. 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Onderzoeksresultaten cultuurhistorie Er bevinden zich in het plangebied geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich twee rijksmonumenten, namelijk aan de Hofmanstraat 2 en de Ninaberlaan 78. Aan deze rijksmonumenten vinden als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaats. Er wordt dan ook geconcludeerd dat het plan geen negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden. 5.7.3
Conclusie
Er is geen sprake van archeologische waarden binnen het plangebied. Bovendien is het niet noodzakelijk een dubbelbestemming ter bescherming van archeologische waarden op te nemen. Daarnaast wordt gesteld dat het voornemen geen negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Kader
In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaand aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: • • •
Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.beoordelingsplichtig.
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • •
5.8.2
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. Situatie plangebied
5.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 3,2 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de grote afstand tot Natura 2000-gebieden en de beperkte toename van verkeersbewegingen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling (zie paragraaf 5.6.1.1) wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling is dan ook niet benodigd. 5.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in een directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier sprake van is, dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2.
een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het voornemen (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het voornemen en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden.
Eén en ander is eveneens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp 5.8.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
HOOFDSTUK 6 6.1
WATERASPECTEN
Algemeen
Op grond van een afspraak uit de Startovereenkomst Waterbeleid 21 e eeuw, dienen decentrale overheden in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf op te nemen. In die paragraaf dient te worden uiteengezet wat voor gevolgen het plan in kwestie heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. 6.1.1
Beleidskader
Het kader voor de watertoets is het vigerend beleid (Vierde Nota waterhuishouding, Waterbeleid 21 e eeuw, Europese Kaderrichtlijn water en de beleidslijn Ruimte voor de Rivier). De watertoets wordt uitgevoerd binnen de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en water, op basis van het commitment van de betrokken partijen blijkend uit de Startovereenkomst Waterbeleid 21 eeeuw. Een aantal relevante beleidsdocumenten wordt in het navolgende kort besproken. Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Met de vaststelling van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is het NWP 20162021 op enkele onderdelen gewijzigd. Tezamen geven beide documenten op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de NOVI wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet.
Vierde Nota Waterhuishouding De Vierde Nota Waterhuishouding van december 1998 verwoordt de regeringsbeslissing. Een van de speerpunten is een duurzaam stedelijk waterbeheer, met als belangrijke elementen: • • • •
waterbesparende maatregelen in de woning; het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering; het vasthouden van regenwater in vijvers en in de bodem; herwaardering van watersystemen bij de ruimtelijke inrichting van (nieuwe) woongebieden.
Waterbeleid 21e eeuw Met het Waterbeleid 21e eeuw wordt ingespeeld op toekomstige ontwikkelingen die hogere eisen stellen aan het waterbeheer. Het gaat hierbij om onder andere de klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelrijzing. Het Waterbeleid 21e eeuw heeft twee principes voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd. Dit zijn de tritsen: • •
vasthouden, bergen en afvoeren; schoonhouden, scheiden en zuiveren.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp De trits "vasthouden, bergen en afvoeren" houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en daarna wordt het water afgevoerd. Bij de trits "schoonhouden, scheiden en zuiveren" gaat het er om dat het water zoveel mogelijk wordt schoongehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van de wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van gronden oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Beleid waterschappen Het waterschap Vechtstromen en het waterschap Drents Overijsselse Delta hebben samen met de waterschappen Rijn en IJssel en Reest en Wieden een gezamenlijk beleid op hoofdlijnen opgesteld voor stedelijk waterbeheer onder de titel “Water raakt”.
Water is een belangrijk onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving in stedelijk gebied. Het is een maatschappelijk belang dat water in stedelijk gebied op orde is en blijft, dat inwoners het water kunnen beleven en ervan kunnen genieten en dat we nu en in de toekomst droge voeten houden- door te anticiperen op klimaatverandering. De stedelijke wateropgaven zijn maatschappelijke opgaven waarvoor niet één partij de sleutel in handen heeft. De waterschappen hebben hier een rol in, maar doen dit in nauwe samenspraak met gemeenten, corporaties, belangengroepen, private partijen, inwoners en andere betrokkenen. Samenwerken is een voorwaarde om ambities te realiseren. Dat vraagt eigenaarschap, verantwoordelijkheid en vertrouwen. Dit betekent voor de waterschappen dat we maatschappelijke doelen centraal stellen in plaats van technische normen. “Water Raakt” is een uitnodiging om samen met de waterschappen te werken aan water. De waterschappen richten zich hierbij primair op de gemeente, omdat de gemeente de natuurlijke partner is in het stedelijk gebied en bovendien het meest logische aanspreekpunt voor inwoners. Samen met de gemeente zijn de waterschappen verantwoordelijk voor een goed stedelijk waterbeheer, nu en in de toekomst. De beleidsnotitie biedt aanknopingspunten om deze samenwerking met de gemeente in te vullen, zowel op visieals op beleids- en maatregelenniveau.
In “Water raakt” wordt de rol-en taakopvatting in het stedelijk waterbeheer van de waterschappen in RijnOost verhelderd. De beleidsnotitie is ook het resultaat van samenwerking van vier waterschappen om meer eenduidigheid op de inhoud te krijgen. Deze beleidsafstemming zorgt ervoor dat (inwoners van) gemeenten die nu met meerdere waterschappen te maken hebben, niet langer met verschillende opvattingen worden geconfronteerd. In de beleidsnotitie zijn de volgende onderwerpen uitgewerkt: a. b. c. d. e. f. g. h. i.
een visie op samenwerking in het stedelijk waterbeheer; de verantwoordelijkheid voor het beheer en onderhoud van (stedelijk) oppervlaktewater; bescherming van inwoners tegen overstromingen; de wijze waarop geanticipeerd kan worden op klimaatverandering; de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van (stedelijk) oppervlaktewater; optimalisatie van de afvalwaterketen; grondwaterbeheer in stedelijk gebied; beïnvloeding van de beleving van de openbare door de betekenis van water te benadrukken; financiering.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan “Reggeweg-Dorpsstraat te Hellendoorn” Ontwerp Specifiek beleid waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: • • •