Ruimtelijke motivering Hulsen, G.H. Kappertstraat naast nr. 43
Tekst van het document
Waterhuishoudkundige aspecten
In het kader van het voorliggend initiatief is een watertoets uitgevoerd. Uit het wateradvies is gebleken dat de ‘korte procedure’ van toepassing is. Het volledige resultaat is opgenomen in bijlage 1. Waterschap Vechtstromen heeft het verzoek via Het Wateradvies ontvangen en beoordeeld. De ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan zijn gering van aard. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen dit plan. Het plan hoeft in het kader van de watertoets niet meer voorgelegd worden aan Waterschap Vechtstromen.
6.3
Conclusie
Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Ruimtelijke motivering G.H. Kappertstraat, Hulsen Definitief
Hoofdstuk 7
Bescherming gezondheid en het milieu
Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties houdt het bevoegd gezag op basis van afdeling 5.1.4 van het Bkl rekening met het beschermen van de gezondheid en het milieu. Hieronder zijn de onderwerpen weergegeven waarvoor in deze afdeling instructieregels zijn gesteld en wordt aangegeven of deze relevant zijn voor dit project. Onderwerp
Relevante instructieregels Bkl
Relevant voor het project?
Kwaliteit van de buitenlucht Geluid door activiteiten Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Geluid rond luchthavens Trillingen
Paragraaf 5.1.4.1
Ja, zie paragraaf 7.3.
Paragraaf 5.1.4.2 Paragraaf 5.1.4.2a
Ja, zie paragraaf 7.1. Ja, zie paragraaf 7.1.
Paragraaf 5.1.4.3
Slagschaduw van windturbines Bodemkwaliteit Geur
Paragraaf 5.1.4.4a
Nee, het projectgebied ligt niet nabij een luchthaven. Nee, het projectgebied ligt op 1,7 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorlijn. Nee, nabij het projectgebied bevinden zich geen windturbines. Ja, zie paragraaf 7.2. Ja, zie paragraaf 7.4.
Paragraaf 5.1.4.4
Paragraaf 5.1.4.5 Paragraaf 5.1.4.6
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid en klimaatadaptatie’ behandeld.
7.1
Geluid door activiteiten
7.1.1
Wettelijk kader
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt afdeling 3.5 van het Bkl regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De geluidsgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 van het Bkl. Het betreffen gebouwen of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de in paragraaf 5.1.4.2 Bkl opgenomen instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden gelden op basis van artikel 7.11 Bkl specifieke regels. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties zelf de mate van bescherming tegen geluid. 7.1.2
Gemeentelijk geluidsbeleid
De gemeente Hellendoorn beschikt over een eigen geluidsbeleid voor wegverkeerslawaai, namelijk het ‘Gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Hellendoorn’ en ‘Nota hogere grenswaarden’. Binnen het beleid worden verschillende gebiedstyperingen gebruikt waarbij voor ieder gebied een basis en een bovengrens is opgenomen wat betreft geluid. Aangezien dit beleid is opgesteld onder de Wgh kloppen de waarden niet meer onder de Omgevingswet. De gemeente Hellendoorn heeft hiervoor omzettabellen opgesteld waarmee de waarden worden omgezet naar de Omgevingswet.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Ruimtelijke motivering G.H. Kappertstraat, Hulsen Definitief
Het projectgebied ligt binnen het gebiedstype ‘Woonwijk’. Op basis van de omzettabel gelden hier de volgende waarden: • • 7.1.3
Ambitiewaarde: 53 dB Bovengrenswaarde: 70 dB Situatie projectgebied
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Geluid door wegen en spoorwegen De geluidsaandachtsgebieden van Rijks-, provinciale, gemeente-, waterschaps- en spoorwegen worden opgenomen in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Indien door de wegbeheerder nog geen geluidaandachtsgebieden zijn berekend, gelden de volgende afstanden: • • •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
Het projectgebied bevindt zich binnen het geluidaandachtsgebied van verschillende wegen. Er is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek geluid door wegen uitgevoerd. Hieronder worden de belangrijkste resultaten genoemd. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 2. Het geluid door de gemeentewegen bedraagt hoogstens 50 dB Lden. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB Lden uit het Bkl en aan de ambitiewaarde van 53 dB Lden uit het gemeentelijke geluidbeleid. Dit betekent dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Geluid door industrieterreinen Het projectgebied ligt niet binnen een geluidaandachtsgebied van een industrieterrein. Verdere toetsing is daarom niet noodzakelijk. Geluid door overige geluidbelastende activiteiten Om eventuele hinder van overige geluidbelastende activiteiten te beoordelen, wordt gebruik gemaakt van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan ‘het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige gebouwen anderzijds.’ Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In 2024 is er een nieuwe handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ uitgebracht.
De nieuwe handreiking is bedoeld voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en andere werkterreinen en het inwaarts zoneren daarvan. De handreiking biedt handvatten om op grond van het Bkl een aanvullende regeling in het omgevingsplan op te nemen waarmee geluid- en geurwaarden die normaal op de gevel van een geluids- of geurgevoelig gebouw gelden, op een andere locatie te laten gelden. Gedurende de overgangsfase onder de Omgevingswet is er in veel gevallen echter nog sprake van het omgevingsplan van rechtswege, waar de bestemmingsplannen onderdeel van uitmaken. Hiermee is de zoneringssystematiek uit 2009 nog aan de orde, waardoor de nieuwe handreiking niet aansluit op het omgevingsplan. Daarom kan nog gebruik worden gemaakt van de systematiek uit 2009. Volgens deze systematiek dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. In de omgeving van het projectgebied liggen naast woningen meerdere functies, zoals sport-, bedrijfs- en maatschappelijke functies. Gelet op deze functies is er sprake van het gebiedstype ‘gemengd gebied’. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden opgenomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Ruimtelijke motivering G.H. Kappertstraat, Hulsen Definitief
Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De beoogde woningen betreffen geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Nabij het projectgebied zijn enkele functies aanwezig die voor mogelijke geluidsoverlast kunnen leiden. Ten westen van het projectgebied liggen verschillende sportvelden ten behoeve van een voetbalvereniging. Om de geluidsbelasting van deze sportfunctie op de woningen te bepalen is er door geluidsbureau Valersi een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder worden de belangrijkste resultaten genoemd. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 3. Tijdens de representatieve activiteiten van de voetbalvereniging worden de richtwaarden voor de langtijdgemiddelde en maximale geluidsniveaus zoals gesteld in Stap 2 van de VNG-publicatie (Bedrijven en Milieuzonering 2009) niet overschreden. Dat geldt voor de bestaande woningen en de nieuwe appartementen. Ook in de tuinen van de nieuwe appartementen wordt aan de richtwaarden voldaan. Wanneer de muziekinstallatie wordt gebruikt door de voetbalvereniging tijdens grootschalige evenementen, als het eerste team een thuiswedstrijd speelt en 500 mensen aan publiek verwacht, wordt bij de gevel van woning nummer 43 de richtwaarde (Stap 2) overschreden. De overschrijding wordt veroorzaakt door de geluidinstallatie waar muziek voor (en tijdens) wordt voortgebracht.
De overschrijding geldt ook voor de beoogde appartementen. Het plaatsen van een geluidscherm op het dak rond de speakers (zuid-, oost- en noordzijde) zal de overschrijding bij nummer 43 en de beoogde appartementen tenietdoen. Gedurende de representatieve activiteiten van de voetbalvereniging geldt al dat voor het aspect geluid aan een goede ruimtelijke ordening dan wel aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) wordt voldaan. Door het plaatsen van een scherm rond de speakers, zoals in dit rapport omschreven, kan ook de voetbalvereniging ook tijdens grote evenementen voldoen aan de richtwaarden bij de bestaande woning (nummer 43) en de toekomstige appartementen. Het scherm geeft ook een verbetering bij de overige woningen aan de oostkant van de weg. Het plaatsen van het scherm wordt meegenomen als voorschrift bij de BOPA. Binnen het clubhuis van de sportfunctie worden tevens nevenactiviteiten gehouden zoals kinderopvang. Deze activiteiten hebben maximaal milieucategorie 2. Binnen gemengd gebied geldt hiervoor een richtafstand van 10 meter. De woningen liggen op meer dan 10 meter afstand van de sportfunctie en op circa 40 meter afstand van het clubhuis. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. 7.1.4
Conclusie
De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid.
7.2
Bodemkwaliteit
7.2.1
Wettelijk kader
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu heeft het Rijk voor het aspect bodem instructieregels opgesteld. Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan waarden bevat voor de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Ruimtelijke motivering G.H. Kappertstraat, Hulsen Definitief
toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van die waarden wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een omgevingsplan kan per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Het omgevingsplan kan ook hogere waarden bevatten dan de waarden, bedoeld in bijlage IIA. Een omgevingsplan bepaalt tevens dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 7.2.2
Situatie projectgebied
Bij het afwijken van het omgevingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. In voorliggend geval is er sprake van een gebouw waar personen meer dan 2 uur per dag aanwezig zijn. Om de bodemkwaliteit te beoordelen is er door Sigma Geomilieu een verkennend bodemonderzoek volgens de richtlijnen van het NEN-5740. Hierna zal worden ingegaan op de belangrijkste conclusies. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 4 bij deze ruimtelijke motivering. Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde monstermateriaal van het onderzoek geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een vorm van bodemverontreiniging. Op basis van zintuiglijke waarnemingen is in het opgeboorde bodemmateriaal geen asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). In de bovengrond is een verhoogd gehalte koper (zware metalen) gemeten dat voldoet aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie. Op basis van de rekenkundige benadering middels Concrit levert het verhoogd gemeten gehalte koper geen belemmering voor het gebruik als wonen met tuin. Voor het overige zijn in de bovengrond enkele stoffen verhoogd aangetoond in gehalten die tenminste voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen. In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten gemeten t.o.v.
de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geldt, ten aanzien van de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem van het projectgebied geen belemmering voor het beoogde gebruik als wonen. 7.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.3
Luchtkwaliteit
7.3.1
Wettelijk kader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in de paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze instructieregels gelden rijksomgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) en zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Voor activiteiten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project valt onder NIBM als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Ruimtelijke motivering G.H. Kappertstraat, Hulsen Definitief
ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de standaardgevallen niet in betekenende mate valt, zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. 7.3.2
Situatie projectgebied
Conform artikel 5.54 sub b van het Bkl valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van: • • •
één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er in dit geval zonder meer sprake van een project dat ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 7.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.4
Geur
7.4.1
Wettelijk kader
Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van zuiveringstechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten. 7.4.2
Situatie projectgebied
In de omgeving van het projectgebied bevinden zich geen bedrijven met geuremissies. Voor geurhinder door veehouderijen gelden op grond van paragraaf 22.3.6 van het omgevingsplan vaste afstanden: 50 meter in het buitengebied en 100 meter binnen de bebouwde kom. Op circa 375 meter van het projectgebied bevindt zich een melkveehouderij aan de Overwaterweg 9. Op ongeveer 385 meter afstand ligt een voormalige boerderij aan de Noordelijke hoofddijk 11, waar planologisch nog steeds agrarische bedrijfsvoering is toegestaan. Gelet op deze afstanden wordt ruimschoots voldaan aan de eisen uit het omgevingsplan. 7.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Ruimtelijke motivering G.H. Kappertstraat, Hulsen Definitief
7.5
Gezondheid
7.5.1
Wettelijk kader
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. 7.5.2
Situatie projectgebied
In voorliggende paragrafen van deze motivering zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidshinder en milieuzonering). Uit deze onderbouwing blijkt dat het voornemen niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Daarnaast is in voorgaande paragrafen aangetoond dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden ter plaatse van de woningen. 7.5.3
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
7.6
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
7.6.1
Wettelijk kader
Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p Ow). Met het oog op deze doelen wordt het plan aan de omgevingsaspecten ‘duurzaamheid’ en ‘klimaatadaptatie’ getoetst. 7.6.2
Situatie projectgebied
De woningen worden duurzaam gerealiseerd, zonder aansluiting op het gasnet. Ze worden grotendeels fabrieksmatig geproduceerd en bestaan voor een belangrijk deel uit hout, wat bijdraagt aan circulair bouwen en een lager materiaalgebruik. Het projectgebied wordt ingericht met aandacht voor groen en klimaatadaptatie. Naast ruimte voor bergingen en parkeerplaatsen wordt het terrein voorzien van groenstructuren, waarmee hittestress wordt beperkt en de biodiversiteit wordt versterkt. Verder wordt de opvang en infiltratie van hemelwater meegenomen in het ontwerp, waarmee het plan inspeelt op piekbuien en droogte. 7.6.3
Conclusie
Het project houdt in voldoende mate rekening met duurzaamheid en klimaatadaptatie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Ruimtelijke motivering G.H. Kappertstraat, Hulsen Definitief
Hoofdstuk 8
Bescherming van de natuur
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de bescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, beschermde flora en fauna en regels ter bescherming van houtopstanden.
8.1
Gebiedsbescherming
8.1.1
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen kan het plan worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •
8.1.2
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 8.1.3
Houtopstanden
Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Omgevingswet als bepaald in artikel 11.111 van het Bal. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. Op basis van dit artikel kan tevens een herplantplicht gelden. • •
De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000 m²); De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Ruimtelijke motivering G.H. Kappertstraat, Hulsen Definitief
8.1.4
Situatie projectgebied
8.1.4.1 Natura 2000-gebieden Het projectgebied bevindt zich op 1,6 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Wierdense Veld’. Gelet op de ruimte afstand is directe hinder, bijvoorbeeld in de vorm van geluid of lichthinder, uitgesloten. Naast directe hinder kan er ook sprake zijn van indirecte hinder in de vorm van stikstofdepositie. Om dit te beoordelen, is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de uitkomsten van dit onderzoek, het volledige rapport is opgenomen in bijlage 5 bij deze ruimtelijke motivering. Vanuit het stikstofonderzoek blijkt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. 8.1.4.2 NNN-gebieden Het dichtstbijzijnde gebied dat tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) hoort, bevindt zich op 485 meter van het projectgebied. Gelet op deze afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling is er geen sprake van enige aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN.
8.1.4.3 Houtopstanden Wat betreft de houtopstanden aan de westzijde van het projectgebied liggen de mogelijke bergingen binnen de kruinprojectie. De bergingen zijn hier geprojecteerd als geluidsbarrière voor mogelijk geluid van de sportvelden. Gelet op de omvang van de bergingen, alsmede de minimale grondwerkzaamheden die voor het plaatsen van de bergingen wordt verricht, is er geen sprake van aantasting van de bestaande bomen. In het projectgebied worden geen houtopstanden, die voldoen aan de criteria uit artikel 11.111 Bal, negatief beïnvloed.
8.2
Soortenbescherming
8.2.1
Wettelijk kader
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Ruimtelijke motivering G.H. Kappertstraat, Hulsen Definitief
8.2.2
Situatie projectgebied
Om inzicht te geven in de mogelijke effecten van het voornemen op flora en fauna is er door Ecofect b.v. een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies, het volledige rapport is opgenomen in bijlage 6 van deze ruimtelijke motivering. Uit dit natuurwaardenonderzoek blijkt dat het realiseren van woningen binnen het projectgebied geen negatieve gevolgen heeft voor flora en fauna.
8.3
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Ruimtelijke motivering G.H. Kappertstraat, Hulsen Definitief
Hoofdstuk 9 9.1
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
9.2
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. De gemeente Hellendoorn heeft haar archeologiebeleid vertaald in het omgevingsplan van rechtswege. Op basis hiervan kent het projectgebied geen archeologische dubbelbestemming. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
9.3
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover relevant in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Op basis van de erfgoedatlas blijkt dat in en rondom het projectgebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het voornemen heeft daarom geen schadelijk effect op cultuurhistorische waarden.
9.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Ruimtelijke motivering G.H. Kappertstraat, Hulsen Definitief
Hoofdstuk 10 10.1
Infrastructuur en openbare ruimte
Wettelijk kader
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het projectgebied.
10.2
Verkeer en parkeren
10.2.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die daardoor ontstaat. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. De gemeente Hellendoorn heeft in 2021 de ‘Nota parkeernormen 2021’ vastgesteld. Hierin wordt op een heldere en systematische wijze vastgelegd welk kencijfer per type ontwikkeling moet worden gehanteerd. Naar verwachting zal in het eerste kwartaal van 2026 een nieuwe nota parkeernormen voor de gemeente Hellendoorn vastgesteld. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk Stedelijke zone: rest bebouwde kom
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval wordt van het gemiddelde uitgegaan. 10.2.2 Parkeerbehoefte In afstemming met de gemeente is voor de voorgenomen ontwikkeling een parkeernorm van één parkeerplaats per woning vastgesteld. Dit komt neer op een totale parkeerbehoefte van acht parkeerplaatsen voor het gehele project. De gehanteerde norm is zorgvuldig gemotiveerd en passend bij het type woningen, de doelgroep en de ruimtelijke context. De volgende overwegingen liggen hieraan ten grondslag: • • •
De woningen worden gerealiseerd in het sociale huursegment en zijn expliciet gericht op éénen tweepersoonshuishoudens met een beperkt inkomen. Diverse mobiliteitsonderzoeken tonen aan dat deze doelgroep gemiddeld aanzienlijk minder vaak over een auto beschikt; Gezien de beperkte ruimte in de stedelijke omgeving is het maatschappelijk niet wenselijk om meer parkeerplaatsen te realiseren dan nodig. Een hogere norm zou leiden tot een inefficiënt ruimtebeslag, wat ten koste gaat van mogelijkheden voor groen; Op slechts enkele honderden meters van het plangebied bevindt zich een halte voor hoogwaardig openbaar vervoer (HOV). Deze biedt frequente en directe verbindingen met omliggende woon- en werklocaties.
Het kennisplatform CROW heeft recentelijk geactualiseerde parkeerkencijfers gepubliceerd. In tegenstelling tot de eerdere systematiek, die uitging van landelijk parkeeronderzoek, zijn de nieuwe cijfers gebaseerd op het actuele autobezit. Omdat het autobezit bekend is tot wijkniveau, leveren deze
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Ruimtelijke motivering G.H. Kappertstraat, Hulsen Definitief
nieuwe kengetallen een meer betrouwbare inschatting van de parkeerbehoefte. De geactualiseerde kengetallen worden verwerkt in de nieuwe Nota parkeernormen, die naar verwachting het eerste kwartaal van 2026 ter besluitvorming aan de gemeenteraad wordt voorgelegd. Gezien de hogere mate van betrouwbaarheid, worden de nieuwe kengetallen op dit moment al toegepast bij de beoordeling van parkeerbehoeften. Voor kleinere huurappartementen in de Kruidenwijk/Hulsen bedraagt het gemiddelde autobezit 0,7 auto per woning. In dit kengetal is tevens rekening gehouden met de parkeerbehoefte voor bezoekers. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat met de aanleg van 8 parkeerplaatsen wordt voorzien n de benodigde parkeercapaciteit op eigen terrein. De parkeernorm van één parkeerplaats per woning is op grond van het voorgaande goed verdedigbaar en sluit zowel aan bij de specifieke kenmerken van de doelgroep als bij de ruimtelijke en beleidsmatige context van het projectgebied. De acht benodigde parkeerplaatsen worden binnen het projectgebied, achter het woongebouw gerealiseerd. 10.2.3 Verkeersgeneratie en ontsluiting Om de verkeersgeneratie behorend bij de woningen te bereken wordt aangesloten bij de uitgangspunten zoals opgenomen in de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024’ van het CROW. Functie Appartement, sociale huur, <75 m2 bvo
Verkeersgeneratie per woning 3,4
Maximum aantal woningen
Totaal
8
27,2
De realisatie van de beoogde woningen gaat gepaard met een toename van afgerond 28 verkeersbewegingen per etmaal. Het projectgebied wordt ontsloten via de G.H. Kappertstraat. Deze beperkte toename in verkeer kan, gezien de huidige verkeerssituatie op de G.H. Kappertstraat, op een veilige manier worden verwerkt. Doordat op de G.H. Kappertstraat een snelheidslimiet van 30 km/u geldt, kan het verkeer veilig de nieuwe woningen bereiken.
10.3
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Ruimtelijke motivering G.H. Kappertstraat, Hulsen Definitief
Hoofdstuk 11 11.1
M.e.r.- Beoordeling
Wettelijk kader
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-m.e.r. verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Bij de project-m.e.r.-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als is besloten dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt, wordt in ieder geval verwezen naar: 1. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1. het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project; b. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; 2. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en 3. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b.
het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.
11.2
Situatie projectgebied
Voorgenomen ontwikkeling kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (J11) uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Kolom 2 uit bijlage V Ob is hierbij niet van toepassing, waarmee geen mer-plicht geldt. Wel is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht aangezien er sprake is van de aanleg van acht woningen. Er is dus sprake van een uitbreiding. Beschrijving project en ligging projectgebied Zoals in hoofdstuk 3 is beschreven, voorziet het projectvoornemen in het realiseren van acht appartementen aan de rand van de kern Hulsen in de gemeente Hellendoorn. Milieueffecten project Gelet op de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van de aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Ten aanzien van de beoogde verkeersbewegingen kan het omliggende netwerk deze prima verwerken. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een ontwikkeling die niet leidt tot een aantasting van het woonen leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen. Tevens blijkt uit voorliggende ruimtelijke onderbouwing dat het voornemen geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Ruimtelijke motivering G.H. Kappertstraat, Hulsen Definitief
Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling wordt geconcludeerd dat het voornemen geen gevolgen voor het milieu met zich meebrengt.
11.3
Conclusie
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Ruimtelijke motivering G.H. Kappertstraat, Hulsen Definitief
Hoofdstuk 12 12.1
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat in artikel 8.13, 8.14 en 8.15 relevante regels over (verplicht) kostenverhaal. Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten worden verhaald, is de bouw van één of meer gebouwen met een woonfunctie (artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. In dit geval zal er tussen initiatiefnemer en de gemeente afstemming plaatsvinden over het kostenverhaal, bijvoorbeeld door het sluiten van een overeenkomst nadeelcompensatie. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
12.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
12.2.1 Participatie Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Omwonenden zijn in een vroege fase betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling. Het participatieproces bestond uit vier (inloop)momenten waar met omwonenden en betrokkenen is gesproken over het voornemen. Deelnemers zijn geïnformeerd en hebben de mogelijkheid gehad om input te leveren op de uitwerking en wijzigingen van het voornemen. Deze input is zo goed mogelijk verwerkt, waarbij het voornemen is aangepast door bijvoorbeeld de woningen te laten verspringen. Met het oog op de privacy worden aan de zuidzijde van de woningen Louvre schermen geplaatst, komt er een erfafscheiding van minimaal 2 meter hoog en worden de trappen aan de achterzijde van het woongebouw richting het zuiden geplaatst, om inkijkmomenten te beperken. Het gedetailleerde participatieverslag wordt als afzonderlijke bijlage toegevoegd aan de aanvraag voor de omgevingsvergunning in het kader van de buitenplanse afwijking van het omgevingsplan.
12.2.2 Advies en instemming De gemeenteraad kan zichzelf op basis van artikel 4.21 Omgevingsbesluit als adviseur aanwijzen voor bepaalde gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. In dat geval is sprake van 'bindend advies', wat inhoudt dat het college van B&W het advies in acht moeten nemen. In dit geval is er wel advies van de gemeenteraad benodigd. De provincie heeft een lijst vastgesteld met gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor op grond van artikel 16.15a sub d Omgevingswet advies met instemming nodig is (Lijst advies en instemming (lijst BOPA)). Als de gewenste activiteiten zijn opgenomen op deze lijst dan is de provincie bevoegd om advies te geven en instemming te verlenen. Onthoudt de provincie instemming dan kan de omgevingsvergunning niet verleend worden. In gevallen waarvoor GS in de Uitzonderingenlijst vooroverleg 2023 hebben bepaald dat er geen vooroverleg hoeft plaatst te vinden met de provinciale diensten is geen advies met instemming vereist. Dit is het geval. Advies met instemming is dan ook niet aan de orde.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Ruimtelijke motivering G.H. Kappertstraat, Hulsen Definitief
Bijlagen bij de ruimtelijke motivering Bijlage 1: Resultaat watertoets
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Het wateradvies
Het wateradvies Het wateradvies helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van het Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.
Op basis van de check is onderstaande nodig 1. Korte procedure
Op basis van onderstaande locatie
02-07-2025 16:33
1
https://hetwateradvies.nl
Het wateradvies
Vragen en antwoorden uit de check 1 Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt?
nee
Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd?
nee
Is er in of rondom het plangebied wel eens sprake (geweest) van wateroverlast of grondwateroverlast?
nee
Ligt binnen plangebied (een beschermingszone) van een watergang of waterkering?
nee
Maakt het plan deel uit van een groter plan, zoals een masterplan/ stedenbouwkundige visie?
nee
Wordt water aangelegd, gedempt of aangepast?
nee
Wordt recreatief medegebruik van watergangen of gronden in beheer van het waterschap mogelijk gemaakt?
nee
Bedraagt het verschil tussen de hoogte van de weg en nee de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 30 centimeter? Is de afstand tussen de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en de bovenzijde van de begane-grondvloer kleiner dan 80cm?
nee
Zijn er kansen voor afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
nee
Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen nee in de ondergrond? Worden bedrijfsmatige activiteiten uitgevoerd, waardoor het afstromende hemelwater verontreinigd kan raken?
nee
Worden er materialen gebruikt waardoor het afstromende hemelwater verontreinigd kan raken?
nee
Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating toe met meer dan 1500m2?
nee
Wordt regenwater gescheiden van het afvalwater afgevoerd?
ja
Ligt in of nabij het plangebied een zonering zuiveringtechnisch werk?
nee
Ligt het plangebied in een zonering waterwingebieden Drenthe?
nee
Ligt het plangebied in een zonering grondwaterbeschermingsgebieden Drenthe?
nee
Ligt het plangebied in een zonering waterwingebieden Overijssel?
nee
Ligt het plangebied in een zonering grondwaterbeschermingsgebieden Overijssel?
nee
Ligt het plangebied in een zonering Natura 2000?
nee
02-07-2025 16:33
2
https://hetwateradvies.nl
Het wateradvies
Details 1. Korte procedure Op basis van uw locatie en gegeven antwoorden blijkt dat u waterschapsbelangen raakt. U volgt de korte procedure.
Wat moet ik doen? Gebruik alstublieft de knop “DIRECT AANVRAGEN” om uw aanvraag voor een wateradvies daadwerkelijk naar het waterschap te versturen. Hiervoor is een eenmalige registratie benodigd. De korte procedure houdt in dat u zelfstandig een waterparagraaf opstelt, waarin u toelicht hoe u op een goede manier omgaat met de relevante wateraspecten. U kunt hiervoor onze adviezen gebruiken en de standaardwaterparagraaf. Deze hebben we onder het kopje ‘achtergrond’ toegevoegd. Wij verzoeken u deze waterparagraaf aan te passen aan de gegevens van uw plan en de relevante wateraspecten. We vragen u deze waterparagraaf voor advies aan ons voor te leggen. Wanneer wij een positief advies verlenen kunt u de waterparagraaf invoegen in de ruimtelijke onderbouwing van het plan.
Achtergrondinformatie
02-07-2025 16:33
3
https://hetwateradvies.nl
Het wateradvies Waterparagraaf ‘toekomstgericht waterbeheer’
Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.
Het waterschap Vechtstromen zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering.
In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema’s.
Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren.
Gezonde leefomgeving Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruiken we de (digitale) watertoets.
Relevante wateraspecten Wateroverlast Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak toe met m2. Daarnaast is het mogelijk om ook bestaand verhard oppervlak af te koppelen van het rioolstelsel zodat de kans op wateroverlast door toekomstige regenbuien wordt verminderd. Het gaat hierbij om m2. Om wateroverlast te 02-07-2025 16:33
4
https://hetwateradvies.nl
Het wateradvies voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Het hemelwater wordt ter plaatse geborgen in infiltratie- of waterbergende voorzieningen met een volume van m3. De dimensioneringsberekeningen van de diverse voorzieningen zijn opgenomen in de bijlage bij het bestemmingsplan. Op deze wijze kan regenbui T=100+10% worden opgevangen in het plangebied tot aan maaiveld of op maaiveld geborgen worden zonder dat waterschade optreedt, en vertraagd worden afgevoerd.
Bij voorkeur worden natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, regionale bergingsgebieden en overstromingsvlaktes niet bebouwd. Het plangebied beoogt geen kapitaalintensieve bouwwerken in deze gebieden. Wateroverlast voor het plangebied wordt voorkomen door <maatregelen noemen zoals ophogen, kades aanleggen oid>.
Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Om de kwaliteit van het water te waarborgen, worden de volgende maatregelen getroffen: een bodempassage in een berm/ wadi/ filtering d.m.v. een helofytenfilter, chemisch filter of mechanisch filter.
Riolering en Afvalwaterketen Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater van verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/geborgen worden. Voor onderhoud aan het rioolpersleidingenstelsel is bereikbaarheid noodzakelijk, hiertoe is een zonering rondom de persleiding opgenomen in de verbeelding. Tot slot worden in de milieuzone van de RWZI of rioolgemaal geen hindergevoelige functies opgenomen, die het functioneren van de installatie nu of in de toekomst kunnen belemmeren.
Grondwaterbeheer De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel. De bouwwijze is aangepast aan de grondwaterstand en zettingsgevoeligheid van de bodem door ophoging van het maaiveld, kruipruimteloos bouwen, waterdicht bouwen, passende fundering, etc. Om de bestaande grondwaterstanden op peil te houden worden maatregelen genomen om neerslag in de bodem te infiltreren of in andere voorzieningen vast te houden of te bergen.
Recreatie In het plangebied zijn de volgende (nieuwe) aan het water gekoppelde recreatieve functies opgenomen: . Voor zover van dergelijke actieve recreatieve functies een vergunning van het waterschap nodig is, zal deze worden aangevraagd. In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waterobjecten aanwezig. De cultuurhistorische waarde wordt door de planontwikkeling niet aangetast.
02-07-2025 16:33
5
https://hetwateradvies.nl
Ruimtelijke motivering G.H. Kappertstraat, Hulsen Definitief
Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeer
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Akoestisch onderzoek geluid door wegen
Nijverdal, G.H. Kappertstraat naast nr 43
Datum: 17-06-2025
AKOESTISCH ONDERZOEK GELUID DOOR WEGEN NIJVERDAL, G.H. KAPPERTSTRAAT NAAST NR 43
Datum: Projectnummer:
17-06-2025 2024-598
INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk 1 Inleiding ....................................................................................................... 4 Hoofdstuk 2 Wettelijk kader ............................................................................................ 5 2.1 2.2 2.3 2.4
Algemeen ............................................................................................................................................... 5 Geluidaandachtsgebied ......................................................................................................................... 5 Waarden geluid door (spoor)wegen...................................................................................................... 5 Gemeentelijk geluidsbeleid ................................................................................................................... 6
Hoofdstuk 3 Uitgangspunten ........................................................................................... 7 3.1 3.2
Situatie projectgebied ........................................................................................................................... 7 Verkeersgegevens.................................................................................................................................. 9
Hoofdstuk 4 Resultaten ................................................................................................. 10 4.1 4.2
Berekeningen ....................................................................................................................................... 10 Het geluid van wegen .......................................................................................................................... 10
Hoofdstuk 5 Conclusie ................................................................................................... 11 Bijlagen bij het akoestisch onderzoek .............................................................................. 12 Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4
Verkeersgegevens ....................................................................................................................... 12 Rekenmodel ................................................................................................................................ 13 Model- en itemeigenschappen ................................................................................................... 15 Resultatentabel ........................................................................................................................... 16
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
3
Akoestisch onderzoek geluid door wegen Nijverdal, G.H. Kappertstraat naast nr 43
HOOFDSTUK 1
INLEIDING
Voorliggend akoestisch onderzoek heeft betrekking op het perceel ten noorden van de G.H. Kappertstraat nummer 43 in Hulsen (gemeente Hellendoorn). Initiatiefnemer is voornemens om op het perceel acht appartementen te realiseren. In afbeelding 1.1 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van Nijverdal en de directe omgeving indicatief weergegeven. Het projectgebied is aangeduid met de rode ster en rode contour.
Afbeelding 1.1
Ligging projectgebied (Bron: Openstreetmap.org, bewerkt)
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dient een ruimtelijke procedure te worden doorlopen. In het kader van deze procedure is het benodigd het geluid van wegen ter plaatse van de te realiseren woningen te toetsen aan het stelsel van de standaardwaarden en de grenswaarden uit het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl). In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich meerdere wegen. Voorliggend onderzoek heeft uitsluitend betrekking op het geluid door wegen. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de rekenregels van de Omgevingswet. In voorliggende rapportage zijn de uitgangspunten, rekenresultaten en conclusies van het onderzoek beschreven.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
4
Akoestisch onderzoek geluid door wegen Nijverdal, G.H. Kappertstraat naast nr 43
HOOFDSTUK 2 2.1
WETTELIJK KADER
Algemeen
Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied altijd rekening met het belang van het beschermen van de gezondheid en het milieu. Hiervoor bevat het Bkl een systematiek met waarden en eisen waarbinnen het bevoegd gezag de aanvaardbaarheid van geluid beoordeelt (artikel 5.78s Bkl).
2.2
Geluidaandachtsgebied
Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). De geluidaandachtsgebieden van Rijks-, provinciale, gemeente-, waterschaps- en spoorwegen worden opgenomen in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Indien door de wegbeheerder nog geen geluidaandachtsgebieden zijn berekend gelden de volgende afstanden: • • •
2.3
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
Waarden geluid door (spoor)wegen
In het Bkl zijn standaard- en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw opgenomen. In tabel 1 zijn deze waarden weergegeven. Geluidbronsoort Provinciale wegen
Standaardwaarde
Grenswaarde
50 Lden
60 Lden
53 Lden
70 Lden
55 Lden
65 Lden
Rijkswegen Gemeentewegen Waterschapswegen Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen Tabel 1
Hoogst mogelijke grenswaarden door (spoor)wegen (Bkl tabel 5.78t/5.78u))
Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.78t Bkl). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd dienen te worden welke maatregelen mogelijk zijn om het geluid op een geluidgevoelig gebouw te verlagen tot de standaardwaarde. Het toelaten van een geluidgevoelig gebouw indien niet voldaan wordt aan de standaardwaarde is mogelijk volgens het Bkl (artikel 5.78 Bkl) indien: • •
Geluidbeperkende maatregelen niet mogelijk zijn; De overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt zijn door het treffen van geluidbeperkende maatregelen;