CConstaterende datHellendoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Risicoprofiel Brandweerzorg 2026-2029 (1)

Gemeenteraad 3 maart 2026, gemeente HellendoornBij agendapunt: Ontwerpbeleidsplan 2026-2029 en Kadernota 2027 Veiligheidsregio Twente15.985 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Risicoprofiel Brandweerzorg

Inleiding Veiligheidsregio Twente (VRT) hanteert een vierjaarlijkse beleidscyclus, waarin diverse plannen en documenten worden verwerkt tot één overkoepelend beleidsplan. Artikel 14 van de Wet veiligheidsregio’s stelt dat het bestuur van iedere veiligheidsregio eenmaal per vier jaar

een beleidsplan vaststelt. Artikel 15 van dezelfde wet bepaalt dat dit beleidsplan moet zijn

gebaseerd op een risicoprofiel. Dit is een inventarisatie en analyse van de risico’s van incidenten, rampen en crises in de regio. De risico’s binnen het taakgebied brandweerzorg vormen een

essentieel onderdeel van dit profiel en dragen bij aan het versterken van de samenhang tussen brandweerzorg en crisisbeheersing.

Onder brandweerzorg worden de taken verstaan zoals benoemd in de Wet veiligheidsregio’s: het

voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van gevaar voor mensen en dieren bij

ongevallen anders dan brand, en het adviseren op het gebied van brandpreventie, brandbestrijding en het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen (Wet veiligheidsregio’s, 2025). Brandweerzorg omvat daarmee ook het in beeld brengen van de daaraan verbonden risico’s. Dit risicoprofiel levert door middel van een risicogerichte benadering gerichte input voor het dekkingsplan brandweer en het beleidsplan van VRT. Daarmee draagt het bij aan inzicht in

actuele en toekomstige veiligheidsrisico’s die relevant zijn binnen alle wettelijke taakgebieden van brandweerzorg. Daarnaast is dit profiel bedoeld om richting te geven aan de interne agenda van

de brandweerorganisatie. Op basis van de gesignaleerde risico’s kunnen aandachtspunten worden

benoemd die relevant zijn voor de verdere ontwikkeling van brandweerzorg op operationeel, tactisch en strategisch niveau. Het is de wens om dit risicoprofiel in de toekomst dynamisch vorm te geven,

zodat het continu kan worden aangepast op basis van actuele inzichten, veranderende omstandigheden en nieuwe risicobeoordelingen.

Doel

Het risicoprofiel brandweerzorg heeft als doel om inzicht te geven in risico’s die van invloed kunnen zijn op de brandweerzorg in de komende vijf jaar. Dit gebeurt op basis van de huidige situatie en

verwachte ontwikkelingen in de regio. Het risicoprofiel vormt de basis voor gerichte aanbevelingen voor het dekkingsplan brandweer en het VRT Beleidsplan 2026-2030. Daarbij wordt gekeken naar

alle vier de taakgebieden van brandweerzorg: brandbestrijding, hulpverlening, incidentbestrijding gevaarlijke stoffen (IBGS) en waterongevallen.

Relaties andere projecten

Het risicoprofiel brandweerzorg levert, naast input voor het dekkingsplan brandweer en het

beleidsplan van Veiligheidsregio Twente, ook input voor het regionaal risicoprofiel. Dit regionaal risicoprofiel is bedoeld om multidisciplinaire strategische beleidskeuzes te onderbouwen. Het risicoprofiel

brandweerzorg richt zich op het onderbouwen van monodisciplinaire keuzes binnen het taakgebied brandweerzorg, zowel op strategisch als op operationeel niveau.

Hoewel de profielen verschillende invalshoeken hebben, zijn er duidelijke raakvlakken. Binnen

het regionaal risicoprofiel worden incidenttypen met een brandweerzorgcomponent eveneens

meegenomen wanneer deze een multidisciplinaire inzet vereisen. Voorbeelden hiervan zijn natuurbranden, branden met gevaarlijke stoffen en branden in objecten met verminderd zelfredzame

personen. Daarnaast beschrijft het regionaal risicoprofiel ook risicotypen die indirect van invloed kunnen zijn op de inzet en ontwikkeling van brandweerzorg, zoals cybercrime, oorlogsdreiging en grootschalige uitval van vitale infrastructuur. Omdat deze risico’s niet primair binnen het

2

Risicoprofiel Brandweerzorg 2026 - 2029

monodisciplinaire domein van brandweerzorg vallen, worden ze niet afzonderlijk uitgewerkt in het risicoprofiel brandweerzorg. Maar deze risico’s kunnen wel aanleiding geven tot nadere analyse of beleidsmatige afwegingen binnen de brandweerorganisatie.

Er is afstemming geweest met de collega’s die het regionaal risicoprofiel en het zorgrisicoprofiel

hebben opgesteld. Met als doel om de beschrijving van Twente op elkaar af te stemmen. Maar ook om van elkaar te leren. De wens is om in de toekomst nog meer samen te werken.

Methodiek

Voor het opstellen van dit risicoprofiel brandweerzorg is gestart met het actualiseren van de beschrijving van de regio Twente. Daarbij is nadrukkelijk gekeken naar de wijzigingen ten opzichte van het

vorige risicoprofiel uit 2020 (Brandweer Twente, 2020). Alleen de relevante veranderingen zijn in dit rapport opgenomen in hoofdstuk 2: ‘Twente in kaart’.

Ter onderbouwing van het risicobeeld is een literatuurstudie uitgevoerd naar maatschappelijke en

technologische ontwikkelingen die van invloed zijn op de taken van de brandweer. Daarnaast is er

een uitgebreide analyse uitgevoerd van de incidenthistorie en zijn binnen de organisatie gesprekken gevoerd met diverse focusgroepen , bestaande uit specialisten op specifieke vakgebieden binnen

brandweerzorg. Alle verzamelde informatie is gebruikt om een relatieschema te maken waarin de

verwachte invloeden op de brandweerzorg in de komende jaren zijn weergegeven. Dit relatieschema heeft geleid tot de formulering van verschillende focusthema’s. De uitgebreide relatieschema’s staan in bijlage 1.

Op basis van deze thema’s zijn negentien risico’s geïdentificeerd. Voor elk risico is een analyse

uitgevoerd om deze te duiden. Deze analyse bestond onder meer uit het bestuderen van historische

incidentgegevens en het signaleren van mogelijke trends. Op deze manier is een onderbouwd beeld gevormd van de aard, omvang en potentiële impact van de risico’s binnen brandweerzorg. Ook

zijn de risico’s toegekend aan de specifieke taakgebieden van brandweerzorg: brandbestrijding,

hulpverlening, IBGS en waterongevallen. Per taakgebied is op basis van beschikbare informatie een

risicomatrix gemaakt waarmee een prioritering van risico’s wordt gegeven. De risicomatrixen zijn tot stand gekomen op basis van een scoringsformulier, waarmee de negentien risico’s zijn beoordeeld

door vakspecialisten binnen de organisatie. De beoordeling is uitgevoerd op twee onderdelen: kans

en effect. Deze werkwijze heeft per taakgebied geleid tot een duidelijk overzicht van de risico’s en hun zwaarte. Deze risicomatrixen ondersteunen het bepalen van de benodigde inzet en aandacht binnen de brandweerzorg.

Resultaat

Het risicoprofiel brandweerzorg biedt een overzicht van de belangrijkste risico’s die de komende jaren van invloed kunnen zijn op de brandweerzorg. Op basis van analyse van vijf focusthema’s zijn risico’s in kaart gebracht die invloed kunnen hebben op de verschillende taakgebieden binnen brandweer-

zorg. Deze risico’s zijn verwerkt in risicomatrixen per taakgebied. Het resultaat bestaat uit een aantal conclusies en aanbevelingen die richting geven aan organisatiebreed beleid en besluitvorming.

3

4

Risicoprofiel Brandweerzorg 2026 - 2029

Inhoudsopgave 1

Twente in kaart

6

2

Focusthema’s

10

2.1 Focusthema 1: Veranderingen in weer & klimaat

2.2 Focusthema 2: Verduurzaming 2.3 Focusthema 3: Vergrijzing

2.4 Focusthema 4: Verdichting & huisvesting 2.5 Focusthema 5: Industrie & innovatie

11 15 20 23 29

2.6 Zwarte zwanen

31

3

32

Taakgebieden (risicomatrixen)

3.1 Brand

3.2 Hulpverlening

33 35

3.3 Incidentbestrijding gevaarlijke stoffen

36

3.5 Top vijf risico’s en thema’s

38

3.4 Waterongevallen

4

Conclusies en aanbevelingen

4.1 Conclusies

4.2 Aanbevelingen 4.3 Discussie 5

Literatuur

37

40 41 42 44 46

Bijlage 1: Relatieschema’s

50

Bijlage 3: Toegekende scores

55

Bijlage 2: Scorecriteria risicomatrix Bijlage 4: Uitgewerkte aanbevelingen

54 57

1

Twente in kaart TWENTE IS EEN VEELZIJDIGE EN COMPACTE REGIO, BESTAANDE UIT VEERTIEN GEMEENTEN IN DE PROVINCIE OVERIJSSEL: ALMELO, BORNE, DINKELLAND, ENSCHEDE, HAAKSBERGEN, HELLENDOORN, HENGELO, HOF VAN TWENTE, LOSSER, OLDENZAAL, RIJSSEN-HOLTEN, TUBBERGEN, TWENTERAND EN WIERDEN. MET EEN BEVOLKING VAN 643.603 INWONERS OP EEN OPPERVLAKTE VAN 1.504 VIERKANTE KILOMETER (CBS, 2025) KENT TWENTE ZOWEL STEDELIJKE ALS LANDELIJKE GEBIEDEN. IN HET LANDELIJKE GEBIED LIGT DE NADRUK OP NATUUR EN VEETEELT. DE REGIO WORDT DOORKRUIST DOOR TWEE A-WEGEN EN MEERDERE N-WEGEN. ER ZIJN MEERDERE SPOORLIJNEN WAARONDER EEN INTERNATIONALE TRANSPORTROUTE NAAR DUITSLAND EN EEN KANAAL WAT GEBRUIKT WORDT VOOR GOEDERENTRANSPORT. ER IS RELATIEF VEEL INDUSTRIE AANWEZIG IN DE VERSCHILLENDE STEDEN EN KERNEN. VOORAL OP HET GEBIED VAN BOUWNIJVERHEID EN TRANSPORT. OOK ZIJN ER DIVERSE BEDRIJVEN GEVESTIGD DIE WERKEN MET GEVAARLIJKE STOFFEN.

6

Risicoprofiel Brandweerzorg 2026 - 2029

De regio grenst aan Veiligheidsregio IJsselland en Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland.

Een groot deel van de grens wordt bovendien gedeeld met Duitsland (Kreis Borken en Grafschaft Bentheim). Dat laatste maakt het risicoprofiel van Twente bijzonder. Er zijn risico’s met een

effect tot over de grens. Ook voor de inzet in de rampenbestrijding en crisisbeheersing vraagt dit specifieke aandacht in de samenwerking vanwege verschillen in taal, cultuur en wetgeving.

Afbeelding 1 Symbolische plattegrond van Twente met de verschillende kenmerken (Brandweer Twente, 2025). Er zijn geen grote wijzigingen in Twente ten opzichte van het Brandrisicoprofiel 2020 (Brandweer

Twente, 2020). De wijzigingen die er zijn, worden hier beschreven aan de hand van de thema’s uit het vorige risicoprofiel.

Gebouwde omgeving

Binnen het thema gebouwde omgeving is te zien dat het aantal gebouwen in Twente is toegenomen. Dit geldt zowel voor woningen (in het kader van de woonopgave) als voor niet-woningen.

Natuurlijke omgeving

In de natuurgebieden zijn ten opzichte van het vorige risicoprofiel geen noemenswaardige veranderingen zichtbaar.

Technologische omgeving

Binnen de technologische omgeving zijn geen grote verschillen zichtbaar. Wel is er een naamswijzi-

ging doorgevoerd: BRZO-bedrijven worden tegenwoordig aangeduid als SEVESO-bedrijven. Daarnaast is er een ontwikkeling gaande waarbij biomassa steeds vaker wordt ingezet als energiebron.

Verkeer en vervoer

Sinds de coronapandemie is er sprake van toenemende verkeersintensiteit op zowel provinciale als gemeentelijke wegen. Dit betreft voornamelijk personenvervoer, maar ook het vrachtverkeer blijft toenemen.

7

Vitale infrastructuur

Er zijn geen ingrijpende wijzigingen binnen de vitale infrastructuur. Wel valt op dat het stroomnetwerk met enige regelmaat overbelast raakt, waardoor stroomuitval vaker voorkomt.

Bevolking

De omvang en samenstelling van de Nederlandse bevolking verandert voortdurend. Bekende trends zijn de groei van het aantal inwoners en huishoudens, een stijgende levensverwachting en daarmee

een toenemende vergrijzing. Deze ontwikkelingen hebben invloed op het sociaal-economische profiel. Ook in Twente zijn deze trends zichtbaar. Als gekeken wordt naar de bevolkingsopbouw wordt de groep 65+’ers steeds groter.

Daarnaast valt de toename op van de leeftijdscategorie van 20 tot 24 jaar. Dit is deels te verklaren

door de aanwezigheid van hoger onderwijsinstellingen. In kleinere dorpen en steden is juist sprake van een uitstroom van jongeren onder de twintig jaar richting de Randstad (Kennispunt Twente, 2024). Veelal voor studie en werk.

De diversiteit binnen de Twentse bevolking neemt toe. Binnenlandse en internationale migratie

zorgen voor meer inwoners die niet in Twente geboren zijn. Vooral in Enschede wonen relatief veel mensen met een migratieachtergrond. Dit komt mede door de nabijheid van de Duitse grens en de werkgelegenheid in de technologische sector.

Een andere ontwikkeling is de toename van het aantal eenpersoonshuishoudens. Gezinnen worden kleiner en het totaal aantal gezinnen neemt af.

8

Risicoprofiel Brandweerzorg 2026 - 2029

9

2

Focusthema’s DIT HOOFDSTUK BESCHRIJFT VIJF FOCUSTHEMA’S: VERANDERING IN WEER & KLIMAAT, VERDUURZAMING, VERGRIJZING, VERDICHTING & HUISVESTING EN INDUSTRIE & INNOVATIE. DE THEMA’S ZIJN TOT STAND GEKOMEN OP BASIS VAN LITERATUURONDERZOEK, DATA-ANALYSE EN GESPREKKEN MET FOCUSGROEPEN. ELK FOCUSTHEMA BEVAT EEN KORTE SAMENVATTING EN BENOEMT DE OVERKOEPELENDE RISICO’S DIE RELEVANT ZIJN ALS INPUT VOOR HET BELEIDSPLAN. VERVOLGENS WORDEN PER FOCUSTHEMA DE RISICO’S BESCHREVEN. DEZE UITWERKING BESTAAT UIT EEN KORTE INLEIDING, EEN DUIDING VAN HET RISICO EN EEN CONCLUSIE. WAAR RELEVANT WORDEN AANBEVELINGEN GEDAAN DIE KUNNEN BIJDRAGEN AAN BELEIDSMATIGE EN OPERATIONELE KEUZES.

10

Risicoprofiel Brandweerzorg 2026 - 2029

2.1 Focusthema 1: Veranderingen in weer & klimaat Veranderingen in het weer en klimaat zorgen ervoor dat de brandweer

zich moet aanpassen aan veranderende risico’s en scenario’s (NIPV, 2022;

Analistennetwerk Nationale Veiligheid, 2022). Extreem weer heeft invloed op de brandweerzorg in Twente. Denk hierbij aan langere periodes van droogte, hittegolven, intensieve neerslag en zware stormen.

Langdurige droogte vergroot de kans op natuurbranden in onze regio. Hogere temperaturen en langere periodes zonder neerslag zorgen voor een brandbaardere natuur. Hierdoor kunnen branden makkelijker ontstaan en zich sneller verspreiden. Natuurbrandseizoenen duren langer en droge periodes leiden tot lagere (grond)waterstanden, met mogelijke gevolgen voor de beschikbaarheid van bluswater.

Klimaatverandering leidt ook steeds vaker tot korte perioden met intensieve neerslag en stormen. Deze weersextremen veroorzaken wateroverlast en stormschade, zoals omgevallen bomen. Dit resulteert in een verhoogde en gelijktijdige vraag naar inzetcapaciteit van de brandweer.

Overkoepelend wordt verwacht dat in de komende jaren vaker gelijktijdige incidenten optreden. Die

doen een aanzienlijke aanspraak op de operationele slagkracht en het voortzettingsvermogen van de brandweer. In het relatieschema in afbeelding 2 zijn de verschillende risico’s schematisch weergeven.

Subthema Langdurige droogte Focusthema Veranderingen in weer & klimaat

Subthema Extreem weer

Risico Toename van het aantal en de intensiteit natuurbranden

BR

BR Risico Problemen waterwinning door lagere grondwaterstanden

Overkoepelend risico Grotere kans op gelijktijdige incidenten met grote capiciteitsvraag

HV Risico Toename van (gelijktijdige)meldingen zoals stormschade en wateroverlast door weerproblemen

Afbeelding 2 Relatieschema thema verandering in weer & klimaat en omvattende risico’s.

Natuurbranden

Toename van het aantal en de intensiteit natuurbranden

Door een toenemend aantal natuurbranden met grotere intensiteit in een sterk verdicht Nederlands landschap, is het onvermijdelijk dat ook de maatschappelijke impact en schade gaan toenemen.

Mensen zullen vaker moeten vluchten, campings zullen vaker moeten worden geëvacueerd, er zal vaker overlast zijn door afgesloten wegen en ook zullen zich vaker cascade-effecten voordoen in

bijvoorbeeld nutsvoorzieningen (Verhoeven, et al., 2023, p. 28/29; Brandweer Nederland, 2024). Daarnaast dragen de groeiende bevolking en de toenemende recreatie in en rondom natuurgebieden bij aan de toenemende impact van natuurbranden. Zowel op het gebied van veiligheid van inwoners als de complexiteit van natuurbranden. De kans wordt groter dat het noodzakelijk is om mensen uit

een natuurgebied of van een camping te evacueren. Dit vraagt extra tijd, middelen en coördinatievermogen, wat ten koste kan gaan van het bestrijden van de brand zelf (Verhoeven, et al., 2023, p. 28/29). Vanwege een toenemend aantal (soms gelijktijdige) natuurbranden wordt een toenemende druk

11

op het brandweersysteem verwacht. Dit zorgt ervoor dat er mogelijk eerder ‘triage’ nodig is in het

geval er meer middelen nodig zijn dan er beschikbaar zijn. Er moeten dan keuzes gemaakt worden over waar de prioriteit komt te liggen. Hierdoor kunnen per definitie sommige incidenten niet of niet optimaal en veilig bestreden worden. Deze toenemende druk op het brandweersysteem is

onvermijdelijk, tenzij er specifieke maatregelen worden genomen om het aantal natuurbranden of de kwetsbaarheid van andere functies te beperken.

Twente heeft meerdere natuurgebieden, variërend in omvang en vegetatie. In de afgelopen tien

jaar hebben zich veel natuurbranden voorgedaan in deze gebieden. Het meest voorkomende type natuurbrand is bosbrand. Het aantal natuurbranden wisselt jaarlijks sterk, maar neemt gemiddeld

genomen toe. In de droge jaren zijn er meer natuurbranden. Veruit de meeste natuurbranden blijven klein. Maar in droge jaren wordt vaker opgeschaald, zie figuur 1.

De Risico Index Natuurbranden (RIN) geeft inzicht in zowel de kans op het ontstaan van een

onbeheersbare natuurbrand als de mogelijke impact ervan. Deze informatie ondersteunt de

brandweer en natuurbeheerders bij het voorkomen en bestrijden van natuurbranden, evenals bij de

voorbereiding daarop (Brandweer Nederland, 2018). Het meest risicovolle gebied in Twente volgens de RIN is de Sallandse Heuvelrug (Brandweer Twente). Aantal opschalingen per jaar bij brand - natuur 30 25 20 15 Zeer groot

10

Groot

5 0

Middel 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025

Klein

Figuur 1 Totaal aantal natuurbranden per opschaling per jaar (Veiligheidsregio Twente).

Waterwinning

Problemen waterwinning door lagere grondwaterstanden

Het klimaat verandert. In Nederland komen steeds vaker langere periodes van aanhoudende droogte voor. Tijdens de zomermaanden valt er minder neerslag waardoor grondwaterstanden dalen (KNMI,

2023, p. 27). Dit heeft potentieel gevolgen voor de mogelijkheid tot secundaire en tertiaire waterwinning. Daarnaast wordt er meer leidingwater gebruikt terwijl de capaciteit van het leidingwaternet de afgelopen jaren is afgenomen (Vitens, sd; Vitens, sd). Dit leidt mogelijk tot watertekorten voor incidentbestrijding.

Het KNMI houdt neerslagsommen bij en berekent op basis daarvan de neerslagtekorten (KNMI, sd). Hieruit valt af te leiden dat er steeds vaker neerslagtekorten zijn. Uit de Klimaateffectatlas blijkt dat er met name aan het einde van de zomerperiode sprake is van extreem lage grondwaterstanden

(Klimaateffectatlas, sd). Dergelijke lage grondwaterstanden zijn gemeten in de jaren 2011, 2018, 2020 en 2022 (zie figuur 2). In deze perioden is er minder secundaire en tertiaire waterwinning beschikbaar voor brandbestrijding. De kans dat door te lage grondwaterstanden de waterwinning niet toereikend

12

Risicoprofiel Brandweerzorg 2026 - 2029

is, neemt de komende jaren toe. De invloed hiervan op de brandweerzorg is nog onvoldoende in kaart gebracht.

Jaarsom neerslag in 0,1mm op KNMI meetpunt Vliegbasis Twenthe 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000

2024

2023

2022

2021

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2004

0

Figuur 2 Jaarsommen neerslag in 0,1mm op meetpunt Vliegbasis Twenthe (Veiligheidsregio Twente).

Weerproblemen

Toename van (gelijktijdige) meldingen zoals stormschade en wateroverlast door weerproblemen

Naast droogte kent Nederland ook extreem weer in de vorm van intensieve neerslag en stormen.

Buien worden heviger: er valt meer regen in kortere periodes (KNMI, 2023, p. 26). Hierbij valt er meer

water dan waar de bestaande infrastructuur op ingericht is. Deze buien komen bovendien vaker voor. Ook stormdagen met hoge windsnelheden komen vaker voor. De brandweer krijgt hierdoor steeds

vaker te maken met meldingen van overlast en schade als gevolg van hevige neerslag, windstoten en storm. Deze meldingen komen ook steeds vaker gelijktijdig.

Met name in de herfst en winter komt vaker extreme neerslag voor. Uit de incidenthistorie blijkt dat er in de jaren 2018, 2022 en 2024 sprake was van pieken (zie figuur 3). In deze jaren zijn door het

KNMI ook weeralarmen en -waarschuwingen uitgegeven voor de provincie Overijssel (KNMI, sd). De zwaarte van de pieken lijkt af te nemen, maar het gemiddeld aantal incidenten neemt juist toe. Uit

deze figuur blijkt dat veruit de meeste meldingen betrekking hebben op stormschade, gevolgd door wateroverlast.

Aantal incidenten met classificatie water/weerproblemen per jaar 1.000 800 600 400

Overig

Gladheid/sneeuw

200 0

Wateroverlast 2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Stormschade

Figuur 3 Aantal incidenten water/weerproblemen per jaar (Veiligheidsregio Twente).

13

Sommige gemeenten hebben meer incidenten dan andere. Dit heeft te maken met geografische en

infrastructurele factoren. Enschede heeft bijvoorbeeld relatief vaak last van wateroverlast bij extreme neerslag. Voor een deel is dit te verklaren door de stuwwal waar Enschede op ligt. Ook de groei van de stad, het daardoor verdwijnen van beken en de samenstelling van de bodem (waardoor water niet snel wegloopt) hebben invloed (Twents Waternet, sd). In afbeelding 3 is een visuele indicatie

opgenomen van de hoeveelheid water die op straat blijft liggen na een extreme bui. De donkerblauwe gebieden zijn voor een deel bekende overlastlocaties.

Afbeelding 3 Indicatie van hoeveelheid water op straat na een extreme bui (Atlas Leefomgeving, 2025) De laatste jaren zijn er meerdere voorbeelden van een groot aantal gelijktijdige meldingen als gevolg

van stormen, extreme neerslag of windvlagen. In dergelijke situaties worden veel brandweereenheden gelijktijdig gealarmeerd om hulp te verlenen. In de afgelopen vijf jaar is in vijftien gevallen gebruik-

gemaakt van decentrale uitgifte (DCU), waarbij gemiddeld 128 meldingen zijn verwerkt. DCU wordt

ingezet als de meldkamer het aantal meldingen niet meer goed kan verwerken en er een ‘wachtlijst’ ontstaat van meldingen. Er wordt dan lokaal een uitgiftepunt ingericht om meldingen met een lage prioriteit af te handelen. Bij de drielingstorm van 2024 zijn in totaal 594 incidenten afgehandeld via DCU, waarbij op de piek 35 voertuigen gelijktijdig werden ingezet (Veiligheidsregio Twente).

Door het lokale karakter van weerproblemen is niet exact te voorspellen waar in de toekomst

stormschades en wateroverlast zullen voorkomen. De mate van overlast is daarnaast sterk afhankelijk van infrastructuur, ondergrond en getroffen maatregelen.

14

Risicoprofiel Brandweerzorg 2026 - 2029

2.2 Focusthema 2: Verduurzaming De verduurzaming in Nederland zorgt voor nieuwe uitdagingen voor de

brandweer. Er zijn veel ontwikkelingen die razendsnel gaan (NIPV, 2022). Er worden nieuwe energiebronnen toegepast, waarbij de overgang naar een

circulaire economie een belangrijk onderdeel is. Fossiele brandstoffen worden

vervangen voor duurzame alternatieven. De energietransitie leidt daarmee tot

ingrijpende veranderingen in zowel de gebouwde omgeving als de energie-infrastructuur.

Gebouwen kennen nieuwe of alternatieve bouwmethoden en zijn beter (na-)geïsoleerd. Circulair en

duurzaam bouwen, waaronder het gebruik van natuurlijke (biobased) materialen, wordt steeds vaker

toegepast. Dit zorgt bij brand voor ander brandgedrag en vergroot de complexiteit van incidentbestrijding (Spoelstra, Kennisbundel Duurzaam Bouwen, 2024).

Om energie duurzamer op te wekken en efficiënter te gebruiken, worden steeds meer gebouwen

uitgerust met zonnepanelen, warmtepompen en energieopslagsystemen. De toenemende energievraag leidt tot een zwaardere belasting van het elektriciteitsnet, met netcongestie als gevolg. De

aanleg van nieuwe energie-infrastructuur en het toenemende gebruik van alternatieve energiedragers, zoals waterstof, brengt nieuwe risico’s met zich mee. Het gaat om risico’s zoals explosie- en

brandgevaar en milieu- en gezondheidsrisico’s. Dit geldt zowel voor transport over de weg als voor het toepassen van deze alternatieven.

De bestaande regelgeving sluit niet altijd aan op deze technologische ontwikkelingen, waardoor

bepaalde risico’s nog onvoldoende worden ondervangen. Overkoepelend wordt verwacht dat de kans op incidenten met een groot effectgebied nabij bebouwde omgeving toeneemt, evenals de kans op stroomuitval met gevolgen voor de brandweerzorg. In afbeelding 4 is een schematische weergave opgenomen van de relaties tussen de risico’s binnen dit thema.

Risico Nieuwe risico’s in de regio: windturbines en energiecentrales

HV IBGS

IBGS Risico Externe veiligheidsrisico’s nemen toe door meer transport, productie en opslag van waterstof(dragers)

Subthema Energietransitie

Focusthema Verduurzaming

Subthema Energie infrastructuur

Subthema Duurzaam, circulair & biobased bouwen

Overkoepelend risico Meer kans op incidenten nabij bebouwde omgeving met grote effectgebieden

BR Risico Toename brandrisico’s in gebouwde en natuurlijke omgeving door energieopwekking en -opslag HV Risico Meer kans op incidenten door toename van werkzaamheden, meer infrastructuur en extra energieopslagen

BR

IBGS

BR Risico Veranderend brandgedrag: nieuwe en aanvullende risico’s tijdens incidentbestrijding

Overkoepelend risico Grote(re) kans op stroomuitval: negatieve gevolgen voor brandweerzorg Overkoepelend risico Regelgeving loopt achter de nieuwe ontwikkelingen waardoor bepaalde risico’s (nog) niet goed zijn ondervangen

Afbeelding 4 Relatieschema thema verduurzaming en omvattende risico’s.

15

Nieuwe energievoorzieningen

Nieuwe risico’s in de regio: windturbines en energiecentrales

Er komen nieuwe vormen van energieopwekking in Twente, waaronder windturbines en - mogelijk

in de toekomst - kleine energiecentrales zoals Small Modular Reactors (SMR’s) of waterstofmodules.

Deze ontwikkelingen dragen bij aan de verduurzaming van de energieopwekking in onze regio, maar brengen ook nieuwe risico’s met zich mee.

De exacte locaties van de toekomstige windturbines in Twente zijn nog niet bekend. Maar op de website van de provincie Overijssel is te zien welke plannen zijn goedgekeurd voor de verdere procedure richting aanvraag (zie afbeelding 5).

Afbeelding 5 Plattegrond open te stellen gebieden windenergie (Provincie Overijssel, 2025). Windturbines brengen specifieke risico’s met zich mee. Deze risico’s hebben onder andere betrekking op hoog- en middenspanningsinstallaties, het gebruik van zwavelhexafluoride (SF₆) en werkzaam-

heden op grote hoogte. De incidentscenario’s bij windturbines zijn het ontstaan van brand op diverse hoogtes en persoonlijke ongevallen in de gondel, zoals beknelling. Het uitvoeren van een reddings-

actie op een hoogte van 200 tot 300 meter vereist specialistische kennis en middelen. Binnen Twente is dit specialisme momenteel niet aanwezig. Daarnaast is gebleken dat branden op deze hoogte

niet effectief kunnen worden bestreden door de brandweer. In regio’s waar veel windturbines staan,

komen dit soort incidenten vaker voor. In deze regio’s zijn veelal tactieken, technieken, standaardwerkwijzen en gespecialiseerde eenheden beschikbaar die ondersteuning kunnen bieden bij blussing of redding op hoogte.

Energiecentrales op basis van innovatieve technologieën, zoals waterstofmodules en SMR’s, brengen nieuwe risico’s met zich mee. Deze risico’s kunnen onder meer betrekking hebben op de opslag en

verwerking van brandbare of radioactieve stoffen, thermische processen, het gebruik van koelwater en de mogelijke productie van reststoffen. Volgens de Energievisie Overijssel wordt rond 2028 meer duidelijkheid verwacht over de haalbaarheid en inzetbaarheid van in ieder geval SMR’s.

Waterstof(dragers)

Externe veiligheidsrisico’s nemen toe door meer transport, productie en opslag van waterstof(dragers)

De energietransitie leidt tot meer gebruik van alternatieve energiedragers. Eén van de alterna-

tieve energiedragers is waterstof (H₂). Het transport en de opslag van waterstof zijn complex, met

als voorbeeld het transport van waterstof via zogenoemde ‘tube trailers’ (Spoelstra, Kennisbundel Transport van waterstofdragers, 2024). In deze ‘tube trailers’ wordt waterstof vervoerd onder

16

Risicoprofiel Brandweerzorg 2026 - 2029

hoge druk. Er is een conceptbesluit voor het toestaan van grootschalige waterstofproductie in

Noord-Twente. Het is dus te verwachten dat dit binnen Twente in de nabije toekomst een reëel nieuw risico is. Grootschalig waterstoftransport gebeurt veelal met behulp van ammoniak (NH3). Ammoniak

is een verbinding van stikstof en waterstof en kan waterstof efficiënt opslaan en vervoeren. Ammoniak is vloeibaar bij -33°C of onder lichte druk. Dit maakt het transport eenvoudiger dan vervoer van pure waterstof. Andere mogelijke waterstofdragers zijn methanol, mierenzuur, benzyltolueen en tolueen (Van Loon, 2025).

Er wordt verwacht dat de productie, het transport, de opslag en het gebruik van waterstof en

ammoniak de komende jaren zullen toenemen (Elzenga & Strengers, 2024). Dit resulteert in een

toename van transportbewegingen van waterstof en ammoniak door bijvoorbeeld buisleidingen, over de weg, het spoor en over water. Bij ongewenst vrijkomen kunnen beide stoffen leiden tot ernstige

gevolgen voor de veiligheid in de omgeving (Spoelstra, Kennisbundel Transport van waterstofdragers, 2024).

Monitoring toont aan dat op meerdere wegvakken in Twente, zoals de A1 tussen Lochem-Rijssen

en Oldenzaal Zuid, het plaatsgebonden risico (PR) van 10⁻⁷ is overschreden. Dit betekent dat op die

locaties het berekende groepsrisico hoger is dan acceptabel wordt geacht bij een kans van 1 op 100

miljoen per jaar. Dit komt door toename van LNG-transport (categorie GF3: brandbaar gas). Landelijk

neemt het vervoer van LNG toe, ondanks een algemene daling van het totale transport van gevaarlijke stoffen over de weg (Rijkswaterstaat, 2025).

Het waternetwerk in Twente valt buiten het basisnet en wordt niet met basisnetgrenzen vergeleken.

In Twente zijn zes havens die vallen onder de Port of Twente: Almelo, Goor, Hengelo, Markelo, Delden

en Enschede (Port of Twente, sd). Vanuit deze organisatie is een havenmonitor met diverse informatie. De totale overslag in TEU (Twenty-foot Equivalent Unit: standaardeenheid om capaciteit van contai-

nerschepen en terminals in uit te drukken) ligt tussen 7.000 en 11.000 TEU per maand, met een stabiel evenwicht tussen laden en lossen. Er is sprake van een regelmatig verloop, met pieken in de zomer en vroege herfst. Na een afname in 2022 en 2023, lijkt het overslagniveau in 2024 hersteld te zijn naar normaal niveau (Port of Twente).

Op de drie spoortrajecten voor goederenvervoer in Twente is een toename zichtbaar van het vervoer

van gevaarlijke stoffen, met name van brandbaar gas. Dit komt overeen met goederenvervoer over de weg (Brandweer Twente, 2025).

17

Energieopwekking en -opslag

Toename brandrisico’s in gebouwde en natuurlijke omgeving door energieopwekking en -opslag

In het kader van verduurzaming worden steeds meer gebouwen en terreinen uitgerust met installaties voor energieopwekking en -opslag. Voorbeelden zijn zonnepanelen, warmtepompen en energie-

opslagsystemen (EOS) (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2022; Van Rede &

Riemersma, 2024). Deze ontwikkelingen dragen bij aan een duurzamer energiesysteem, maar brengen ook nieuwe brandrisico’s met zich mee in zowel de gebouwde als de natuurlijke omgeving. Er bestaat

geen wettelijke verplichting om centraal te registreren waar deze installaties zich bevinden. Door middel van adviesaanvragen is wel bekend waar grotere zonneparken en biogasinstallaties zich bevinden. Het risico op brand door energieopwekking en -opslag is lastig te kwantificeren. Via de Slimme Vragenlijst is het mogelijk om een indicatie te krijgen van het aantal branden dat vermoedelijk

verband houdt met accu’s. Daarbij is het onderscheid tussen energieopslagsystemen (zoals thuisbat-

terijen) en energiedragers (zoals fietsaccu’s) niet altijd duidelijk. Dit maakt het moeilijk om de aard en

omvang van het risico goed te duiden. In Twente hebben zich de afgelopen jaren meerdere incidenten voorgedaan, waaronder branden in zonnevelden en een brand in een EOS nabij een opvangcentrum.

Werkzaamheden energie-infrastructuur

Meer kans op incidenten door toename van werkzaamheden, meer infrastructuur en extra energieopslagen

De energietransitie leidt zowel tot een toename van energieopwekking door particulieren als tot

een groeiende vraag naar elektriciteit voor elektrische apparatuur (Rijksoverheid, 2025). Hierdoor ontstaat op steeds meer plaatsen netcongestie: een overbelasting of tekort aan capaciteit van de

bestaande infrastructuur. De overbelasting komt op dit moment vooral voor op het hoog- en middenspanningsnet. Op het laagspanningsnet neemt het elektriciteitsverbruik juist toe, waardoor ook

daar de kans op netcongestie groeit (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2025). Dit vraagt om fysieke aanpassingen aan de energie-infrastructuur. De komende tien jaar worden er 23.000

transformatorhuisjes bijgeplaatst, gaan tienduizenden kilometers kabels de grond in en honderden elektriciteitsstations aangepast of gebouwd. Hierdoor vinden er meer werkzaamheden in de grond

plaats (Netbeheer Nederland, sd; Enexis Netbeheer, 2025), waardoor ook de kans op incidenten, zoals gaslekkages, toeneemt. Dit is vergelijkbaar met wat eerder werd waargenomen bij de aanleg van glasvezelnetwerken.

Gaslekkages kunnen binnen de meldingsclassificaties op twee manieren worden geregistreerd: als

‘Leefmilieu – stank/hinder lucht’ of als ‘Ongeval – gevaarlijke stof’. Beide classificaties omvatten echter ook andere type meldingen (Veiligheidsregio Twente). Hierdoor is het lastig om specifiek inzicht te verkrijgen in het aantal gaslekkages. Dit beperkt de mogelijkheid om trends en risico’s effectief te analyseren.

Duurzame bouwwerken

Veranderend brandgedrag: nieuwe en aanvullende risico’s tijdens incidentbestrijding

Verduurzaming beïnvloedt zowel bestaande als nieuwe bouwwerken. In het kader van energieneutraal bouwen worden gebouwen zoveel mogelijk lekdicht geconstrueerd of aangepast. Bij bestaande

bouwwerken betekent dit aanpassingen zoals na-isolatie, vervanging van glas, installatie van ventilatiesystemen, plaatsing van zonnepanelen en toepassing van warmtepompen om te voldoen aan

moderne isolatie- en comforteisen. Nieuwbouw wordt standaard voorzien van verbeterde isolatie en energiezuinige installatietechnieken. Ook het gebruik van circulaire of biobased bouwmaterialen en groene gevelbekleding komen steeds vaker voor (Ministerie van Binnenlandse Zaken en

Koninkrijksrelaties, 2022). De veranderende bouwwijzen hebben invloed op brandontwikkeling en brandgedrag (Kobes, Van der Graaf, Leene, & De Witte, 2024; NIPV, 2022).

18

Risicoprofiel Brandweerzorg 2026 - 2029

Traditionele gebouwen met steenachtige materialen en beperkte mate van isolatie zijn beter

bestand tegen brand dan verduurzaamde gebouwen. Verduurzamingsmaatregelen, zoals na-geïsoleerde gevels, brengen andere brandrisico’s met zich mee. Een van de risico’s is dat hierdoor de

gebouwschil niet gecompartimenteerd is. Deze externe isolatiemaatregelen veroorzaken vaker een

branduitbreidingstraject via de buitengevel. Hierdoor ontstaat het risico op snelle en onvoorspelbare branduitbreiding.

Het belangrijkste risico bij nieuwe bouwwijzen is de verandering in brandgedrag en brandontwikkeling. In lekdichte gebouwen raken branden sneller ventilatie-gecontroleerd. Brandbare

constructiematerialen dragen bij aan het brand- of rookvermogen dat vrijkomt. Dit zorgt voor branden die zich sneller en onvoorspelbaar ontwikkelen, met de kans op het ontstaan van gevaarlijke brandfenomenen zoals flashover, rookgasontbranding en backdraft. Bij diverse incidenten in Nederland is gebleken dat (een veilige) brandbestrijding bij dit soort gebouwen zeer moeilijk is. Er bestaan op

dit moment nog onvoldoende handelingsperspectieven. De impact van de bestrijding van dit soort

branden is vaak ernstig; er worden volledige woningen gesloopt om stoplijnen te kunnen maken. Een recent voorbeeld is de brand in een woonblok in Didam op 13 mei 2025.

Binnen Twente bevinden zich al veel verduurzaamde en duurzaam gerealiseerde bouwwerken. Naar verwachting zal dit aantal de komende jaren verder toenemen. Momenteel is het onbekend waar

deze bouwwerken zich bevinden. Bij verduurzaamde bouwwerken is de brandweer doorgaans niet betrokken als adviserende partij.

19

2.3 Focusthema 3: Vergrijzing Nederland vergrijst. Het aandeel 65-plussers in de bevolking stijgt van 20%

naar 25% in 2040 (CBS, 2025). Ook verdubbelt het aandeel 80-plussers. Twente vergrijst sneller dan het landelijk gemiddelde (Kennispunt Twente, 2024).

Ouderen vormen een kwetsbare doelgroep binnen de bevolking. Ouderdoms-

gebreken leiden vaak tot verminderde mobiliteit, zintuiglijke beperkingen en een

lagere mentale capaciteit, waardoor de zelfredzaamheid afneemt. Dit vergroot het risico

op brand en maakt het voor ouderen moeilijker om bij brand te vluchten (Karemaker, et al., 2021). De druk op de zorg is in Nederland momenteel aanzienlijk. Er is een tekort aan zorgcapaciteit dat door vergrijzing verder toeneemt. Bij incidenten zijn er hierdoor meer hulpbehoevenden en minder bhv’ers. Het overheidsbeleid is erop gericht dat ouderen langer thuis blijven wonen met zorg aan huis en zwaardere vormen van zorg (Van Zoonen & Hagen, 2015).

Daarnaast groeit het aantal zelfstandig wonende senioren zonder directe zorgvraag. Deze doelgroep heeft behoefte aan levensloopbestendige en gelijkvloerse woningen en trekt hiervoor naar woonge-

bouwen nabij steden of kernen. Na verloop van tijd wordt deze doelgroep kwetsbaarder en mogelijk verminderd zelfredzaam. Dit heeft invloed op de mogelijkheden tot zelfstandig vluchten en de

brandweerinzet bij brand. Ook woont deze doelgroep, wanneer ze niet verhuist naar een aangepaste woning, vaker in verouderde woningen. Hierdoor neemt de kans op verouderde en niet-werkende brandveiligheidsvoorzieningen toe.

Het overkoepelende risico is dat de brandveiligheid bij woonfuncties minder goed geborgd is dan bij gezondheidszorgfuncties. Hierdoor zijn de effecten en impact van branden waarbij ouderen

betrokken zijn, bij woonfuncties groter. De kans op fatale slachtoffers bij woningbranden neemt toe. In afbeelding 6 staat een schematische weergave van de risico’s onder dit focusthema.

Subthema Toename aantal (zelfstandig wonende) ouderen Focusthema Vergrijzing

BR Risico In woningen/woongebouwen waar veel senioren wonen is de kans op brand en fatale slachtoffers groter dan bij een algemene doelgroep HV Risico Het aantal hulpverleningen voor zelfstandig wonende senioren neemt toe: meer tilassistenties en afhijsingen

Subthema Toename zorgdruk & tekorten capaciteit

BR Risico Bij brand in een gezondheidszorgfunctie wordt een zwaarder beroep gedaan op brandweerzorg

Afbeelding 6 Relatieschema thema vergrijzing en omvattende risico’s.

20

Risicoprofiel Brandweerzorg 2026 - 2029

Overkoepelend risico Kans op fatale slachtoffers bij woningbranden neemt toe

Overkoepelend risico Het brandveiligheidsniveau bij woonfuncties is lager dan bij gezondheidszorgfuncties: effecten en impact van brand wordt groter

Woningen/woongebouwen met senioren

In woningen/woongebouwen waar veel senioren wonen is de kans op brand en fatale slachtoffers groter dan bij een algemene doelgroep

De vergrijzing in Nederland leidt tot een sterke toename van het aantal senioren, met name

80-plussers. Hierdoor groeit ook het aantal zelfstandig wonende ouderen en bewoners in woonfuncties met beperkte zorgondersteuning, zoals Veilig Pakket Thuis (VPT). Beperkingen in mobiliteit,

zintuigen en mentale capaciteit verminderen de zelfredzaamheid. Dit vergroot niet alleen het risico op het ontstaan van brand, maar zorgt er ook voor dat senioren minder goed in staat zijn om zelfstandig te vluchten.

Vaak wonen senioren in verouderde woningen met oude installaties en apparatuur, wat de kans op

brand verder verhoogt. In woongebouwen waar veel senioren wonen, zijn de gevolgen van een brand bovendien ernstiger dan bij grondgebonden woningen. Door onder andere snellere rookverspreiding,

branduitbreiding en beperkte mobiliteit is de kans op een succesvolle ontvluchting kleiner. Daardoor is

in (woon)gebouwen met veel senioren niet alleen de kans op brand groter, maar ook de kans op fatale slachtoffers (Van Zoonen & Hagen, 2015; Karemaker, et al., 2021).

In 2023 is een risicoprofiel senioren opgesteld die ingaat op de verschillende factoren die senioren kwetsbaar maken, zoals leeftijd en mobiliteit. Na een zorgvuldige literatuurstudie, profilering en

classificatie is hier een buurtscore uitgekomen, die geografisch is weergegeven (Brandweer Twente,

2023). In afbeelding 7 is de verdeling van deze wijkscores te zien. Hiermee is ongeveer bekend waar de kwetsbare, zelfstandig wonende senioren zich bevinden in de regio.

Ook is er vanuit het risicoprofiel woongebouwen inzicht in waar woongebouwen zich bevinden in

Twente. Hierbij is gekeken naar verschillende kenmerken op zowel object- als wijkniveau. Hierin is ook de leeftijdsverdeling in de wijk meegenomen in de afweging.

Afbeelding 7 Wijkscores op basis van risicoprofiel senioren (Brandweer Twente, 2023).

21

Toename tilassistenties en afhijsingen

Het aantal hulpverleningen voor zelfstandig wonende senioren neemt toe: meer tilassistenties en afhijsingen

De toename van het aantal zelfstandig wonende ouderen is het gevolg van zowel maatschappe-

lijke ontwikkelingen als overheidsbeleid dat gericht is op het bevorderen van zelfstandig wonen. Uit

recente wet- en regelgeving blijkt dat de zorg in toenemende mate wordt georganiseerd in de thuissituatie. Hierbij wordt verblijf in instellingen zoveel mogelijk beperkt (VPT). In veel gevallen sluit de

woning onvoldoende aan op de behoefte van de bewoner in geval van een incident, zoals een brand of valpartij. Hierdoor wordt de brandweer vaker opgeroepen voor hulpverlening. Dit leidt tot meer meldingen voor tilassistentie en afhijsingen.

Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt waar zich grotere concentraties ouderen bevinden. Het gaat hierbij met name om de kernen van dorpen en steden. Daarnaast

is bekend in welke gebieden relatief veel inwoners wonen met gezondheidsbeperkingen en/of

langdurige aandoeningen. Tot slot is vanuit het risicoprofiel woongebouwen bekend waar woongebouwen zich bevinden.

Er is een toename van het aantal hulpverleningsverzoeken die niet direct gerelateerd zijn aan brand.

Incidenten met ouderen leiden vaker tot tilassistenties of afhijsingen. Analyse van de incidenthistorie laat een stijging zien in het aantal meldingen voor tilassistenties. Het is echter niet uit te sluiten dat

deze meldingen ook betrekking hebben op andere doelgroepen dan alleen ouderen, zoals zwaarlijvige personen of mensen met een aandoening.

Brand in gezondheidszorgfuncties

Bij brand in een gezondheidszorgfunctie wordt een zwaarder beroep gedaan op brandweerzorg Er is sprake van een grote zorgvraag die steeds zwaarder wordt. Kwetsbaren en niet-zelfredzame personen die verblijven in gebouwen met een gezondheidszorgfunctie hebben bij brand hulp nodig bij ontvluchting of evacuatie. Maar door de druk op de zorgcapaciteit is er vaak minder

personeel beschikbaar, waardoor ook het aantal bhv’ers afneemt. Hierdoor ontstaat het risico dat

bij brand in een gebouw met een gezondheidszorgfunctie een groter beroep wordt gedaan op de

22

Risicoprofiel Brandweerzorg 2026 - 2029

brandweerzorg. De laatste jaren zijn er in Nederland meerdere branden geweest in gezondheids-

zorggebouwen met ernstige gevolgen. Uit onderzoek blijkt dat branden in gezondheidsinstellingen veel vragen van de brandweer en de bhv organisatie qua snelheid, slagkracht en veerkracht. Dit

wordt mede veroorzaakt door grootschalige rookverspreiding, waardoor de bhv niet meer veilig kan

evacueren. Hierdoor komt een groot deel van de ontruiming bij de brandweer te liggen. Deze taak, in combinatie met blussing en redding, vraag meer van de brandweer.

Binnen Twente zijn er ongeveer 450 gezondheidszorgobjecten waar verminderd zelfredzamen

verblijven. In figuur 4 is te zien dat er in de afgelopen drie jaar een bovengemiddeld aantal branden

is geweest in gebouwen met de functie gezondheidszorg. Hoewel de aantallen te laag zijn om harde conclusies uit te trekken, bevestigen ze wel de kwetsbaarheid van deze doelgroep en het verhoogde risico binnen deze gebouwcategorie. Eén van de scenario’s binnen het project ‘Actueel Risicobeeld’ betreft brand in gezondheidszorginstellingen met verminderd zelfredzamen. Binnen dit project worden deze objecten in kaart gebracht en gemonitord.

Aantal opschalingen per jaar bij brand - gezondheidszorg 16 14 12 10 8 6

Zeer groot

4

Groot

2 0

Middel Klein 2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022 2023

2024

Figuur 4 Aantal incidenten en opschalingen van brand in gezondheidszorggebouwen per jaar (Veiligheidsregio Twente). Er zijn verschillende incidenten geweest in Twente, waarbij er al een zwaarder beroep werd gedaan op de brandweer. Voorbeelden hiervan zijn de incidenten bij Krönnenzommer, Dennenbosweg, Rohaan en Almelo.

2.4 Focusthema 4: Verdichting & huisvesting Nederland staat de komende jaren voor grote uitdagingen op het gebied van de leefomgeving. Steden en randgemeenten groeien in omvang en

bevolkingsdichtheid, terwijl landelijke gebieden juist te maken hebben met

bevolkingskrimp. Tegelijkertijd is er een groot tekort aan woningen, wat leidt tot een enorme bouwopgave. Dit moet worden gecombineerd met andere

ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de energietransitie, landbouw en natuur. De druk op de

openbare ruimte neemt hierdoor de komende jaren verder toe. Naast deze ontwikkelingen zijn de dichte binnensteden een aandachtspunt. Brand in een dichtbebouwde (historische) binnenstad of kern, zoals bijvoorbeeld in Ootmarsum, blijft een risico.

23

Binnen dit thema worden risico’s verwacht op het gebied van urbanisatie, groei en krimp, functiestapeling, herbestemming en mobiliteit. In stedelijke gebieden leidt de toename van complexere woonomgevingen tot meer gezinswoningen, hoogbouw en tijdelijke bouwwerken. Ook neemt het aantal bouwwerken

en (ondergrondse) parkeervoorzieningen toe. Door ruimtetekort wordt vaker gebouwd en herbestemd nabij locaties met risicobronnen, wat leidt tot een hogere populatiedichtheid in deze gebieden.

Transitiebouw en het optoppen van bestaande gebouwen komen vaker voor als gevolg van ruimtelijke beperkingen. Herbestemming van gebouwen brengt functionele beperkingen met zich mee, waarbij aanvullende brandveiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn. Dit vraagt om aanvullende expertise om de veiligheid te kunnen beoordelen. Bovendien worden in stedelijk gebieden steeds vaker verschil-

lende gebruiksfuncties gecombineerd, wat leidt tot aanvullende risico’s zoals complexere gebouwen. De toenemende verkeersdrukte en het intensievere gebruik van het openbaar vervoer hebben invloed op het aantal verkeersongevallen in de regio. De verwachte verkeersdrukte en het voorgenomen

afwaarderen van het wegennet beïnvloeden bovendien de aanrijtijden van de brandweer. Daarnaast is er een duidelijke toename van alternatief aangedreven voertuigen op de wegen, het water en in gebouwen zoals parkeergarages. Dit zorgt voor andere incidentscenario’s en andere risico’s voor hulpverleners, betrokkenen en de omgeving.

Overkoepelend wordt verwacht dat de leefomgeving in toenemende mate in contact komt met

externe veiligheidsrisico’s. Transitiebouw vraagt om meer expertise en aandacht om brandveiligheid te kunnen borgen. Daarnaast worden veiligheidsvoorzieningen van objecten steeds vaker gedeeld,

waardoor er andere of grotere risico’s voor gebruikers ontstaan. In afbeelding 8 is een schematische weergave opgenomen van dit focusthema en de daarbij horende risico’s.

BR Risico Toename van branden in complexe woonomgevingen met rookverspreider naar vluchtwegen

Subthema Groei/krimp & urbanisatie

Focusthema Verdichting & huisvesting

Subthema Functiestapeling & herbestemming

Subthema Mobiliteit

IGBS BR Risico Objecten liggen steeds vaker binnen de aandacht gebieden voor brand, explosies en gifwolken

Overkoepelend risico De leefomgeving komt steeds vaker in contact met externe veiligheidsrisico’s

BR Risico Meer brandvermogen en bijzonder brandgedrag door gebruikbrandbare constructies bij optoppen en herbestemmen

Overkoepelend risico Transitiebouw vraagt om veel expertise en aandacht van alle partijen om brandveiligheid te kunnen borgen

Risico BR Tijdelijke bouw en herbestemming hebben vaker branduitbreiding en rookverspreiding via schachten technische ruimten en gedeelde ruimten

Overkoepelend risico Veiligheidsvoorzieningen van objecten worden gedeeld waardoor andere grotere risico’s voor gebruikers ontstaan

IGBS HV Risico Een toename van verkeersdrukte en transport geeft meer kans op verkeersongevallen IGBS HV BR Risico Toename van aanrijtijden in stedelijk gebied

WO

Afbeelding 8 Relatieschema thema verdichting & huisvesting en omvattende risico’s.

24

Risicoprofiel Brandweerzorg 2026 - 2029

Branden in complexe woonomgeving

Toename van branden in complexe woonomgevingen met rookverspreiding naar vluchtwegen Door urbanisatie wordt een toename verwacht van het aantal inwoners en woningen in stedelijke

gebieden. Dit leidt tot een groei van het aantal meergezinswoningen (woongebouwen) met gedeelde vluchtwegen. Transitiebouw, bouwen in de hoogte, ondergrondse bouw en het optoppen van

bestaande gebouwen komen vaker voor door de beperkte ruimte in stedelijke gebieden. Hierdoor

ontstaan complexe woonomgevingen waarin meerdere gebruiksfuncties binnen één gebouw worden gecombineerd, zoals parkeervoorzieningen, winkels en woningen. Door bestaande bebouwing en inrichting van straten zijn gedeelde toegangswegen en vluchtroutes niet altijd logisch ingericht.

Bij complexe woonomgevingen met een gedeelde vluchtroutes, zoals corridors en trappenhuizen, is de kans op rookverspreiding naar de vluchtweg groter. Dit bemoeilijkt voor bewoners de mogelijk-

heid om tijdig naar een veilig gebied te vluchten. Daarnaast wordt de brandweer bij deze incidenten geconfronteerd met een dilemma: moet de prioriteit liggen bij de brandbestrijding of bij het evacueren van aanwezige personen?

Een flink aantal incidenten in Twente en in de rest van Nederland onderschrijft de omvang van het probleem. Ook het onderzoek rookverspreiding in woongebouwen (Brandweeracademie, 2022)

onderbouwt deze problematiek. De toename van het aantal woongebouwen en bewoners vergroot

de kans op dit soort incidenten, met name in stedelijke gebieden zoals Almelo, Enschede en Hengelo. Wanneer er binnen dit risico sprake is van herbestemming of tijdelijke bouw, kan het risico op rookverspreiding naar de vluchtwegen toenemen (zie paragraaf Brandgedrag constructies).

Objecten in aandachtsgebieden

Objecten liggen steeds vaker binnen aandachtsgebieden voor brand, explosies en gifwolken

Aandachtsgebieden zijn zones rondom activiteiten met gevaarlijke stoffen waar mensen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval, zoals een brand, explosie of gifwolk. Dit betreft onder andere gebouwen zoals woningen, winkels of scholen. Door bevolkingsgroei en urbanisatie

nemen de tekorten in de openbare ruimte toe. Hierdoor wordt vaker dichterbij aandachtsgebieden

gebouwd. Denk aan een nieuwbouwwijk vlakbij een fabriek of een spoorweg. Een andere mogelijkheid is dat bestaande objecten, zoals een bedrijfspand of magazijn, binnen een aandachtsgebied worden omgebouwd naar bijvoorbeeld woningen. Bij een ongeval met gevaarlijke stoffen in een

aandachtsgebied kunnen levensbedreigende gevaren ontstaan voor personen in deze gebouwen, ook al is de kans daarop klein. Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie typen aandachtsge-

bieden: warmtestraling (brand), overdruk (explosies) en de concentratie van giftige stoffen in de

lucht (gifwolk). Als voorbeeld laat afbeelding 9 de aandachtsgebieden zien van Hengelo. Deze zijn weergegeven met paarse, groene, blauwe en gele arceringen.

25

Afbeelding 9 Aandachtsgebieden in Hengelo (Register Externe Veiligheid, sd). Een belangrijk doel van deze aandachtsgebieden is om gemeenten hier rekening mee te laten houden bij het maken van nieuwbouwplannen. Hiermee kunnen zij een weloverwogen beslissing nemen

over het al dan niet toestaan van (kwetsbare) functies binnen deze gebieden en over de mate van

bescherming. Als een gemeente bijvoorbeeld nieuwe woningen in een aandachtsgebied toestaat,

bepaalt de gemeente ook of aanvullende beschermende maatregelen nodig zijn. Zoals het versterken van gebouwen of het informeren van inwoners over schuilmogelijkheden.

Het is op dit moment lastig om het risico binnen aandachtsgebieden goed te duiden, omdat er geen overzicht bestaat van het aantal en het soort objecten dat zich binnen deze gebieden bevindt.

Brandgedrag constructies

Meer brandvermogen en bijzonder brandgedrag door gebruik brandbare constructie bij optoppen en herbestemmen

Om meer woningen te creëren, wordt steeds vaker gebruikgemaakt van herbestemming van bestaande gebouwen (bijvoorbeeld transformatie van kantoor naar woonfunctie) en het optoppen van bestaande bouw. Bij deze bouwvormen worden regelmatig brandbare materialen toegepast in de gebouwschil,

zoals biobased isolatiematerialen en ‘nieuwe’ bouwmethoden zoals Cross Laminated Timber (CLT). Het feit dat constructieonderdelen steeds vaker bestaan uit brandbare materialen, maakt dat zowel de

inventaris als de gebouwconstructie bijdragen aan brand. Dit leidt tot een groter brandvermogen. Daarbij

kan het materiaal in combinatie met de bouwconstructie leiden tot bijzonder brandgedrag ten opzichte

van traditionele bouwmethoden en -materialen. Een voorbeeld hiervan is de mogelijkheid van een tweede

flashover in CLT-bouwwerken. Dit fenomeen kan zich voordoen wanneer de lijmlaag tussen houtlagen loslaat en een tweede houtlaag blootgesteld wordt aan de brand. De constructie sterkte neemt daarbij af,

wat een repressief gevaar met zich meebrengt. Ook kan een dergelijke brand hogere temperaturen bereiken.

26

Risicoprofiel Brandweerzorg 2026 - 2029

De huidige brandveiligheidsvoorschriften zijn (nog) niet afgestemd op de specifieke brandrisico’s

van moderne bouwmethoden. De regelgeving is met name gebaseerd op gangbare en traditionele

bouwmethoden en daarmee nog vaak ontoereikend voor de nieuwe incidentscenario’s. De toepassing van nieuwe bouwmethoden en brandbare bouwmaterialen zorgt ervoor dat dergelijke branden in

de gebouwschil of -constructie realistische scenario’s worden voor incidentbestrijding. Deze branden kenmerken zich door onvoorspelbaar gedrag en zijn lastig te bestrijden. De nieuwe risico’s die hierdoor ontstaan vragen om nieuw handelingsperspectief.

Binnen Twente is het niet bekend waar bouwwerken met dergelijke toegepaste bouwmethoden zich bevinden.

Branduitbreiding en rookverspreiding

Tijdelijke bouw en herbestemming hebben vaker branduitbreiding en rookverspreiding via schachten, technische ruimten en gedeelde ruimten

De aanhoudende woningnood leidt tot een groeiende vraag naar slimme, vaak tijdelijke oplossingen

om woonplekken te creëren. Voorbeelden zijn gestapelde containerwoningen en de herbestemming van bestaande gebouwen. Deze woningen kunnen snel gerealiseerd worden waardoor ze aantrekkelijk zijn om te bouwen. Containerwoningen worden vaak geplaatst voor specifieke doelgroepen,

zoals alleenstaanden, studenten, asielzoekers en expats. Bouwwerken met een tijdelijke aard mogen

maximaal vijftien jaar op een bepaalde plek staan. Het bouwwerk kan na deze periode wel verplaatst worden naar een andere locatie. Wanneer het bouwwerk ongewijzigd blijft en opnieuw als tijdelijk aangemerkt wordt, mag het kwaliteitsniveau behouden worden. Als een bouwwerk langer dan

vijftien jaar blijft staan en geen tijdelijk karakter meer heeft, moet het voldoen aan de eisen die gelden voor nieuwbouw. Dit geldt ook als er wijzigingen in het bouwwerk worden aangebracht. Wanneer een bouwwerk meerdere malen is verplaatst en daarbij het oorspronkelijke kwaliteitsniveau is

behouden, kunnen de brandveiligheidsvoorschriften waaraan het moet voldoen dus verouderd zijn. Uit onderzoek blijkt dat gebouwen met tijdelijke bouw en herbestemming vaker branduitbreiding

en rookverspreiding hebben via schachten, technische/gedeelde ruimten en spouwconstructies. Dit komt doordat er vaker verbindingen zijn door middel van gedeelde schachten, bijvoorbeeld voor

leidingwerk en holle ruimten. Recente incidenten in Nederland laten zien dat branden in dit soort panden verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor zowel de bewoners als de brandweer. Het

NIPV-onderzoek ‘Brandveiligheid van verduurzaamde en snel gerealiseerde woningen’ laat zien dat

de gebouwschil en alle inpandige kanalen en schachten kunnen bijdragen aan branduitbreiding en

rookverspreiding (Kobes, Van der Graaf, Leene, & De Witte, 2024). Hierbij wordt opgemerkt dat deze vorm van branduitbreiding en rookverspreiding een veilige brandweerinzet in de weg kunnen staan.

Het is momenteel deels bekend waar bouwwerken staan die onder tijdelijke bouw en/of herbestemming vallen. Dit geldt alleen voor bouwwerken waarbij de brandweer betrokken is in de rol van

adviseur of toezichthouder richting het bevoegd gezag. Voor veel bouwwerken is dit echter onbekend.

Verkeersdrukte en transport

Een toename van verkeersdrukte en transport geeft meer kans op verkeersongevallen

De verkeersdruk op zowel provinciale, rijks- als gemeentelijke wegen neemt al jaren toe. Door de

groei van het aantal voertuigen ontstaan meer interacties tussen weggebruikers, zoals invoegen en inhalen toe. Ook zorgt de toegenomen drukte ervoor dat bestuurders dichter op elkaar rijden. Dit

resulteert in minder beschikbare ruimte en een kortere reactietijd. In file-achtige omstandigheden of

bij plotselinge vertragingen kunnen kleine fouten daardoor sneller leiden tot kettingbotsingen, vooral als bestuurders onvoldoende afstand houden. Dit heeft onder andere met de verhouding tussen de verkeersintensiteit en de capaciteit van een weg te maken.

Uit een eerdere analyse van verkeersongevallen is gebleken dat met name het weefvlak van de A35

27

en de A1 erg druk is (Brandweer Twente, 2022). Ook de op- en afritten van rijkswegen en enkele provinciale knooppunten zijn erg druk. Hier gebeuren dan ook de meeste ongevallen waar de

brandweer voor gealarmeerd wordt. Dit is echter nog niet direct terug te zien in de incidentaantallen (zie afbeelding 10 en figuur 5). Veruit de meeste incidenten hebben de meldingsclassificatie ‘ongeval

– wegvervoer – letsel’. Mogelijk wordt er vanwege de drukte beter opgelet. Een andere verklaring kan zijn dat er door de grotere verkeersdrukte (stagnatie) meer stilstaand verkeer is. Dit heeft te maken met de bovengenoemde verhouding tussen intensiteit en capaciteit van een weg. De ongelukken verplaatsen zich dan naar de randen van de files en hebben hierdoor minder impact. Hulp van de brandweer is in een dergelijke situatie vaak niet nodig.

Afbeelding 10 Geografisch overzicht (heatmap) van alle incidenten in de periode 2016-2022 waar brandweer bij is gealarmeerd. De brandweer wordt dus minder vaak gealarmeerd voor verkeersongevallen. Echter komt de

brandweer maar bij een klein deel van alle incidenten die plaatsvinden. Uit het dashboard van Platform IVZ blijkt namelijk dat de politie jaarlijks ongeveer 950 verkeersongevallen met letsel

registreert. Uit dit dashboard blijkt dat hoewel 2022 een piekjaar was en 2023 en 2024 een kleine

afname laten zien, het gemiddelde op de lange termijn gelijkwaardig blijft. Het aantal verkeersincidenten met uitsluitend materiële schade ligt gemiddeld rond de 3.000 incidenten per jaar. Ook dit beeld is stabiel (Platform IVZ, 2025).

Aantal incidenten per jaar bij ongeval - wegvervoer 250 200 150 100

Overig

Voertuig te water

50 0

Materieel 2019

2020

2021

2022

2023

2024

Letsel

Figuur 5 Aantallen incidenten ongeval – wegvervoer per jaar ingedeeld per meldingsclassificatie 3 (Veiligheidsregio Twente).

28

Risicoprofiel Brandweerzorg 2026 - 2029

Aanrijdtijden

Toename van aanrijdtijden in stedelijk gebied

Zoals eerder in dit hoofdstuk benoemd wordt het drukker op de weg en komen er meer bouwwerken bij. Dit maakt de infrastructuur complexer. Om veiligheid voor kwetsbare verkeersdeelnemers te

vergroten, wordt onderzocht of de maximale snelheid verlaagd moet worden. Het gaat hierbij om wegen zowel binnen als buiten de bebouwde kom.

Zowel de provincie als gemeenten hebben wegen geselecteerd voor dit onderzoek. Er wordt gekeken of de maximumsnelheid omlaag kan. Van 80 km/u naar 60 km/u buiten de bebouwde kom en van 50 km/u naar 30 km/u binnen de bebouwde kom. Een groot aantal van deze aangewezen wegen

zijn vitale rijroutes voor de hulpdiensten. Door de lagere maximale snelheid, doet de brandweer er langer over om ter plaatse te komen. Dit heeft effect op de opkomsttijden en daarmee ook op de

incidentontwikkeling. Hierdoor bestaat de kans dat de brandweer vaker te maken krijgt met verder

ontwikkelde incidenten. Naast de snelheid speelt ook de inrichting van de weg een belangrijke rol in de aanrijtijd.

2.5 Focusthema 5: Industrie & innovatie Nederland verandert en innoveert constant, onder andere binnen de industrie en de technologie. Deze veranderingen brengen soms veiligheidsrisico’s

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16533733/1