CConstaterende datHellendoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellendoorn 2023

Informatieronde 23 mei 2023, gemeente HellendoornBij agendapunt: Verordeningen Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellendoorn 202314.143 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Centrale Raad van Beroep hierover van 21-05-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810 en 22-05-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1401). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Vijfde lid onderdeel f Als een cliënt verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste of eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast moet de gemeente ingezetenen goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat sprake is van een verhuizing naar de voor de situatie van cliënt meest geschikte woning. Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien cliënt verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf tot het college heeft gewend om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen.

Onder deze omstandigheden is het aan de cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was. Dit volgt uit CRvB 13-04-2011, nrs. 09/3047 WMO e.a. Vijfde lid onderdeel g Er worden geen voorzieningen verstrekt die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Vijfde lid onderdeel h In artikel 2.3.5, zesde lid van de wet staat dat de gemeente een maatwerkvoorziening kan weigeren als de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz. In artikel 8.6a van de wet staat dat artikel 2.3.5, zesde lid van de wet niet geldt voor cliënten die thuis wonen en een hulpmiddel of woningaanpassingen aanvragen. In een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 16-02-2022 (ECLI:NL:RBOBR:2022:448) heeft de rechter bepaald dat artikel 8.6a Wmo 2015 niet geldt, als de cliënt in een onzelfstandige woonruimte woont waar zorg en wonen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Binnen onze gemeente bevinden zich een aantal kleinschalige woonvormen waar zorg en wonen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Gelet op de hierboven genoemde uitspraak geldt artikel 8.6a Wmo 2015 niet als de cliënt in één van deze kleinschalige woonvormen woont. Een aanvraag voor een hulpmiddel of een woningaanpassing kan op grond hiervan dan ook worden afgewezen.

Hoofdstuk 3 Procedurele bepalingen Artikel 3.1 Melding De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de hulpvraag. De melding kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch worden gedaan. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden. In het tweede lid is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de ontvangst bevestigt, al blijkt dit ook uit artikel 2.3.2, eerste lid van de wet. De bevestiging wordt schriftelijk of elektronisch aan de cliënt toegestuurd. Het derde lid bepaald dat voor de voorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang een melding gedaan moet worden bij het Cimot in Almelo. 21

Artikel 3.2 Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan Eerste en tweede lid Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2, vierde lid wat er tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt ervan uitgegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente en cliënt plaatsvindt. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek, welke factoren de basis vormen voor het onderzoek en dit gesprek en dat de omgeving van de cliënt daar zoveel mogelijk bij betrokken wordt. Ook wordt tijdens dit gesprek besproken dat de cliënt de mogelijkheid heeft om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen en wat de voorwaarden en gevolgen van die keuze zijn. Derde lid Indien uit onderzoek blijkt dat een cliënt op een maatwerkvoorziening is aangewezen, wordt aan hem een aanvraagformulier verstrekt of toegezonden. Blijkt uit het onderzoek dat er geen noodzaak is voor een maatwerkvoorziening, dan wordt in een begeleidende brief bij het ondersteuningsplan kenbaar gemaakt dat het de cliënt vrij staat om los van de uitkomst van het onderzoek een aanvraag in te dienen. Vierde en vijfde lid Om het onderzoek goed uit te voeren, heeft het college de nodige deskundigheid in huis. Soms kan het echter nodig zijn om een extern advies op te vragen.

Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft regels over (externe) advisering. In artikel 3.3 is concreet aangegeven dat het mogelijk is om extern advies in te winnen als dit nodig is voor het onderzoek. Afhankelijk van de situatie en welke deskundigheid vereist is, beslist het college welke adviesinstantie eventueel ingeschakeld wordt. Met het oog op het correct en weloverwogen vaststellen van de benodigde voorziening(en) is het ook mogelijk om een aanbieder te consulteren. Hier is dan sprake van ‘consultatie’, in plaats van (medische) advisering. Artikel 3.3 Advies bij het onderzoek Eerste lid Dit lid bepaalt dat het college bevoegd is degene, door of namens wie een melding is gedaan of door of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens relevante huisgenoten op te roepen om in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door één of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit noodzakelijk moet zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening. Tweede lid Afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft in een aantal artikelen algemene bepalingen over (externe) advisering.

Artikel 3:5, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In de wet is echter niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter vaak nodig zijn. Het college dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is, omdat dit er meerderen kunnen zijn of kunnen wisselen. Artikel 3.4 Aanvraag Dit artikel geeft uitwerking aan de in artikel 2.1.3, eerste en tweede lid, onder a van de wet neergelegde verplichting waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening in ieder geval

22

bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In artikel 2.3.5, eerste lid van de wet is duidelijk gemaakt dat de aanvraag ziet op een maatwerkvoorziening. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een cliënt bij de gemeente Hellendoorn worden ingediend. Andere oplossingen die tot tevredenheid kunnen bijdragen aan zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie kunnen zonder aanvraag en dus zonder beschikking worden ingezet. Artikel 3.5 Besluit en termijn Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Een maatwerkvoorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek dat na de melding heeft plaatsgevonden, de door de cliënt ingediende aanvraag en de van toepassing zijnde criteria voor de maatwerkvoorziening. De twee weken termijn volgt uit het bepaalde in artikel 2.3.5, tweede lid van de wet. Artikel 3.6 Inhoud beschikking De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert.

In dit artikel staat wat in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen.

Hoofdstuk 4 Persoonsgebonden budget Artikel 4.1 Voorwaarden pgb Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan, is het college hier zelfs toe verplicht. Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een pgb voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst, moet hij op grond van deze verordening een zorg- en budgetplan opstellen. In het tweede lid van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken volgen rechtstreeks uit de wet. In artikel 2.3.6 van de wet worden namelijk een aantal criteria genoemd om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het zorg- en budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Artikel 4.2 Onderscheid professionele en niet-professionele ondersteuning Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en nietprofessionele ondersteuning. Voor professionele ondersteuning geldt een hoger pgb-tarief. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep.

De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige hulpverlener (ZZP’er). Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener uit het sociaal netwerk van de cliënt komt. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociaal netwerk is altijd sprake van niet-professionele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria genoemd in het tweede lid. De achtergrond daarvan is dat ook bijvoorbeeld familieleden of vrienden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Niet-professionele hulp is alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk van de cliënt of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen.

23

Artikel 4.3 Voorwaarden pgb-beheerder In dit artikel worden de voorwaarden beschreven waaronder een pgb-beheerder kan worden aangesteld. Niet alle cliënten zijn in staat om zelf het pgb te beheren. Een pgb-beheerder kan dan uitkomst bieden. Aan een pgb-beheerder worden echter wel eisen gesteld om te voorkomen dat de cliënt de dupe wordt van verkeerd handelen van zijn of haar pgb-beheerder. Artikel 4.4 Hoogte pgb In de verordening moet in ieder geval worden bepaald hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn (artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel b van de wet). In de Memorie van toelichting is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39). Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Eerste lid In dit lid is het tarief vastgelegd voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening, rolstoelvoorziening, vervoersvoorziening in de vorm van een vervoersmiddel en andere hulpmiddelen.

Het gaat dan om bijvoorbeeld een scootmobiel of woningaanpassing. Het maximale tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven. Als de cliënt aangeeft dat de voorziening voor een lager tarief ingekocht kan worden, mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Als de gemeente voor de betreffende maatwerkvoorziening geen overeenkomst heeft met een leverancier, wordt de hoogte van het pgb op offertebasis bepaald. Tweede lid Het pgb voor vervoer wordt afgeleid van de natura-voorziening die hiervoor beschikbaar is, namelijk het collectief vervoer. Derde lid Zie hiervoor (de toelichting bij) artikel 4.2. Vierde lid In dit lid is het tarief vastgelegd voor professionele ondersteuning in de vorm van een dienst, die dus voldoet aan alle kwaliteitseisen uit de wet en deze verordening. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven, tenzij uit het zorg- en budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Vijfde lid onderdeel a Bij het inzetten van een pgb voor niet-professionele hulp, kan er sprake zijn van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Voor beide type overeenkomsten geldt sinds 1 januari 2018 de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Op grond van de Wml hebben alle werknemers vanaf 21 jaar recht op het wettelijk minimumloon.

Dit is het loon dat een werknemer minimaal moet ontvangen als hij werkt. Voor jongere werknemers geldt het minimumjeugdloon. In deze bepaling is dan ook geregeld dat het informeel pgb-tarief wordt vastgesteld op het wettelijk minimumloon voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. De cliënt kan daarmee altijd aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij nietprofessionele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, achten we een tarief op basis van het wettelijk minimumloon ook passend.

24

Vijfde lid onderdeel b De minister van VWS is van mening dat zorg en ondersteuning die vanuit sociale en morele overwegingen wordt verricht en vanuit een maatwerkvoorziening betaald wordt via een pgb, niet aangemerkt zou moeten worden als een arbeidsrelatie waarop de Wml van toepassing is. Met de ministeriële regeling voor hulp uit het sociaal netwerk bestaat per 1 mei 2019 de mogelijkheid om de verstrekking van vergoedingen voor niet-professionele hulp uit een pgb, zo te regelen dat er niet ongewenst een arbeidsrelatie ontstaat. Op basis van deze regeling kunnen budgethouders aan hun niet-professionele hulpverlener, vanuit het pgb een tegemoetkoming of vergoeding voor gemaakte kosten geven. Deze tegemoetkoming/onkostenvergoeding valt niet onder de werking van de Wml of overige wetten van het arbeidsrecht. De budgethouder moet een verklaring indienen bij de SVB om de tegemoetkoming uit te laten betalen aan zijn hulpverlener. Een budgethouder mag voor dezelfde hulpverlener niet zowel een verklaring als een overeenkomst bij de SVB indienen. De budgethouder moet dus de keuze maken tussen het verstrekken van een tegemoetkoming/onkostenvergoeding aan zijn niet-professionele hulpverlener, of het sluiten van een overeenkomst met zijn hulpverlener waarop de Wml van toepassing is.

Artikel 4.5 Besteding pgb In deze bepaling is een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb bevat om die reden ook geen vrij besteedbaar deel.

Hoofdstuk 5 Waardering mantelzorgers en financiële tegemoetkoming Artikel 5.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers In deze bepaling staat wat de jaarlijkse waardering is die de gemeente geeft aan mantelzorgers. Het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente (zie artikel 2.1.6 van de wet). Die mantelzorgers hoeven zelf dus niet in de gemeente te wonen. Verder is het begrip ‘cliënten’ breder dan alleen personen die gebruik maken van Wmo-ondersteuning. Het kan ook gaan om personen die zich ooit gemeld hebben, maar waar geen Wmo-voorziening is uitgekomen. Wellicht mede dankzij de inzet van de mantelzorger. Ook die mantelzorgers kunnen in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering. Artikel 5.2 Financiële tegemoetkoming De financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat een cliënt krijgt als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om de in dit artikel genoemde voorzieningen te bekostigen. De cliënt is vrij om zelf een aanbieder of leverancier te kiezen en afspraken te maken over de invulling van de te leveren zorg dan wel voorziening. In een tweetal uitspraken heeft de Centrale Raad van Beroep aangegeven dat de definitie van maatwerkvoorziening in artikel 1.1.1 van de wet ruim genoeg is om ook een financiële tegemoetkoming te kunnen omvatten (CRVB 12-02-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:395 en CRVB 12-022018, ECLI:NL:CRVB2018:396).

Denk hierbij aan verhuiskosten, een vergoeding voor gebruik van eigen auto of een sportrolstoel. Ook stelt de Centrale Raad van Beroep dat de financiële tegemoetkoming een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager. Een financiële tegemoetkoming hoeft niet kostendekkend te zijn, maar moet wel in de buurt komen van de daadwerkelijke kosten.

Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten Artikel 6.1 Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen Eerste lid De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor een maatwerkvoorziening in natura en in de vorm van een pgb. 25

Tweede lid De bijdrage mag de kostprijs van de voorziening niet overstijgen. Oftewel: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen. Derde lid De bijdrage die gevraagd wordt voor een maatwerkvoorziening bedraagt maximaal het bedrag zoals bepaald in artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet. Ook wel het abonnementstarief genoemd. Vierde lid Het vervoer kan op grond van het Uitvoeringsbesluit worden uitgezonderd van het abonnementstarief. Het gaat hierbij in de meeste gevallen om collectief vervoer en in enkele gevallen individueel vervoer. Het gaat niet om (mobiliteits)hulpmiddelen zoals een aangepaste fiets of een scootmobiel. Reden voor deze uitzondering is dat er bij deze vormen van vervoer per rit lage prijzen worden gevraagd en het gebruik in veel gevallen incidenteel is. In het vierde lid is daarom een afzonderlijke bepaling opgenomen over de hoogte van de bijdrage in de kosten voor het vervoer. Vijfde lid Dit betreft de invulling van de bevoegdheid gegeven in artikel 2.1.5 van de wet. Artikel 6.2 Kostprijs Vanaf het jaar 2020 hoeft er niet meer voor alle voorzieningen gecontroleerd te worden of de bijdrage de kostprijs te boven gaat. Dit vanwege de invoering van het abonnementstarief. Dit artikel geeft aan voor welke voorzieningen deze controle nog wel geldt en hoe de kostprijs tot stand komt.

Onder kostprijs wordt overeenkomstig het taalgebruik de prijs verstaan waarvoor de gemeente de voorziening heeft ingekocht bij de aanbieder of leverancier en de daarin begrepen onderhoudskosten. Voor een voorziening die het college huurt van een leverancier geldt de huurprijs als kostprijs. In het geval van een pgb kan geen onduidelijkheid bestaan over de kostprijs. Deze is per definitie gelijk aan het bedrag van het pgb.

Hoofdstuk 7 Bestrijding misbruik Artikel 2.1.3 van de wet verplicht de gemeente om bij verordening regels vast te stellen in verband met de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In dit hoofdstuk wordt hier uitvoering aan gegeven. Artikel 7.1 Nieuwe feiten en omstandigheden Deze bepaling berust mede op artikel 2.3.8 van de wet, waarin is vastgelegd dat de cliënt op verzoek op onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling doet van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. Artikel 7.2 Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening Het is van belang dat cliënten zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden (informatieplicht, zie artikel 7.1). Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de cliënt hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen. Artikel 7.3 Verrekening Dit artikel behoeft geen toelichting. 26

Artikel 7.4 Controle Op grond van artikel 2.1.3, vierde lid van de wet dienen in de verordening regels te worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van deze wet.

Hoofdstuk 8 Kwaliteit en veiligheid De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen ligt bij de gemeente en de aanbieders. De gemeente moet in de verordening regelen welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten (artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel c van de wet). Ook is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen die een goede verhouding waarborgen tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening (artikel 2.6.6 van de wet). In dit hoofdstuk wordt hier invulling aan gegeven. Artikel 8.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Eerste en tweede lid De gemeente moet in de verordening bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan de aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel (artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel c van de wet). De regering heeft benadrukt dat de kwaliteitseisen die de wet zelf stelt aan aanbieders (in de artikelen 3.1 e.v. van de wet) daarbij uitgangspunt zijn (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 135).

De eis dat een voorziening van goede kwaliteit moet zijn, biedt veel ruimte voor gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Derde lid Het hierin genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid van de wet. Artikel 8.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden.

Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van een reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

27

Artikel 8.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudende ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. Onder “calamiteit" als genoemd in dit artikel wordt verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid. Onder “geweld bij de verstrekking van een voorziening” wordt verstaan seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een cliënt en lichamelijk en geestelijk geweld jegens een cliënt, door een beroepskracht dan wel door een andere cliënt met wie de cliënt gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van een aanbieder verblijft. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen.

De toezichthoudende ambtenaar onderzoekt deze meldingen en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Hoofdstuk 9 Klachten en medezeggenschap Dit hoofdstuk bevat een verplichting voor de aanbieders om te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten en voor de medezeggenschap van cliënten. Ook wordt er invulling gegeven aan de manier waarop ingezetenen, waaronder cliënten en hun vertegenwoordigers, inspraak hebben in de uitvoering van de wet door de gemeente. Artikel 9.1 Klachtregeling Eerste lid Hierin is het gemeentelijk klachtrecht geregeld. De gemeente is op grond van de Algemene wet bestuursrecht in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten van burgers over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In dit lid is een verwijzing opgenomen naar deze gemeentelijke klachtenregeling. Tweede lid Hierin is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Op grond van de wet (artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel d) is het verplicht in de verordening te bepalen voor welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen.

De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of een gebrek aan deskundigheid. Daarvoor staat de klachtenprocedure van de gemeente open. Is de cliënt echter niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan moet hij zich in beginsel tot die aanbieder wenden. Derde lid Hierin is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting inzake klachten door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

28

Artikel 9.2 Medezeggenschap In de verordening moet staan voor welke voorzieningen een regeling vereist is voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn (zie artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel e van de wet). In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Eerste lid Hierin is bovengenoemde uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. Tweede lid Hierin is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting inzake medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Artikel 9.3 Betrekken van ingezetenen bij het beleid Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting in artikel 2.1.3, derde lid van de wet om in de verordening te bepalen op welke manier ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de wet. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Inbreng van cliënten en hun vertegenwoordigers wordt echter extra aangestipt. Zij weten door hun ervaring immers als geen ander welke drempels er zijn en hoe deze weggenomen kunnen worden. Daarom is het van belang dat zij al vanaf het begin van de beleidsontwikkeling volledig worden betrokken.

Daarbij moet onder andere gelet worden op de diversiteit van de doelgroep.

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen Artikel 10.1 Onvoorziene gevallen en hardheidsclausule Eerste lid Dit lid biedt het college de mogelijkheid in alle niet voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken. Tweede lid Dit lid bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt kan afwijken van de bepalingen van deze verordening (en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Ook wel het toepassen van de hardheidsclausule genoemd. Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken cliënt. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Bij toepassing van de hardheidsclausule moet het college uitgebreid motiveren waarom in de desbetreffende situatie van de verordening wordt afgeweken. Artikel 10.2 Overgangsrecht Dit artikel bevat overgangsrecht en regelt welke verordening in een aantal situaties van toepassing is op het moment dat de nieuw verordening in werking treedt. Eerste lid Hierin is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. Tweede lid

29

Hierin is vastgelegd dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn op het moment dat de nieuwe verordening in werking treedt, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. Derde en vierde lid Hierin is vastgelegd dat bezwaarschriften waarop nog niet is beslist door het college op het moment dat deze nieuwe verordening in werking treedt, zullen worden beoordeeld aan de hand van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Hellendoorn 2019. Als deze nieuwe verordening voor een bezwaarde gunstiger is, kan van het voorgaande worden afgeweken en getoetst worden aan deze nieuwe verordening. Artikel 10.3 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening dient te worden aangehaald.

30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14994594/1