CConstaterende datHellendoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit Verordening jeugdhulp gemeente Hellendoorn 2023

Gemeenteraad 20 juni 2023, gemeente HellendoornBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordeningen Jeugdhulp en Wmo gemeente Hellendoorn 202314.346 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voor zover gebruikelijke hulp mag worden verwacht, hoeft geen jeugdhulpvoorziening te worden ingezet. Een aanvullende verzekering wordt ook als onderdeel van het eigen probleemoplossend vermogen gezien (eigen kracht). Wanneer uit het onderzoek blijkt dat jeugdhulp nodig is waarvoor de jeugdige en/of ouder(s) aanvullend verzekerd is/zijn, mag van hen verwacht worden dat ze die verzekering aanspreken. Voor zover de aanvullende verzekering onvoldoende vergoeding biedt, moet het college op grond van de jeugdhulpplicht aanvullen. Een algemene (vrij toegankelijke) voorziening heeft voorrang boven een individuele voorziening (onderdeel c). Met andere woorden: is er een algemene voorziening beschikbaar die volledig tegemoet komt aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouder(s), dan hoeft het college geen individuele voorziening meer te treffen. Het college hoeft evenmin een voorziening te verstrekken als de jeugdige en/of zijn ouder(s) gebruik kunnen maken van een andere (voorliggende) voorziening (onderdeel d). Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de wet (bijvoorbeeld Wmo 2015 of Wlz). Dit vloeit overigens reeds voort uit artikel 1.2 van de wet, maar is voor de volledigheid ook hier opgenomen.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat wanneer slechts een gedeelte van de ondersteuningsbehoefte opgelost kan worden door bijvoorbeeld het eigen netwerk of een voorliggende voorziening, het college een voorziening zal treffen voor de resterende ondersteuningsbehoefte. Dat volgt uit het gebruik van de zinsnede "voor zover" in de aanhef van deze bepaling. Artikel 5.6 Inhoud en geldigheidsduur beschikking Bij het al dan niet toekennen van jeugdhulp, of het tussentijds wijzigen van de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening, zal het college een schriftelijke beschikking afgeven. Hiertegen kan de jeugdige en/of ouder(s) bezwaar en beroep indienen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daaropvolgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Uitzonderingen zijn onder meer beschikkingen die inhouden dat gesloten jeugdhulp nodig is of een door de gecertificeerde instelling genomen besluit tot verlening van jeugdhulp op grond van artikel 3.5, eerste lid van de wet (zie artikel 1 van bijlage 2 bij de Awb). De jeugdige en/of zijn ouder(s) moeten met de beschikking de informatie krijgen die nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de jeugdige en/of ouder(s) goed en volledig informeert.

In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen. Hoofdstuk 6 Pgb Artikel 6.1 Voorwaarden pgb Lid 1 en 2

18

Als een jeugdige en/of ouder(s) in aanmerking komt voor een individuele voorziening, maar de ondersteuning en/of hulp zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, moet ten eerste een pgbbeheerder aangesteld worden. Dit is een onafhankelijke derde die de taken rondom pgb op verantwoorde wijze uitvoert. Er kan maximaal drie keer een mogelijke pgb-beheerder aangedragen worden. De voorwaarden voor de pgb-beheerder zijn opgenomen in artikel 6.4 van deze verordening. Lid 3 tot en met 6 Bij de aanvraag voor een pgb moet een zorg- en budgetplan worden ingevuld en ingeleverd die voldoet aan de eisen zoals gesteld in het derde lid. Mede aan de hand van dit plan bespreekt het college in ieder geval de punten die in dit artikel zijn benoemd met de jeugdige en/of ouder(s). Eerst zal onderzocht worden of zorg in natura passend is. Als dat niet het geval is, dan wordt er nader onderzoek gedaan of er wordt voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb, zoals verwoord in artikel 8.1.1, tweede lid van de wet en in dit artikel nader is uitgewerkt. Lid 7, 8 en 9 Ook wordt beoordeelt of de kwaliteit van de voorziening van de pgb-aanbieder gewaarborgd is. Om de kwaliteit te waarborgen zal de pgb-aanbieder in ieder geval moeten voldoen aan de eisen zoals verwoord in het zevende lid.

Dit betekent dat bijvoorbeeld een zorgaanbieder die is uitgesloten tijdens de aanbesteding voor zorg in natura op gronden die direct zien op de kwaliteit, doeltreffendheid en clientgerichtheid van de zorg, in principe geen zorg mag verlenen op grond van een pgb. Ditzelfde geldt voor een pgb-aanbieder die vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag fraude heeft gepleegd of er twijfels zijn over de integriteit van de pgb-aanbieder. De norm van de verantwoorde werktoedeling, zoals ook genoemd in het zevende lid, is verder uitgewerkt in het ‘Kwaliteitskader Jeugd, Toepassen van de norm van de verantwoorde werktoedeling in de praktijk’. Dit kwaliteitskader is te vinden op de website van Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Lid 11 Onder b van dit lid is aangegeven dat geen persoon uit het sociaal netwerk betrokken kan worden als er sprake is van overbelasting bij die persoon. Het college is op grond van gerechtelijke uitspraak (Rechtbank Overijssel 24-10-2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:4171) gehouden om aannemelijk te maken dat de persoon uit het sociaal netwerk daadwerkelijk overbelast zal worden als hij de hulp aan de jeugdige en/of ouder(s) gaat verlenen. Er moet dus sprake zijn van een causaal verband. Artikel 6.2 Weigeringsgronden pgb Ook kan het college een verzoek om een pgb weigeren.

Dit kan als een eerdere beslissing is herzien of ingetrokken, maar ook als er sprake is van een spoedeisende situatie, ambtshalve verlening, als de pgb-aanbieder fraude heeft gepleegd of als er twijfels zijn over de integriteit van de pgb-aanbieder. De aard van spoedeisende gevallen en ambtshalve verleningen maakt dat deze niet in aanmerking komen voor een pgb. Bij spoedeisende gevallen moet snel gehandeld en besloten worden, dat is niet haalbaar en wenselijk in de vorm van een pgb. Ditzelfde geldt bij het ambtshalve verlenen, waarbij het college zelfstandig een besluit neemt zonder onderliggende aanvraag. Artikel 6.3 Onderscheid professionele en niet-professionele hulp Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en nietprofessionele hulp. Van professionele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener, die onder toezicht staan van de in de wet aangewezen inspecties. Van professionele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener uit het sociaal netwerk van de budgethouder komt.

Bij hulpverlening door een persoon uit het sociaal netwerk, is altijd sprake van niet-professionele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in het eerste lid van deze bepaling. Dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als niet-professionele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook personen uit het sociaal netwerk met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende tarief.

19

Niet-professionele hulp is dan alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. Artikel 6.4 Voorwaarden pgb-beheerder In artikel 6.1, eerste lid, van deze verordening is het aanstellen van een pgb-beheerder opgenomen. In dit artikel wordt aangegeven wanneer iemand geen pgb-beheerder kan zijn (lid 1), wie wel als pgbbeheerder aangesteld kan worden (lid 2) en aan welke voorwaarden de pgb-beheerder moet voldoen (lid 3). Artikel 6.5 Hoogte pgb In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c van de wet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde ondersteuning en/of hulp in te kunnen kopen. Ook als de ondersteuning en/of hulp wordt betrokken van het sociaal netwerk. In deze verordening wordt het tarief voor niet-professionele hulp daarom vastgesteld op het wettelijk minimumloon (zie de toelichting op het vierde lid). Lid 1 In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor professionele jeugdhulp, die dus voldoet aan alle kwaliteitseisen uit de wet. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven, tenzij uit het zorg- en budgetplan blijkt dat de ondersteuning en/of hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief.

Uit de wet volgt dat de hoogte van een pgb zodanig moet zijn, dat hiermee passende ondersteuning en/of hulp kan worden ingekocht. Met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in het eerste lid, zal nagenoeg altijd aan deze voorwaarde zijn voldaan. Toch moet het college in ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde ondersteuning en/of hulp kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de aangewezen jeugdhulp bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Daarmee wordt aangesloten bij Wmo-jurisprudentie, die naar alle waarschijnlijkheid ook voor de wet zal gelden (zie CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO). Lid 4, onderdeel a Bij het inzetten van een pgb binnen het sociaal netwerk, kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Voor beide type overeenkomsten geldt sinds 1 januari 2018 de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). In deze bepaling is dan ook geregeld dat het informeel tarief wordt vastgesteld op het wettelijk minimumloon voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. De jeugdige en/of ouder(s) kunnen daarmee altijd aan hun arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen.

Omdat het bij niet-professionele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociaal netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, achten we een tarief op basis van het wettelijk minimumloon ook passend. Lid 4, onderdeel b en c De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is van mening dat zorg, ondersteuning en/of hulp die vanuit sociale en morele overwegingen wordt verricht en vanuit een maatwerkvoorziening betaald wordt via een pgb, niet aangemerkt zou moeten worden als een arbeidsrelatie waarop de Wml van toepassing is. Met de ministeriële regeling voor hulp uit het sociaal netwerk bestaat per 1 mei 2019 de mogelijkheid om de verstrekking van vergoedingen voor niet-professionele hulp uit een pgb, zo te regelen dat er niet ongewenst een arbeidsrelatie ontstaat. Op basis van deze regeling kunnen budgethouders aan hun niet-professionele hulpverlener, vanuit het pgb een tegemoetkoming of vergoeding voor gemaakte kosten geven. Deze tegemoetkoming/onkostenvergoeding valt niet onder de werking van de Wml of overige wetten van het arbeidsrecht. De budgethouder moet een verklaring indienen bij de SVB om de tegemoetkoming uit te laten betalen aan zijn hulpverlener. Een budgethouder mag voor dezelfde hulpverlener niet zowel een verklaring als een overeenkomst bij de SVB indienen.

De budgethouder moet dus de keuze maken tussen het verstrekken van een tegemoetkoming/onkostenvergoeding aan zijn niet-professionele hulpverlener, of het sluiten van een overeenkomst met zijn hulpverlener waarop de Wml van toepassing is. Artikel 6.5 Uitbetaling van het pgb

20

Als is vastgesteld dat de individuele ondersteuning en/of hulp in de vorm van een pgb wordt ingezet, betaalt de SVB de zorgverlener(s) uit. Het geld komt dan niet op eigen bankrekening te staan, maar op een rekening bij de SVB. Dit wordt trekkingsrecht genoemd. In dit artikel is verder aangegeven wat nodig is voor een juiste uitbetaling en besteding van het pgb. Hoofdstuk 7 Evaluatie en controle Artikel 7.1 Controle Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de wet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht. Essentieel is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van deze wet. Artikel 7.2 Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik Lid 1 Het is van belang dat de jeugdige en/of ouder(s) zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden (informatieplicht, zie artikel 8.1 van deze verordening) of de regels rondom verantwoording van een pgb.

Het college moet de jeugdige en/of ouder(s) hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen. Lid 2 In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezighoudt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de wet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de wet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Toch kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11). Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Dat toezicht is namelijk belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie (zie Hoofdstuk 9 van de wet). Zij voeren het kwaliteitstoezicht uit binnen het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein (TSD). Voor zover de gemeente signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde zorg, stuurt de gemeente deze door naar het TSD. Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder jeugd ziet onder andere op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders.

De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels, zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 t/m 5:20 van de Awb. Lid 3 In deze bepaling is vastgelegd dat het college nadere regels kan vaststellen over de (reikwijdte van) taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder Jeugd (zie bijvoorbeeld artikel 5:14 Awb). Hoofdstuk 8 Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik Artikel 8.1 Nieuwe feiten en omstandigheden In artikel 8.1.2, eerste lid van de wet is vastgelegd dat de jeugdige en/of ouder(s) het college alle informatie verstreken die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In dit artikel wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar ook de voorzieningen in natura. Immers, ook van de jeugdige en/of ouder(s) met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan. Artikel 8.2 Herziening, intrekking en terugvordering Lid 1 In artikel 8.1.4, eerste lid van de wet is geregeld dat het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening in de vorm van een pgb kan herzien of intrekken. Hoewel de wet alleen spreekt

21

van herzien of intrekken is uit de toelichting af te leiden dat hiermee ook beëindigen of wijzigen wordt bedoeld. Bij wijzigen en beëindigen gaat het om het aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe. De tegenhanger is herzien, wat een wijziging van de aanspraak over het verleden betreft. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum. Zo kan een beslissing tot verlening van een pgb worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning het pgb niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Verder breidt dit lid de bevoegdheid tot wijziging en/of beëindiging uit tot de individuele voorziening die in natura is verstrekt. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Lid 2 In de wet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige en/of ouder(s) (zie artikel 8.1.4, derde lid van de wet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de wet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening.

Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. Lid 3 en 4 Indien het college overgaat tot terugvordering, ontvangt de pgb-aanbieder hierover een factuur. Deze factuur moet binnen vier weken na verzenddatum worden voldaan. Betaald de pgb-aanbieder deze factuur niet tijdig, dan kan het college overgaan tot een invorderen via een dwangbevel. Artikel 8.3 Opschorting betaling uit het pgb In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB gemotiveerd te verzoeken over te gaan tot opschorting, toegevoegd aan deze verordening. Het college kan een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat: a. de jeugdige en/of ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige en/of ouder(s) niet voldoen aan de aan het pgb verbonden voorwaarden; of c. de jeugdige en/of ouder(s) het pgb niet of voor een ander doel gebruiken.

Van de onder b genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige en/of ouder(s) niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met ondersteuning en/of hulp uit hun sociale netwerk of van hun vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en, met inachtneming van de daarvoor geldende regels, de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Er kan voor maximaal dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en de Wlz. Hoofdstuk 9 Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit Artikel 9.1 Kwaliteitseisen jeugdhulp De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is op grond van artikel 2.11 van de wet aan de gemeente om in de verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan.

Daarbij wordt rekening gehouden met de deskundigheid van de

22

beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Voor dit artikel in de verordening is aansluiting gezocht bij de corresponderende bepaling hierover in de verordening maatschappelijke ondersteuning. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van de jeugdige en/of ouder(s) en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het eerste lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. De professionele standaard en deskundigheid van beroepskrachten houdt in ieder geval in dat het opleidingsniveau en de werkervaring van het in te zetten personeel passen bij de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouder(s). De Norm van de verantwoorde werktoedeling is verder uitgewerkt in het ‘Kwaliteitskader Jeugd, Toepassen van de norm van de verantwoorde werktoedeling in de praktijk’. Dit kwaliteitskader is te vinden op de website van SKJ. In lid 1, onder e, wordt gesproken over erkende keurmerken. Hieronder verstaan wij: • ISO-9001 versie 2015; • EN 15224; • HKZ; • PREZO; • Kwaliteitskader Gehandicaptenzorg 2017-2022; • Lidmaatschap LVVP; • Register Vaktherapeuten; • Keurmerk Federatie Landbouw en Zorg.

In het tweede lid wordt bepaald dat met een pgb ingekochte ondersteuning en/of hulp aan dezelfde kwaliteitseisen moet voldoen als jeugdhulp die door de gemeente zelf wordt ingekocht. Deze gelijkschakeling geldt niet voor jeugdhulp die wordt verleend door een persoon uit het sociaal netwerk, maar geldt slechts ten aanzien van bedrijfsmatig verleende jeugdhulp. Aangezien voor deze categorie ook een hoger tarief geldt dan voor jeugdhulp uit het sociaal netwerk, is het stellen van deze eisen gerechtvaardigd. Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond artikel 2.10 van de wet. Artikel 9.2 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de wet).

Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.11, tweede lid van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van de reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is tenminste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. De gemeente Hellendoorn is van mening dat zorggeld bedoeld is voor de zorg.

Indien zorgverleners op een onverantwoorde wijze geld onttrekken aan de organisatie gaat dat ten kosten van de continuïteit en kwaliteit van de zorg. In de berekening van de tarieven is rekening gehouden met de overhead die in iedere organisatie voorkomt en met de marge (bij non profit instellingen), dan wel winst (bij bedrijven) die gemaakt kan worden. In de berekeningen is deze, na consultatie met zorgaanbieders in een aantal bijeenkomsten, gesteld op gemiddeld 3%. In principe is iedere zorgverlener zelf verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering. De gemeente mengt zich niet in deze ondernemingsvrijheid, tenzij de bedrijfsvoering en/of de financiële situatie van de organisatie de continuïteit en de kwaliteit van de zorg in gevaar brengt. Van een gevaar voor de continuïteit is sprake

23

indien in eenzelfde boekjaar sprake is van een negatief eigen vermogen én een negatief financieel resultaat. Van een gevaar voor de kwaliteit van de zorg is onder andere sprake indien: • de zorgverlener werkt met personeel dat niet of onvoldoende is opgeleid voor het te verzorgen product; • personeel niet wordt uitbetaald volgens de van toepassing zijnde cao; • aan bestuurders of andere personeelsleden betalingen worden verricht die hoger zijn dan wat de Wet normering topinkomens toestaat; • aan bestuurders, toezichthouders, aandeelhouders, personeelsleden of derden leningen worden verstrekt die geen verband houden met de te leveren zorg en/of niet verstrekt zijn met zekerheidsstelling en tegen marktconforme rente en voorwaarden; • de zorgverlener vastgoed huurt van bestuurders, toezichthouders, aandeelhouders, personeelsleden of derden tegen voor de regio en de branche niet marktconforme voorwaarden; • de zorgverlener diensten of leveringen afneemt van bestuurders, toezichthouders, aandeelhouders, personeelsleden of derden tegen voor de branche niet marktconforme voorwaarden; • de zorgverlener management-, consultatie- of franchisevergoedingen afdraagt aan bestuurders, toezichthouders, aandeelhouders, personeelsleden of derden tegen voor de branche niet marktconforme voorwaarden; • de zorgverlener op enige andere wijze bedragen onttrekt aan de bedrijfsvoering op een voor de

branche niet gebruikelijke, niet integere, dan wel niet marktconforme wijze. Hoofdstuk 10 Vertrouwenspersoon, klachten en medezeggenschap Artikel 10.1 Vertrouwenspersoon In artikel 2.5 van de wet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouder(s) of pleegouder(s) een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. In het landelijke Uitvoeringsbesluit Jeugdwet (AMvB) wordt een nadere uitwerking gegeven van de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon. Artikel 10.2 Klachtenregeling De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In hoofdstuk 9 van de Awb is de klachtbehandeling geregeld.

Dit artikel is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van de jeugdige en/of ouder(s) te geven. Voor de melding van klachten over de feitelijke hulpverlening moeten de jeugdige en/of ouder(s) zich richten tot de aanbieder/instelling die de hulpverlening biedt. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de wet. Artikel 10.3 Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid van de Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval de jeugdige en/of ouder(s), worden betrokken bij de vormgeving van het jeugdbeleid. Lid 1 Deze bepaling verwijst naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor zowel het jeugdbeleid als op andere terreinen. Lid 4

24

Deze bepaling laat het aan het college over om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Hoofdstuk 11 Slotbepalingen Artikel 11.1 Onvoorziene gevallen en hardheidsclausule Lid 1 Dit lid biedt het college de mogelijkheid in alle niet voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken. Lid 2 Dit lid bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of ouder(s) kan afwijken van de bepalingen van deze verordening (en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige en/of ouder(s). Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Gaat het om het verlenen van individuele jeugdhulpvoorzieningen, dan verplicht artikel 2.3 van de wet het college reeds maatwerk te verrichten. Gebruik van de hardheidsclausule zal daarom in dat opzicht niet snel aan de orde komen. In uitzonderingsgevallen zou het bijvoorbeeld kunnen spelen bij de regels rondom het verstrekken van een pgb. Bij toepassing van de hardheidsclausule moet het college uitgebreid motiveren waarom in de desbetreffende situatie van de verordening wordt afgeweken.

Artikel 11.2 Intrekking oude verordening en overgangsrecht Dit artikel bevat overgangsrecht en regelt welke verordening in een aantal situaties van toepassing is op het moment dat deze verodening in werking treedt. Lid 2 Hierin is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. Hierbij hanteren wij een minimale overgangstermijn van zes maanden na inwerkingtreding van deze verordening. Lid 4 Hierin is vastgelegd dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. Artikel 11.3 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening aangehaald dient te worden.

25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14992936/1