CConstaterende datHellendoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Gladheidsbestrijdingsplan 2024 - 2034 gemeente Hellendoorn def

Gemeenteraad 28 januari 2025, gemeente HellendoornBij agendapunt: Gladheidbestrijdingsplan gemeente Hellendoorn 2025-20355.203 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gladheidbestrijdingsplan Gemeente Hellendoorn 2025 – 2035

Gemeenteraad d.d. 17 december 2024 2024-006084

Inhoudsopgave

Inleiding .................................................................................................................................................. 3 1

Bestaande situatie .......................................................................................................................... 4

2

Relevante aspecten en bepalingen ............................................................................................... 5 2.1

Algemeen ............................................................................................................................... 5

2.2

Juridische aspecten ............................................................................................................... 6

2.2.1

Verantwoordelijkheid van de wegbeheerder .................................................................. 6

2.2.2

Verantwoordelijkheid van de weggebruiker ................................................................... 7

2.2.3

Conclusie ............................................................................................................................ 7

2.3

Arbo-aspecten ........................................................................................................................ 7

2.4

Milieuaspecten ....................................................................................................................... 8

2.5

Risico-inventarisatie en evaluatie ......................................................................................... 8

2.6

Integrale visie ......................................................................................................................... 9

2.6.1

Participatie .......................................................................................................................... 9

2.6.2

Doelgroepen ....................................................................................................................... 9

2.7 2.7.1

Preventieve eerste prioriteit .............................................................................................. 9

2.7.2

Dooi- en strooimiddelen ................................................................................................. 10

2.7.3

Handmatige gladheidbestrijding .................................................................................... 10

2.7.4

Werkwijze en operationele aspecten ............................................................................. 10

2.8

3

Strooimethodiek en signaleringsmethode .......................................................................... 9

Communicatie gladheidbestrijding .................................................................................... 11

2.8.1

Externe communicatie..................................................................................................... 11

2.8.2

Afstemming met andere wegbeheerders ...................................................................... 11

Beleidsplan gladheidbestrijding ................................................................................................. 12 3.1

Keuzes gladheidbestrijding ................................................................................................. 12

3.2

Fasering in gladheidbestrijding .......................................................................................... 12

3.3

Afspraken met en uitvoering door eigen dienst/contractpartner .................................... 13

3.4

Participatie ............................................................................................................................ 13

3.4.1

Verantwoordelijkheid inwoners ..................................................................................... 13

3.4.2

Meldingen overlast en gevaarlijke situaties .................................................................. 13

3.5

Prioriteit strooiroutes .......................................................................................................... 14

3.6

Kostenraming gladheidbestrijding..................................................................................... 14

Inleiding De Nederlandse winters zijn normaliter niet erg koud, maar juist het kwakkelweer geeft gemakkelijk aanleiding tot verraderlijke gladheid. Ook is er niet vaak sprake van aanhoudende gladheid door extreem winterse omstandigheden. De keuze voor gladheidbestrijding wordt hierdoor bepaald. Voor het ontstaan van wintergladheid is altijd het samengaan van twee componenten vereist: vocht en een wegdektemperatuur onder het vriespunt. De gladheidbestrijding is een apart werkveld. Het draait om bereikbaarheid en verkeersveiligheid – gebruik van de weg – en is daarnaast vergelijkbaar met de aanpak van calamiteiten. Dit maakt de gladheidbestrijding tot een werkveld met een eigen sfeer, vooral tijdens de vaak nachtelijke gladheidbestrijdingsacties. De betrokkenheid van de medewerkers is groot; er is een groot verantwoordelijkheidsbesef. De samenleving verwacht steeds meer van de wegbeheerder (gemeente). Zo ook bij de gladheidbestrijding. Men wil bereikbaar zijn ook in winterse omstandigheden. En veilig bij huis of bestemming kunnen komen. Niet alleen met de auto, maar ook met de fiets en te voet. Bij schade stelt men de gemeente steeds vaker aansprakelijk. Een andere beweging is die van het beschermen van de kwetsbare natuur. Het beleidsplan gladheidbestrijding geeft de keuzes weer die hierin gemaakt moeten worden. Dit plan heeft drie belangrijke uitgangspunten: 1.

Gebruik van de weg De wegbeheerder heeft als taak om de wegen goed begaanbaar te houden, ook tijdens moeilijke omstandigheden zoals bij opkomende gladheid of sneeuwval. In deze omstandigheden zorgt de wegbeheerder met de gladheidbestrijding ervoor dat de veiligheid van de weggebruikers zo goed mogelijk wordt bewaakt. Daarnaast moet ook de veiligheid van de medewerkers die met de gladheidbestrijding zijn belast, geborgd zijn. 2. Beheersbaarheid van kosten Naast de veiligheid is er een ander maatschappelijk belang dat de gemeente bewaakt, namelijk de financiën. De gemeente werkt met maatschappelijk geld. De kosten vragen dan ook om een afweging in de gekozen strooimethodes en strooiroutes. Niet alles kan. 3. Maatschappelijk belang Naast gebruik van de weg en kosten spelen ook maatschappelijke belangen mee in de afweging waar gestrooid gaat worden. Denk hierbij aan milieu, zorg, participatie. Het gladheidbestrijdingsplan geeft aan hoe en op welke (soorten) wegen de gladheid wordt bestreden. En is de organisatieopzet van de gladheidbestrijding in de gemeente Hellendoorn weergegeven. Het strooiplan (kaart met routes) is de feitelijke uitwerking van het beleid en geeft de te strooien wegen en fietspaden aan. De routes worden bepaald op basis van beschikbare middelen (o.a. mens, materieel en financiën), eventuele wijzigingen in het wegennet en ervaringen in het vorige jaar.

Zo kan elke winter worden ingespeeld op (kleine) veranderingen.

1

Bestaande situatie

Dit beleidsplan is geldig voor de komende 10 jaar en borduurt verder op de ervaringen van de voorgaande jaren. Er zijn geen grote wijzigingen: de uitgangspunten van het vorige beleidsplan willen we handhaven en de uitwerking hiervan in een strooiplan voldoet naar tevredenheid. De overgang in 2009 naar het preventief nat strooien heeft er toe geleid dat de wegen in de strooiroutes goed en veilig te berijden waren. Dit geldt nog steeds. Door goede communicatie en voorlichting over de te strooien routes en de wijze van gladheidbestrijding is het aantal meldingen stabiel. Daar waar het echt nodig was zijn de routes aangepast. Door dit consistente beleid en uitvoering is er voor de weggebruiker duidelijkheid en kan die zijn gedrag aanpassen aan de omstandigheden. Dit komt de veiligheid ten goede.

2

Relevante aspecten en bepalingen

2.1

Algemeen

De Hellendoornse Mobiliteitsvisie vormt de basis voor maatregelen op het gebied van verkeer, vervoer en wegen. Integraal Beheer Openbare Ruimte (IBOR)

Beheer – behoud weg, groen, water, afval

Mobiliteit – gebruik van de weg

Beleidsplannen

Beleidsplannen

Samen leven met water 2021 t/m 2025

Groen beleidsplan 2022 t/m …

Landschapsbeleidsplan 2018 t/m 2028

Mobiliteitsvisie 2018 t/m 2030

Beleidsplan wegen 2023 t/m 2028

Grondstoffen beleidsplan 2021 t/m 2025

Beleidsplan spelen 2022 t/m 2030

Duurzaam beheersplan Openbare Verlichting 2016 t/m 2020

Strategisch beheersplan civiele kunstwerken 2021 t/m 2025

Beheerplannen o.a. -

Programma onderhoud elementenverharding Programma asfaltonderhoud …

Gladheidbestrijdingsplan 2024 t/m 2030

Verkeersveiligheidsplan 2019 t/m 2025

Fietsvisie “beter fietsen in Hellendoorn” 2019 t/m 2030 Laadvisie / plaatsingsbeleid 2021

Beheerplannen o.a. -

Strooiplan …. …

Bij het opstellen van het beleid gebruikt de gemeente Hellendoorn de publicatie 353 'Organisatie en bestrijding van wintergladheid' van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, weg-, en waterbouw (CROW). Doel van de leidraad is om een integrale visie voor gladheidsbestrijding op te stellen. Daarbij gelden de volgende algemene uitgangspunten: • De veiligheid van de weggebruiker staat voorop; • Preventie van gladheid heeft de voorkeur boven het bestrijden van aanwezige gladheid (curatief).

Bij het vastleggen van het beleid in een beleidsplan en een uitvoeringsplan volgt de gemeente het volgende proces:

De gemeente kiest er conform de Leidraad Gladheidsbestrijding voor een beleidsnota en een uitvoeringsplan op te stellen. Het gladheidsbestrijdingsplan wordt elke vijf tot tien jaar geëvalueerd en het uitvoeringsplan jaarlijks. Dit proces geeft aan dat de gladheidbestrijding een dynamisch proces is.

2.2

Juridische aspecten

De gemeente is beheerder van de meeste openbare wegen in de gemeente. De taken van het Rijk en de Provincie op dit gebied beperken zich veelal tot de hoofdwegen, zoals de N35, N347 (Ommerweg), N751 (Wierdenseweg, Dalvoordeweg) en N750 (Brugstraat, Smidsweg). De gemeentelijke plicht tot het onderhouden van wegen volgt uit de Wegenwet en de Wegenverkeerswet. De hieruit voortvloeiende zorg voor het in goede en veilige staat houden van wegen geldt ook voor de bestrijding van gladheid door winterse omstandigheden. Gemeenten hebben op grond van het Burgerlijk Wetboek een risicoaansprakelijkheid als wegen en fietspaden niet voldoen aan eisen die er, gegeven de omstandigheden, aan kunnen worden gesteld. Deze wettelijke bepaling houdt ook in dat van verkeersdeelnemers verwacht mag worden dat ze hun verkeersgedrag aan winterse omstandigheden aanpassen. In onderstaande paragrafen wordt dieper op ieders verantwoordelijkheid ingegaan. 2.2.1 Verantwoordelijkheid van de wegbeheerder Indien zich een ongeval voordoet kan de gemeente aansprakelijk worden gesteld op basis van art. 6:174 Burgerlijk Wetboek. Dit geldt slechts voor gebreken aan de weg en de weguitrusting. Ingeval van gladheid kan de gemeente aansprakelijk worden gesteld op basis van art. 6:162 BW.

Dit artikel regelt de mogelijke (schuld)aansprakelijkheid van de wegbeheerder voor zaken en substanties die niet op het wegdek thuishoren, zoals sneeuw, ijzel of rijp. De gemeente is niet automatisch aansprakelijk. De wegbeheerder heeft een zorgplicht; dit is een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting. Er moet een adequate gladheidbestrijding zijn. Daarbij mag de gemeente een afweging maken op basis van verkeersveiligheid, milieubelasting en de beschikbare financiële middelen. De weggebruiker mag in redelijkheid niet van de wegbeheerder verwachten dat de weg over zijn gehele oppervlakte te allen tijde aan alle eisen van stroefheid voldoet. Indien de weggebruiker desondanks zijn schade op de wegbeheerder wil verhalen, zal hij moeten stellen en – bij betwisting- bewijzen dat de wegbeheerder te kort geschoten is in de zorgplicht en dat er causaal verband bestaat tussen de gebeurtenis en de schade. Om aan te tonen dat een wegbeheerder zorgvuldig heeft gehandeld, kan deze de volgende zorgvuldigheidsrichtlijnen betrachten: • Het opstellen van een gladheidbestrijdingsplan en een strooiplan, waarin is aangegeven binnen welke tijd men de wegen strooit en volgens welk strooischema.

•

• •

•

De in het strooischema vastgelegde routes dienen voldoende uiting te geven aan de prioriteit van de wegen. Locaties die bij gladheid een bijzonder gevaar kunnen opleveren, zoals bruggen en opritten, dienen bij voorrang te worden gestrooid. De wegbeheerder dient de burgers jaarlijks te informeren over dit plan. Op deze wijze weet de burger wat hij/zij van de overheid kan verwachten. Indien zich gladheid voordoet kan de wegbeheerder aan de hand van een inzetplanning aantonen dat hij tijdig en naar vermogen heeft gestrooid en dat hij dus zorgvuldig heeft gehandeld. De door de wegbeheerder genomen beslissingen en adviezen dienen te worden vastgelegd in een logboek. Informatie uit hulpmiddelen, zoals een gladheidmeldsysteem, kunnen helpen bij het aantonen van het juiste handelen van de wegbeheerder.

2.2.2 Verantwoordelijkheid van de weggebruiker Wanneer een wegbeheerder aansprakelijk wordt gesteld voor schade, dan is deze vaak niet alleen veroorzaakt door een handelen of nalaten in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid door de wegbeheerder, maar mede te wijten aan het handelen van de weggebruiker zelf. Niet zelden ontstaan ongelukken omdat weggebruikers zich, mede gelet op de omstandigheden, niet aan een veilige snelheid houden of onoplettend rijden, dan wel waarschuwingen via de media geheel of gedeeltelijk negeren (een veilige snelheid is niet persé dezelfde als de maximumsnelheid). Eigen schuld leidt tot een verminderde aansprakelijkheid van de wegbeheerder en kan er zelfs toe leiden dat er in het geheel geen aansprakelijkheid bestaat. Deze regel is neergelegd in artikel 6:101 BW. Een weggebruiker die vanwege de weersgesteldheid rekening houdt met een kans op gladheid en die in verband daarmee een gematigde snelheid aanhoudt en speurt naar tekenen van werkelijke gladheid, kan in principe geen eigen schuld verweten worden, tenzij hij/zij nog meer had moeten anticiperen op de gladheid dan hij/zij heeft gedaan. Een weggebruiker kan in de regel geen rekening houden met plotseling optredende gladheid.

2.2.3 Conclusie Wanneer de wegbeheerder aansprakelijk wordt gesteld voor schade ten gevolge van gladheid op de weg (sneeuw, ijzel, modder of olie) is artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) van toepassing. Een wegbeheerder pleegt een onrechtmatige daad, indien hij tekort is geschoten in de zorgvuldigheid die hij in het maatschappelijk verkeer in acht moet nemen. De wegbeheerder heeft niet de plicht een volmaakte veiligheid te bewerkstelligen. Er geldt voor de wegbeheerder een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting. Hij dient alle mogelijke inspanningen te verrichten om eventuele schade te beperken. Daarnaast zal moeten worden bekeken of de weggebruiker zijn rijgedrag heeft aangepast aan de omstandigheden. Er kan immers sprake zijn van eigen schuld van de weggebruiker.

2.3

Arbo-aspecten

De arbeidsomstandigheden in de gladheidbestrijding zijn vaak moeilijk. Het is koud, vaak ‘s nachts, op gladde wegen en met ‘agressieve’ dooimiddelen. Hiervoor zijn er regels vastgelegd in de Arbeidstijdenwet en de Arbowet. Voor het gemeentepersoneel geldt de CAO gemeenten. De werkgever kan de ambtenaar verplichten om zich buiten de, voor zijn betrekking vastgestelde werktijden, beschikbaar te houden voor gladheidbestrijding als de werkgever dit uit dienstbelang noodzakelijk vindt (consignatie). De bepalingen in de Arbeidstijdenwet hebben betrekking op de maximale (gemiddelde) arbeidsduur per etmaal, per week en per maand en op de maximale duur van de consignatie. De medewerkers worden om de week geconsigneerd. De Arbowet regelt de omstandigheden waaronder gewerkt dient te worden, met name die gericht zijn op veiligheid. De veiligheidsaspecten hebben betrekking op het gebruik van materiaal en materieel en op de uitvoering. Voor de start van het winterseizoen wordt met alle betrokkenen de procedure doorlopen. De belangrijkste zaken zijn: de routes, de te strooien

hoeveelheden wegenzout, het omgaan met dooimiddelen, het bedienen van gladheidbestrijdingsmaterieel en onveilige situaties tijdens het strooien. Na het winterseizoen wordt de gladheidbestrijding geëvalueerd. Om de 4 jaar wordt een opfriscursus gegeven aan de training specifieke winterdienst.

2.4

Milieuaspecten

Naast afwegingen op het gebied van wetgeving, is er ook een afweging op grond van milieu. Het zout dat in de bermen terecht komt, ofwel rechtstreeks of via het wegspoelen van het wegdek, levert schade op aan vegetatie. Met name in waardevolle natuurgebieden is het de vraag in hoeverre deze wegen gestrooid dienen te worden en in hoeverre dit minimaal gedaan kan worden. Hetzelfde geldt voor grondwater. Vooral in grondwaterbeschermingsgebieden en gebieden met (nieuwe) gescheiden rioolstelsels moet het gebruik van zout beperkt worden. De gemeente wil het milieu zo veel mogelijk ontzien en let daarom bij de gladheidbestrijding op de milieueffecten. Dat gebeurt op verschillende manieren. In de eerste plaats worden niet alle wegen gestrooid. Bij de keuze waar de gladheid wordt bestreden, houdt de gemeente rekening met de milieuwetgeving. In de Sallandse Heuvelrug wordt niet gestrooid. Ook de Nijverdalsebergweg wordt niet gestrooid, dit vanwege de afspraken in het beheerplan Sallandse Heuvelrug. Door middel van bebording wordt de weggebruiker hier op gewezen. In de tweede plaats kiest Hellendoorn bewust voor natzout als dooimiddel. Dit voldoet als beste aan de eisen die worden gesteld. Het is effectief, efficiënt, toepasbaar, beschikbaar, betaalbaar en milieuvriendelijk. Bijkomend voordeel van natzout is dat het optimaal kan worden gedoseerd.

De hoeveelheid zout per m2 en de strooibreedte kunnen worden bijgesteld. Daardoor wordt er afhankelijk van de plaatselijke gladheid en de wegsituatie altijd zo effectief mogelijk gestrooid. In theorie kunnen bomen en struiken zoutschade oplopen als de bodem tijdens de zomer uitdroogt en de zoutconcentratie in het bodemvocht te hoog wordt. Dit komt in de praktijk bijna nooit voor. Het strooizout dat in de winter op de wegen is gestrooid spoelt normaliter weg via het riool. Uit onderzoek bij een waterzuivering blijkt geen meetbare verhoging van het zoutgehalte in de winterperiode. Bij wegen zonder hemelwaterafvoer naar het riool zakt het zoute regenwater weg in de berm. Door verstuiving komt bij het strooien van nat zout een kleine 5% rechtstreeks in de wegbermen terecht. Het smeltwater voert daarna 95% van het sterk verdunde zout op het wegdek af naar de berm of het afvoersysteem. De rest van het zout komt door het opspatten als een soort nevel in de berm terecht. Door het verdunningseffect is de invloed van het strooizout op fauna en flora in beken en rivieren te verwaarlozen. Voor de bermen en de planten die erop staan blijft de toestand enigszins ongelukkig. Het wegenzout is niet de enige oorzaak van een slechte plantengroei. Uitlaatgassen, zure regen, bemesting, een te dichte bodem of beschadiging van de wortels: ze spelen allemaal hun rol.

2.5

Risico-inventarisatie en evaluatie

Er zijn diverse risico’s die gelopen worden in de gladheidbestrijding. De meest voor de hand liggende is: plaatselijk glad wegdek. Of een wegdek glad is, heeft te maken met diverse factoren, zoals wel/niet gestrooid, geografische omstandigheden, verhardingssoort, verkeersintensiteiten. Of het gevaar oplevert voor de weggebruiker hangt ook af van de oplettendheid van die weggebruiker. Het uitvoeren van een strooiactie kan hinder opleveren voor het overige verkeer. Daarnaast zijn er risico’s doordat materieel niet inzetbaar is of dat wegen niet voldoende of goed toegankelijk zijn voor het ingezette materieel. Dit kan door storing of obstakels in de weg. De ervaring met de huidige opzet in de uitvoering leert dat de kwetsbaarheid laag is. Bij uitval blijkt op korte termijn reparatie door eigen personeel mogelijk, ook ‘s nachts.

2.6

Integrale visie

Naast de uitgangspunten in beleid vanuit openbare ruimte, zijn er ook andere uitgangspunten waar in de gladheidbestrijding rekening mee gehouden moet worden. De volgende thema’s worden hierna uitgewerkt: • Participatie; • Doelgroepen. 2.6.1 Participatie Het beleid van de gemeente is erop gericht dat bewoners en het bedrijfsleven invloed hebben op wat er gebeurt in hun eigen omgeving. Inwoners, ondernemers en organisaties weten goed wat er leeft in de buurt. Zij weten wat nodig is om de leefbaarheid te vergroten. De gemeente wil dit bereiken door een efficiënte uitvoering van de gladheidbestrijding waarbij het belang van de weggebruiker voorop staat, door een goede communicatie over de uitvoering van de gladheidbestrijding en door het inrichten van een ‘klachtenloket’. Zie paragraaf 3.4. 2.6.2 Doelgroepen De gemeente Hellendoorn streeft naar een samenleving waarin de inwoner kan meedoen, zich kan ontwikkelen en een gezond en gelukkig leven kan leiden. Een inclusieve samenleving waarin inwoners zich met elkaar verbonden voelen en iedereen binnen zijn eigen mogelijkheden verantwoordelijkheid neemt voor zichzelf, voor anderen en voor de lokale samenleving. Inwoners kennen en ontmoeten elkaar, in de wijk en daarbuiten. Elke winter komt ook de vraag om toegankelijkheid voor ouderen en thuishulp. Die groep is echter zeer divers en woont verspreid over de hele gemeente.

Het is daarom niet mogelijk hier grootschalig, afgezien van wat bij de handmatige gladheidbestrijding gebeurd, op in te zetten met de reguliere gladheidbestrijding. Bij de vaststelling van de routes wordt meegenomen dat voor grotere complexen waar ouderen zelfstandig wonen, zelf mobiel zijn en veel thuiszorg ontvangen, het belang van gestrooide wegen groter is. Dit is vergelijkbaar met scholen, waar ook zoveel mogelijk minimaal 1 route naar die locatie wordt opgenomen in de strooiroutes. Dit kan in sommige gevallen betekenen in de hoofdroute, maar soms in de secundaire route. Die route wordt gestrooid bij langdurende gladheid/sneeuw, als op de hoofdroute gladheid onder controle is.

2.7

Strooimethodiek en signaleringsmethode

2.7.1 Preventieve eerste prioriteit De gladheid wordt in Nederland bestreden door te strooien met een dooimiddel (wegenzout, NaCl). Sneeuw wordt verwijderd met sneeuwploegen. Voor het doeltreffend bestrijden van de wintergladheid is het belangrijk goed inzicht te hebben in de verschillende oorzaken van de gladheid, zoals: • het bevriezen van een natte weg (gladheid door bevriezing); • condensatie van vocht uit de lucht op het wegdek (gladheid door condensatie); • Gladheid door neerslag: sneeuw, ijzel, hagel en mist. Wintergladheid kan op twee manieren worden bestreden, namelijk preventief (voordat het glad wordt) of curatief (als het al glad is). Preventief strooien heeft veel voordelen. In de eerste plaats wordt ermee voorkomen dat het glad wordt, zodat de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt. De beschikbaarheid van het wegennet blijft gehandhaafd. Verder kan het tijdstip van strooien beter ingepland worden. Het zoutverbruik per strooibeurt is lager, omdat er minder grammen per m2 gestrooid wordt. Preventief strooien vertaalt zich in meer veiligheid en minder schadegevallen. Als het door bijvoorbeeld sneeuw aanhoudend glad is, wordt de preventieve gladheidbestrijding gevolgd door curatieve maatregelen, in de vorm van sneeuwschuiven en strooien.

2.7.2 Dooi- en strooimiddelen Gladheid op de weg wordt bij vorst bestreden door een dooimiddel. Het dooimiddel zorgt voor een vriespunt verlagend effect op ijs. Vanaf de jaren zestig is dat zout. Als het wordt toegevoegd aan water daalt het vriespunt. Het is zowel preventief als curatief effectief. Hierdoor zal bij preventief strooien het vocht op het wegdek niet bevriezen, en zal in geval van curatief strooien (als het al glad is) het bevroren vocht snel ontdooien. Voor een zo goed mogelijke werking, is het belangrijk dat het verkeer het zout inrijdt. Een dooimiddel moet voldoen aan de eisen effectiviteit, efficiënt, toepasbaar, beschikbaar, betaalbaar en milieuvriendelijkheid. Het enige dooimiddel dat daaraan voldoet is het huidig gebruikte wegenzout. Andere dooimiddelen/zouten hebben doorslaggevende nadelen zoals: onbetaalbaar, eutrofiërend, te hygroscopisch, of zelfs bijtend waardoor speciale opslag en kleding noodzakelijk zijn. Bij preventief strooien heeft het gebruik van natzout de voorkeur boven droogzout. Droogzout werkt namelijk niet bij een droge weg. Het vriespuntverlagend effect van het zout blijft uit omdat geen water aanwezig is en bovendien verwaait het zout. Sinds 2010 wordt in de gemeente Hellendoorn natzout gebruikt. Zout verliest zijn smeltkwaliteit als de temperatuur onder de - 10 oC daalt.

De gladheid kan dan wat worden verminderd door een stroefmakend middel zoals zand te strooien. Dat werkt matig. Als met zand is gestrooid en het gaat daarna weer sneeuwen, dan wordt de weg weer even glad als voor het strooien. Bovendien verstopt het zand de kolken en riolen. Zand moet worden verwijderd indien de weersomstandigheden verbetert zijn. Vooral voor motorrijders is zand op de weg gevaarlijk. Bij extreem winterse omstandigheden en bij schaarste van zout kan zand worden gebruikt, anders niet. 2.7.3 Handmatige gladheidbestrijding Op sommige plaatsen kan gladheid niet met een strooiwagen worden aangepakt. Dat is het geval bij bijvoorbeeld bushaltes, oversteekplaatsen en knelpunten in fietsroutes. Daar wordt de gladheid met de hand aangepakt. Het werk wordt vooral overdag uitgevoerd door medewerkers die vanwege het winterweer hun reguliere werk niet kunnen doen. Afgelopen jaren werd, indien hier tijd voor was, ook bij bejaardencentra of straten waar veel senioren wonen, op vergelijkbare wijze de stoep gladheid- of sneeuwvrij gemaakt. Dit zal de komende jaren ook gebeuren. 2.7.4 Werkwijze en operationele aspecten De gladheidbestrijding wordt geleid door de coördinator gladheidbestrijding, zowel binnen als buiten de reguliere werktijden. Deze bepaalt uiteindelijk of er wel of niet gestrooid gaat worden.

De dienstdoende wachtdienstman staat hierover in contact met de coördinator. Zij hebben verschillende instrumenten tot hun beschikking om te komen tot een weloverwogen besluit om al dan niet te gaan strooien. Deze instrumenten zijn: 1. De meest actuele weersinformatie voor de gemeente Hellendoorn van Meteogroup Gladheid. 2. (Telefonische) meldingen van de dienstdoende coördinator van de provincie Overijssel. 3. Zo nodig: direct contact tussen de coördinator en meteoroloog van de Meteogroup. 4. Eigen waarneming coördinator/wachtdienstman gemeente Hellendoorn. 5. Meldingen van de politie en burgers, in bijzondere gevallen. Van iedere strooibeurt en/of uitruk wordt melding gemaakt via een logboek. In dit logboek worden alle relevante gegevens, zoals het tijdstip van ontvangen melding, uitruk en terugkomst van strooiers en ingestelde dosering, vermeld en kan bij de evaluatie en het verstrekken van inlichtingen bij eventuele aansprakelijkheid gebruik worden gemaakt.

2.8

Communicatie gladheidbestrijding

2.8.1 Externe communicatie Door gladheid kunnen er gevaarlijke situaties ontstaan. Daarom wordt er gestrooid door de wegbeheerder. De weggebruiker zal zijn gedrag op de weg moeten aanpassen als het glad is. De gemeente heeft niet onbeperkt middelen om alle wegen te strooien. De burger is bij gladheid niet meer verplicht om het trottoir begaanbaar te houden maar wij doen wel een beroep op bewoners om het trottoir bijvoorbeeld vrij te maken van sneeuw. De gemeente geeft geen prioriteit aan het strooien van stoepen. De inwoners wordt gevraagd zoveel mogelijk aan één zijde van de straat te parkeren. Hiermee wordt de gladheidbestrijding vergemakkelijkt en is de weg ook beter te strooien. Het beleidsplan en het strooiplan zijn beschikbaar op de gemeentelijke website. Ook wordt in de winterperiode via (social) mediakanalen en publicatie op de gemeentelijke pagina in de krant de inwoners op de hoogte gehouden van de gladheidbestrijding en/of bijzondere omstandigheden. 2.8.2 Afstemming met andere wegbeheerders Net als in de vorige beleidsperioden wordt de grensoverschrijdende gladheidbestrijding afgestemd met de gemeenten Rijssen-Holten, Hellendoorn en Wierden en ook met de buurgemeente Twenterand, Raalte en Ommen. Hetzelfde geldt voor de andere wegbeheerders Provincie Overijssel en Rijkswaterstaat. Hierdoor ontstaan voor de weggebruiker logische routes.

Onder leiding van de Provincie Overijssel wordt er gezamenlijk zout ingekocht. Ook wordt de gladheidbestrijding in zijn algemeen met elkaar besproken. Hiervoor komen alle betrokkenen 2 keer per jaar bij elkaar. Er worden afspraken gemaakt over het uitrukken van de strooiploegen. Hierbij geldt dat er, naast de eigen meetpunten, gebruik wordt gemaakt van het gladheidsignaleringsysteem van de Provincie. Hierdoor sluiten de gladheidbestrijdingsacties in de meeste gemeenten in Overijssel nog beter op elkaar aan. Op hetzelfde moment, wordt dezelfde informatie verkregen. Zo heeft de weggebruiker een betrouwbaarder netwerk van gestrooide wegen, ook buiten de gemeentegrenzen.

3

Beleidsplan gladheidbestrijding

3.1

Keuzes gladheidbestrijding

Bij het opstellen van het strooiplan op wegniveau vindt de afweging plaats tussen belangen van bijvoorbeeld economie, milieu en veiligheid. Ook wordt zoveel mogelijk een logische route gereden. De gladheidbestrijding is in die zin geen exacte wetenschap; het verstand en de kennis en ervaring speelt een grote rol in de beoordeling. Belangrijke vragen hierbij zijn: • Wat mag de weggebruiker redelijkerwijs verwachten? • Wat is het belang (prioriteit) van de betreffende straat of het fietspad? • Wat is redelijkerwijs acceptabel, gebaseerd op een doelmatige afweging van de beschikbare middelen? • Wat is maatschappelijk acceptabel? • Wat is milieutechnisch acceptabel? • Wat is nodig voor bijzondere gebruikers, zoals brandweer, uitvaart en marktkooplieden? Voor het bestrijden van gladheid en het ruimen van sneeuw wordt gebruik gemaakt van vaste routes. De vaste routes worden mede bepaald aan de hand van de wegencategorisering. Het volgende onderscheid wordt gemaakt: a. Hoofdrijbaan b. Fietspaden c. Bijzondere wegen d. Overige wegen Ad a.) De categorie ‘hoofdrijbaan’ omvat wegen met een belangrijke verkeersfunctie zoals hoofdverbindingsroutes, brandweer uitrukroute en OVroutes. Bij optredende gladheid en sneeuwval heeft het berijdbaar houden van deze wegen een hoge prioriteit. Ook de hoofdwegen in het centrum en op het industrieterrein vallen hieronder.

Tevens wordt er, indien mogelijk, minimaal één route opgenomen naar de scholen in onze gemeente. Ad b.) De categorie ‘fietspaden’ omvat bijna alle doorgaande fietspaden in de gemeente. Aangezien de fietsroute belangrijk is als ontsluiting voor woon-werk- en schoolverkeer heeft ook de bestrijding van gladheid op de meeste fietspaden een hoge mate van prioriteit. Dit geldt voor de doorgaande fietsroutes en niet voor bijvoorbeeld doorsteekjes in de wijk. Ad c.) Bijzondere wegen liggen langs open water, hebben een helling, brug of tunnel. Door deze bijzondere omstandigheden is de kans op ongelukken door gladheid groter op deze wegen. Dit hangt uiteraard ook af van het gebruik (intensiteit) en de mogelijkheid voor het verkeer om een alternatieve route in de omgeving te kiezen. Ad d.) Overige wegen, waaronder voetpaden, worden in principe niet gestrooid, behoudens in bijzondere en uitzonderlijke gevallen, door de gladheidcoördinator te bepalen. Bij uitzonderlijke gevallen wordt in overleg met de politie bepaald hoe te handelen.

3.2

Fasering in gladheidbestrijding

De gemeente strooit de routes mechanisch met de nat-zoutmethode. Er wordt preventief gestrooid. Vanwege de grote afstanden in de gemeente Hellendoorn in met name het buitengebied wordt daarmee de maximale tijdsduur van de strooiacties (maximaal 3,5 uur inzet per chauffeur) al gehaald en soms overschreden. Alleen bij aanhoudende gladheid (sneeuw en ijzel) wordt, als de hierboven genoemde routes ‘schoon’ zijn, ook in het onderliggende wegennet gestrooid. Hierdoor is een weggebruiker eerder op een gestrooide route. Dit is vooral bij langdurige gladheid van belang. De afgelopen beleidsperiodes is in het onderliggende fijnmazige wegennet slechts een enkele maal gestrooid. Voor het geval er toch weer strengere winters komen is het nodig om jaarlijks deze route vast te stellen in het strooiplan. Bij extreme omstandigheden kan er op afroep extra inzet plaatsvinden. Uitgangspunt is dat eerst onder alle omstandigheden de hoofdroutes berijdbaar wordt gehouden.

3.3

Afspraken met en uitvoering door eigen dienst/contractpartner

Ieder jaar, van 1 november tot 1 april van het daaropvolgend jaar, staan de medewerkers van de buitendienst van het team Openbare ruimte stand-by om voor de gladheidbestrijding uit te rukken. De beslissing om tot actie over te gaan ligt in handen van de gladheidcoördinator. Bij uitrukken moeten de volgende actietijden worden nagestreefd: • Binnen 30 minuten na alarmering dienen de medewerkers en de aannemer aanwezig te zijn bij de zoutopslag van de gemeente. • De maximale tijdsduur van een strooiactie mag, vanaf de start van het strooien, onder normale omstandigheden, niet meer bedragen dan 3,5 uur. Deze tijdsnormen zijn niet van toepassing onder extreme omstandigheden, zoals aanhoudende sneeuwval of ijzel. Er wordt gestreefd om de strooiactie voor de ochtendspits te voltooien. De medewerkers die deelnemen aan de gladheidbestrijding krijgen voor hun inzet de volgende vergoedingen: • Consignatievergoeding (uitbetaling); • Bij overwerk buiten de feitelijke vastgestelde werktijd worden de gemaakte uren gecompenseerd in tijd (verlof), bij voorkeur zo spoedig mogelijk en wordt de overwerktoeslag uitbetaald. Naast de eigen medewerkers worden externe partijen (loonwerkers) ingezet op (met name) de routes in het buitengebied.

3.4

Participatie

3.4.1 Verantwoordelijkheid inwoners Sinds 2010 is het niet meer mogelijk voor inwoners van de gemeente om gratis een emmer zout te halen op de gemeentewerf. Het belangrijkste argument om te stoppen met het verstrekken van gratis zout is dat de gemeente dan bezig is met oneerlijke concurrentie. De wet Markt en Overheid, als verlengstuk van de Mededingingswet, wil dit juist tegengaan. Naast dit juridische argument bleek in de praktijk dat er veel misbruik werd gemaakt van de mogelijkheid om gratis zout te halen. Deze praktische en juridische bezwaren, in combinatie met de mogelijkheid die het bedrijfsleven biedt om zout te kopen tegen een reële prijs, vormden de argumenten om te stoppen met het verstrekken van gratis zout aan de gemeentewerf. Dit sluit aan bij de omliggende gemeenten, die deze mogelijkheid ook niet kennen. Dit huidige beleid wordt daarom voortgezet. 3.4.2 Meldingen overlast en gevaarlijke situaties Inwoners, maar ook instanties (bijvoorbeeld de politie) kunnen hun vragen en klachten uiten via de website ‘melding openbare ruimte’ of via de publieksbalie. Deze meldingen worden geregistreerd en afgehandeld via het meldingssysteem Signalen. De meldingen worden ook betrokken bij het opstellen van de jaarlijkse strooiroutes. Afgelopen winter was dit systeem al beschikbaar. Hieronder een kaart met meldingen in winter 2023/2024.

Wanneer het noodzakelijk is en het past binnen de vastgestelde regeling, kan de routering worden aangepast. In bijzondere of uitzonderlijke gevallen worden de klachten tijdens kantooruren meteen gemeld bij de coördinator gladheidbestrijding. Echter de vastgestelde routes zijn zorgvuldig tot stand gekomen en hebben voorrang bij het sneeuw- en gladheidvrij maken.

3.5

Prioriteit strooiroutes

Op basis van het te bestrijden netwerk en de richttijden kunnen de verschillende routes gepland worden. De randvoorwaarden voor het bepalen voor de routes zijn: • De routes moeten zo efficiënt mogelijk worden ingericht, zodat met zo min mogelijk materieel de gladheid kan worden bestreden. • Er wordt zoveel mogelijk voorkomen dat de weggebruiker van een gestrooid op een niet-gestrooid weggedeelte komt. • Strooivoertuigen rijden niet achteruit of tegen het verkeer in. • De hoeveelheid dooimiddel in een strooier is voldoende om de route in één rit te behandelen (ook bij curatieve acties). • Er wordt zoveel mogelijk voorkomen dat strooivoertuigen niet-strooiend over nietbehandelde weggedeelten rijden. De routeplanning is in belangrijke mate afhankelijk van de situering van het steunpunt. In onze gemeente is dat de werf; hier ligt de zoutvoorraad en/of materieel. Deze factor heeft invloed op het aantal strooiroutes, de lengte hiervan en hun verloop. Bij het vaststellen van de routes moet afstemming plaatsvinden met de strooiroutes van de aangrenzende wegbeheerders. Daarmee wordt voorkomen dat de weggebruiker van een gestrooid op een niet-gestrooid weggedeelte komt. Een goede aanpak van de gladheid vraagt afstemming van het materieel en het personeel. De strooiroutes worden zo nodig aangepast als er nieuwe straten worden aangelegd.

In de afgelopen jaren is bekeken welke maatregelen nodig zijn om risico’s door gladheid te beperken. Nagenoeg alle gevaarlijke wegen of extra gevoelige weggedeelten zijn opgenomen in het uitvoeringsplan. In dit strooiplan worden de prioriteiten en bijbehorende routes uitgewerkt. De manager Openbare ruimte is gemandateerd om (jaarlijks) het strooiplan vast te stellen.

3.6

Kostenraming gladheidbestrijding

De kosten voor de uitvoering van de gladheidbestrijding bestaan uit kosten voor brandstof, kosten van eigen personeel, aankoop van het strooizout, werkzaamheden door derden, onderhoudskosten van het strooimaterieel en kapitaallasten. De kosten voor opleidingen worden ten laste gebracht van het opleidingsbudget van het team Openbare ruimte. De gemeentelijke begroting wordt jaarlijks opgesteld. De winter vindt dus plaats in twee

begrotingsjaren. Bij de gladheidbestrijding bestaat de kans dat, indien de weersomstandigheden dit noodzakelijk maken, het budget wordt overschreden. Het totale budget is circa € 130.000,- per jaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14907311/1