CConstaterende datHellendoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

CONCEPT re-integratieverordening Participatiewet 2023 Hellendoorn

Debatronde 10 oktober 2023, gemeente HellendoornBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststelling Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Hellendoorn 2023.15.842 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Nijverdal,

Besluit

Nr.

De raad van de gemeente Hellendoorn; gelet op de artikelen: 7, 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, en 10b, vijfde en zevende lid van de Participatiewet; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van; gezien het advies van het Cliëntenplatform Werk en Inkomen;

Besluit:

vast te stellen de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Hellendoorn 2023.

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Artikel 1. Begrippen 1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet. 2. In deze verordening wordt verstaan onder: a. Awb: de Algemene wet bestuursrecht; b. de wet: de Participatiewet; c. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; d. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; e. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellendoorn; f. de raad: de gemeenteraad van de gemeente Hellendoorn; g. cliëntenplatform: het op grond van artikel 47 van de wet en de daaruit voortvloeiende verordening cliëntenparticipatie ingestelde overlegorgaan met personen uit de doelgroep of hun vertegenwoordigers. h. doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet; i. korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; j. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; k.

interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek;

l.

jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; m. overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet; n. persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet; o. praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; p. voorziening: een door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; q. werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie; r. werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is;

Hoofdstuk 2

Beleid en evaluatie

Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering 1. Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voor zover het college dat noodzakelijk acht een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aanbieden. 2. Het college kan de voorzieningen, bedoeld in hoofdstuk 4, aanbieden aan alle personen die behoren tot de doelgroep. De voorzieningen, bedoeld in hoofdstuk 5, gelden alleen voor personen met een arbeidsbeperking, die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie. De voorzieningen, bedoeld in hoofdstuk 6, zijn alleen beschikbaar voor personen met een arbeidsbeperking en/of een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 3. Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen biedt het college maatwerk. Daarbij wordt door het college een afweging gemaakt of, en zo ja, welke voorziening, gelet op de mogelijkheden, capaciteiten en wensen van de belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid. 4. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk.

Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 5. Het college biedt periodiek aan de raad een verslag aan met betrekking tot de resultaten van het re-integratiebeleid. Dit verslag wordt ook aangeboden aan het cliëntenplatform. 6. Het college verzamelt voor het verslag systematisch informatie over onder meer: a. de aard en omvang van het bijstandsbestand; b. de inzet van beschut werk; c. de inzet van loonkostensubsidies; d. de inzet van jobcoaches; en e. uitstroom naar regulier werk zonder ondersteuning.

Hoofdstuk 3

Algemene bepalingen over voorzieningen

Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen

1. Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan. Bij het voorzieningenaanbod houdt het college rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn. Verder wordt het aanbod, als dat nodig is, intern afgestemd zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. 2. Het college kan een voorziening weigeren als: a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 3. Het college kan een voorziening beëindigen als: a.

de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2, van de wet; d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

Hoofdstuk 4 Algemene voorzieningen gericht op uitstroom naar regulier werk Artikel 4. Werkstage / werkervaringsplaats 1. Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze:

a. behoort tot de doelgroep, en b. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door (langdurige) werkloosheid. 2. Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3. De duur van de werkstage is maximaal drie maanden en kan éénmalig met maximaal drie maanden bij dezelfde werkgever worden verlengd. 4. Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 5. Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld met de werkgever die de werkstage aanbiedt en de persoon die de werkstage gaat verrichten. In de overeenkomst worden in ieder geval het doel van de werkstage en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt vastgelegd.

6. Het college vergewist zich vóór de plaatsing dat de aansprakelijkheids- en ongevallen risico’s ten behoeve van deze persoon zijn afgedekt. Artikel 5. Proefplaats 1. Het college kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2. Het doel van een proefplaatsing is het voor een beperkte duur opdoen van werkervaring in een specifieke functie of de inschakeling van de persoon in arbeid bij een werkgever te bevorderen. De proefplaats wordt ingezet voor de duur van twee maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, 3. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; c. hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; d. de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en e.

de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 4. Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het tweede lid, buiten beschouwing gelaten. 6. Het college kan een persoon op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 5 7. Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld met de beoogde werkgever en de persoon die op de proefplaats wordt geplaatst. In de overeenkomst worden de invulling van de proefplaats en de wijze van begeleiding vastgelegd. 8. Het college vergewist zich vóór de plaatsing dat de aansprakelijkheids- en ongevallen risico’s ten behoeve van deze persoon zijn afgedekt. Artikel 6. Detacheringsbaan 1.

Het college kan door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever (zoals een detacheringsbedrijf of uitzendbureau), gericht op arbeidsinschakeling. 2. Voor zover het gaat om een persoon met een arbeidsbeperking, die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, kan de gemeente zelf als werkgever optreden in het kader van de CAO Aan de Slag, en de persoon vervolgens detacheren bij een onderneming. 3. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 4. Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 7. Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:

a. de persoon moet de mogelijkheden en capaciteiten hebben om de scholing binnen de gestelde termijn met goed gevolg af te kunnen ronden, en b. de scholing vergroot de kansen op de arbeidsmarkt. 3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de noodzakelijkheid van de scholing, de duur en de maximaal te vergoeden kosten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onder a, van de wet. Artikel 8. Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: a. van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of b. van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Artikel 9. Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep. 2. Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 3, verstrekt overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 5. Artikel 10.

Verwervingskosten Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep een bijdrage verstrekken in aantoonbare en reële directe en voorwaardenscheppende kosten die gemaakt moeten worden in het kader van het re-integratietraject.

Hoofdstuk 5 Specifieke voorzieningen gericht op regulier werk voor de doelgroep met een arbeidsbeperking Paragraaf 5.1: administratief proces aanvragen Breed Offensief Artikel 11. Aanvraagproces loonkostensubsidie 1. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, aan de werkgever en deze persoon. 3. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a van de wet. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute. 4.

Het college stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid van de wet. 5. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht. Artikel 12. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 3, de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden of een

voorziening als bedoeld in artikel 15, derde lid, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week, d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f. er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en g. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening opweegt tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk. Artikel 13. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon die behoort tot de doelgroep zoals bedoeld in artikel 12, eerste lid, of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 3. Het college onderzoekt, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 8 weken na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon. 4. Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 5.

Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 6. Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1 van de wet, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2 van de wet. 7. Het college maakt binnen 20 werkdagen na afronding van het onderzoek, een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek dat wordt neergelegd in een onderzoeksverslag. 8. Op basis van het onderzoeksverslag neemt het college een besluit en zendt dit aan de persoon of zijn gemachtigde en, indien van toepassing, aan de werkgever. Artikel 14. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: a.

welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning; d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; e. als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en

f.

voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund. 2. Het college geeft in een beschikking tot afwijzing van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening op grond van het feit dat er een voorliggende voorziening bestaat, in ieder geval aan welke voorziening dit betreft.

Paragraaf 5.2: Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk Artikel 15. Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van de gemeente Hellendoorn of een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht. 2. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of b. interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats, een leer-werktraject of een werkstage. Artikel 16. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk 1. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 8 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking of proefplaatsing zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2.

Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. Artikel 17. Jobcoaching 1. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt, moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in Bijlage 1. 2. Voor het bepalen van de duur en intensiteit van de in te zetten jobcoaching wordt uitgegaan van de begeleidingsregiems licht, midden of intensief (zoals omschreven in artikel 2.4 van de Beleidsregel Protocol Interne Jobcoach UWV 2019, Staatscourant 2019, nr 51100). De nadere voorwaarden hiervoor en de hoogte van de vergoedingen wordt door het college uitgewerkt in nadere regels, waarbij gestreefd wordt naar regionale afstemming. 3. Het college kan van de in het tweede lid bedoelde regiems en voorwaarden afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat beoogt te worden beschermd, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. 4. Als de gemeente een of meer jobcoaches zelf in dienst of gecontracteerd heeft, biedt het college deze bij voorrang aan. 5. Voordat het college de jobcoaching beëindigt, verricht het college onderzoek. Wanneer de beëindiging plaatsvindt met instemming van de werkgever en de werknemer kan het college van dit onderzoek afzien. Artikel 18. Jobcoaching in natura 1.

Het college kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. 2. Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 12 tot en met 17 van overeenkomstige toepassing. Artikel 19. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching 1. Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever.

2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 12 tot en met 17, worden verleend als: a. de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3. Het college kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij het college streeft naar regionale afstemming binnen de arbeidsmarktregio en zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. 4. Het college kan in nadere regels uitwerken: a. aan welke eisen het coachingsplan moet voldoen; b. welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren; c. hoe de continuïteit van de jobcoaching geborgd moet zijn; of d. hoe de evaluatie van de jobcoaching plaats vindt. 5. Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach mede: a.

ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of b. integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs. Artikel 20. Interne werkbegeleiding 1. Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. Desgewenst kan het college hiervoor nadere regels vaststellen. 2. Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden.

Paragraaf 5.3: Specifieke bepalingen overige voorzieningen Artikel 21. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 22. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap

1. Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie. 2. Het college kan in nadere regels uitwerken hoe het de omvang van de noodzakelijke intermediaire activiteit bepaalt. Artikel 23. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken. 2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. 4. Het college kan in nadere regels uitwerken hoe het de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer bepaalt. Artikel 24. Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren. In beginsel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn.

Hoofdstuk 6

Voorzieningen niet gericht op regulier werk

Artikel 25. Participatievoorziening beschut werk 1. Het college biedt ambtshalve of op verzoek de participatievoorziening beschut werk aan, aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze door een arbeidsbeperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat hij/zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, en deze persoon behoort tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid onder a, of artikel 10b, eerste lid van de wet; 2. Het college gaat voor de realisatie en invulling van beschut werk uit van de door de rijksoverheid vastgestelde minimum taakstelling. Het college kan uit de personen uit de doelgroep een voorselectie maken en wint bij het UWV advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. 3. Het college draagt zorg voor het beheer van de wachtlijst van de door het UWV geïndiceerde ingezetenen die geen beschutte dienstbetrekking hebben en beschikbaar zijn om een dergelijke dienstbetrekking te aanvaarden, en kan hiervoor nadere regels vaststellen. 4.

In aanvulling op het aantal ten minste te realiseren dienstbetrekkingen, bedoeld in artikel 10b, vierde lid van de wet, wordt ten hoogste een aantal van 25 % aan additionele dienstbetrekkingen per jaar gerealiseerd. De invulling hiervan vindt zoveel mogelijk plaats in volgorde van vaststelling dat gegadigden uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. 5. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken worden de volgende ondersteunende voorzieningen op de arbeidsinschakeling aangeboden: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; of c. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 6. Voor zover nodig kan één van de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden aangeboden tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt: a. deelname aan vrijwilligerswerk; b. (arbeidsmatige) dagbesteding in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

c. d. e. f. g.

scholing als bedoeld in artikel 7; sociale activering als bedoeld in artikel 27; persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 9; schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; of andere voorzieningen die bijdragen aan het participeren in de samenleving.

Artikel 26. Participatieplaats 1. Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand die vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, in overeenstemming met artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten voor zover dit gezien zijn afstand tot de arbeidsmarkt passend is. 2. De duur van de participatieplaats is maximaal twee jaar, met de mogelijkheid van verlenging van twee keer één jaar. 3. Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld met de werkgever die de participatieplaats aanbiedt en de persoon die de onbeloonde additionele werkzaamheden gaat verrichten. In de overeenkomst worden in ieder geval de uit te voeren werkzaamheden en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt vastgelegd. 4. Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de aansprakelijkheids- en ongevallen risico’s ten behoeve van de persoon zijn afgedekt. 5. De premie, als bedoeld in artikel 10a, zesde lid van de wet bedraagt € 300,- per zes maanden bij meer dan 18 uur inzet per week. De premie wordt alleen uitgekeerd indien naar het oordeel van het college voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. De betaling vindt plaats aan het eind van elke zes maanden dat de persoon op grond van dit artikel additionele werkzaamheden heeft verricht. Artikel 27. Sociale activering 1.

Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering, voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.

3. Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Hoofdstuk 7

Slotbepalingen

Artikel 28. Nadere regels 1. Het college kan bij uitvoeringsbesluit, ter uitvoering van deze verordening nadere regels vaststellen voor de uitwerking van het arbeidsmarktinstrumentarium. 2. Het college kan daarbij ook bepalen welke andere, overige voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling beschikbaar worden gesteld aan de werkzoekende. Artikel 29. Innovatie 1. Het college kan, als experiment in het kader van het onderzoeken en toepassen van mogelijkheden om de participatie te bevorderen, afwijken van het bepaalde in deze verordening. Wanneer hiervan gebruik wordt gemaakt, wordt de raad hierover geïnformeerd. 2. De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste drie jaar. 3. Indien het experiment noodzaakt tot bijstelling van deze verordening kan de periode zoals genoemd in het tweede lid worden verlengd tot aan het moment van inwerkingtreding van de bijstelling. Artikel 30. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 31. Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 32. Inwerkingtreding en overgangsrecht 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgende op die van haar bekendmaking en werkt terug tot 1 juli 2023 onder gelijktijdige intrekking van de Reintegratieverordening Participatiewet gemeente Hellendoorn 2017. 2. Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de Reintegratieverordening Participatiewet gemeente Hellendoorn 2017, die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening, voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Re-integratieverordening gemeente Hellendoorn 2017, voor de duur: a. van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening; of b. dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode, bedoeld in onderdeel a. 3. Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde periode, besluiten of een voorziening in verband met een bijzondere individuele situatie wordt voortgezet. 4.

De Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Hellendoorn 2017 blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het tweede en derde lid. 5. Het college kan voor personen, die beschikken over een geldige indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening en die per 31 december 2014 waren aangesteld op basis van een sociale werkvoorziening (SW)-dienstbetrekking of begeleid werken, zoals bedoeld in deze wet, een loonkostensubsidie verstrekken aan de werkgever ten behoeve van een arbeidsplaats, met een minimale duur van 6 maanden. 6. De loonkostensubsidie per SW-geïndiceerde, zoals bedoeld in het vijfde lid, wordt gebaseerd op de ontbrekende loonwaarde en de begeleidingskosten van de medewerker. Voor de loonwaardemeting hiervan wordt aangesloten bij de methodiek voor loonwaardemetingen voor loonkostensubsidies Participatiewet, zoals bedoeld in artikel 11. Artikel 33. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Hellendoorn 2023.

De raad voornoemd, de griffier

de voorzitter

Bijlage 1 behorende bij artikel 17, eerste lid Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Hellendoorn 2023 De gemeente Hellendoorn hanteert als kwaliteitseis voor een in te schakelen jobcoach dat wordt voldaan aan de eisen zoals vastgelegd in paragraaf 2.4.1 van de Beleidsregel Erkenningsen intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV: ‘het Erkenningskader’ (Stcrt. 2019, 51103). Zie https://wetten.overheid.nl/BWBR0042550/2019-10-01

Behorende bij raadsbesluit van …. De griffier van Hellendoorn,

Toelichting Inleiding Deze verordening is de opvolger van de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Hellendoorn 2017. De wijzigingen ten opzichte van deze oude verordening komen met name voort uit de verplichte aanpassingen naar aanleiding van wetswijziging ‘Breed offensief’ (Wet van 30 november 2022 tot wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief) (Staatsblad 2022, nr 499). Bij brief van 7 september 2018 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder de noemer “Breed offensief” maatregelen aangekondigd om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Voor een deel was daar een wetswijziging voor nodig. In de hierboven genoemde wetswijziging is het juridisch raamwerk rondom deze maatregelen neergelegd. Het doel van de maatregelen is dat meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk komen en blijven. Het gaat om mensen met een beperking die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen en vallen onder de doelgroep banenafspraak of die zijn aangewezen op beschut werk. De bij verordening te regelen uitwerking van deze maatregelen, opgenomen in artikel 8a, tweede lid, onder c tot en met g, van de wet, is met name neergelegd in hoofdstuk 5 van deze verordening.

Deze bepalingen hebben vooral betrekking op de verstrekking van de wettelijke loonkostensubsidie, de invulling van persoonlijke ondersteuning, de jobcoaching en de werkbegeleiding voor de doelgroep met een arbeidsbeperking en het verstrekken van specifieke voorzieningen zoals vervoer of werkplekaanpassingen. Daarmee wordt het uit de wet voortvloeiende belang van het bieden van specifieke ondersteuning voor deze doelgroep duidelijk geborgd. Omdat op grond van de wet regionaal wordt samengewerkt ten aanzien van de inzet van voorzieningen om werkzoekenden bij werkgevers te plaatsen, heeft over de inhoud van deze verordening regionale afstemming plaatsgevonden binnen de arbeidsmarktregio Twente. Daarbij is onder meer geconcludeerd dat alle gemeenten maximaal inzetten op het gebruik van de wettelijke loonkostensubsidies. De bestaande regionale beleidslijn om géén andere gemeentelijke loonkostensubsidie in deze verordening op te nemen wordt daarmee voortgezet (behoudens eventuele lokale toepassing van een nadere regeling op grond van het innovatieartikel). Verder heeft regionale afstemming plaatsgevonden ten aanzien van de jobcoaching en werkbegeleiding voor personen met een arbeidsbeperking. Voor de kwaliteitseisen van een jobcoach wordt aangesloten bij de opleidingseisen in de Beleidsregel Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV 2019.

Voor het vaststellen van de duur en intensiteit van de jobcoaching gelden de begeleidingsregimes licht, midden en intensief uit het Protocol Interne Jobcoach UWV 2019 als uitgangspunt. Aan het college wordt opgedragen de nadere voorwaarden hiervoor en de hoogte van de vergoedingen uit te werken in nadere regels, waarbij gestreefd wordt naar regionale afstemming. De voorzieningen voor werkzoekenden behoren tot de lokale beleidsvrijheid van de gemeenten. Daarbij geldt alleen voor deelname van werkzoekenden aan een participatieplaats de wettelijke verplichting voor de raad om de hoogte van de premie te regelen in een verordening. In deze verordening wordt daarom alleen voor deze premie een regeling getroffen. Hierbij geldt geen verplichting tot regionale afstemming, maar wordt het aan de afzonderlijke gemeenten overgelaten om eventuele uitstroompremies of andere premies aan werkzoekenden op te nemen.

Voor het overige is inhoudelijk zoveel mogelijk aangesloten bij de bepalingen uit de modelverordening van de VNG. Alleen is voor de overzichtelijkheid in deze verordening, conform de oude verordening van de gemeente Hellendoorn, onderscheid gemaakt tussen: • Algemene voorzieningen gericht op regulier werk (hoofdstuk 4, voor de gehele doelgroep (artikel 7 van de wet), zowel met een korte als met een grote afstand tot de arbeidsmarkt); • Specifieke voorzieningen gericht op regulier werk voor de doelgroep met een arbeidsbeperking (hoofdstuk 5, voor de doelgroep loonkostensubsidie), waarin de vereisten van het “Breed offensief” zijn verwerkt; en • voorzieningen niet gericht op regulier werk (hoofdstuk 6, alleen voor personen met een arbeidsbeperking en/of grote afstand tot de arbeidsmarkt). Deze indeling sluit (behoudens de artikel-volgorde) aan bij het VNG-model. Daarmee wordt duidelijker dat bijvoorbeeld een werkstage in onze gemeente kan worden aangeboden aan de gehele doelgroep, en niet beperkt blijft tot personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Een ander gevolg is dat een detacheringsbaan, die in het VNG-model beperkt blijft tot personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt, in onze gemeente ook kan worden ingezet voor bij voorbeeld aanstelling en detachering van personen met een indicatie banenafspraak via de CAO aan de Slag (zie artikel 6, tweede lid).

Verder maakt deze indeling helder dat de voorzieningen beschut werk, participatieplaats en sociale activering alleen worden ingezet voor personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Verder is veelal uitgegaan van de bestaande kaders van de vorige Re-integratieverordening Participatiewet 2017. Waar nodig zijn deze wel aangepast aan de nieuwe wetgeving, zoals bij de proefplaatsing (zie artikel 5 van deze verordening). Verder zijn bij sommige instrumenten lokale bepalingen gehandhaafd, ook al zijn die wettelijk niet verplicht (bijvoorbeeld ten aanzien van de maximale duur van de werkstages, artikel 4). Tenslotte is in deze verordening ook lokaal nieuw beleid opgenomen, met name ten aanzien van de invulling van extra plaatsen voor nieuw beschut werken (artikel 25). Hiervoor is gekozen omdat de gemeente Hellendoorn in 2022 al besloten heeft extra plaatsen voor nieuw beschut werken open te stellen. Op grond van de wet moet de gemeenteraad, als voor extra plaatsen wordt gekozen, daarvoor regels vaststellen. Dit is nu meegenomen in deze nieuwe verordening. Algemeen Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd.

Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de wet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend reintegratietraject is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de wet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorzieningen. Het is daarbij van belang dat kenbaar is welke voorzieningen en ondersteuningsmogelijkheden er zijn. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college aanbiedt. Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om regels op te nemen in deze verordening: • persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a en e, en 10, eerste lid, van de wet); • scholing of opleiding, als bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de wet (zie artikel 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel b, van de wet);

• • •

• •

•

•

de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet (zie artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel b, van de wet); participatievoorziening beschut werk, als bedoeld in artikel 10b van de wet (zie de artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vijfde en zevende lid, van de wet); loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10d van de wet, voor zover het gaat om de vormgeving van het administratieve proces tot verstrekking hiervan (zie artikel 8a, tweede lid, onderdeel c, van de wet); proefplaats (zie artikel 8a, tweede lid, onderdeel d, van de wet); vervoersvoorziening, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet, die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken (zie artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de wet); intermediaire activiteit, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet, die noodzakelijk is in verband met een visuele of motorische handicap (zie artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de wet); meeneembare voorziening, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet, voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en de bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen (zie artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de wet);

De regels dienen aandacht te besteden aan de wijze waarop, rekening houdende met de persoonlijke omstandigheden, ten behoeve van de doelgroep van de wet (zie artikel 7 van de wet) en de specifieke doelgroep loonkostensubsidie, wordt voorzien in de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk (artikel 8a, eerste lid, onderdeel a en tweede lid, onderdelen a en g, en 10 eerste lid, van de wet). Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder behandeld. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Begrippen die al zijn omschreven in de wet, de Awb of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.

Doelgroep De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet. Het betreft: • personen die algemene bijstand ontvangen; • personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, van de wet is verleend; • personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet; • personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW); • personen met een uitkering op grond van de IOAW; • personen met een uitkering op grond van de IOAZ; • personen zonder uitkering (nuggers); en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college aangeboden voorziening.

Korte afstand tot de arbeidsmarkt Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon, naar redelijke maatstaven gemeten, binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2.

Grote afstand tot de arbeidsmarkt Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2.

Interne werkbegeleiding Interne werkbegeleiding is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk die wordt geboden door een interne werkbegeleider. Een interne werkbegeleider is een directe collega van een werknemer met een beperking die hem bij de dagelijkse werkzaamheden begeleidt omdat hij zonder die begeleiding niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren. Het moet hierbij gaan om, in verband met de beperking, meer dan gebruikelijke begeleiding. Om als interne werkbegeleider in het kader van de verordening te kunnen worden beschouwd is het noodzakelijk dat men de vaardigheden heeft om de begeleiding op een kwalitatief verantwoorde manier te kunnen bieden. De wetgever spreekt in dit verband van opgeleide collega’s, niet zijnde jobcoaches, die persoonlijke ondersteuning op de werkvloer verlenen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Zie verder de toelichting bij artikel 20.

Jobcoaching Jobcoaching is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk die wordt geboden door een jobcoach. Een jobcoach is een erkende deskundige die een werknemer met een beperking en/of zijn werkgever methodische ondersteuning biedt, zodat de werknemer een passende baan kan vinden en behouden. Om als jobcoach in het kader van de verordening te kunnen worden beschouwd, is het noodzakelijk dat men voldoet aan een aantal eisen die erop zijn gericht om de professionaliteit en de kwaliteit van de jobcoaching te waarborgen. Zie verder de toelichting bij artikel 17.

Overige voorzieningen Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet moeten er in de verordening regels opgenomen worden voor een drietal specifieke voorzieningen die bedoeld zijn voor personen met een arbeidsbeperking. Het gaat om vervoersvoorzieningen, noodzakelijke intermediaire activiteiten en meeneembare voorzieningen. Deze voorzieningen samen worden in deze verordening aangeduid met het begrip ‘overige voorzieningen’.

Persoonlijke ondersteuning bij werk Onder persoonlijke ondersteuning bij werk wordt begrepen een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op het verkrijgen, verrichten en behouden van arbeid (zie de artikelen 10, eerste en derde lid van de wet in samenhang met artikel 8a, tweede lid, onderdeel e en artikel 10da van de wet). In de memorie van toelichting bij artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, van de wet wordt eerst aangegeven dat de gemeenteraad een breed aanbod van beschikbare instrumenten moet opnemen in de verordening. Vervolgens wordt alleen nader ingegaan op de jobcoach. De begrippen persoonlijke ondersteuning en jobcoach zijn evenwel niet identiek. Het begrip persoonlijke ondersteuning is ruimer. Het kan bij persoonlijke ondersteuning zowel gaan om een gekwalificeerde expert (jobcoach) als om een getrainde persoon die binnen het bedrijf zorgdraagt voor de dagelijkse werkbegeleiding (ook wel een “Harrie” genoemd). Combinaties van beiden zijn ook mogelijk (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 9).

Praktijkroute Opname in het doelgroepenregister kan op verschillende manieren plaatsvinden. Naast de aanvraagroute via het UWV is er ook een route die loopt via de gemeente. Deze route staat bekend als de praktijkroute en volgt uit artikel 38b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen. Het is een procesroute waarbij het college door middel van

een loonwaardemeting op de werkplek vaststelt dat de loonwaarde van een werknemer bij voltijdse arbeid minder bedraagt dan het wettelijk minimumloon, welke vaststelling leidt tot opname in het doelgroepenregister. Deze route kan alleen worden gevolgd op het moment dat iemand al een werkplek heeft. Hoofdstuk 2 Beleid en evaluatie Artikel 2. Evenwichtige verdeling en evaluatie Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de wet moet de gemeenteraad in de verordening aangeven onder welke voorwaarden welke personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet, en werkgevers van deze personen, in aanmerking komen voor in de verordening omschreven voorzieningen. Daarnaast moet worden aangegeven hoe deze voorzieningen, rekening houdend met omstandigheden, zoals de zorgtaken, en het feit, dat die persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort of gebruik maakt van de voorziening beschut werk, of een andere structurele functionele beperking heeft, evenwichtig over deze personen worden verdeeld. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen voorzieningen gericht op directe instroom in regulier werk (hoofdstuk 4), specifieke voorzieningen voor de doelgroep Breed Offensief (hoofdstuk 5) en andere voorzieningen die niet direct gericht zijn op regulier werk (hoofdstuk 6). Dit onderscheid wordt onder meer gebaseerd op de afstand van de persoon tot de arbeidsmarkt, waarbij wij onderscheiden: • Korte afstand tot arbeidsmarkt Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. • Grote afstand tot arbeidsmarkt Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Voor de verschillende voorzieningen volgt al uit de doelgroepomschrijving aan wie het college deze voorzieningen kan aanbieden.

Het gaat om: werkstage (artikel 4), proefplaats (artikel 5), detacheringsbaan (artikel 6), scholing (artikel 7), ondersteuning bij leer-werktrajecten (artikel 8), persoonlijke ondersteuning bij werk (artikel 9), participatievoorziening beschut werk (artikel 25), participatieplaats (artikel 26) en sociale activering (artikel 27).

Uitgangspunt van maatwerk Met inachtneming van de verschillende voorzieningen die kunnen worden aangeboden, streeft het college naar individueel maatwerk. Daarbij wordt afgewogen welke voorziening het meest doelmatig is met het oog op de inschakeling in het arbeidsproces.

Rekening houden met omstandigheden en beperkingen Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2, vierde lid is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden.

Verslag doeltreffendheid Het college informeert de gemeenteraad periodiek over de effecten van de verordening en de doeltreffendheid van het re-integratiebeleid in de praktijk (vijfde lid). De invulling hiervan is onderdeel van de binnen de gemeente geldende beleids- en verantwoordingscyclus, en wordt

meegenomen in de periodieke bestuursrapportages. Hiertoe verzamelt het college systematisch de in het zesde lid genoemde gegevens. De verslagen worden ook aangeboden aan het cliëntenplatform, zodat zij daar desgewenst een standpunt over kunnen innemen. Dit is geregeld in het vijfde lid. Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen over voorzieningen Artikel 3. Algemene bepalingen De wet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk).

Afstemming Het eerste lid regelt het uitgangspunt dat het college, afgestemd op de situatie van de persoon, de goedkoopst adequate voorziening verstrekt. De wet stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient na te gaan welke andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wel kan per voorziening een plafond ingebouwd worden; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een andere voorziening wordt uitgeweken. Dit betekent dat de voorziening goed genoeg moet zijn om een verantwoorde oplossing te bieden. Die oplossing hoeft dus niet noodzakelijkerwijs de meest optimale oplossing te zijn. Zijn er meerdere adequate opties om de klant te ondersteunen, dan zullen de kosten van de oplossingen doorslaggevend zijn. Deze afweging wordt per (individuele) persoon gemaakt. Het eerste lid regelt ook de afstemming binnen het gemeentelijke sociale domein. Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel g, van de wet dienen er regels opgenomen te worden over de samenwerking binnen het gehele sociale domein als dat nodig is voor een integrale ondersteuning van de persoon (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56).

Het gaat zowel om de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk. Het is belangrijk om hier bij de inzet van voorzieningen rekening mee te houden en dit te benoemen in het plan van aanpak. Deze bepaling biedt ook een grondslag voor het uitwisselen van de noodzakelijke informatie binnen het sociaal domein om tot de integrale aanpak te kunnen komen.

Weigeringsgronden Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan. De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de artikelen in deze verordening die specifiek betrekking hebben op die voorzieningen. Ook zal het college bij de beoordeling van het recht op een voorziening de in artikel 2 opgenomen verdeling over verschillende doelgroepen in acht moeten nemen. Het betreft hier een “kan-bepaling”, zodat het college altijd een afweging moet maken of een weigering in een individuele situatie al dan niet op zijn plaats is. Hoewel het weigeren van een voorziening, als een afwijzingsgrond zich voordoet, wel het uitgangspunt vormt, is dit geen automatisme. Dit hangt samen met het feit dat re-integratie vraagt om maatwerk.

Beëindigingsgronden Het derde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een

werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen. Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 3, derde lid. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de wet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet is verleend. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet is verstrekt.

Deelname aan re-integratie is niet vrijblijvend. De belanghebbende die deelneemt aan een voorziening is gehouden te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, evenals aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening, hier niet aan voldoet, kan het college een maatregel opleggen conform wat hierover is bepaald in de Verordening bestrijding misbruik, maatregelen en boeten Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Hellendoorn 2015. Voor personen zonder uitkering (nuggers of anw-ers) die gebruik maken van een voorziening, en niet voldoen aan de vastgestelde verplichtingen, kan het college de kosten van de voorziening dan wel de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen. De wet voorziet echter niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd (Rechtbank Arnhem 14-09-2006, nr. AWB 06/999, ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540). Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. Hoofdstuk 4 Algemene voorzieningen gericht op regulier werk voor de gehele doelgroep Artikel 4. Werkstage / werkervaringsplaats Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14998776/1