CConstaterende datHellendoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept gebiedsprogramma's

Informatieronde 13 juni 2023, gemeente HellendoornBij agendapunt: Toelichting over het Provinciaal programma landelijk Gebied (PPLG)32.882 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Niet gevonden in dit document.

Uitwerking van de 3 PPLG doelen natuur, water en klimaat ..............................................................8 2.1 Natuur ........................................................................................................................................9 2.2 Water .......................................................................................................................................12 2.2.1 WATERKWALITEIT ............................................................................................................12 2.2.2 WATERKWANTITEIT .........................................................................................................13 2.3.1 STIKSTOF ..........................................................................................................................15 2.3.2 BROEIKASGASSEN ............................................................................................................16 3. Sociaal economische impact ..............................................................................................................17 3.1 Impact deelgebied Zuidoost Twente .......................................................................................18 3.2 Uitzicht op perspectief.............................................................................................................19 4.

Landbouwperspectief ........................................................................................................................20 4.1 Landbouwvisie .........................................................................................................................20 4.2 Landgoederen ..........................................................................................................................21 5. Realisatiestrategie .............................................................................................................................24 5.1 Visie en strategie om te komen tot realisatie .........................................................................24 5.1.1 GEBIEDSGERICHTE AANPAK .............................................................................................24 5.1.1.1 Bod van de vijf gemeenten binnen Zuidoost Twente aan de provincie .......................25 5.1.2 WATEROPGAVEN IN RELATIE TOT UITVOERINGSSTRATEGIE ..........................................25 5.1.3 LANDBOUW .....................................................................................................................26 5.1.4 INDUSTRIE, VERKEER EN VERVOER, BOUW EN INFRA, LANDBOUW (NOX) ....................27 5.1.5 COMMUNICATIESTRATEGIE INCLUSIEF BETREKKEN INWONERS ....................................28 5.2 Gebiedsprocessen

....................................................................................................................28 5.2.1 WELKE PROCESSEN PASSEN WAAR .................................................................................28 5.2.2 LOPENDE GEBIEDSPROCESSEN ........................................................................................29 5.2.3 NIEUWE INITIATIEVEN VOOR GEBIEDSPROCESSEN .........................................................29 5.2.4 LEREN VAN VERSCHILLENDE AANPAKKEN VAN GEBIEDSPROCESSEN .............................30 5.5 Rollen en verantwoordelijkheden ...........................................................................................30 5.6 Aandachtspunten .....................................................................................................................32 5.7 Aanpak .....................................................................................................................................33 2

5.8 Middelen ..................................................................................................................................33 Bijlagen...................................................................................................................................................35 BIJLAGE I - Communicatieplan voor Zuidoost Twente ..................................................................36 BIJLAGE II - Het landgoedmodel voor Overijssel: verweving van natuur, landbouw, cultuur en maatschappij ..................................................................................................................................37 BIJLAGE III - De landgoedaanpak, maatregelen, instrumenten en handvatten ............................40 Bijlage IV - Concept landbouw menukaart ....................................................................................43 Bijlage V - Definitielijst ...................................................................................................................45

3

1. Algemene toelichting Voor u ligt het gebiedsprogramma PPLG (Provinciaal Programma Landelijk Gebied) Zuidoost Twente. Het gebiedsprogramma Zuidoost Twente heeft een tweeledig doel. Enerzijds staat hierin de vertaling van de opgaven en de aanpak van het ontwerp-PPLG naar dit specifieke gebied Zuidoost Twente. Anderzijds geeft het inzicht in de uitvoeringsstrategie en de aansluiting op lopende en nieuwe initiatieven in dit gebied. Ook de eerder opgestelde gebiedsagenda in het kader van de gebiedsgerichte aanpak (GGA) stikstof is in het concept gebiedsprogramma geïntegreerd. Het concept gebiedsprogramma is in de afgelopen maanden onder grote tijdsdruk tot stand gekomen. Daarbij kennen we een deel van de Rijksopgaven (zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn doelen) en essentiële randvoorwaarden (zoals de inhoud van het Landbouwakkoord) nog niet. Dit betekent dat ook het concept gebiedsprogramma een tussenproduct is. Wel geeft het gebiedsprogramma een duidelijk inzicht in de gebiedsspecifieke opgaven en de wijze waarop de uitvoering in dit gebied wordt voorzien. Daarmee vormt het concept gebiedsprogramma Zuidoost Twente een eerste doorvertaling van het ontwerp-PPLG en de basis voor een gebiedseigen aanpak van de transitie van het platteland in dit gebied. Het nu voorliggende concept gebiedsprogramma zal ter kennisname aan Provinciale Staten en het Rijk worden voorgelegd.

De bespreking aan de bestuurlijke tafel in mei 2023 kan worden gezien als een gebiedsspecifiek ijkmoment in het komen tot een definitief gebiedsprogramma. Het voornemen is om het gebiedsprogramma eind 2023, als bijlage bij het definitieve PPLG, door Provinciale Staten vast te laten stellen. Het streven is om de opgaven en het eigenaarschap in het gebiedsprogramma zo breed mogelijk in te vullen, partnerschap blijft het uitgangspunt. In de periode tot eind van het jaar blijven we als gebiedspartners daarom volop doorwerken aan de definitieve versie van het gebiedsprogramma. Dit gebiedsprogramma is opgesteld door het Gebiedsteam Zuidoost Twente, met input van de gebiedspartners. Dit zijn momenteel agrarische organisaties, gemeenten, terreinbeheerders, particuliere landgoedeigenaren en waterschappen).

1.1 Doelen PPLG Overijssel De provincie Overijssel gaat in het PPLG uit van 3 doelen. Deze zijn: 1. Het realiseren van natuurherstel, een robuust watersysteem en minder emissies van broeikasgassen; 2. Het behoud en versterken van de sociaaleconomische kwaliteit van het platteland; 3. Het realiseren van een toekomstbestendig perspectief voor de landbouw.

4

De doelen 2 en 3 zijn door de provincie Overijssel toegevoegd aan de doelen vanuit het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Het realiseren van natuurherstel, een robuust watersysteem en minder emissies van broeikasgassen valt of staat met het behoud van de sociaal- economische kwaliteit van het platteland en het bieden van een toekomstbestendig perspectief voor de landbouw. De 3 doelen zijn voor de provincie Overijssel onlosmakelijk met elkaar verbonden. Voor het realiseren van de doelen heeft de provincie een aanpak ontwikkeld met de naam 3 x 3 aanpak.

3 voorwaarden Naast de 3 doelen, kent het PPLG 3 randvoorwaarden. De eerste is dat alle sectoren bijdragen aan de realisatie van de doelen. Zo worden er maatregelen genomen in onder meer de landbouw, industrie en mobiliteit. Zowel op het gebied van stikstofreductie, minder uitstoot van broeikasgassen als voor de verbetering van luchtkwaliteit. Ondanks dat de maatregelen bij de industrie en mobiliteit opgepakt worden onder andere programma's dan het PPLG, moeten uiteindelijk alle regionale doelen bij elkaar ervoor zorgen dat de landelijke verplichtingen voor klimaat, water, stikstof en natuur worden gehaald. Een andere voorwaarde is dat opgaven integraal worden opgepakt. Dit houdt in dat we in gebieden de opgaven in samenhang realiseren en niet alleen voor natuur of alleen voor klimaat. Ten slotte is de voorwaarde dat we als partners de opgaven gezamenlijk realiseren door goede samenwerking in de gebieden. 3 keer maatwerk voor agrarische ondernemers De provincie onderkent in hoofdlijn drie soorten ondernemers, waarbij mengvormen uiteraard mogelijk zijn. De eerste is de ondernemer die wil doorgaan met hoogproductieve landbouw. Deze ondernemers ziet de provincie met name in de gebieden die zij in de omgevingsvisie heeft aangeduid als ‘hoogproductieve landbouw'. Ondernemers in deze gebieden hebben, net als elke ondernemer, wel te maken met opgaven vanuit het PPLG.

5

De tweede categorie ondernemers zijn degene die hun bedrijfsvoering aanpassen. Gedacht kan worden aan omslag naar biologisch boeren, extensief boeren of overschakelen van bijvoorbeeld melkveehouderij naar akkerbouw. De derde categorie ondernemers zijn boeren die stoppen met hun bedrijfsvoering. In de visie van de provincie worden de gronden die bij de stoppende ondernemers mogelijk beschikbaar komen, ingezet voor de blijvende ondernemers. Zuidoost Twente Voor Zuidoost Twente is het realiseren van een toekomstbestendig perspectief voor de landbouw de knop om ook de andere twee doelen te realiseren waarin emissiereductie wordt beloond. Een sterke toekomstbestendige sector kan als onderlegger van het PPLG worden gezien. Zeker in een gebied als Zuidoost Twente waar de agrariër een sleutelrol vervuld als landschapsbeheerder, in de lokale economie en in het dorpsleven in Zuidoost Twente. Naast de opgaven vanuit het NPLG zijn er ook andere opgaven zoals waterwinning, waterveiligheid, woningbouw en de energietransitie. Dit grote aantal opgaven biedt kansen, maar is gelijktijdig ook een risico. Immers kunnen opgaven elkaar versterken, maar ook conflicteren. Duidelijk is dat we elkaar in Zuidoost Twente nodig hebben om samen te bouwen aan dit prachtige gebied.

Belangrijke partijen in het gebied zijn de agrarische sector, de particuliere landgoederen, veel particuliere inwoners in het buitengebied, de terrein beherende (natuur)organisaties, de recreatiesector, het MKB, de waterschappen en de gemeenten.

1.2 Beschrijving van het gebied Het gebied Zuidoost-Twente omvat de gemeenten Enschede, Hengelo, Borne, Haaksbergen en Hof van Twente. De stedelijke gebieden verschillen in veel aspecten sterk met het landelijk gebied. Dit heeft ook invloed op de verschillende opgaven die er liggen. Zuidoost-Twente heeft de meeste industriële bedrijven van de provincie, voornamelijk gelegen rondom de steden Hengelo en Enschede. Voor de stedelijke gebieden liggen er opgaven op het gebied van woningbouw, nietagrarische bedrijvigheid, klimaatadaptatie en energie. Voor het landelijk gebied zijn er andere opgaven: denk aan verduurzaming van de landbouw, Natura 2000-opgaven, de vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen, de leefbaarheid van het platteland en het versterken van landschap en biodiversiteit. Maar ook hier vragen klimaatadaptatie en de energietransitie om aandacht. Het aandeel van de landbouw in de totale stikstofemissie in het gebied is in Zuidoost-Twente met 67% aandeel het laagst ten opzichte van de ander Overijsselse deelgebieden. Dit hangt samen met het sterk stedelijke karakter van het gebied en een hoger aandeel verkeer en industrie. In Zuidoost-Twente ligt een viertal Natura 2000-gebieden: Buurserzand-Haaksbergerveen, het Witte Veen, het Aamsveen en - op de grens met deelgebied West-Twente - De Borkeld.

Het landelijk gebied kenmerkt zich verder grotendeels door afwisselende en redelijk kleinschalige landschappen. Van grote landschappelijke waarde zijn de essen-, hoeven- en beekdallandschappen. Opvallend is het grote aantal landgoederen. Verspreid over het gebied ligt een drietal grote zones met veel landgoederen: in en rondom Enschede, rondom Delden en rondom Diepenheim. De landschappelijke diversiteit staat onder druk door intensivering en schaalvergroting in de landbouw.

6

Deze landschappen zijn al eeuwenlang in cultuur. Nederzettingen groeiden uit tot buurtschappen, samenlevingsvormen met een dorpskern. Met name in de kleine dorpskernen is sociale cohesie groot, ‘noaberschap’. Sociaaleconomisch en –maatschappelijk perspectief is dan ook een belangrijke pijler voor Zuidoost Twente.

1.3 Korte procesbeschrijving tot heden met bijzonderheden In september 2022 is de provincie Overijssel gestart met het Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PPLG). In de twee jaren ervoor is gewerkt aan een gebiedsagenda in het kader van de Gebiedsgerichte Aanpak Stikstof (GGA). Doordat meer opgaven gerealiseerd dienen te worden is het NPLG ontstaan. Het PPLG is de provinciale vertaling van dit NPLG. Het PPLG is vormgegeven in zes gebieden, die samen de hele provincie beslaan: Noordwest-Overijssel, Salland, Vechtdal, WestTwente, Noordoost-Twente en Zuidoost-Twente. Deze indeling is naar aanleiding van de GGA tot stand gekomen op basis van geografie en bestaande samenwerkingsverbanden. De gebieden zijn groot genoeg voor verbinden en klein genoeg om elkaar te kennen. Gebiedsteam Per PPLG-gebied vormt een gebiedsteam de werkorganisatie. Dit team heeft ook het proces van totstandkoming van de Concept gebiedsagenda’s ondersteunt en begeleid. Vanuit de provincie is gezorgd voor de basisbemensing met gebiedsregisseurs en gebiedsondersteuners. De gebiedsteams bestaan verder uit enkele medewerkers afkomstig van andere gebiedspartners, waarbij deelname door de provincie wordt gefaciliteerd via een subsidieregeling. Gebiedstafels De afstemming in de gebieden vindt plaats aan zogenaamde Gebiedstafels die op zowel ambtelijk als bestuurlijk niveau worden georganiseerd.

Aan de Gebiedstafels werken (vertegenwoordigende) organisaties met een belang bij het gebied samen op basis van ‘noaberschap’. Draagvlak en gedeeld eigenaarschap zijn cruciaal voor het slagen van het PPLG. Gebiedsprocessen Uit de reacties blijkt dat in Zuidoost Twente veel energie aanwezig is om met gebiedsprocessen aan de gang te gaan. Er zijn en worden door de partners, in samenwerking met de provincie, informatieen inspiratiebijeenkomsten voor met name de agrarische sector georganiseerd. Doel van de bijeenkomsten is het ophalen van informatie uit het gebied en het informeren van ondernemers en inwoners door inzicht te geven in opgaven en kansen. Van belang is dat deze vanuit de samenleving/landbouw komen. Een overzicht van lopende gebiedsprocessen en potentiële initiatieven staan beschreven in paragraaf 5.2.

1.4 Leeswijzer In de hoofdstukken 2, 3 en 4 zijn de doelen en opgaven van het PPLG voor Zuidoost Twente nader uitgewerkt. In hoofdstuk 2 zijn de groen-blauwe doelen en opgaven beschreven (spoor 2). In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het sociaal-economische impact met als doel behoud en versterking van het sociaal-economisch perspectief. In hoofdstuk 4 komt de landbouwvisie (sporen 1 en 3) en landgoederen aan de orde. Hoofdstuk 4 gaat in op de realisatiestrategie en hoofdstuk 5 gaat in op de aanpak voor de korte termijn, de middellange termijn en de lange termijn.

7

2. Uitwerking van de 3 PPLG doelen natuur, water en klimaat

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de 3 doelen vanuit het PPLG (zie hoofdstuk 1 en schema hierboven). Per doel wordt aangegeven wat de opgaven zijn en wat deze betekenen. De tabel hieronder bevat een eerste indicatieve verdeling naar het deelgebied Zuidoost Twente van een aantal van de PPLG-doelen. Ook is aangegeven onder welk ‘spoor’ deze opgave valt in de visie van de provincie. Dit gebiedsprogramma geeft dan ook de nu bekende opgaven weer. NR Thema/doel Spoor 1: Naar een grondgebonden melkveehouderij 1.1 Landbouwareaal in gebied 1.2 Melkveehouderij grondgebonden in 2032; Uitgangssituatie (intensiteit bedrijven (GVE/ha):

Zuidoost Twente 27.194

58% >2,1 GVE 29% >2,5 GVE 13% >3 GVE 1.3 Areaal landbouwstructuur-versterking/kavelruil (raming) Spoor 2: Gebiedsgerichte opgaven natuur, water, klimaat i.c.m. extensieve natuurinclusieve landbouw 2.1 Areaal Natura 2000-gebieden met instandhoudings-doelen: 2.028 ha voor maatregelen zie Beheerplannen/ Gebiedsanalyses (inclusief uitbreiding NNN in uitwerkingsgebieden) 2.2 Zoekgebied maatregelen KRW-opgave oppervlakte- en 3.500 ha grondwater: maatregelen bepalen in gebiedsproces (zoekgebied betekend dat er voor genoemde oppervlakte, ruimte gezocht moet worden) 2.3 Zoekgebied waterkwantiteit voor KRW-doelen oppervlakteNader te bepalen en grondwater en waterbeschikbaarheid (bij droogte) 2.4 Overgangsgebieden: zoekgebied natuurinclusieve landbouw 2.698 ha met leefgebied VHR soorten in boerenland i.c.m. vermindering stikstofemissie 2.5 Veenweide opgave n.v.t. 2.6 Uitbreiding bos /bossenstrategie (ruimtelijk binnen-2.3-2.5) 500 ha (indicatieve meekoppelopgave) (klimaatopgave t.b.v.

reductie CO2) 2.8 Overlap van gebieden onder 2.2-2.5 414 ha (het aantal ha’s is gebaseerd op de gebruikte GIS-kaarten van de provincie waarbij opvalt dat er niet heel veel overlap is) 2.9 Groen-blauwe dooradering 10% van de prioritaire gebieden (6% is in Overijssel aanwezig) 2.10 Areaal uitwerkingsgebieden natuurinclusieve landbouw in 30% combinatie met water, natuur en klimaat opgaven als percentage van landbouwareaal (areaal met meervoudige opgave) Spoor 3: Bedrijfsgerichte- en ketengerichte maatregelen 3.1 Maatregelen vermindering van ammoniakemissie Aanvullend op de vermindering van de ammoniakemissies via spoor 1 en spoor 2 beogen wij via dit spoor ca. 40-66% van de Overijsselse opgave voor de vermindering van de ammoniakemissie te realiseren. Hiervan dienen streefwaarden voor 2030 en 2035 afgeleid te worden waarop ondernemers zich individueel of in samenwerking per gebied kunnen richten

8

3 sporen De provincie heeft een visie op realisatie van de opgaven. In deze visie wordt een groot deel van de opgave gerealiseerd door het instellen van een norm voor grondgebondenheid voor de Melkveehouderij. De inschatting is dat er een norm komt voor de toegestane veebezetting per hectare (GVE). Door instelling van deze norm zou een groot deel van de opgave voor de reductie van stikstof- en methaanemissies gerealiseerd worden. Of deze norm er komt en hoe hoog deze is, is onderdeel van de gesprekken over het Landbouwakkoord. Bij een norm van bijvoorbeeld 2,4 GVE per hectare, zullen veel ondernemers genoodzaakt zijn om het aantal dieren terug te brengen of meer grond onder hun bedrijf te krijgen. Dit laatste is alleen mogelijk als er ook ondernemers zijn die stoppen en waarbij de vrijkomende grond wordt ingezet voor de blijvende melkveehouders. Het tweede spoor gaat uit van realisatie van de diverse opgaven op het gebied van natuur en water. Dit zijn met name opgaven die, wederom in de ogen van de provincie, landen op specifieke hectares. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat een deel van deze opgaven op dezelfde hectares landbouwgrond kunnen vallen. Gedacht kan worden aan grond waarvoor een beperking geldt ten aanzien van bemesting en gebruik van bestrijdingsmiddelen omdat het een intrekgebied is voor drinkwaterwinning.

De gedachte dat op deze grond wellicht ook leefgebied voor VHR-soorten gerealiseerd kan worden. In deze visie belast je dus een beperkter aantal hectares met meerdere opgaven. De consequentie van (de stapeling van) deze opgaven is dat deze leiden tot extensiever gebruik en daarmee tot verdere reductie van emissies van stikstof en methaan. Het derde spoor doet ten slotte een beroep op het vakmanschap van de agrarisch ondernemer. Door aanpassing van bedrijfsvoering, voer- en stalmanagement en technische maatregelen, kan het laatste deel van de opgaven op het gebied van stikstof en methaan worden gerealiseerd. De bovenstaande visie op realisatie van opgaven is niet bindend. Als gebied kunnen we kiezen voor een andere werkwijze. Uiteraard geldt wel dat hierbij, naast draagvlak, ook gekeken moet worden naar kosten. Hier zal steeds een afweging tussen gemaakt moeten worden. In de volgende hoofdstukken staat meerdere keren aangegeven dat we in Zuidoost Twente op onderdelen willen kiezen voor een andere realisatie strategie. In onderstaande paragrafen worden de gebiedsopgaven onder spoor 2 toegelicht.

2.1 Natuur Instandhoudingsdoelen Natura 2000 In Zuidoost Twente ligt een viertal Natura 2000-gebieden: Buurserzand-Haaksbergerveen, Witte Veen, het Aamsveen en de Borkeld. Het Natura 2000-gebied Lonnekermeer ligt op de grens met deelgebied Noordoost Twente en is in dat gebiedsprogramma opgenomen. In het westen, op de grens met deelgebied West-Twente, ligt N2000 gebied De Borkeld. Binnen de PPLG-aanpak is afgesproken dat maatregelen voor De Borkeld bij het gebiedsteam West-Twente ligt. De maatregelen ten behoeve van de Natura 2000-doelen hebben wel effect binnen het deelgebied Zuidoost Twente en andersom. De maatregelen voor natuur en landschap in Zuidoost-Twente betreffen in eerste instantie uitvoering geven aan de beheer- en inrichtingsplannen voor de Natura2000-gebieden om zo invulling te geven aan de instandhoudingsdoelen. Het Natura 2000-gebied Buurserzand - Haaksbergerveen vormt samen met het Witte Veen (en het Duitse Witte Ven) en het Aamsveen een keten van 9

hoogvenen op de Nederlands-Duitse grens. Het zijn restanten ‘woeste grond’ die als fragmenten verspreid in het jonge heide- en broekontginningslandschap liggen. Deze (grond)waterafhankelijke natuur gaat voornamelijk achteruit door verdroging, waardoor stikstofneerslag vervolgens een nog grotere impact heeft. Vooral de herstellende hoogvenen en vochtige heiden staan zwaar onder druk. Vanuit het programma Ontwikkelopgave N2000 worden er diverse maatregelen genomen in en rond deze gebieden om met name de hydrologische situatie voor de natuur te verbeteren. Momenteel wordt onderzocht in hoeverre de maatregelen die genomen worden in het kader van het programma Ontwikkelopgave, dit zijn doelen vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn (afgekort VHR) voldoende zijn. De verwachting is dat er nog meer nieuwe hectares natuur gerealiseerd moet worden binnen Zuidoost Twente. Aanvullend areaal nieuwe natuur (uitbreiding NNN) oor VHRdoelen is daarom nog niet toebedeeld aan de deelgebieden. Dit onderdeel wordt naar verwachting opgenomen in het algemeen gebiedsprogramma PPLG Overijssel Overgangsgebieden Naast de instandhoudingsdoelen kan de natuurkwaliteit ook versterkt worden via een vorm van natuur inclusieve/extensieve landbouw.

In Zuidoost Twente is een opgave voor ca 2.700 ha die ingericht wordt voor natuur inclusieve landbouw met leefgebied Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) soorten in boerenland in combinatie met vermindering van stikstofemissies. Natuurinclusieve landbouw is een vorm van duurzame landbouw en onderdeel van een veerkrachtig eco- en voedselsysteem. Deze extensieve landbouw zien we vooral in de volgende gebieden in Zuidoost Twente: - In een zone rondom de Natura 2000-gebieden (de zogenoemde overgangsgebieden); - Binnen de NNN-gebieden c.q. in de zone ‘ondernemen met water en natuur’; - In de beekdalen langs de grotere KRW-watergangen; - In het grondwaterbeschermingsgebied Hoe deze extensieve vorm van landbouw er uit gaat zien kan verschillen per gebied. Dit moet nog verder uitgewerkt worden en zal vaak in een gebiedsproces worden uitgewerkt. Een passend verdienmodel van de betreffende bedrijven is daarbij een belangrijk uitgangspunt. In de door de provincie Overijssel opgestelde landbouwvisie worden hiervoor oplossingsrichtingen genoemd zoals ecosysteemdiensten. Van belang is deze nieuwe inkomstenbronnen verder uit te werken in betrouwbare en langjarige overeenkomsten. Om ondernemers te kunnen helpen bij een transitie richting extensivering is het ook van belang dat vergunningverlening mogelijk is.

Er zijn binnen Zuidoost Twente verschillende ondernemers die willen investeren in een duurzame ontwikkeling van hun bedrijfsvoering. Door de huidige stop op vergunningverlening is omvormen nu en ook op korte termijn niet mogelijk. Dit is een zeer onwenselijke situatie. Het realiseren van de opgaven moet centraal staan en niet zozeer de arbitrair vastgestelde begrenzing en bepalingen. Bedrijven buiten de beoogde overgangsgebieden die willen extensiveren of willen starten met regeneratieve landbouw dragen vrijwillig en met veel energie bij aan de opgaven. Hierdoor ontstaat er mogelijk ruimte voor bedrijven die juist willen blijven ondernemen binnen de zonering. In een gebiedsverkenning moet deze informatie opgehaald worden. Voor Zuidoost Twente is het belangrijk dat de overgangsgebieden niet dwingend worden aangewezen en een doel op zich wordt. De vraag is hoe realistisch dit is omdat er ook opgaven zijn/komen voor het herstel van de natuur.

10

Groenblauwe dooradering Een netwerk van landschapselementen wordt ook wel groenblauwe dooradering genoemd. Naast een positieve bijdrage aan biodiversiteit (o.a. VHR-soorten) kan groenblauwe dooradering op veel manieren positief bijdragen aan de verduurzaming en beleving van het landelijk gebied. Zo kan het voorzien in natuurlijke plaagregulatie voor de landbouw, beschaduwing langs beken om de waterkwaliteit te vergroten, koolstofvastlegging, en vormt de dooradering leefgebied voor een groot aantal plant- en diersoorten, die vervolgens weer de basis zijn voor soorten hoger in de voedselketen. Binnen het gehele deelgebied wordt gekeken waar op vrijwillige basis tot groenblauwe dooradering gekomen kan worden. De groenblauwe dooradering moet altijd passen bij het landschap. In de droge zandlandschappen zal het dan gaan om houtwallen en hagen, in de nattere gebieden gaat het om (verlaagde) natuurvriendelijke oevers. Hierbij maken we ook gebruik van de verplichte bufferstroken. Deze kunnen in sommige situaties verbreed en slim ingericht worden met een verlaagde oever en drempel, zodat ze veel efficiënter het afspoelende en uitspoelende water kunnen zuiveren (van deels historische vervuiling), waterpieken kunnen dempen om wateroverlast tegen te gaan en een bijdrage kunnen leveren aan de biodiversiteit.

Een voorbeeld van de invulling van de groenblauwe dooradering is Twente Bloeit (Groene Metropool Twente met haar gebiedspartners). Het betreft een plan waarbij verschillende financieringen en regelingen gestapeld worden, regelverlichting plaatsvindt en groenblauwe dooradering duurzaam belegd wordt in langjarige afspraken. In onze visie vindt deze groenblauwe dooradering dus niet enkel plaats binnen de zones waar extensieve landbouw voor de hand ligt, maar waar mogelijk ook in andere gebieden. Zuidoost Twente wil de opgave van 10% groenblauwe dooradering zo veel mogelijk combineren met de opgave vanuit de bossenstrategie. Aanleg van (grote) oppervlaktes bos is minder passend. Landschapselementen dragen bij aan hydrologie, bodemherstel, biodiversiteit, etc. Een voorstel vanuit een van de gebiedsdagen is om op basis van de regeling Agrarische Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) een subsidieregeling uit te werken voor het gehele landelijke gebied om te komen tot de gewenste 10% groenblauwe dooradering. Dus ook in de hoogproductieve landbouwgebieden. Een vergoeding voor een langjarig af te sluiten contract tussen de provincie en de (particuliere) grondeigenaar. Bij langjarig denken we aan 20 tot 30 jaar. Uitbreiding bos/bossenstrategie Binnen Zuidoost Twente wordt ruimte gezocht voor het realiseren van ca 500 ha nieuw bos.

Op kaart is niet aangegeven waar deze realisatie moet plaatsvinden. Gezocht wordt naar (deel-)percelen die minder productief zijn als landbouwgrond. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan percelen die door de verhoging van de drainagebasis te nat worden voor regulier landbouwgebruik of door boskernen uit te breiden waarbij ingezet wordt op streekeigen landschapstypen. Minder wenselijk is om bos aan te planten rondom N2000 met natuurdoeltypen die gevoelig zijn voor verdroging en waarvoor houtopstanden juist geveld zijn. De gemeente Borne heeft een ambitie om 24.000 bomen te planten (raadsamendement). Dit zal komende jaren verder worden uitgewerkt (o.a. opgenomen in het landgoedversterkingsplan Weleveld). De gemeente Enschede wil voor elke inwoner, 170.000, een boom aanplanten.

11

De voorkeur voor Zuidoost Twente is om de bossenstrategie in te vullen door aanleg van o.a. houtwallen in het gehele gebied. Hiermee wordt mede invulling gegeven aan de groenblauwe dooradering en aan doelen vanuit de Natuurherstelwet die naar verwachting in 2024 van kracht worden (Basiskwaliteit Natuur). Groene dooradering wordt pas als bos gezien, en kan worden meegeteld voor de bossenstrategie, als het minimaal 35 meter breed is met een oppervlakte van minimaal 0,5 ha. De provincie is op dit moment in overleg met het Rijk over een nieuwe financiering voor nieuw bos om vanaf 2024 weer een subsidieregeling open te kunnen stellen. Het is echter nog afwachten of lijnvormige elementen dan via (subsidie vanuit) de bossenstrategie mogen worden aangelegd of dat we alleen maar bosvlakken mogen financieren.

2.2 Water Voor de PPLG zijn de KRW-wateropgaven (Kader Richtlijn Water) onderdeel van de te behalen doelen. Voor de waterkwaliteitsdoelen binnen Zuidoost Twente is een voorlopige raming gemaakt van het areaal landbouwgrond rond de beken en waterlopen als zoekgebied voor maatregelen. De opgave voor waterkwantiteit speelt ook een belangrijke rol bij het halen van KRW-doelen. Zonder kwantiteit is kwaliteit niet mogelijk. De omvang en de gebieden waar dit speelt en waar maatregelen nodig zijn wordt momenteel uitgewerkt. Dit zal deels samenvallen met het zoekgebied voor waterkwaliteit. De drinkwaterwinningsgebieden en de aanpak daarvan vallen ook direct onder de KRW (de zogenaamde ‘gebiedsdossiers’. De waterkwaliteitsdoelen en waterkwantiteitsdoelen voor grondwater moeten uiterlijk 2027 worden gehaald.

2.2.1 WATERKWALITEIT Voor waterkwaliteit is vooral de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) leidend, inclusief alle daarbij horende richtlijnen (bijv. de Grondwaterrichtlijn en de Richtlijn Prioritaire Stoffen). Daarnaast speelt de Nitraatrichtlijn die direct doorwerking heeft op het mestbeleid, en in zijn geheel gericht is op de waterkwaliteit van grond- en oppervlaktewater, en daarmee de doelen van de KRW. De KRW loopt na 2027 wel door. Dat is nodig om de gehaalde doelen vast te houden (en waar nodig aan te passen), in verband met nieuwe inzichten (bijvoorbeeld door klimaatverandering) en bijvoorbeeld ook om nieuwe stoffen aan de lijst met Prioritaire Stoffen toe te voegen. De doelen gelden voor oppervlaktewater (ecologisch en chemisch) en grondwater (chemische kwaliteit én kwantiteit). Totaal kennen we binnen Zuidoost Twente 13 KRW oppervlaktewaterlichamen. 11 vallen onder het waterschap Vechtstromen. Dat zijn Boven-Regge, Poelsbeek, Bolscherbeek, Hagmolenbeek, Azelerbeek, Drienerbeek en een aantal KRW-waterlichamen die deels in Zuidoost Twente vallen: dat zijn de Bornschebeek, oude Bornschebeek, Glanerbeek, Gammelkerbeek en Elsbeek. Binnen het waterschap Rijn en IJssel vallen 2 waterlichamen in dit gebied. Dit zijn de Buurserbeek en de Zoddebeek.

Opgaven voor de waterkwaliteit Voor de opgave voor de KRW-kwaliteitsdoelen zijn in Zuidoost Twente zoekgebieden aangewezen rondom de Azelerbeek, Bolscherbeek, Elsbeek, Hagmolenbeek, Glanerbeek en de Gammelkerbeek. Deze KRW-maatregelen zijn onder te verdelen in inrichtingsopgaven (vistrappen, natuurlijke oevers e.d.) en opgaven die de chemische kwaliteit van grond- en oppervlaktewater verbeteren (beperken 12

emissies). De opgaven vanuit de KRW zijn in Zuidoost Twente grotendeels gereed. Wat daarvan nog resteert, betreft: − Hagmolenbeek-Azelerbeek: verbinding realiseren tussen beide beken. De waterkwaliteit is nog niet op orde. Waterschap Vechtstromen bekijkt of in combinatie met de nog resterende verplichte inrichtingsmaatregelen het nutriëntenoverschot in deze beken naar beneden bijgesteld kan stellen door het inrichten van een nutriëntenbuffer. − Hegebeek: herinrichting van de beek over een lengte van circa 4 km en het aanpakken van 4 vispassages; − Buursebeek-Zoddebeek: 1 km (resterend) beekherstel vanaf de grens tot Twentekanaal is gerealiseerd. Uiterlijk in 2024 wordt het laatste traject tussen Schansweg-Watermolen van de Buurserbeek heringericht. Dit betreft een integrale herinrichting (natuur-, waterkwaliteit, landbouw, recreatie en landschappelijk). − Buurserbeek: er ligt een opgave voor zware metalen en ammonium. In de loop van deze KRWplanperiode wordt deze opgave nader geduid en gekwantificeerd. Bufferzones kunnen qua breedte variëren. In sommige documenten wordt gesproken over een breedte tussen 100 tot 250 m. Dit is echter voor de provincie geen hard gegeven. Een bufferzone kan ook smaller zijn. Uitgangspunt is het bereiken van het doel, namelijk een goede waterkwaliteit.

Hoe de landbouwpercelen binnen deze bufferzones in de toekomst gebruikt kunnen worden moet nog nader uitgewerkt worden. Op basis van de huidige inzichten is er voor het realiseren van deze opgave ca. 3.500 ha nodig. Bufferzones kunnen een multifunctionele functie krijgen o.a. voor recreatiedoelen. Voor het drinkwaterwinningsgebied Herikerberg geldt zowel een waterkwaliteitsdoel als een waterkwantiteitsdoel. Opgave rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) Ook waterrioolwaterzuiveringsinstallaties spelen een rol bij het verminderen van de nutriëntenlast. Waterschap Vechtstromen werkt de komende jaren (voor 2027) aan een verbetering van de rioolwaterzuiveringsinstallaties in Haaksbergen en Glanerbrug. Hiermee wordt de nutriënten uitspoeling in de Bolscherbeek (RWZI Haaksbergen) en Glanerbeek (RWZI Glanerbrug) terug gebracht. Andere RWZI’s behorende bij het waterschap Vechtstromen bevinden zich in Hengelo, Enschede en Goor. Waterschap Rijn en IJssel heeft geen RWZI’s in het gebied Zuidoost Twente. Riooloverstorten De aanpak van riooloverstorten is de verantwoordelijkheid van gemeenten. Hierover zijn landelijk afspraken gemaakt. Extreme buien als gevolg van de klimaatverandering leiden vaker tot ongezuiverd rioolwater in het watersysteem. De nutriëntenbelasting neemt daarmee toe.

2.2.2 WATERKWANTITEIT Met de klimaatverandering is steeds vaker sprake van droogte en verdroging. Water is van groot belang voor landbouw, natuur, drinkwaterwinning, transport en recreatie. Het Deltaprogramma Zoetwater (ZON tot 2050) leidt tot maatregelen om de gevolgen van de klimaatverandering te beperken. Ook is waterkwantiteit in de kamerbrief Water en Bodem Sturend van 24 november 2022 genoemd als opgave voor het PPLG. Waterkwantiteit is een KRW-doel voor grondwater en voor de vaak droogvallende beken door de droge en lange zomers. Waterkwantiteit is in Zuidoost Twente vooral van belang in (overgangsgebieden), Natura2000-gebieden, intrekgebieden drinkwaterwinning, waardevolle kleine wateren, beeksystemen en de haarvaten van het watersysteem waaronder HOP (Haarvaten op Peil)-projecten.

13

Voor alle beekdalen zijn verschillende scenario's van verhoging van het grondwaterpeil doorgerekend en op kaart gezet. Hiervoor bestaan kaartbeelden en daaraan gekoppeld de hectares die in een bepaalde grondwaterstand vallen na een verhoging. Bijvoorbeeld bij een keuze van 30 cm verhoging van het grondwaterpeil in beekdalen zal in Zuidoost Twente 3412 ha natter worden. Dit zal beperkingen gaan opleveren voor de landbouw (bron provincie Overijssel, M. Tonkes). De impact zal groot zijn. Met name ook voor woningen. In Zuidoost Twente zijn nu al woningen aanwezig waar in de natte perioden grondwater in de kruipruimte staat. Dit kan leiden tot gezondheidsproblemen en waardevermindering. Opgaven voor waterkwantiteit De opgaven voor waterkwantiteit worden genomen vanuit het ZON-beekdalenonderzoek. Maatregelen die vanuit dit onderzoek worden voorgesteld zijn: beekbodemverhoging, peilverhoging en dempen van waterlopen. Deze aanpak wordt nog effectiever als de haarvaten (de op de beekdalen afwaterende sloten en zijbeekjes) ook aangepakt worden (verondiepen, dempen, afvoer knijpen. Voor structurende keuzes met betrekking tot waterkwantiteit in Zuidoost Twente levert de provincie dit najaar een nadere uitwerking aan.

Waterschap Rijn en IJssel voert in het kader van de waterkwantiteitsopgave de volgende maatregelen uit: − Herinrichting Buurserbeek-Schansweg-Oostendorper Watermolen: grondwaterstandsverhoging voor zowel landbouw als natuur; − Groene plas en Hollenberger: watergang en het benedenstrooms bosperceel: maatregelen om water vast te houden. Waterschap Vechtstromen neemt in 5 focusgebieden in het kader van het programma Haarvaten op Peil maatregelen om droogte op de hoge zandgronden waar geen wateraanvoer mogelijk is te verminderen. Twee gebieden daarvan zijn 'Landgoederen rond Enschede' en 'Beekdalen midden Twente'. Dit jaar wordt door Aveco de Bondt (Landgoederen rond Enschede) en MLG (Beekdalen midden Twente) verkenningen uitgevoerd. De verkenning moet resulteren in projecten in gebieden waar draagvlak is en het haalbaar is om maatregelen tegen droogtebestrijding uit te voeren. Deze projecten worden vervolgens uitgevoerd in de periode tot 2027. Voor de agrarische bedrijfsvoering is veel water nodig. Op de hoge zandgronden moet meer aandacht komen voor opslag van regenwater voor eigen gebruik. Dit ter vermindering van het oppompen van grondwater en oppervlaktewater in droge periodes. Wateropgaven landgoederen Zuidoost Twente kent wateropgaven in de omgeving van natuurgebieden, al dan niet gelegen binnen landgoederen.

In de natuurgebieden en landgoederen wordt de sponswerking vergroot door de detailafwatering op een hoger niveau te brengen. Realisatie kan eventueel plaats vinden binnen het programma Haarvaten Op Peil (HOP). Landgoederen kunnen sneller overgaan tot maatregelen. Landgoed Weleveld heeft onlangs een Landgoedontwikkelplan opgeleverd. Wateropgaven binnen stedelijk gebied Tenslotte hebben we in Zuidoost Twente ook stedelijke gebieden die zich steeds verder uitbreiden. De uitbreidingen zijn nu al standaard onderworpen aan strakke eisen voor de verwerking van hemelwater. Maar er ligt nog een forse opgave om in bestaande stedelijke gebieden hemelwater af te koppelen van de riolering. Deze opgave valt echter buiten de scope van dit gebiedsprogramma omdat dit programma zich richt op de opgaven in het landelijk gebied.

14

Grensoverschrijdende wateropgave Ook aan de Duitse kant zijn er waterdoelen te halen. In Duitsland is men verantwoordelijk voor het oplossen van hun eigen waterkwaliteitsproblemen. Er kan niet gevraagd worden aan de Nederlandse waterschappen en grondeigenaren het nutriëntenoverschot in het oppervlaktewater vanuit Duitsland op te lossen. Hier worden de Duitse partners ook op aangesproken in grensoverschrijdende werkgroep overleggen. Deze opgave is geen onderdeel van het PPLG maar is wel input voor dit programma. Voor Zuidoost Twente geldt dat de Hegebeek, Buurserbeek en Zoddebeek water vanuit Duitsland krijgt. 2.3 Klimaat

2.3.1 STIKSTOF Grensproblematiek Stikstof houdt niet op bij de grens. Het buitenland vormt een belangrijke bron van de stikstofdepositie in Nederland, en ook omgekeerd hebben Nederlandse activiteiten grote impact op de natuur in het buitenland. In het coalitieakkoord van regering Rutte-IV is afgesproken dat in 2030, naast 50% minder stikstofemissie, driekwart van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden op een gezond niveau moet zijn. Provincie Overijssel heeft ook als doel 50% van de stikstofemissie te reduceren. De overgang naar een meer extensieve veehouderij leidt naar verwachting tot een forse reductie van circa 30 à 35%. Aanvullend is er nog een reductie noodzakelijk die gehaald kan worden met bedrijfsmanagement en technische maatregelen. De Natura 2000-gebieden in Zuidoost Twente hebben te maken met ‘grensproblematiek’. Herkomst stikstofdepositie Haaksbergerveen/Buurserzand vanuit het buitenland: 48,2 %, Witteveen: 57%, Aamsveen: 65,6%. Met alleen maatregelen in Nederland is het niet haalbaar om onder de Kritische Depositie Waarde (KDW) uit te komen. De gebiedsgerichte aanpak richt zich op het beperken van de stikstof-emissie. Daarmee richten we ons op datgene waar we invloed op hebben.

In vergelijking met de andere deelgebieden valt op dat het aandeel “overig”, met daarin de industrie, in Zuidoost Twente duidelijk groter is dan in de andere gebieden, hoewel dit nog steeds klein is in vergelijking met de landbouw. Samenwerking Rijk-provincies noodzakelijk In de handreiking voor de gebiedsprogramma’s NPLG (17-03-23) wordt aangegeven dat bij stikstofdepositie afkomstig uit bronnen uit het buitenland, Rijk en provincies een gezamenlijk belang hebben bij de (uitvoering van de) buitenlandaanpak. Hierbij is het Rijk verantwoordelijk voor de nationale, bilaterale (buurlanden), EU- en internationale inzet, en de provincies voor de grensregionale inzet op gebiedsniveau (richting aangrenzende medeoverheden). Bij de uitwerking van de diverse sporen van de buitenlandaanpak moeten het Rijk en provincies nauw samenwerken. Bijvoorbeeld bij het opstellen van een gezamenlijk feitenbeeld en het aandragen van mogelijke maatregelen in de gebiedsprogramma’s. Uitvoering In het Programma Stikstof en Natuur (PSN) zijn vijf sporen benoemd 1, waarin maatregelen en beleid gericht op de vermindering van stikstofdepositie zijn uitgewerkt. Voor het PPLG zijn op dit moment de volgende twee sporen van belang: 1 Het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering bevat een buitenlandaanpak, gericht op vijf sporen. De sporen van de

grensoverschrijdende samenwerking met de directe buurlanden, met de focus op Vlaanderen en Duitse deelstaten Noordrijn Westfalen en Nedersaksen, staan centraal, en daarbij de grens-regionale vertaling hiervan in de gebiedsgerichte aanpak/ en gebiedsplannen van provincies.

15

− −

Grensoverschrijdende samenwerking met Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen (spoor 2); Borging van de buitenlandaanpak in de gebiedsgerichte aanpak/gebiedsplannen (spoor 3).

De aanpak met Duitsland is in eerste instantie gericht op kennisdelen en een dialoog starten (in samenwerking met de Oostelijke provincies), met inhoudelijke samenwerking als doel. In Duitsland gaat het om de deelstaten Noord Rijn Westfalen (NRW) en Nieder Saksen (NS). Het ministerie van LNV is verder met aantal partners, waaronder provincies, in gesprek om de uitwisseling van inzichten, data en kennis verder vorm te geven (spoor 5). Op dit moment wordt een bijeenkomst gepland (april, mei 2023) om de samenwerking tussen Nederlandse partijen met NRW te bespreken. Betrokken partijen zijn het Rijk (LNV, BZK, BuZa), provincie Overijssel en waterschap Vechtstromen betrokken. Belangrijkste onderwerpen zijn stikstof (lucht en water) en natuur/biodiversiteit 2. Naast inhoud zal ook worden gesproken over de governance (taken, rollen, verantwoordelijkheden) in Nederland (Rijk, provincie, waterschap(pen)) en tussen Nederland en NRW. In een later stadium zal dit ook worden georganiseerd voor NS. Dat is nodig, omdat de bestuurs- en cultuurverschillen in beide deelstaten zelf en ten opzichte van Nederland groot zijn. Deze eerste bijeenkomst moet de basis vormen voor het vastleggen van grensoverschrijdende samenwerking (borging), inclusief een gezamenlijk feitenbeeld en mogelijke maatregelen.

In een aantal dossiers vindt al nauw overleg plaats tussen Overijssel en aangrenzende gebieden in Duitsland (denk o.a. aan Landsbezirke en Kreise). Op dit moment is er geen compleet overzicht van bestaande samenwerking dan wel overlegstructuren.

2.3.2 BROEIKASGASSEN De uitstoot van methaan en lachgas moet landelijk met 6,7 Mton CO2 eq. worden verminderd. De doorvertaling naar Zuidoost Twente is nog niet bekend. Methaan komt voor ruim 80% voort uit het verteringsproces in de pens van melkkoeien. Het andere deel komt voort uit de mest en uit andere sectoren. Wanneer er een norm komt voor grondgebondenheid (spoor 1) zal reductie van het totaal aantal koeien, grote impact hebben op reductie van de methaanemissies. Deels zijn er ook maatregelen mogelijk door inzet van monovergisting en welllicht aanpassing van het voerregime (spoor 3) Lachgas tenslotte komt vrij bij het gebruik van met name kunstmest. Door dit gebruik te beperken, wordt ook de emissie beperkt.

Er vindt op meer dossiers grensoverschrijdende samenwerking plaats. 1. natuurbeheer, natura 2000; 2. duurzame landbouw; 3. milieu en gezondheid; 4. atlas leefomgeving; 5. circulaire economie; 6. klimaatadaptatie en stedelijke ontwikkelin g. Bron: notitie 29.07.2022 YB. 2

16

3. Sociaal economische impact Met de drie keer drie aanpak van het PPLG is als tweede en evenredig doel behoud en versterking van sociaaleconomisch perspectief vastgesteld. Het programma draagt bij aan een gezonde omgeving en een aantrekkelijk landschap om in te wonen, te werken en te recreëren. De transitie in het landelijk gebied zal van invloed zijn op de mensen die wonen, werken en hun vrije tijd besteden in Zuidoost Twente. Bij deze transitie van het landelijk gebied is het doel welzijn en welvaart van bewoners te behouden en bij voorkeur te versterken. Daarbij staan de 8 elementen van de Brede Welvaart centraal. Brede welvaart is ‘alles wat mensen van waarde vinden’. De ambitie is om op meerdere aspecten het niveau te verhogen en op geen enkele van de aspecten het niveau te laten verslechteren.

De 8 elementen van Brede Welvaart

Werkgelegenheid en materiële welvaart hebben een sterke relatie met andere onderdelen van de brede welvaart zoals sociale cohesie en voorzieningenniveau. Algemeen wordt verwacht dat mede als gevolg van het PPLG, de agrarische sector een grote verandering door zal maken. Een aanzienlijk aantal agrarische bedrijven zal stoppen. Dit zal waarschijnlijk ook doorwerken in de werkgelegenheid binnen de gehele keten van toeleverende, afnemende en dienstverlenende bedrijven. Ten dele kan verlies aan werkgelegenheid in de veehouderij gecompenseerd worden door verbreding en andere verdienmodellen binnen de agrarische sector of vervangende werkgelegenheid in andere sectoren. Om de impact van het PPLG op dit aspect te kunnen bepalen is inzicht nodig in de huidige werkgelegenheid en economie van Zuidoost Twente en het belang van de landbouw daarin. De verschillen tussen de deelgebieden in Zuidoost Twente kunnen daarbij groot zijn. In samenwerking met de gemeenten brengen we in beeld hoe de huidige economie en werkgelegenheid in het landelijk gebied is opgebouwd, met daarbij een beeld van verschillende te onderscheiden (en nader te bepalen) “deelgebieden”.

17

Andere onderdelen van de brede welvaart, zoals de gevolgen voor sociale cohesie, bereikbaarheid en het voorzieningenniveau, zijn bekende aandachtspunten in veel kleine kernen.

3.1 Impact deelgebied Zuidoost Twente De verwachting is dat Zuidoost Twente als gevolg van de realisatie van de PPLG opgaven, direct of indirect sociaaleconomische impact ondervindt in onder andere de bereikbaarheid van de voorzieningen, minder agrarische bedrijven wat een breder effect heeft op de lokale gemeenschap en economie, benodigde ruimte voor huizen en gevaar voor het verdwijnen van het typische Twentse landschap. Daarin zien wij een directe verwevenheid met de derde pijler (perspectief voor de landbouw). Nagenoeg alle kleinere dorpen en buurtschappen hebben veelal een sterke relatie met de agrarische sector (boeren, loonwerkers, andere beroepen/bedrijven gerelateerd daaraan). Van belang is dat er niet gestuurd wordt op primair bedrijfsvergroting. ‘Kleinere’ bedrijven leiden tot meer diversiteit en passen beter bij het Twentse landschap. Door vermindering van agrarische bedrijven komen de aan deze sector gerelateerde bedrijven wellicht ook onder druk te staan. Er moet ook aandacht komen voor nieuwe verdienmodellen voor bijvoorbeeld loonbedrijven. Met rijks- of provinciaalinvesteringsbudget bereik je wellicht het instandhoudingsdoel van een kulturhus of sportclub, maar het sociale aspect en de cultuurhistorische waarde verdwijnt als een belangrijk deel van de inwoners geen reëel inkomen meer heeft na vermindering van de agrarische sector in en rond de dorpen.

Of als vanuit stikstofopgaven lokale evenementen, volkstradities etc. onder druk komen te staan. Veel inwoners van het platteland zijn sterk verbonden aan de grond waar ze leven, ‘oale groond’. Het noaberschap in het landelijk gebied vormt in veel kleine kernen de basis van het bestaansrecht, hier moet aandacht voor zijn en zal gebied specifiek zijn. Belangrijkste is dat iedereen die wil, deel kan blijven uitmaken van de gemeenschap. Voor agrariërs die stoppen dienen er goede mogelijkheden te zijn om te blijven werken en wonen in de omgeving. Nieuwe verdienmodellen voor stoppende agrarische ondernemers spelen hierin een sleutelrol. Verder zal de transitie impact hebben op het landschap. Veranderend gebruik van het landschap, infrastructuur en bebouwing brengt ook een verandering van beleving van datzelfde landschap met zich mee. Nieuwe (sociaal)economische dragers hebben niet direct een positief effect op de beleving van het landschap en kunnen met elkaar in conflict zijn. Denk aan een meer industrieel gebruik en recreatie en toerisme. Hier zal ook de afweging tussen individueel en maatschappelijk belang gemaakt moeten worden. De andere kant is dat nieuwe economische dragers juist ook een positief effect kunnen hebben mits met passende architectuur en goede landschappelijke inpassing (bijv. terugbrengen houtwallen als KGO-opgave). Ruimere VAB-mogelijkheden kunnen kansrijk zijn.

18

De vorm en mate van impact zal per gebied verschillend zijn. Van belang is om samen met de betrokkenen in het gebied de maatregelen voor versterking van het sociaaleconomisch perspectief te verkennen. In Zuidoost Twente wordt het sociaaleconomisch perspectief meegenomen in de gebiedsprocessen.

3.2 Uitzicht op perspectief Er zijn veel initiatieven onder de programma’s Leefbaar Platteland, Leader Zuidwest Twente en Sociale kwaliteit. Sociaaleconomische structuurversterkingsplannen kunnen dus voortbouwen op het dichte netwerk van Zuidoost Twentse initiatieven en vrijwilligers. Vanuit het programma Landelijk Gebied zoeken we verbinding met deze plannen om eventuele meekoppelkansen te signaleren en te onderzoeken of we hier een kwaliteitsimpuls aan kunnen geven. Bij de uitwerking van de gebiedsprocessen zal de lokale samenleving betrokken worden om de kansen hiervoor te benutten. Er moet ook worden nagedacht over nieuwe economische dragers en gebruik van de nabijheid van de grote steden om die dragers te vinden. Direct voor de hand ligt de afzet van agrarische producten, nieuwe vormen van landbouw, zoals Herenboeren in allerlei vormen. Voor stoppende agrarische bedrijven kunnen nieuwe bestemmingen worden gezocht. We denken hierbij aan erftransitie (VAB-beleid, rood-voor-rood), kwaliteitsimpuls groene omgeving, recreatieve routestructuren en toeristische toestroom en voorzieningen, benutten van erfgoed en landgoederen en werken vanuit de lokale kracht. Hierbij gaat het vooral om een passend planologisch instrumentarium, maar ook om goede advisering en begeleiding van stoppende ondernemers via bijvoorbeeld erfcoaches en gemeentelijke contactpersonen.

Naast advisering en begeleiding op planologisch gebied is ook begeleiding op sociaal emotioneel terrein noodzakelijk. Transitie gaat gepaard met verschillende ontwikkelstadia. Ook hier ligt een rol weggelegd voor de erfcoaches en eventueel tweedelijnszorg. Een ander onderwerp is waar aandacht voor moet zijn, is de sociale cohesie. Deze kan onder druk komen te staan door veranderingen in de bevolkingssamenstelling. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van diverse relevante overheidsprogramma’s, zoals Leefbaar Platteland en LEADER, en om deze in samenhang te benutten voor de brede welvaart in Zuidoost Twente. Afstemming tussen de diverse programma’s is een aandachtspunt. Bij de sociaal-economische structuurversterking moet gericht geïnvesteerd worden in de sterke punten van Zuidoost Twente, bijvoorbeeld door omscholing naar beroepen in de techniek of de vrije tijdssector. Als meekoppelkans bij de uitvoering van gebiedsprocessen kan in ieder geval gedacht worden aan maatregelen voor recreatieve toegankelijkheid en beleefbaarheid. Van belang is om bij nieuwe investeringen in natuur en landschap de recreatieve zonering en ontsluiting mee te nemen. Dit kan ook helpen om de recreatieve druk op bestaande natuurgebieden niet verder te laten toenemen. De uitwerking van instrumentarium zal voortkomen uit de impactanalyse en in afstemming met de provincie, uitgewerkt worden.

19

4. Landbouwperspectief De landbouw is een grote en belangrijke sector in Zuidoost Twente. In het deelgebied zijn ruim 1.000 landbouwbedrijven gevestigd, waarvan het grootste deel melkveehouderijbedrijven (gegevens CBS). Dit is ook terug te zien in het landgebruik. Ruim 90% van de percelen is in gebruik als grasland en maisland ten behoeve van ruwvoederwinning. Het aantal melkkoeien is met 1,89 koeien per hectare gemiddeld. Opvallend is het hogere aandeel intensieve bedrijven in Zuidoost Twente (12%) in vergelijking tot Overijssel (9%). Binnen het gebied is er daardoor ook sprake van een mestoverschot: het mestoverschot in Zuidoost Twente is met gemiddeld 2.750 kg stikstof per jaar 15% hoger dan in Overijssel (2.380 kg per jaar). Het teveel aan mest wordt nu conform de mestwetgeving afgevoerd.

4.1 Landbouwvisie Voor het landbouwperspectief wordt voortgebouwd op de landbouwvisie van de provincie Overijssel. In deze visie, waarin een beeld is geschetst voor 2040, zijn de onderstaande doelen uitgewerkt. Per deelgebied worden deze doelen verder uitgewerkt. In Zuidoost Twente moeten de doelen passen bij het gebiedstype hoge zandgrond: 1. Het areaal blijvend grasland blijft rond de 70% (op provinciaal niveau, dit kan per gebied verschillen), de verdeling verschuift van hoogproductief gespecialiseerd (raaigras) naar tussenvormen en extensief divers (grassen-klavers-kruiden); 2. Toename areaal akkerbouw door een verschuiving van feed naar food; 3. Gebieden blijvend reserveren voor hoogproductieve landbouw; 4. Toename areaal biobased en teelt eiwitrijke gewassen; 5. Ruimte geven aan andere en/of extra verdienmodellen; 6. Het water en bodemsysteem zijn bepalend; niet alles kan dus meer overal.

De provincie neemt het initiatief om samen met de gebiedspartners (waaronder ook vertegenwoordigers van de plaatselijke agrarische grondeigenaren en bewoners) de bovengenoemde doelen uit te werken op gebiedsniveau, door: - Grond (van stoppers) aan te kopen en aan te bieden aan de blijvende agrariërs om te kunnen extensiveren (hierbij is een goede fiscale regeling van belang) - Bodem-, water-, natuur en landschapsbeheerdiensten op veel grotere schaal structureel af te nemen (vergoeding op basis van nieuwe en langjarige contracten) - Meer planologische- en vergunningsruimte te geven voor de transitie (doordat vergunningverlening momenteel niet mogelijk is kunnen bedrijven op dit moment niet inspelen op wat de markt en de maatschappij wil) - Lerende, innoverende omgeving aan te bieden (gericht op o.a. kennisdelen over natuur inclusieve verdienmodellen). Voor Zuidoost Twente leggen we geen transitiepaden vast. Ondernemers bepalen hun eigen transitiepad op basis van intrinsieke motivatie passend bij het gebied. In een gebied met gestapelde opgaven wordt van de ondernemer wel verwacht dat er keuzes gemaakt worden. Gebieden met gestapelde opgaven liggen veelal rond Natura 2000 gebieden, in de beekdalen en rond de NNNgebieden.

Blijven op de bestaande plek zal in die gebieden veelal een aanpassing of transitie van het bedrijf vragen waarbij een duurzaam verdienmodel voor de ondernemer zelf een voorwaarde is.

20

Omdat de landbouw en voedselproductie deel uitmaakt van de cultuur in Zuidoost Twente, drager is van een vitaal platteland en vormend is voor het Twentse landschap is het belangrijk dat er in alle gebieden wel een gezonde en toekomstgerichte landbouwsector overblijft. Niet alleen voor de individuele agrariër maar voor de gehele sociaaleconomische gemeenschap. Om perspectief aan de keukentafel te kunnen bieden is er naast duidelijkheid over de te realiseren doelen, zekerheid nodig over de extensiveringsdoelen (bijvoorbeeld aantal GVE’s, hoeveelheid stikstofreductie) in relatie tot de vergoedingen of nieuwe verdienmodellen. Op gebiedsniveau is van belang zicht te krijgen op het perspectief en de wensen van de individuele agrariërs. Dit door middel van zogenoemde keukentafelgesprekken. Wie wil door en wie wil stoppen? Wie wil extensiveren en wie voelt daar niets voor? Dat bij elkaar brengen met daarbij de opgaven geeft zicht op de ruimte die ontstaat voor de agrariërs die door willen en de ruimte die er is voor nieuwe initiatieven. In paragraaf 5.2 wordt verder ingegaan op de gebiedsgerichte aanpak in Zuidoost Twente.

4.2 Landgoederen Al generaties lang combineren landgoederen natuur en landbouw. Van oudsher gaat het om een systeem waarbij beide ook economisch een bijdrage leverden aan de instandhouding van het gehele landschap. Maar in de afgelopen decennia is de landbouw samen met wonen steeds meer de aanvullende financierder van het beheer en de ontwikkeling van natuur, landschap en biodiversiteit geworden op landgoederen. Overigens is de oorsprong en ontstaansgeschiedenis per landgoed uiteenlopend. Zo is een groot gedeelte van de landgoederen rond Enschede geënt op een textielverleden. Op deze landgoederen werd sinds hun ontstaan al gewerkt met innovatieve wijzen van landbouw. De landbouw op landgoederen werkt in een NSW-context, wat betekent dat men agrarisch onderneemt in een omgeving met omzoomde percelen, de nabijheid van bos en natuur, een hoge mate van openstelling en medegebruik van het landschap en veel aandacht voor landschap en erfgoed. De landgoederen staan erom bekend dat zij een integrale benadering van vraagstukken hanteren. Dit betekent dat landgoederen in staat zijn om de verschillende beleidsvelden multidisciplinair en toekomstbestendig vorm te geven als zijnde een brug tussen landbouw en landschap. Deze integraliteit, samen met haar grondpositie, is de kracht van de landgoederen.

Dit doen de landgoederen met hart voor het verleden, oor voor het heden en oog op de toekomst. Landgoederen in Zuidoost Twente Zuidoost Twente kent een aantal grote en minder grote landgoederen, onder meer gesitueerd in een aantal landgoederenzones. Deze landgoederen hebben een behoorlijke grondpositie in de regio (ca. 9.500 ha) in eigendom bij circa 50 OPG (Overijssels Particulier Grondbezit) leden. In percentages betekent dit: − Ca. 48% bos en natuur (4.560 ha) − Ca. 52% landbouwgrond (4.940 ha), waarvan het overgrote deel wordt verpacht. Niet alleen in de landgoederenzones, maar ook verspreid daarbuiten. In sommige gevallen liggen de landgoederen in de directe nabijheid van dorpen en steden en vormen daarmee een belangrijk onderdeel van het uitloopgebied. De landgoederen rondom Enschede vormen hiervan een heel mooi voorbeeld. Hierbij een nadere duiding van de landgoederenzones in het PPLG-deelgebied Zuidoost Twente drietal grote landgoedzones: − In het oosten, in en rondom Enschede, ligt een grote zone die doorloopt in Noordoost-Twente (hier veel landgoederen van divers formaat, waaronder Hof te Boekelo, Het Stroot, Zonnebeek, Hof Espelo) 21

−

− −

In het midden van het deelgebied, ten westen van Hengelo rondom Delden, ligt de tweede grote landgoedzone, met vooral eigendommen van Stichting Twickel, maar o.a. ook landgoed Het Warmtink en landgoed Weleveld in Borne In het westen, ten zuiden van Goor rondom Diepenheim, ligt een aantal grote(re) landgoederen aaneengeschakeld: Weldam, Huis Diepenheim en Nijenhuis-Westerflier Ook rondom Haaksbergen treffen we enkele landgoederen, waaronder Het Lankheet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14994647/1