Bijlage bij Zienswijzennota Grotestraat 186-188 te Nijverdal
Tekst van het document
= 1/6
Aan de Grotestraat 186 - 188 in Nijverdal wordt een kleinschalig appartementencomplex met acht appartementen gerealiseerd. De geplande bebouwing ligt binnen 100 meter van de spoorlijn Zwolle - Wierden. Gezien deze liggen nabij het spoor kan trillingshinder van passerende treinen niet op voorhand worden uitgesloten.
Het doel van dit onderzoek is daarom om vast te stellen of er sprake zal zijn van trillingshinder in de geplande bebouwing, en zo ja, welke maatregelen er waarschijnlijk nodig zijn om deze hinder te voorkomen. Wij volgen hiervoor de aanpak uit de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Deze schrijft als eerste stap voor om een quickscan uit te voeren, en daarin te toetsen of er mogelijk sprake kan zijn van trillingshinder. Dit memo bevat deze quickscan.
= 2/6 De ligging van het plangebied is weergegeven in Figuur 1. Het appartementencomplex bevindt zich ca. 49 meter van het spoor. Het appartementencomplex bestaat uit vier lagen met elk acht appartementen. Het huidige treinbeeld (de rijsnelheid en het aantal treinen per uur per richting) zijn weergegeven in Tabel 1. De gegevens in Tabel 1 zijn gebaseerd op het Geluidsregister Spoor en gegevens van de vervoerders. Er wordt geen verandering van het aantal treinen voorzien. Tabel 1 Treinen, rijsnelheid en aantal treinen per uur per richting (gemiddeld, per richting) Type trein Rijsnelheid dag avond nacht (7:00 – (19:00 – (23:00 – 19:00) 23:00) 7:00) Sprinters 50 - 90 km/h 2.00 2.00 0.75 Intercity’s 80 - 90 km/h 1.00 0.00 0.12
De geplande bebouwing is nog niet constructief gedetailleerd, daarom is in dit trillingsonderzoek een aantal standaardvarianten beschouwd. De onderzochte varianten zijn weergegeven in Tabel 2. Tabel 2 Meegenomen eigenschappen bebouwing Parameter Eigenschappen Vloertype Verschillende varianten: Kanaalplaatvloer 200 en 260 mm, 70 mm zandcement dekvloer Breedplaatvloer 200, 250 en 280 mm, 70 mm zandcement dekvloer Hoogte Appartementen: 3 lagen Lengte 5 tot 8 meter
= 3/6 vloerveld Breedte 9 tot 12 meter vloerveld Constructietype Meerdere varianten In-situ of prefab beton, afgewerkt met metselwerk Kalkzandsteen en metselwerk Fundering Op staal Voor de bodemopbouw is gebruik gemaakt van gegevens uit Dinoloket, een representatieve sondering en boring hebben we weergegeven in Figuur 2. Uit deze informatie blijkt dat de bodem opgebouwd is uit zand. Gezien de relatief draagkrachtige grond, is in de berekeningen uitgegaan van een fundering op staal.
Figuur 2 Boring (links) en sondering (rechts) Met behulp van de gegevens uit Tabel 1 en Tabel 2 en Figuur 2 berekenen we de trillingen in de geplande bebouwing. Hiervoor maken we gebruik van een door We-Boost ontwikkeld rekenmodel. Dit rekenmodel berekent de trillingen in de geplande bebouwing op basis van de lokale situatie op het spoor, de bodemopbouw, de geplande bebouwing en een slim algoritme op basis van ruim 600 metingen langs het spoor. In deze quickscan rekenen we conservatief (worstcase/bovengrens), omdat we geen metingen op de bouwlocatie hebben uitgevoerd. Zo voorkomen we dat we onterecht concluderen dat er geen maatregelen tegen trillingshinder nodig zijn.
Er bestaat in Nederland geen wettelijk kader voor de beoordeling van trillingshinder in gebouwen. Wel geldt dat in het kader van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (art. 4.2 uit de Omgevingswet (Ow)) trillingshinder (waar relevant) in kaart dient te worden gebracht en betrokken bij de afweging in het kader van het beschermen van de fysieke leefomgeving. Net als onder de vroegere Wro zijn hulpmiddelen als de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen en de SBR-richtlijn van toepassing om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen respectievelijk te beoordelen. Als zodanig is er voor trillingshinder ten gevolge van spoorverkeer niets veranderd onder de Ow.
= 4/6 De SBR-richtlijn bestaat uit drie delen (deel A – schade in gebouwen, deel B – hinder voor personen in gebouwen en deel C – verstoring van gevoelige apparatuur) waarvan alleen deel B voor dit onderzoek relevant is. De afstand tussen het spoor en het gebouw is dermate groot dat er geen schade aan de gebouwen zal ontstaan, en verstoring van gevoelige apparatuur als gevolg van de realisatie van dit plan is ook niet aan de orde. In deze SBR-richtlijn deel B zijn een aantal aspecten relevant, deze worden hierna kort toegelicht: 1. De richtlijn toetst zowel een maximaal optredende trillingssterkte (Vmax, treedt op bij de trein die gedurende de meetperiode de hoogste trillingen veroorzaakt) als het tijdsgemiddelde van de trillingen (Vper, deze grootheid is dus ook afhankelijk van het aantal treinen). 2. De richtlijn maakt in de beoordeling onderscheid tussen verschillende situaties, en toetst daarbij strenger in: a. Nieuwbouwsituaties (nieuwe gebouwen, nieuw spoor, aanleg van wissels). Bij bestaande situaties zijn de streefwaarden minder streng, er wordt dan uitgegaan van een zekere mate van gewenning en er zijn minder mogelijkheden om de trillingen te reduceren. b. Gebouwen met een overnachtingsfunctie (woningen, ziekenhuizen). De meeste hinder wordt vaak in rust ervaren. Bij gebouwen met een niet-overnachtingsfunctie (kantoren, scholen) gelden minder strenge streefwaarden.
Winkels, sport- en industriepanden vallen buiten de richtlijn. In dit plan gaat het om gebouwen met een woonfunctie. c. De nacht, omdat de meeste hinder vaak in rust wordt ervaren. De streefwaarden voor overdag zijn ca. een factor 2 minder streng dan ’s nachts. Een gebouw kan op twee manieren voldoen aan de richtlijn: de trillingssterkte Vmax moet lager zijn dan de onderste streefwaarde A1 (zie Tabel 3), óf Vmax moet lager zijn dan de bovenste streefwaarde A2, waarbij tegelijkertijd de trillingsintensiteit Vper lager is dan de streefwaarde A3. Zie ook het schema in Figuur 3. Tabel 3 Streefwaarden in de SBR-richtlijn deel B voor gebouwen met bestemming wonen Dag en avond Nacht Situatie Nieuwe situatie Bestaande situatie
A1 0.1
A2 0.4
A3 0.05
A1 0.1
A2 0.2
A3 0.05
0.2
0.8
0.10
0.2
0.4
0.10
Figuur 3 Schema beoordeling SBR B-richtlijn
= 5/6
De trillingssterkte Vmax en de gemiddelde trillingssterkte Vper zijn weergegeven in Figuur 4.
Figuur 4 Maximale trillingssterkte Vmax (links) en gemiddelde trillingssterkte Vper (rechts) De beoordeling van de trillingen aan de streefwaarden uit de SBR B-richtlijn is weergegeven in Figuur 5. De trillingen voldoen aan het beoordelingskader, waardoor nader onderzoek niet nodig is, mits geen lichte bouw (houtskeletbouw, staalbouw) wordt gebruikt.
Uit de quickscan volgt dat er geen overschrijdingen van het beoordelingskader voor trillingshinder worden verwacht op deze locatie. De trillingen zijn relatief laag door de zware bouw en de lage rijsnelheid van de treinen. Gezien deze conclusies is nader onderzoek naar trillingshinder niet nodig, mits er zware bouw (kalkzandsteen of betonnen
= 6/6 constructie, betonnen vloeren) wordt toegepast. Voor lichte bouw (houtskeletbouw of staalbouw) is wel nader onderzoek nodig. Conclusie Uit de quickscan volgt dat er geen overschrijdingen van het beoordelingskader voor trillingshinder worden verwacht op deze locatie. De trillingen zijn relatief laag door de zware bouw en de lage rijsnelheid van de treinen. Gezien deze conclusies is nader onderzoek naar trillingshinder niet nodig, mits er zware bouw (kalkzandsteen of betonnen constructie, betonnen vloeren) wordt toegepast. Voor lichte bouw (houtskeletbouw of staalbouw) is wel nader onderzoek nodig. Naar aanleiding van het vorenstaande, adviseren wij u u om de ingekomen zienswijze van ProRail ongegrond te verklaren. -----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------