Bijlage bij bestuursvoorstel 2021-029059
Tekst van het document
= 1/10 =
______________________________________ Bijlage bij bestuursvoorstel 2021-029059 _______________________________________ Op de locatie Grotestraat 180 te Nijverdal (zie onderstaande figuur) staat een pand met daarin zowel op de begane grond als in de kelder een commerciële (winkel)ruimte met daarboven één appartement. Tot voor enkele jaren geleden, was hier een filiaal van Blokker gevestigd en daarvóór het warenhuis Braakman C. Sedert de verhuizing, enkele jaren geleden, van het Blokkerfiliaal naar een pand aan de Willem Alexanderstraat te Nijverdal, staat de genoemde commerciële ruimte leeg, uitgezonderd een tijdelijke periode van verhuur aan een detailhandel in kamer- en tuinplanten en bijbehorende accessoires. Locatie blokker (zie gele cirkel)
Hieronder ziet u een kleine impressie van het met dit bestemmingsplan beoogde bouwplan.
Geldende bestemmingsplannen Het perceel Grotestraat 180 te Nijverdal ligt in de plangebieden van: 1. De "Eerste herziening van het Paraplubestemmingsplan Parkeren gemeente Hellendoorn", vastgesteld door de raad op 12 oktober 2021. 2. Het bestemmingsplan "Nijverdal Centrum", vastgesteld door de raad op 1 juli 2014.
= 2/10 =
Ad 1. Eerste herziening van het Paraplubestemmingsplan parkeren In de "Eerste herziening van het Paraplubestemmingsplan parkeren" is vastgelegd dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor van het bestemmingsplan afwijkend gebruik, voldoende parkeerplaatsen op het eigen terrein aanwezig moeten zijn conform de “Nota Parkeernormen - herziene uitgave 2021”. Uw college kán hiervan met een omgevingsvergunning afwijken ten behoeve van normen voor het parkeren overeenkomstig de flexibiliteit en uitzonderingen uit de "Nota Parkeernormenherziene uitgave 2021". Voor wat betreft het parkeren zijn dus van belang: o o
De “Nota Parkeernormen - herziene uitgave 2021”, door de raad vastgesteld op 21 september 2021. De "Eerste herziening van het paraplubestemmingsplan parkeren gemeente Hellendoorn", door de raad vastgesteld op 12 oktober 2021.
Het plan voorziet in de realisering van een commerciële ruimte op de begane grond, met een oppervlakte van circa 250 m2. Net als in de huidige situatie, is het mogelijk om daaronder een kelder te realiseren voor eveneens commerciële doeleinden. Daarboven worden zeven appartementen gerealiseerd. Berekening parkeerbehoefte o
Woningen Per (koop)appartement (etage, duur) geldt een parkeernorm van 1,4 auto, wat inhoudt dat er 7 x 1,4 = 9,8 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden op eigen terrein.
o
Commerciële ruimte 250 m2. Norm hoofdwinkelcentrum is 3,3 parkeerplaatsen per 100 m2. Dat houdt in dat er 3,2 x 250/100 = 8,25 parkeerplaatsen benodigd zijn.
Totaal zijn er dus 18 parkeerplaatsen op het eigen terrein benodigd zijn voor deze ontwikkeling. Op het eigen terrein worden 11 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast krijgt ieder appartement de beschikking over een eigen berging/garage die qua omvang ruim voldoende is voor het parkeren van een auto. In totaal is er derhalve sprake van 18 parkeerplaatsen op het eigen terrein. Daarmee zijn er ruim voldoende parkeerplaatsen op het eigen terrein aanwezig. De daadwerkelijk aanleg/realisering van deze parkeerplaatsen zal via een voorwaardelijke verplichting in de planregels juridisch worden geborgd. Ad 2. Het bestemmingsplan "Nijverdal Centrum. Het perceel Grotestraat 180 te Nijverdal heeft hierin de bestemming "Centrum 1". Het pand is, voor wat betreft: o o o
het aantal appartementen; de bouwhoogte; het aantal bouwlagen.
strijdig met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Nijverdal Centrum".
Strijdigheid voor wat betreft het aantal woningen Volgens de planregels, is het bestaande aantal woningen toegestaan. Onder bestaand (zie begripsbepalingen) wordt verstaan, het aantal woningen dat aanwezig was ten tijde van het in werking treden van het ontwerpbestemmingsplan (in casu 27september 2014). Dat houdt in dat
= 3/10 =
ter plaatse één woning bij recht is toegestaan. In het ontwerp zijn echter zeven appartementen aanwezig. Het door de raad vastgestelde bestemmingsplan voorziet evenwel in een bevoegdheid voor uw college om met een omgevingsvergunning binnenplans van het bestemmingsplan af te wijken voor het bouwen van meer woningen mits: o o o
er invulling is gegeven aan de gemeentelijke Woonvisie en dan met name voor wat betreft het in de Woonvisie opgenomen doelgroepenbeleid; de woningbouw dient te passen binnen de gemeentelijke woningbouwprogrammering; de woningbouw de sociale en stedelijke structuur versterkt.
Aanvullende criteria om van deze (en andere) bepaling(en) af te kunnen wijken, zijn de navolgende: o
o o
ter afronding van een stedenbouwkundig plan. Wanneer een initiatief de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt en/of een gemeentelijk belang dient, bijvoorbeeld een kans om een zogenaamde "rotte plek" en/of dissonante functie te (her)ontwikkelen; of bij herbestemming van woningen in Collectief Particulier Opdrachtgeverschap; of op basis van een aantoonbare behoefte.
Strijdigheid met bestemmingsplan voor wat betreft de hoogte van het bouwplan. De hoogte van het gebouw is niet passend binnen de bouwregels. De goot- en bouwhoogte van het gebouw zijn respectievelijk 13,2 m en 16 m, waar feitelijk een maximale goothoogte van 12 m en een maximale bouwhoogte van 14,5 m zijn toegestaan. Zoals hiervoor opgemerkt, is uw college bevoegd om een omgevingsvergunning te verlenen om af te wijken van het bestemmingsplan voor wat betreft het aantal woningen en - met toepassing van de flexibiliteitsbepalingen - een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van de voorgeschreven afmetingen met 10%, waardoor de goothoogte kan worden verhoogt tot 13,20 m en de bouwhoogte tot 16 m. Daarmee blijft de bouwhoogte binnen de maximale hoogtecontouren die het bestemmingsplan biedt . Hiermee komt de initiatiefnemer tegemoet aan de bezwaren van enkele omwonenden, welke bezwaren vervolgens werden gedeeld door de toenmalige commissie Grondgebied.
Strijdigheid met bestemmingsplan voor wat betreft het aantal bouwlagen Het toegestane aantal bouwlagen wordt overschreden: vier bouwlagen zijn ter plaatse bij recht toegestaan, waarbij de vierde laag een terugliggende laag dient te zijn. Het ontwerp bestaat evenwel uit vijf bouwlagen, waarvan twee bouwlagen (deels) met een kapvorm. Volgens de initiatiefnemer kan het bouwplan financieel alleen uit als hij ten minste 16 m hoog mag bouwen en daarbinnen vijf bouwlagen mag realiseren.
Planologische kruimelregeling Wij hebben juridisch onderzocht, of het mogelijk is om dit bouwplan te realiseren met toepassing van de planologische kruimelregeling. Dat blijkt op basis van wetgeving en jurisprudentie juridisch niet mogelijk te zijn. Ondermeer niet omdat de kruimelregeling niet mag worden toegepast in het geval men het gebruik wil wijzigen van een gebouw dat feitelijk niet aanwezig is en vergund is of wordt. Men mag alleen het gebruik wijzigen van een bestaand gebouw. Verder mag om dezelfde reden ook het aantal bouwlagen niet worden verhoogd met de planologische kruimelregeling.
Conclusie voor wat betreft het bestemmingsplan. Nu het binnenplans afwijken van het bestemmingsplan mogelijk is door een omgevingsvergunning te verlenen voor wat betreft het aantal woningen en voor wat betreft het afwijken met maximaal 10% van de voorgeschreven afmetingen, doch niet voor wat betreft het aantal bouwlagen, is zowel voor wat betreft het aantal woningen, voor wat betreft de
= 4/10 =
bouwhoogte alsook voor wat betreft het aantal bouwlagen een herziening van het ter plaatse geldende bestemmingsplan noodzakelijk. Geluid o
Industrielawaai Op circa 160 meter afstand ten noordoosten van het plangebied bevindt zich het dichtstbijzijnde bedrijfsperceel behorend bij het gezoneerde Bedrijvenpark Noord. De bijbehorende geluidszone valt deels over het plangebied heen. Ter plaatse gelden, op basis van het geldende bestemmingsplan, beperkingen voor het realiseren van geluidsgevoelige gebouwen. Dit betreft gebouwen waar sprake is van langdurig menselijk verblijf. In voorliggend geval worden ter plaatse van de geluidszone enkel garages/bergingen gerealiseerd. Dit betreft geen geluidsgevoelige bebouwing. Akoestisch onderzoek inzake industrielawaai wordt dan ook niet noodzakelijk geacht Het nieuw te realiseren pand ligt buiten de wettelijk vastgestelde zone van het industrielawaai ten gevolge van de bedrijventerreinen Nijverdal Noord en Nijverdal Zuid. Een akoestisch onderzoek naar industrielawaai is daarom niet nodig.
o
Rail verkeerslawaai en verkeerslawaai Rijksweg N35 Het plangebied bevindt zich op circa vijftig meter ten zuiden van het spoortraject ZwolleAlmelo. Direct ten noorden van het plangebied bevindt dit spoortraject zich echter in de gecombineerde spoor- en autotunnel Salland-Twentetunnel Het dichtstbijzijnde referentiepunt voor het bepalen van de bij dit spoortraject behorende wettelijke geluidszone, bevindt zich op circa negentig meter ten noordoosten van het plangebied. Met een Geluid-Productie-Plafond (hierna: GGP) van 33,6 dB is sprake van een wettelijke geluidszone van honderd meter. Het plangebied bevindt zich formeel binnen deze wettelijke geluidszone. Er zijn echter een aantal redenen om in dit geval toch af te zien van akoestisch onderzoek. In de eerste plaats geldt de geluidszone van honderd meter voor situaties waarbij het GPP kleiner dan 56 dB is. In dit geval is sprake van een GPP van 33,6 dB daar waar de wettelijke voorkeurswaarde voor spoorweglawaai 55 dB bedraagt. Het GPP ligt hier ruimschoots lager. Daarnaast bevinden zich tussen dit referentiepunt en het appartementengebouw meerdere bebouwingslagen. Deze tussenliggende bebouwing zorg voor de nodige barrière werking in het kader van geluidshinder.
In samenhang met de onderlinge afstand van circa negentig meter, waarmee het plangebied zelfs bijna buiten de wettelijke geluidszone ligt, wordt een akoestisch onderzoek spoorweglawaai niet noodzakelijk geacht.
o
Wegverkeerslawaai De Grotestraat is een 30 km/uur weg. Daarmee is de Grotestraat geen zoneplichtige weg ter plaatse van dit bouwplan. Een hogere grenswaarde Wet geluidhinder is daarmee niet aan de orde. Wel dient in het in het kader van een goede ruimtelijke ordening de gevelbelasting tgv de Grotestraat in beeld gebracht te worden in het akoestisch onderzoek. In de regels van het (ontwerp)bestemmingsplan zal het maximaal toelaatbare binnen niveau qua geluid worden vastgelegd om een goed binnenniveau te waarborgen.
Bouwbesluit Met het nemen van gevelmaatregelen met een geluidwering van maximaal 32 dB wordt ter plaatse van alle appartementen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB voldaan conform het Bouwbesluit. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor realisatie van de appartementen moet via een bouw akoestisch onderzoek worden aangetoond dat kan worden voldaan aan de geluidsnormen conform het Bouwbesluit.
= 5/10 =
Conclusie: De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het plan. Met het nemen van (gevel)maatregelen met een geluidwering van maximaal 32 dB is er ter plaatse van de nieuwe appartementen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wat betreft het aspect wegverkeerslawaai. Omgevingsverordening Overijssel Met dit initiatief worden netto zes woningen toegevoegd aan de woningvoorraad. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de concrete woningbouwbehoefte in de gemeente Hellendoorn. Hierdoor worden nieuwe doorstroommogelijkheden gecreëerd op de lokale woningmarkt. Het initiatief is in overeenstemming met geldende woonafspraken die zijn gemaakt door de gemeente Hellendoorn en de provincie Overijssel op basis van een regionale afstemming. In § 4.4.2 van de plantoelichting wordt nader ingegaan op het gemeentelijk woonbeleid. Volgens de provinciale omgevingsverordening artikel 2.4.2.) mogen nieuwe detailhandelsvestigingen uitsluitend worden gerealiseerd binnen of aansluitend aan bestaande kernwinkelgebieden. Hier wordt een bestaande detailhandelsvestiging in het kernwinkelgebied vervangen door een nieuwe detailhandelsvestiging. Conclusie: het initiatief voldoet aan de Omgevingsverordening Overijssel. Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen.
Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: o o
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieu gevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieu categorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.
Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal
= 6/10 =
kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de transformatie van een bestaand gebouw waarbij de bouw van zeven extra woningen wordt toegestaan. Een ontwikkeling met een dergelijke omvang is aan te merken als een project welke “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Voor meer details hierover, wordt u verwezen naar § 5.3 van de plantoelichting. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Conclusie: Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet nodig. Bodem
Verkennend bodemonderzoek Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740. In voorliggend geval is sprake van een ontwikkeling waarbij sprake is van de transformatie van een bestaand gebouw. In dit kader is sprake van verbouw, maar ook deels van sloop en nieuwbouw. Vanwege de aard en omvang van deze ontwikkeling wordt het in dit geval het meest doelmatig geacht om het verkennend onderzoek uit te voeren na afloop van de sloopwerkzaamheden. In de planregels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee de uitvoering van dit bodemonderzoek na afloop van de sloopwerkzaamheden juridisch is geborgd. In dit kader wordt nog opgemerkt dat sprake is van een perceel/omgeving waar reeds sprake is van woonbebouwing. Binnen het plangebied is hierbij ook al sprake van een woning. Hiermee wordt de bodemkwaliteit reeds geschikt geacht voor gebruik ten behoeve van de functie wonen. Conclusie: Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Wateraspecten Bij nieuwe inbreidingen wordt het proces van de watertoets gevolgd.
De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen. Hiervoor is de gemeentelijke beleidsnotitie "Samenleven met water" van toepassing. Om aan de zorgplicht hemelwater te voldoen, onderhoudt de gemeente een systeem van gemengde riolering, regenwaterriolering, infiltratievoorzieningen en straatkolken. Het hemelwater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater, geïnfiltreerd in de bodem of
= 7/10 =
afgevoerd naar de waterzuivering. Bij voorkeur maakt de gemeente zo min mogelijk gebruik van gemengde riolering voor de inzameling van regenwater. Bij een toename van verharding, vraagt de gemeente aan initiatiefnemers om deze toename te compenseren door waterbergende maatregelen te treffen. In de nieuwe situatie, dient 30 mm van het totaal aantal m2 aan verhard- en dakoppervlak, te worden geïnfiltreerd op het eigen terrein. Initiatiefnemers dienen aan te tonen hoe zij deze waterberging gaan realiseren. Als deze waterberging - vanwege ruimtegebrek - niet op het eigen terrein kan worden gerealiseerd, kan een beroep worden gedaan op de "afkoopregeling". De initiatiefnemer betaalt dan een bedrag van € 400,00 per m3, zodat de gemeente elders een voorziening daarvoor kan treffen. In de nieuwe situatie wordt uitsluitend huishoudelijk afvalwater geloosd via het gemeentelijk DWA-riool aan de Grotestraat. De beoogde bebouwing dient hiertoe aangesloten te worden op het aanwezige gemeentelijk riool. Conclusies Ecologie (voor meer details, wordt verwezen naar de plantoelichting)
Natura-2000 Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn het Sallandse Heuvelrug (3 km), het Wierdense Veld (5 km), Rijntakken (25km), Vecht en beneden Reggegebied (10 km) en het Boetelerveld (10 km). Door de tussenliggende afstand en aard en schaal van de werkzaamheden, kunnen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied worden uitgesloten. Een nadere toetsing is niet van toepassing.
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies hebben hier soms een andere benaming voor. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het Natuurnetwerk denkbaar zijn, is het noodzakelijk een Natuurnetwerk-toetsing uit te voeren. Het plangebied is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland. Door de tussenliggende afstand, aard en schaal van de werkzaamheden kunnen negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk worden uitgesloten. Er is geen vermindering van areaal en een bestemmingsplanwijziging is niet aan de orde. Een nadere toetsing is niet van toepassing.
Wettelijk kader In Nederland is de bescherming van belangrijke natuurwaarden vanaf 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij zowel om bescherming van soorten als bescherming van gebieden.
Conclusie Op de planlocaties is er door onderzoeksbureau Plant4Tuin een natuuronderzoek uitgevoerd in de vorm van een QuickScan op beschermde planten en dieren. Aan de hand van de hierdoor verkregen gegevens is een goed beeld ontstaan van de waarde van de planlocatie voor beschermde dier- en plantsoorten. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten op vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde planten en dieren in het plangebied. Het project heeft geen effecten op beschermde gebieden. Er zijn geen vervolgstappen ten aanzien van gebiedsgerichte bescherming nodig; Aantasting van de vliegroute van vleermuizen dient voorkomen te worden door de werkzaamheden uit te voeren door lichtverstoring tot een minimum te beperken.
= 8/10 =
Werkzaamheden die broedbiotopen van alle aanwezige vogels verstoren of beschadigen dienen te allen tijde te worden voorkomen. Dit is voor de meeste soorten mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten in de periode voor half maart en na eind juli of het onderzoeksgebied te controleren op broedende vogels en nesten binnen de invloedsfeer van de plannen. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, maar is het van belang of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum.
Status, gebruik en maatregelen Op de plaats van uitvoering dient altijd een exemplaar van de QuickScan aanwezig te zijn, waarvan de inhoud onder betrokken werknemers bekend is. Er dient aantoonbaar te worden gewerkt conform een aanvullend werkprotocol. In de praktijk betekent dit dat een logboek moet worden bijgehouden waarin de toegepaste mitigerende maatregelen worden beschreven (datum, verrichte handelingen en dergelijke) en in een kick-off met betrokkenen wordt besproken. De maatregelen en handelingen kunnen worden bijgehouden in het dagboek van de uitvoerder en in het logboek achter in dit document. Bevindingen van de dienstdoende ecoloog worden daaraan toegevoegd in de vorm van bondige notities en bezoekverslagen.
Onderzoek In verband met het voorgenomen werkzaamheden aan het Grotestraat 180 te Nijverdal, is door Plant4Tuin een veldonderzoek verricht op 17-04-2021 en 7-12-2021 naar vaste rust- en verblijfplaatsen van ontheffing plichtige soorten van flora en fauna. Tijdens dit onderzoek is er geconcludeerd dat een ingreep naar verwachting niet zal leiden tot verlies van leefgebied van enkele soorten van de Wet Natuurbescherming. De werkzaamheden hebben geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling. Conclusie is er dat er geen ontheffing wet Natuurbescherming noodzakelijk is.
Mitigerende maatregelen Tijdens het werk “Nieuwbouw/verbouw bestaand winkelpand tot kleine winkelruimte + 7 koopappartementen” zal begeleiding plaats moeten vinden door H. Adema op aanwezigheid van beschermde soorten. Er mag vooralsnog aan de hand van het vooronderzoek geconcludeerd worden dat de werkzaamheden geen nadelige gevolgen hebben voor de functionaliteit van het leefgebied van flora & fauna. Op basis van de voorgaande QuickScan wordt geconcludeerd dat er geen mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn.
Calamiteiten Wanneer een calamiteit optreedt is snel handelen vereist om negatieve gevolgen voor veiligheid of kwaliteit te voorkomen. In dit geval is er vaak weinig tijd of mogelijkheid om nadelige effecten van het handelen op (beschermde) flora en fauna te voorkomen. Het is niet te verwachten dat er verstoring of het doden van fauna en flora optreedt bij het werk “Nieuwbouw/verbouw bestaand winkelpand tot kleine winkelruimte + 7 koopappartementen”. Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegde gezag hanteert de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Op basis van de locatie, soortensamenstelling, bekende verspreidingsgegevens en expert judgement is echter wel een goede uitspraak te doen over de te verwachte soorten. Op basis van terreinkenmerken, bekende verspreidingsgegevens en landgebruik, zijn geen overige juridisch zwaarder beschermde plantensoorten in het onderzoeksgebied te verwachten.
Ook plantensoorten die beschermd zijn in de nieuwe Wet Natuurbescherming, worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en terreinkenmerken niet verwacht binnen het onderzoeksgebied. Voor laag beschermde plantensoorten (Wet Natuurbescherming tabel 1) en soorten van de Rode Lijst geldt overigens bij ruimtelijke ingrepen automatisch vrijstelling van de verbodsartikelen van de wet Natuurbescherming. Ook zijn schadebeperkende maatregelen juridisch gezien niet noodzakelijk.
= 9/10 =
Besluit milieueffectrapportage De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een ruimtelijk besluit kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: o
o
o
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wet milieubeheer (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkingsof wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen, dan voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Situatie plangebied (Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming) Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ligt op circa 1,7 kilometer afstand van het plangebied. Zoals in paragraaf 5.6.1.1 en bijlage 2 (stikstofonderzoek) van deze plantoelichting is beschreven, is er voor de gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer
Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r. beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel kan geoordeeld worden dat er sprake is van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, is of met de ontwikkeling van zeven appartementen en circa 250 m2 aan commerciële sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit
= 10/10 =
milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (o.a. ABRS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van zeven appartementen en 250 m2 aan commerciële ruimte binnen de bebouwde kom van de kern Nijverdal. Hierbij dient opgemerkt te worden dat in de huidige situatie reeds één appartement en circa 250 m2 aan commerciële ruimte aanwezig is. Op de schaal van Nijverdal is qua aard en omvang sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Daarbij neemt het aantal verkeersbewegingen als gevolg van deze ontwikkeling niet onevenredig toe en voegt de bebouwing zich qua aard en functie in het stedenbouwkundig beeld van de Grotestraat. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving.
Gelet op het vorenstaande, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r..
Conclusie: Voorliggende ontwikkeling is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Archeologie & Cultuurhistorie Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Onderzoeksresultaten archeologie Het plangebied is getoetst aan de Indicatieve Kaart Archeologische Waarde (IKAW) en aan de provinciale archeologische verwachtingskaart uit de provinciale Omgevingsvisie. Hieruit blijkt dat het plangebied niet is gekarteerd. Door de aanwezigheid van de huidige bebouwing is de bodem binnen het plangebied, net zoals vrijwel de gehele kern van Nijverdal, (grotendeels) geroerd en dus verstoord. Daarom is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Een archeologische dubbelbestemming hoeft niet opgenomen te worden.
Cultuurhistorie, Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In het Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden”, dient te bevatten. Er bevinden zich in het plangebied geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten. In de omgeving van het plangebied is tevens geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden die mogelijkerwijs zouden kunnen worden geschaad vanwege voorliggend plan. Daarom wordt geconcludeerd dat het plan geen negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden.