Bijlage 7 Reactie Quick Scan Stadsbank
Tekst van het document
Reactie Stadsbank m.b.t. vragen in de Quick Scan Gemeenschappelijke Regelingen 2023
De Stadsbank zorgt voor schuldhulpverlening in gemeenten in Twente en de Achterhoek. De jaarstukken geven in hoofdlijnen een momentopname over 2022. Op zichzelf is dat niet vreemd. In de bijlagen bij de jaarstukken staan reeksen met kengetallen over omvang van schulden en ook over de verdeling van schulden over leeftijdsklassen. Dergelijke gegevens naar leeftijd zijn er niet voor budgetbeheer. Inhoudelijk zou hier een vraag bij passen hoe het bestuur oordeelt over veranderingen in de samenstelling van de populatie die bij de Stadsbank aanklopt en wat dat betekent voor de werkwijzen, preventie en benaderen van risicogroepen. Dat kan de basis vormen voor een debat over politieke prioriteiten bij de benadering van bepaalde groepen in de samenleving waar het gaat om financiële zelfredzaamheid en schuldhulpverlening.
De Stadsbank ziet geen grote veranderingen in de samenstelling van de populatie die aanklopt voor schuldhulp, die gevolgen heeft voor onze werkwijze in het algemeen. Met de inzet van een meer klant- en resultaatgerichte dienstverlening met meer tijd en aandacht voor de klant, wordt juist ingezet op maatwerk en de best passende dienstverlening voor de klant (klant voorop). In samenwerking met gemeenten wordt wel op projectbasis gekeken en ervaren of bepaalde doelgroepen meer aandacht behoeven. Zo is samen met de gemeente Enschede voor jongeren een aanpak opgezet met een jongerencoach i.h.k.v. de Twentse belofte. Als schakel tussen gemeente en Stadsbank, met veel tijd voor en aansluitend bij de belevingswerkeld van de jongere en een hands on aanpak worden goede resultaten gehaald.
In het jaarverslag is voorgesteld om het overschot toe te voegen aan de algemene reserve. Dat komt in de begroting terug op pagina 14. De redenering over het weerstandsvermogen roept vragen op. De basis van het weerstandsvermogen is dat geïnventariseerde risico’s en eigen vermogen met elkaar worden vergeleken. De tekst suggereert dat de risico’s zijn afgeleid van de omvang van de primitieve begroting. Door stijging van de omvang van de ontwerp begroting zou dan ook het risico stijgen. Dat is niet vanzelfsprekend. De vraag is of enkel een stijging van de ontwerp begroting leidt tot een verandering van de geldwaarde van risico’s. Dat kan aanleiding zijn om in de
zienswijze op te nemen dat een meer inhoudelijke onderbouwing van risico’s gewenst is voordat een besluit wordt genomen over het verder opbouwen van het eigen vermogen in 2024.
De hoogte van het begrotingstotaal in de ontwerp begroting is niet direct bepalend voor de hoogte van het benodigde weerstandsvermogen. Het klopt dat enkel een stijging van de ontwerp begroting niet persé leidt tot een verandering van de geldwaarde van risico’s. Bij de bepaling van het benodigde weerstandsvermogen wordt gebruik gemaakt van een integrale risicoanalyse op basis van de gangbare ‘NARIS’ methode. Bij deze risicoanalyse wordt per onderwerp het risico in beeld gebracht en de frequentie waarin deze op zou kunnen treden. Vervolgens wordt dit risico financieel vertaald, hetgeen resulteert in een claim op de weerstand. De wijzigingen in risico’s komen door aanpassingen in de bekostigingssystematiek. In de begroting op pagina 14 wordt dit toegelicht en vindt u de inhoudelijke onderbouwing van de risico’s.
Tot slot valt bij een vergelijking van de primitieve begrotingen 2023 en 2024 op dat de kosten stijgen van € 11,6 mln. naar € 13,2 mln. Dat is meer dan de indexatie van 10%. Tegelijkertijd zijn de uitgangspunten voor de personele capaciteit ook veranderd van 125 fte in 2023 (p. 24 Begr) naar 137 fte (p. 20 Begr). De kosten voor personeel waren in de begroting 2023 voor het jaar 2024 € 9,055 mln en zijn in de nu voorliggende begroting € 10,177 mln. De combinatie van enerzijds indexatie die voor personeel op 10% ligt en anderzijds te verwachten meerkosten voor 12 fte extra personeel roept vragen op: is hier sprake van een integrale kostenberekening omdat alleen al de indexatie € 0,9 mln. extra personeelskosten vraagt en er voor met de resterende € 0,2 mln. geen ruimte is voor 12 extra formatieplaatsen. Hier is aanleiding om een nadere onderbouwing te vragen.
De Primitieve begroting 2023 is begin 2022 opgesteld. Later dat jaar is door het Algemeen Bestuur van de Stadsbank met een nieuwe Strategische Agenda ingezet op een klant- en resultaatgerichte dienstverlening in optimale verbinding met en faciliterend naar gemeenten en hun regie op het sociaal domein, met daarbij een passende toekomstbestendige bekostiging. Dit betekent onder andere meer inzet en tijd voor de klant bij de start van schuldhulp in
samenwerking met en op locatie bij de deelnemende gemeenten. De stijging van het aantal fte in de formatie in de Primitieve begroting 2024 heeft voor en groot deel betrekking op deze inzet.
NB 1 Overigens wordt in de begrotingen 2023 en 2024 uitgegaan van de richtlijnen van de deelnemende gemeenten voor verbonden partijen, die echter voor die jaren verschillende uitgangspunten kennen. Een directe vergelijking van de cijfers van de jaarschijf begroting 2024 in de Primitieve begroting 2023 met de cijfers in de Primitieve begroting 2024 is daarom niet mogelijk. NB 2 In de Primitieve begroting 2023 waren de personeelslasten al geïndexeerd conform de richtlijnen: (4,2%+2,8%, totaal 7%) voor jaarschijf 2024. In de Primitieve begroting 2024 zijn de personeelslasten geïndexeerd met 10% (8%+2%). Dit is een stijging van 3% in vergelijking met jaarschijf 2024 in de Primitieve begroting 2023.