bijlage 1 ruimtelijke motivering
Tekst van het document
Ruimtelijke motivering Nijverdal, Kiezerserf 32
Status: Definitief
Augustus 2025
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief
Ruimtelijke motivering “Nijverdal, Keizerserf 32”
Plannaam: Plantype: Status: Datum:
Ruimtelijke motivering “Nijverdal, Keizerserf 32” Ruimtelijke motivering ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Definitief Augustus 2025
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
1
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3 1.4
INLEIDING .............................................................4
AANLEIDING .............................................................................................................. 4 LIGGING VAN HET PROJECTGEBIED ..................................................................................... 4 HET OMGEVINGSPLAN ................................................................................................... 4 LEESWIJZER .............................................................................................................. 6
HOOFDSTUK 2
BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE................................7
HOOFDSTUK 3
PLANBESCHRIJVING ..................................................9
3.1 3.2
HET VOORNEMEN ........................................................................................................ 9 INFRASTRUCTUUR EN OPENBARE RUIMTE ............................................................................ 12
HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3
ALGEMEEN .............................................................................................................. 13 LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING ....................................................................... 13 LANDSCHAPPELIJKE EN/OF STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN ..................................................... 14
HOOFDSTUK 5 5.1 5.2 5.3
LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN 13
BELEIDSKADERS .................................................... 15
RIJKSBELEID ........................................................................................................... 15 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................. 17 GEMEENTELIJK BELEID ................................................................................................ 22
HOOFDSTUK 6
OMGEVINGSVEILIGHEID .......................................... 25
HOOFDSTUK 7
BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN ....................... 27
7.1 7.2 7.3 7.4
VIGEREND BELEID ..................................................................................................... 27 WATERASPECTEN ...................................................................................................... 28 WATERTOETSPROCES EN WATERHUISHOUDING PROJECTGEBIED .................................................. 28 CONCLUSIE ............................................................................................................. 28
HOOFDSTUK 8 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6
GELUID DOOR ACTIVITEITEN ......................................................................................... 29 BODEMKWALITEIT ..................................................................................................... 30 LUCHTKWALITEIT ...................................................................................................... 30 GEUR ................................................................................................................... 31 TRILLINGSHINDER ..................................................................................................... 32 GEZONDHEID .......................................................................................................... 33
HOOFDSTUK 9 9.1 9.2 9.3
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE .......................... 36
WETTELIJK KADER .................................................................................................. 36 ARCHEOLOGIE ...................................................................................................... 36 CULTUURHISTORIE ................................................................................................. 36 CONCLUSIE .......................................................................................................... 36
HOOFDSTUK 11 11.1 11.2 11.3
BESCHERMING VAN DE NATUUR .................................34
GEBIEDSBESCHERMING ............................................................................................... 34 SOORTENBESCHERMING .............................................................................................. 35 CONCLUSIE ............................................................................................................. 35
HOOFDSTUK 10 10.1 10.2 10.3 10.4
BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU ................. 29
M.E.R.- BEOORDELING ............................................ 37
ALGEMEEN........................................................................................................... 37 SITUATIE PROJECTGEBIED ......................................................................................... 37 CONCLUSIE .......................................................................................................... 38
HOOFDSTUK 12
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ............................. 39 BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief 12.1 12.2 12.3
ALGEMEEN........................................................................................................... 39 KOSTENVERHAAL ................................................................................................... 39 SITUATIE PROJECTGEBIED ......................................................................................... 39
HOOFDSTUK 13 13.1
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ...................... 40
PARTICIPATIE ....................................................................................................... 40
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE MOTIVERING ........................................... 41 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5 BIJLAGE 6 BIJLAGE 7 BIJLAGE 8
WATERTOETS ................................................................................................. 41 AKOESTISCH ONDERZOEK ................................................................................... 42 AERIUS-BEREKENING ...................................................................................... 43 QUICKSCAN FLORA EN FAUNA ............................................................................... 44 NADER ONDERZOEK HUISMUS ............................................................................... 45 NADER ONDERZOEK VLEERMUIS ............................................................................ 46 BRIEF OMWONENDEN PARTICIPATIE ........................................................................ 47 UITNODIGING PARTICIPATIEAVOND ......................................................................... 48
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief
HOOFDSTUK 1
1.1
INLEIDING
Aanleiding
Initiatiefnemer is voornemens de bestaande panden aan de Keizerserf 32- a t/m c te slopen en hier een appartementengebouw te realiseren met in totaal negen woningen. In de huidige situatie staan de panden, met uitzondering van één bedrijf op de begane grond, leeg. Op basis van het geldende planologische regime is het niet mogelijk meer woningen te realiseren dan het bestaande aantal. Daarnaast is het appartementengebouw deels buiten het bouwvlak geprojecteerd. Om het voornemen mogelijk te maken, kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Hiervoor dient op basis van artikel 8.0a lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) te worden aangetoond dat de BOPA in overeenstemming is met ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Voorliggende ruimtelijke motivering voorziet hierin.
1.2
Ligging van het projectgebied
Het projectgebied ligt aan de Keizerserf 32 en de Keizerserf 32a/c te Nijverdal. Het projectgebied staat kadastraal bekend als gemeente Hellendoorn (HLD01), Sectie C, nummer 8938 & 8939. In afbeelding 1.1 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van Nijverdal en de directe omgeving weergegeven.
Afbeelding 1.1
Ligging projectgebied (Bron: Plattekaart.nl)
1.3
Het omgevingsplan
1.3.1
Geldend omgevingsplan
Ter plaatse van het projectgebied is sprake van het omgevingsplan van rechtswege zoals deze in werking is getreden op 15 juli 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat ter plaatse uit de volgende documenten: • • • •
Bestemmingsplan ‘Veegplan gemeente Hellendoorn 2024’ (vastgesteld op 9 juli 2024); Bestemmingsplan ‘Eerste herziening paraplubestemmingsplan parkeren gemeente Hellendoorn’ (vastgesteld op 12 oktober 2021); Bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren gemeente Hellendoorn’ (vastgesteld op 12 juni 2018); Bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Nijverdal Centrum’ (vastgesteld 1 juli 2014);
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief •
Omgevingsplan gemeente Hellendoorn (in werking vanaf 15 juli 2024).
Voor de duiding van het planologisch regime van het projectgebied is met name het bestemmingsplan ‘Nijverdal Centrum’ van belang. Afbeelding 1.2 bevat een uitsnede van de verbeelding behorend bij het bestemmingsplan ‘Nijverdal Centrum’. Hierin is het projectgebied indicatief met witte omlijning weergegeven.
Afbeelding 1.2
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan (Bron; Omgevingsloket – Regels op de kaart)
Op basis van het bestemmingsplan ‘Nijverdal Centrum’ is het projectgebied voorzien van de enkelbestemming ‘Centrum – 1’. Binnen deze gronden mag de begane grondlaag van gebouwen worden gebruikt voor de activiteiten detailhandel, dienstverlening met een baliefunctie, maatschappelijke functies en horeca t/m categorie 1, parkeergarages en waterhuishoudkundige voorzieningen. Wonen is toegestaan op de verdieping van de gebouwen, waarbij geldt dat het aantal woningen maximaal het bestaande aantal mag bedragen. In de bouwregels is bepaald dat voor het gebied de Keizerserf de maximale goot en gebouwhoogte respectievelijk 7.5 en 10.5 meter mogen bedragen, inhoudende maximaal twee bouwlagen waarboven een terugliggende derde bouwlaag is toegestaan. Met het voornemen is sprake van de sloop van de bestaande bebouwing ten behoeve van een nieuw wooncomplex met vier bouwlagen. Op basis van het planologisch regime voldoet de beoogde activiteit niet aan de beoordelingsregels voor zowel het gebruik als voor het bouwen. 1.3.2
Opheffen strijdigheid
Het is binnen de bestemming ‘Centrum - 1’ niet toegestaan meer woningen te realiseren dan het bestaande aantal. Daarnaast wordt het appartementengebouw deels buiten het bouwvlak gerealiseerd. Verder wordt afgeweken van de maximale goot- en bouwhoogte. De beoogde activiteiten passen daarmee niet binnen de beoordelingsregels van het omgevingsplan. Om het voornemen te realiseren, kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa). Een omgevingsvergunning voor een Bopa kan op basis van artikel 8.0 Bkl worden verleend, wanneer de activiteit in overeenstemming is met ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Voorliggende ruimtelijke motivering voorziet hierin.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 allereerst ingegaan op de huidige situatie. Hoofdstuk 3 en 4 gaan achtereenvolgens in op de gewenste situatie van het projectgebied en de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden in en rondom het projectgebied. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 6 gaat in op de omgevingsveiligheid, waarna in hoofdstuk 7 de bescherming van de waterbelangen wordt behandeld. Hoofdstuk 8 en 9 gaan respectievelijk in op de bescherming van de gezondheid, het milieu en de natuur. Hoofdstuk 10 behandelt de archeologische en cultuurhistorische waarden. In hoofdstuk 11 komt de m.e.r.-beoordeling aan bod. Hoofdstuk 12 en 13 behandelen de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het voornemen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief
HOOFDSTUK 2
BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE
Het projectgebied bevind zich aan de Keizerserf 32- a t/m c. In de huidige situatie is de begane grond leegstaand, met uitzondering van de kapperszaak ‘Mengers coiffure’. Op de eerste verdieping zijn appartementen gesitueerd. De Keizerserf is een van de hoofdwinkelstraten van Nijverdal en daarom aangemerkt als voetgangersgebied. Deze bevindt zich aan de oostkant van het projectgebied. Aan de westzijde wordt het projectgebied omsloten door het Nijveldserf, hieraan ligt een parkeerterrein. Ten noorden en zuiden van het projectgebied bevinden zich respectievelijk een woongebouw met appartementen en de winkel ‘Tasty Sushi en Poke’. In afbeeldingen 2.1 is een luchtfoto van de huidige situatie van het projectgebied en de directe omgeving weergegeven. Het projectgebied is hierop rood omlijnd. Afbeelding 2.2 toont een straatbeeldfoto genomen vanaf de Keizerserf.
Afbeelding 2.1
Luchtfoto projectgebied (Bron: PDOK.nl, bewerkt)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief
Afbeelding 2.2
Straatbeeld projectgebied gezien vanaf de Keizerserf (Bron: Aedi Nova bouwmeesters )
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief
HOOFDSTUK 3
3.1
PLANBESCHRIJVING
Het voornemen
Door de leegstand op de begane grond van de bestaande panden is het wenselijk binnen het projectgebied een toekomstbestendige functie te realiseren. Door de sloop van de bestaande bebouwing en de realisatie van in totaal negen appartementen wordt hier invulling aan gegeven. Het nieuw te bouwen appartementengebouw heeft een hoogte van circa 13 meter. Het oppervlak van de appartementen varieert in oppervlakte. De begane grond wordt ingericht en in gebruik genomen als parkeerlaag. Hier worden 9 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast worden hier de bergingen van de woningen gerealiseerd. In afbeeldingen 3.1 en 3.2 is een plattegrond van de begane grond, eerste, tweede en derde verdieping weergegeven. In afbeelding 3.3 worden de gevelaanzichten weergegeven.
Afbeelding 3.1 Bouwmeesters)
Plattegrond
gewenste
situatie
begane
grond
en
eerste
verdieping
(Bron:
Aedinova
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief
Afbeelding 3.2
Plattegrond gewenste situatie tweede en derde verdieping (Bron: Aedinova Bouwmeesters)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief Afbeelding 3.3
Gevelaanzichten gewenste situatie (Bron Aedinova Bouwmeesters)
3.2
Infrastructuur en openbare ruimte
3.2.1
Algemeen
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het projectgebied. 3.2.2
Verkeer en parkeren
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die daardoor ontstaat. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. De gemeente Hellendoorn heeft in 2021 de ‘Nota parkeernormen 2021’ vastgesteld. Hierin wordt op een heldere en systematische wijze vastgelegd welk kencijfer per type ontwikkeling moet worden gehanteerd. In vooroverleg met de gemeente is besloten om voor deze ontwikkeling een parkeernorm van 0,9 per woning aan te houden. Voor de berekening van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: • •
Stedelijkheidsgraad: matig stedelijk (bron: Nota parkeernormen 2021); Stedelijk gebied: centrum.
Tabel met uitgangspunten Functie/Activiteit Koop (etage, midden, duur)
Parkeernorm per woning 1,4
Verkeersgeneratie per woning 6,8
Parkeren
Op basis van vorenstaande gegevens ontstaat het volgende beeld ten aanzien van de parkeerbehoefte: functie
parkeernorm
aantal
berekening totale behoefte
Bestaande (planologische) situatie koop (etage midden,duur)
1,4 (per appartement)
2 1,4 x 2
2,8
hoofd winkelcentrum
3,3 (per 100 m2)
193 3,3 x 1,93
6,4
3,3 (per 100 m2)
257 3,3 x 2,57
8,5
totaal
17,7
Toekomstige (planologische) situatie koop (etage midden,duur)
1,4 (per appartement)
9 9 x 1,4
12,6
hoofdwinkelcentrum
3,3 (per 100 m2)
84
2,8 totaal
15,4
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief
Zoals uit voorgaande tabel blijkt is er een afname van de parkeerbehoefte omdat de bestaande parkeerbehoefte van 17,7 hoger is dan de nieuwe parkeerbehoefte van 15,4. In geval van voorgenomen ontwikkeling wordt er echter voor gekozen om parkeerplaatsen aan te leggen op eigen terrein. Er worden 9 parkeerplaatsen aangelegd op eigen terrein. Verkeer Op basis van bovenstaande uitgangspunten is het aantal verkeersbewegingen vastgesteld op afgerond 62 op een gemiddelde werkdag. In de huidige situatie werden de panden gebruikt als winkelfunctie. Dit brengt tevens een verkeersgeneratie met zich mee. Omdat de winkelfunctie komt te vervallen komt deze verkeersgeneratie te vervallen. De ingang van de parkeerlaag zit aan de westzijde van het pand aan de Nijveldserf. De toekomstige bewoners zullen via deze zijde het pand in- en uitrijden. De Nijveldserf en de omliggende wegen zijn van voldoende capaciteit om de geringe toename op een verkeersveilige manier af te wikkelen. 3.3.4
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
HOOFDSTUK 4
4.1
LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN
Algemeen
In het vorige hoofdstuk is de gewenste ontwikkeling beschreven. Dit hoofdstuk zal ingaan op hoe het plan rekening houdt met de ter plaatse aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken integraal onderdeel uit van de taak van overheden om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld voor het beschermen van deze kwaliteiten. Deze gaan over de volgende onderwerpen: • • • • •
Kustbescherming; Waddenzee en Waddengebied; Cultureel erfgoed en werelderfgoed; Landelijke fiets- en wandelroutes; Ladder voor duurzame verstedelijking.
Het aspect ‘cultureel erfgoed en werelderfgoed’ zal in hoofdstuk 10 worden behandeld. In onderstaande paragraaf wordt ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking en de gebiedsspecifieke landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten.
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.2.1
Algemeen
De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen: • •
de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend.
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en een ‘stedelijke ontwikkeling’. bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 4.2.2
Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking
In voorliggend geval is sprake van het realiseren van negen appartementen. Hiermee is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Dit gelet op het feit dat er slechts negen appartementen worden toegevoegd. Voor het realiseren van woningen is de uitspraak ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921’ van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat het realiseren van minder dan 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is sprake van het toevoegen van negen woningen. Er is dus, op basis van de genoemde uitspraak, geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 5.129g Bkl en is het initiatief in overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking.
4.3
Landschappelijke en/of stedenbouwkundige waarden
De voorgenomen ontwikkeling wordt gerealiseerd op een locatie die reeds bebouwd is en was, hierdoor worden er geen landschappelijke waarden aangetast. Daarnaast is in het ontwerp rekening gehouden met het bestaande straatbeeld en zullen de nieuwe panden goed aansluiten ten opzichte van de bestaande panden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief
HOOFDSTUK 5
BELEIDSKADERS
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit projectgebied geldende uitgangspunten weergegeven.
5.1
Rijksbeleid
5.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
5.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 5.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water.
In alle gevallen wordt ingezet op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 5.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen.
Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van de mogelijkheden en behoeften van toekomstige generaties. 5.1.2
Instructieregels Rijk (Amvb’s)
Artikel 8.0b, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. b. c.
de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert.
Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: o o o
waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief o o o
o
beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Zie stap 11f van hoofdstuk 3. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden. 5.1.3
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid
De NOVI laat zich niet specifiek uit over lokale ontwikkelingen zoals voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de NOVI. In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. Hoofdstuk 3 en 4 zijn reeds ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl.
5.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen betreffen de Omgevingsvisie Overijssel (Actualisatie Omgevingsvisie 2023) en de daarbij behorende Omgevingsverordening Overijssel (Omgevingsverordening 2024). 5.2.1
Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Overijssel is het centrale provinciale beleidsplan voor het fysieke beleidsplan voor het fysieke leefmilieu in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. 5.2.2
Omgevingsverordening
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief 5.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal: a. b. c.
Of – generieke beleidskeuzes; Waar – ontwikkelingsperspectieven; Hoe – gebiedskenmerken.
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. 5.2.3.1 Of - generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties. Ook wordt in deze fase de zgn. Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn.
Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen, gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. 5.2.3.2 Waar - ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
5.2.3.3 Hoe - gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag ‘hoe’ een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Afbeelding 5.1 geeft dit schematisch weer.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief
Afbeelding 5.1
5.2.4
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 5.2.4.1
Generieke beleidskeuzes
Bij de afwegingen in de eerste fase “generieke beleidskeuzes” zijn met name de artikelen 4.9 (lid 1) en artikel 4.14 van belang. Op de betreffende artikelen wordt hierna nader ingegaan. Artikel 4.9 – Ruimtelijke kwaliteit 1. omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en c. inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Toetsing van het initiatief aan artikel 4.9 van de Omgevingsverordening Overijssel Uit de hiernavolgende paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan past binnen ontwikkelperspectieven van de provincie evenals de ter plaatse geldende gebiedskenmerken.
de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief
Artikel 4.14 – Woonafspraken 1.Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. 2.Nieuwe woningen zijn nog te realiseren woningen waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven.
Toetsing van het initiatief aan artikel 4.14 van de Omgevingsverordening Overijssel Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van negen appartementen. In paragraaf 5.3.1 en 5.3.2 is aangetoond dat het toevoegen van deze appartementen voldoet aan de lokale behoefte. Het initiatief is hiermee in overeenstemming met de generieke beleidskeuze uit artikel 4.14 van de omgevingsverordening. Hiermee wordt er voldaan aan de generieke beleidskeuzes. 5.2.4.2 Ontwikkelingsperspectieven Het projectgebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief “Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken”. In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen. Het projectgebied is met een rode ster aangeduid.
Afbeelding 5.2
Uitsnede Ontwikkelperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
‘Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken’ De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief Toetsing initiatief aan het ‘ontwikkelingsperspectief’ Het initiatief voor de sloop van de bestaande bebouwing en de realisatie van negen appartementen kan worden getoetst aan het ontwikkelingsperspectief ‘Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken’. Dit perspectief biedt ruimte voor herstructurering en transformatie, mits de ontwikkeling bijdraagt aan een vitaal en aantrekkelijk woon- en werkklimaat en aansluit op de lokale behoefte. In dit geval wordt bestaande bebouwing vervangen door nieuwe appartementen, waarmee de locatie een woonfunctie krijgt die aansluit bij de vraag naar woningen in de omgeving. Dit draagt bij aan het versterken van de leefbaarheid en diversiteit van het gebied. Aangezien de transformatie past binnen de uitgangspunten van herstructurering en inbreiding en voorziet in een lokale woonbehoefte, kan worden geconcludeerd dat het initiatief in lijn is met het geldende ontwikkelingsperspectief. 5.2.4.3 Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarischcultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.
De ‘Natuurlijke laag’, ‘De laag van het agrarische cultuurlandschap’ en de ‘Laag van de beleving’ worden in dit geval buiten beschouwing gelaten, aangezien voor het projectgebied geen relevante eigenschappen vanuit deze lagen zichtbaar zijn. 1.
De ‘Stedelijke laag’
In de ‘Stedelijke laag’ ontstaat de koppeling van de sociale en fysieke dynamiek van de stedelijke functies aan het verbindende netwerk van wegen, paden, spoorwegen en kanalen. Elke stad of dorp bezit zijn eigen karakteristieke ruimtelijke, sociale en functionele opbouw en kwaliteiten. Het projectgebied is op de gebiedskenmerkenkaart de ‘Stedelijke laag’ aangeduid met het gebiedstype ‘Bebouwingsschil 1900 – 1955’. In afbeelding 5.3 is dat aangegeven.
Afbeelding 5.3
Stedelijke laag (Bron: Bron: Provincie Overijssel)
‘Bebouwingsschil 1900-1955 De bebouwingsschil 1900-1955 bestaat uit gemengde stadwijken en woonwijken direct aansluitend op de historische centra en binnensteden. Op sommige plaatsen liggen (voormalige) grootschalige fabriekscomplexen direct aansluitend aan woonwijken. Deze stadswijken kennen een gesloten, compacte vorm (bouwblokken) en zijn veelal opdeelbaar in wijken met eigen karakter. De wijken worden van elkaar gescheiden door doorgaande lanen, singels en stadsstraten. Kenmerkend in de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief bebouwing is de verwantschap in architectuurstijlen en aandacht voor architectonische details en verbijzondering van gebouwen op specifieke plekken als straathoeken. De schil is op te delen in wijken met indviduele panden, gekenmerkt door veel variatie in bebouwing en veel (individueel en openbaar) groen. De wijken op basis van de fabrieksdorp-/tuindorp-principes zijn juist herkenbaar aan een hechte stedenbouwkundige en architectonische eenheid op basis van collectieve principes. Stationsomgevingen liggen vaak in deze schil. De stadsassen doorkruisen deze bebouwingsschil veelal en vormen belangrijke verbindingsassen tussen de stedelijke centra, stationsgebieden en het hoofdinfrastructuurnetwerk rond de steden. De ambitie voor deze laag betreft de doorontwikkeling van de compacte stadskwartieren met de ‘gesloten’ stadsvorm. Waar maar enigszins mogelijk herstellen van de functiemix. Veel ruimte en aandacht voor zorgvuldig individueel (in de individuele wijken) en collectief (in de tuindorpen en fabrieksdorpen) opdrachtgeverschap. Als daar vanuit de (woon)- kwaliteit aanleiding toe is ligt er in delen van deze wijken een belangrijke herstructureringsopgave. Toetsing van het initiatief aan de 'Stedelijke laag' Het initiatief past binnen de ambitie om compacte stadskwartieren door te ontwikkelen en te herstructureren waar nodig.
De sloop van de bestaande bebouwing en de realisatie van een appartementengebouw draagt bij aan het behoud van een gesloten stadsvorm en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Door nieuwbouw in te zetten als kwalitatieve toevoeging, wordt aangesloten bij de bestaande architectuur en stedenbouwkundige structuur. Hiermee draagt het initiatief bij aan de herstructureringsopgave binnen deze bebouwingsschil en sluit het aan bij de ambitie om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte. 5.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk beleid.
5.3
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In deze paragraaf wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken. 5.3.1
Omgevingsvisie Hellendoorn, Natuurlijk Avontuurlijk
5.3.1.1 Algemeen De ‘Omgevingsvisie Hellendoorn, Natuurlijk Avontuurlijk’ (vastgesteld d.d. 12 februari 2014) bevat een brede visie op de toekomst en vormt het kader van alle ruimtelijke ontwikkelingen. De visie is opgebouwd in 3 lagen, namelijk identiteit, context en kernvisie: • • •
Identiteit: gericht op versterken en kwaliteit van een gebied: deze geeft deze geeft niet aan welke ontwikkelingen waar mogelijk zijn maar meer binnen welke identiteit een bepaalde ontwikkeling moet worden uitgewerkt/vormgegeven. Context: gericht op de functionele opgave: Dit vanuit het huidige programma; wonen, werken natuur en verkeer. Kernvisie: In de kernvisie zijn de prioriteiten vanuit de workshops gedestilleerd en wordt aangegeven op welke ontwikkeling/wisselwerking de focus ligt.
5.3.1.2 Identiteit, Context en Kernvisie Identiteit: ‘Sterke kernen’ De leefbaarheid van de dorpen (Nijverdal en Hellendoorn), de kernen (Daarle, Daarlerveen, Hulsen en Haarle) en de buurtschappen (Egede, Elen en Raahn, Marle en Hancate) is goed. De lichte daling van het aantal inwoners, ontgroening en vergrijzing zullen ook in de gemeente Hellendoorn hun impact hebben op wonen, zorg, werkgelegenheid en economie. Ondanks deze demografische BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief veranderingen spannen we ons in om in alle dorpen, kleine kernen en buurtschappen een duurzaam samengestelde samenleving in stand te houden, met een voorzieningenniveau dat daarbij hoort. Passende woon-, leef- en zorgmogelijkheden voor alle leeftijdscategorieën vormen daarbij het uitgangspunt. Dat betekent dat we kiezen voor vraaggerichte nieuwbouw voor speciale doelgroepen met de nadruk op combinaties van wonen, welzijn en zorg, Het gaat erom mensen in staat te stellen zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen en zelfredzaam te blijven. Creatieve initiatieven van alle mogelijke marktpartijen en particulieren op dit gebied wordt nadrukkelijk gefaciliteerd. Daarbij wordt er gekozen voor inbreiding in plaats van uitbreiding. Nijverdal is in de loop der tijd fors gegroeid. Eerst door het opvullen van open ruimtes en uitbreiding aan de zuidzijde van het dorp, later hebben ook aan de overzijde van de Regge woonuitbreidingen plaatsgevonden en is het bedrijventerrein ’t Lochter gerealiseerd. Ondanks deze invullingen, kenmerkt Nijverdal zich nog wel door relatief veel en grote open groene ruimten en de parken in de bebouwde kom: de Veldkamp, het Blokkenpark, Boomcatepark, de groen structuren in het centrum en in de stationsomgeving, de toekomstige tuinen van Nijverdal, het binnenkort te revitaliseren landgoed Eversberg en Duivecate.
In het kader van de kwaliteit van de leefomgeving en de beleving wil de gemeente de in Nijverdal aanwezige groene enclaves en parken versterken en door de groenstructuren met elkaar verbinden. Context: Wonen Wonen Woningbouw vindt plaats binnen de in ontwikkeling zijnde gebieden en op inbreidingslocaties (bijvoorbeeld door transformatie). In de komende jaren zal, afhankelijk van de (woning)marktontwikkeling de contouren van woongebied-in ontwikkeling doorontwikkeld worden of dat er tot een afronding wordt overgegaan. Naast deze gebieden, zijn er enkele zoekgebieden aangewezen. Deze zoekgebieden komen pas in beeld indien er geen inbreidingslocaties in een betreffende kern beschikbaar zijn/in aanmerking komen en/of het inbreiding voor uitbreiding principe in de bredere context geen oplossing kan bieden dan wel geen maatwerkoplossing kan leveren. Buiten deze zoekgebieden om zijn er geen andere nieuwe uitleggebieden. Op het vlak van wonen, heeft de gemeente een aparte beleidsnota. Kernvisie Binnen de kernvisie liggen tien concrete opgaven, waarvan zes ruimtelijke en vier procesmatige. De voorgenomen ontwikkeling maakt geen onderdeel uit van een concrete opgave.
5.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Omgevingsvisie Hellendoorn, Natuurlijk Avontuurlijk’ Dit initiatief sluit aan bij de identiteit ‘Sterke kernen’ door in te spelen op de woningbehoefte en bij te dragen aan een evenwichtige woon- en leefgemeenschap door appartementen toe te voegen met een gevarieerd oppervlak. De bouw van negen appartementen op een inbreidingslocatie past binnen het gemeentelijke beleid om woningbouw via transformatie te realiseren. Dit draagt bij aan efficiënt ruimtegebruik en versterkt de leefbaarheid. Hoewel het plan geen onderdeel is van een specifieke kernopgave, ondersteunt het de bredere ruimtelijke doelstellingen. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in lijn is met de omgevingsvisie van de gemeente Hellendoorn. 5.3.2
Woonvisie Hellendoorn 2020-2025
5.3.2.1 Algemeen De Woonvisie gemeente Hellendoorn 2020-2025 is op 4 december 2019 door de gemeenteraad van Hellendoorn vastgesteld. Deze woonvisie is tot stand gekomen samen met woningcorporaties, zorgpartijen, marktpartijen, dorpsraden en inwoners. In deze woonvisie wordt het beleid vanaf 2012 geëvalueerd en is de woningmarktsituatie in kaart gebracht en doorvertaald naar een visie tot 2025. 5.3.2.2 Beleid in hoofdlijnen Het thema van de Woonvisie 2020-2025 is ‘van kwantitatieve opgave naar kwalitatieve kans’. De rode draad hierin is het op peil brengen en houden van een hoog kwaliteitsniveau in de bestaande woningvoorraad. Deze bestaande voorraad is het vertrekpunt van de Woonvisie. Nieuwbouw dient te worden ingezet als kwalitatieve toevoeging op de bestaande woningvoorraad. Woningen worden niet toegevoegd voor korte termijn vraag, maar voor lange termijn behoefte. Woningen die nu BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief gebouwd worden staan er immers voor een lange tijd. Een ander belangrijk uitgangspunt is ‘inbreiding gaat voor uitbreiding’. Woningbouw dient in principe binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd te worden. Daarnaast dragen centrumlocaties meer bij aan structuurversterking van een kern (of gemeente) dan locaties aan de rand. Voor de gemeente Hellendoorn is voor de structuurversterking wenselijk aanvullend gebruik te maken van transformatielocaties en aanpakken van ‘rotte kiezen’. 5.3.2.3 Woningbouwprogramma en afwegingskader Het woningbouwprogramma van de gemeente Hellendoorn is dynamisch en bestaat uit initiatieven vanuit de gemeente, woningstichting, particulieren en ontwikkelaars/bouwers. Het college kan besluiten om in specifieke gevallen en onder voorwaarden af te wijken van het woningbouwprogramma en nieuwe initiatieven toe te staan. Voorwaarde vanuit de provincie Overijssel is echter dat wanneer nieuwe initiatieven worden toegestaan andere plannen uit het woningbouwprogramma moeten worden geschrapt. Om te helpen bij het maken van bewuste keuzes over welke woningtypen worden toegestaan en op welke (structuurversterkende) plekken in de gemeente, is in de Woonvisie 2020-2025 een afwegingskader opgesteld. Door de stappen in het afwegingskader te doorlopen ontstaat een gesprek over de toegevoegde waarde van een nieuwbouwplan.
Essentieel is dat kiezen voor een bepaald plan altijd gevolgen heeft voor de bestaande voorraad en ook voor andere nieuwbouwplannen. Het afwegingskader helpt bij het beoordelen en beargumenteren (van de gevolgen) van een plan. De eerste twee criteria van het afwegingskader zijn dwingend: er moet voorzien worden in een kwalitatieve behoefte en het plan moet op een inbreidingsplek liggen. 5.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie gemeente Hellendoorn 2020-2025 Het plan voorziet in de bouw van negen appartementen op een inbreidingslocatie, wat aansluit bij het uitgangspunt ‘inbreiding gaat voor uitbreiding’ van de Woonvisie 2020-2025. De toevoeging van deze woningen draagt bij aan de lange termijn woningbehoefte en zorgt voor een kwalitatieve aanvulling op de bestaande woningvoorraad. Daarnaast kan de realisatie van de appartementen de doorstroming op de woningmarkt bevorderen, waardoor er ruimte ontstaat in andere delen van de gemeente. Verder beschikt het appartementengebouw over een lift waardoor de woningen ook als levensloopbestendig kunnen worden bewoond. Zo zijn de appartementen niet alleen voor starters maar ook voor ouderen aantrekkelijk. De herontwikkeling draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en voorkomt leegstand of verpaupering.
Daarmee voldoet het plan aan het gemeentelijk afwegingskader en sluit het aan bij de ambitie om de woningvoorraad structureel te versterken. 5.3.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het gemeentelijke beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief
HOOFDSTUK 6 6.1
OMGEVINGSVEILIGHEID
Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 6.2
Situatie in en bij het projectgebied
Aan hand van de externe veiligheidskaarten op Atlas leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 6.1 is een uitsnede van de Atlas leefomgeving kaart met betrekking tot het plangebied en de directe omgeving weergegeven. Het projectgebied is hierin indicatief weergegeven met een rode ster.
Afbeelding 6.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: atlas leefomgeving)
In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen risicovolle functies aanwezig die van invloed zijn op voorgenomen ontwikkeling. Zoals te zien op de afbeelding valt het projectgebied niet binnen een aandachtsgebied van een risicovolle functie. Daarnaast voorziet voorgenomen ontwikkeling niet op het toevoegen van een risicovolle functie. 6.3
Conclusie
Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Nijverdal, Keizerserf 32 Definitief
HOOFDSTUK 7
BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
7.1
Vigerend beleid
7.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2
Rijksbeleid
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 7.1.4
Beleid Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de