Bijlage 1 Nota zienswijzen
Tekst van het document
Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Landgoed Vels te Hellendoorn 1. Inleiding Deze nota heeft betrekking op de zienswijzenfase van het ontwerpbestemmingsplan “Landgoed Vels Hellendoorn”. Het plangebied omvat een gedeelte van een perceel gelegen op de hoek Marsdijk-Veldhuizenweg te Hellendoorn en de locatie Schuilenburgerweg 31 te Hellendoorn en daar ten zuiden van gelegen omliggende gronden tot aan de Nieuwe Twentseweg en Schuilenburgerweg. Het nu geldende bestemmingsplan voor de gronden ten zuiden van Schuilenburgerweg 31 biedt de mogelijkheid voor het realiseren van twee vrijstaande woningen op een kamp. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het verplaatsen van deze twee bouwkavels, één naar de rand van de kamp ter hoogte van de Schuilenburgerweg-Nieuwe Twentseweg en de ander naar een meer zuidelijke locatie gelegen aan de Nieuwe Twentseweg. Verder heeft dit plan tot doel een gerealiseerd zonneveld bij Schuilenburgerweg 31 en een aangelegde houtwal rondom een perceel op de hoek Marsdijk-Veldhuizenweg te bestemmen. Vanaf vrijdag 22 december 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan “Landgoed Vels Hellendoorn” gedurende zes weken ter inzage gelegen (tot en met vrijdag 2 februari 2024). Gedurende deze termijn bestond gelegenheid voor een ieder hierop een zienswijze in te dienen.
Van de terinzagelegging is kennisgegeven op de gebruikelijke wijze: bekendmaking (op 21 december 2023) via het Gemeenteblad en in het huis-aan-huisblad Hart van Hellendoorn-Nijverdal en beschikbaarstelling op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.
2. Ingediende zienswijzen Van de geboden gelegenheid om tijdens de terinzagelegging mondeling, schriftelijk dan wel per email een zienswijze in te dienen over genoemd ontwerpbestemmingsplan, is gebruik gemaakt door: A. Gasunie Transport Services B.V., postbus 181, 9700 AD Groningen (hierna ‘reclamant A’) Ontvangstdatum 25 januari 2024, documentnr. D2024-01-007242; B. CLOse-Up RO-Advies B.V., Wilgeroosje 10, 7443 TT Nijverdal, namens i. ….., ii. ….., (hierna gezamenlijk genoemd ‘reclamant B’) Ontvangstdatum 2 februari 2024, documentnr. D2024-02-000483 Alle zienswijzen (van reclamant A en B) zijn voor het einde van de inzagetermijn ingediend en daardoor ontvankelijk.
3. Inhoudelijke beoordeling zienswijzen Onderstaand zijn de zienswijzen samenvattend weergegeven. De zienswijzen zijn vervolgens beoordeeld en per zienswijze is aangegeven of er aanleiding is om het plan aan te passen. In het laatste hoofdstuk zijn de wijzigingen van de planregels weergegeven.
3.1 Zienswijze reclamant A Samenvatting: a.
Opnemen adequate regeling afwijken bouwregel
Reclamant geeft aan dat binnen het plangebied twee hoofd-aardgastransportleidingen, respectievelijk A-528 en A-508, liggen, die bij hem in beheer zijn. Daarover geeft hij aan dat in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is bepaald dat een bestemmingsplan de ligging van de leidingen en de daarbij behorende belemmeringenstrook weergeeft. Daarvoor is in het ontwerpbestemmingsplan een dubbelbestemming Leiding-Gas opgenomen. Reclamant geeft daarvan echter aan dat de thans opgenomen bepalingen niet volledig zijn. Het in de regels van het ontwerpbestemmingsplan opgenomen artikel 6.3 biedt een beoordelingsvrijheid die niet door artikel 14, derde lid van het Bevb wordt geboden. Daarin is bepaald dat de veiligheid van de in de belemmeringenstrook gelegen buisleiding niet mag worden geschaad en geen kwetsbaar object wordt toegelaten. Hij verzoekt daarom om sublid 6.3.1 van de regels: • aan te passen door het woord ‘onevenredig’ te schrappen; • uit te breiden met het volgende toetsingskader: - dat de veiligheid van de gasleiding niet mag worden geschaad; - dat vooraf door bevoegd gezag schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder; - dat er geen kwetsbare objecten worden toegelaten. Tevens wordt verzocht om in sublid 6.4.3 onder a het woord ‘onevenredig’ te schrappen. b.
Aanvulling/aanpassing bepaling omgevingsvergunning ‘uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden’
Reclamant geeft aan dat de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden onvoldoende zijn om een veilig en bedrijfszeker gastransport te waarborgen en gevaar voor personen en goederen in de directe omgeving van de leiding(en) te beperken. Hij verzoekt daarom om artikel 6.4 aan te vullen / uit te breiden met de volgende werkzaamheden: • het aanbrengen/rooien van diepwortelende beplantingen en bomen; • het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; • het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair; • het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; • het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. c. Overig Reclamant heeft als bijlage bij zijn zienswijze een tekstvoorstel gevoegd voor de regels over de dubbelbestemming Leiding-Gas. Hij geeft daarvan aan dat het gebruik van dit tekstvoorstel wat hem betreft zijn voorkeur geniet.
Beoordeling: a, b, c Naar aanleiding van de zienswijze is er contact geweest met reclamant. Door hem is aangegeven dat het wat hem betreft geen probleem is om de in artikel 6.1 van het ontwerpbestemmingsplan opgenomen bestemmingsomschrijving, te handhaven. Voor de overige bepalingen van artikel 6 wordt voorgesteld de regels aan te passen conform het tekstvoorstel van reclamant, zodat deze in overeenstemming worden gebracht met het Bevb. Conclusie Wij adviseren u de zienswijze van reclamant A gegrond te verklaren.
3.2 Zienswijze reclamant B a.
Reclamant geeft aan dat in paragraaf 5.6 (bedrijven en milieuzonering) van de toelichting op het ontwerp-bestemmingsplan niet wordt ingegaan op het bedrijf …...
Commentaar ad a. Milieuzonering gaat er over dat (nieuwe) woningen op een passende afstand van bestaande, planologisch toegestane bedrijven worden gesitueerd. Het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2009 (tijdelijke Omgevingsplan) maakt op de locatie ….. recreatie mogelijk. Er zijn planologische mogelijkheden voor een restaurant met expositieruimte. Deze bij recht toegestane activiteiten hadden inderdaad benoemd moeten worden in de toelichting bij het ontwerp-bestemmingsplan. Daarom wordt in de toelichting bij het definitieve bestemmingsplan hier wel op ingegaan. Er wordt voor deze activiteit vanuit het oogpunt van milieuzonering een indicatieve afstand gehanteerd van 10 meter. Omdat de ontwikkeling niet binnen 10 meter van het restaurant en expositieruimte plaatsvindt, zal er ter plekke van het plangebied geen sprake zijn van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt het restaurant en expositieruimte niet beperkt in de bedrijfsvoering. Deze toevoeging in de toelichting in paragraaf 5.6 van het bestemmingsplan, leidt niet tot een op dit punt gewijzigd juridisch deel van het bestemmingsplan, te weten de plankaart en/of de regels. Conclusie ad a. Wij adviseren u dit deel van de zienswijze gegrond te verklaren. b.
Reclamant geeft aan dat in paragraaf 5.6 (bedrijven en milieuzonering) van de toelichting op het ontwerp-bestemmingsplan niet wordt ingegaan op het jaarlijkse evenement ‘…... Commentaar ad b. Het …. is een jaarlijks terugkerend festival. Het is een kleinschalig evenement, gericht op theater, verhalen vertellen en (muziek)voorstellingen in streektaal. Het festival is dusdanig van aard dat het niet onevenredig bezwarend is voor het woongenot. De invloed op de omgeving is dusdanig beperkt en tijdelijk van aard, dat het niet planologisch is ingepast. Daarom kan het niet worden meegenomen in de toetsing voor wat betreft ‘bedrijven en milieuzonering’. Voor de volledigheid wordt vermeld dat de nieuwe locatie van de landgoedbeheerwoning verder van het festivalterrein af ligt. Conclusie ad b. Wij adviseren u dit deel van de zienswijze ongegrond te verklaren.
c. Reclamant stelt dat aan de overzijde van het recreatiebedrijf landbouwgrond wordt gebruikt als parkeerterrein. Hier wordt geen rekening mee gehouden. Commentaar ad c. Het parkeerterrein waarop reclamant doelt is niet planologisch ingepast in het geldende bestemmingsplan. Daarom is het geen onderdeel van de toetsing voor een goede ruimtelijke ordening. Hypothetisch gezien wordt echter voldaan aan de indicatieve afstand die geldt voor een dergelijke activiteit (parkeerterrein), te weten 30 meter. Conclusie ad c. Wij adviseren u dit deel van de zienswijze ongegrond te verklaren. d. Reclamant geeft aan dat de verplaatsing van de bestemming ‘wonen’ effecten kan hebben op de reeds jaren bestaande activiteiten en verwijst hiervoor naar inschrijving Kamer van Koophandel. Commentaar ad d. De inschrijving bij de Kamer van Koophandel van het bedrijf van reclamant B is niet relevant voor de vraag of de ruimtelijke ontwikkeling gevolgen heeft voor het bedrijf van reclamant B. Leidend voor een goede ruimtelijke ordening is namelijk hoe één en ander is vastgelegd in het geldende bestemmingsplan. Daarvoor wordt verwezen naar hetgeen hierboven onder ‘commentaar ad a, b en c’ is vermeld. Dat het bedrijf bij de Kamer van Koophandel is ingeschreven als “pret- en themapark” doet hier niets aan af. De feitelijke planologische situatie staat een pret- en themapark namelijk niet toe.
Conclusie ad d. Wij adviseren u dit deel van de zienswijze ongegrond te verklaren. e.
Door reclamant wordt gesteld dat ‘VNG bedrijven en milieuzonering’ niet meer toepasbaar is na inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Commentaar ad e. Volgens vaste jurisprudentie is de methodiek van de VNG voor bedrijven en milieuzonering nog steeds toepasbaar voor het leveren van maatwerk in gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk. Conclusie ad e. Wij adviseren u dit deel van de zienswijze ongegrond te verklaren.
4. Conclusie Resumé Wij stellen u voor de zienswijzen van reclamant A gegrond te verklaren. Dit leidt tot een vaststelling van het bestemmingsplan in afwijking van het ter visie gelegde ontwerpbestemmingsplan voor wat betreft het juridische deel van het bestemmingsplan, namelijk de planregels. Wij stellen u voor zienswijze a van reclamant B gegrond te verklaren. Dit leidt evenwel niet tot een vaststelling van het bestemmingsplan in afwijking van het ter visie gelegde ontwerpbestemmingsplan, omdat het gaat om een aanpassing van de plantoelichting. Wij stellen u voor om de overige zienswijzen van reclamant B ongegrond te verklaren.
5. Overzicht wijzigingen 5.1 Wijziging regels naar aanleiding van zienswijzen De zienswijzen geven aanleiding tot wijzigingen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, te weten de regels. Ten aanzien van de regels stellen wij u voor het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen en daarbij de volgende wijzigingen door te voeren: - Aan artikel 6 (Leiding-Gas) een voorrangsbepaling toe te voegen, luidende: “De regels van deze dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee deze dubbelbestemming samenvalt.” - Artikel 6.2 (door opnemen voorrangsbepaling) te vernummeren naar artikel 6.3 en herformuleren. De tekst luidende: “Op en in de gronden als bedoeld in lid 6.1, mogen, in afwijking van het bepaalde ten aanzien van de andere bestemmingen, uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de betreffende leiding worden gebouwd.” wordt verwijderd en vervangen door de tekst: “In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, geldt dat op of in de in 6.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de leiding(en) mogen worden gebouwd. Overige gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn niet toegestaan uit oogpunt van externe veiligheid en energieleveringszekerheid.” - Artikel 6.3 te vernummeren naar artikel 6.4 en herformuleren.
De tekst luidende: “6.3.1 Afwijking bouwen overeenkomstig andere bestemmingen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2 , ten behoeve van het bouwen overeenkomstig de betreffende andere bestemming van deze gronden, mits: a. hierdoor geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van en de veiligheidssituatie rond de betreffende leiding en b. ter zake daarvan vooraf advies van de leidingbeheerder is ingewonnen.” wordt verwijderd en vervangen door de tekst: “Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten.” - Aan artikel 6 lid 5 specifieke gebruiksregel toe te voegen, luidende: “Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: • het opslaan van goederen, met uitzondering het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding; • het wijzigen van het gebruik van bestaande gebouwen, indien daardoor een kwetsbaar object wordt toegelaten.”
- Artikel 6.4 te vernummeren naar artikel 6.6. - Sublid 6.4.1 te vernummeren naar sublid 6.6.1 en herformuleren. De tekst luidende: “Behoudens het bepaalde in sublid 6.4.2, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de hierna aangegeven werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren op en in de gronden als bedoeld in lid 6.1: a. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; c. het verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van gronden.” wordt verwijderd en vervangen door de tekst: “Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Leiding - Gas zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen; b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair; d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; e.
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.” - Sublid 6.4.2 te vernummeren naar sublid 6.6.2 en herformuleren. De tekst luidende: “Het in sublid 6.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. werken en werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het onherroepelijk worden van de goedkeuring van het plan.” wordt verwijderd en vervangen door de tekst: “Het verbod is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden: a. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; b. die het normale beheer en onderhoud ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen; c. zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten; d. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.” - Sublid 6.4.3 te vernummeren naar sublid 6.6.3 en herformuleren. De tekst luidende: “Werken en werkzaamheden als bedoeld in sublid 6.4.1 , zijn slechts toelaatbaar, indien door de uitvoering daarvan, dan wel de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen: a. geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van en de veiligheidssituatie rond de betreffende leiding en
b. ter zake daarvan vooraf advies van de desbetreffende leidingbeheerder is ingewonnen.” wordt verwijderd en vervangen door de tekst: “Een omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 6.6.1 kan worden verleend indien de betreffende werken en/of werkzaamheden de belangen van de leiding niet schaden.” - Aan artikel 6 sublid 6.6.4 Inwinnen advies toe te voegen, luidende: “Alvorens te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in sublid 6.6.1, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de belangen van de leiding niet worden geschaad en welke voorwaarden gesteld dienen te worden om eventuele schade te voorkomen.” -…