20200619 Beschermingsregime Natura 2000-gebied Wierdense Veld
Tekst van het document
1/12
Memo Aan: Landschap Overijssel, t.a.v. de heer Hans Pohlmann Datum: 19 juni 2020 Van: ENVIR Advocaten en Soppe Gundelach Advocaten – Marieke Kaajan, Iris Kieft en Marcel Soppe Betreft: Beschermingsregime Natura 2000-gebied Wierdense Veld 1. INLEIDING EN CONCLUSIE 1) Sinds de aanwijzing van het Natura 2000-gebied Wierdense Veld in 2016 heeft een gebiedsproces plaatsgevonden met als doel het ontwikkelen van maatregelen om aan de Natura 2000-verplichtingen te voldoen. De provincie Overijssel heeft dit gebiedsproces in het najaar van 2019 tijdelijk stilgelegd om een verkenning naar oplossingsrichtingen uit te voeren. Sinds de aanwijzing zijn geen maatregelen uitgevoerd in het Wierdense Veld. 2) Tegen deze achtergrond heeft Landschap Overijssel advies gevraagd over de juridische verplichtingen die bestaan als gevolg van het Natura 2000-beschermingsregime voor het Wierdense Veld. 3) Hieronder bespreken we eerst de aanwijzing van het Natura 2000-gebied Wierdense Veld en (de voorlopige resultaten van) het gebiedsproces. Daarna behandelen we de juridische verplichtingen die bestaan in relatie tot het Wierdense Veld als gevolg van het Natura 2000-beschermingsregime: Het intrekken of (deels) laten vervallen van het beschermingsregime is niet mogelijk. De verplichting om verslechtering van het Wierdense Veld te voorkomen en opgetreden verslechtering te herstellen.
De verplichting om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen. De gevolgen hiervan voor de waterwinning. 4) Voor wat betreft ecologie, gaan we in deze notitie af op de ter beschikking gestelde ecologische documentatie. Conclusie 5) Uit de (voorlopige) resultaten van het gebiedsproces volgt dat (i) het mogelijk is om een pakket van interne en externe maatregelen te treffen waarmee behoud van de huidige kwaliteit van de habitattypen herstellende hoogvenen en actief hoogveen kan worden gewaarborgd en dat (ii) bij het niet treffen van maatregelen de kwaliteit van deze habitattypen verslechtert. Als kanttekening hierbij geldt dat als de feitelijke waterwinning wordt opgeschaald naar het maximaal toegestane debiet, het behoud van de huidige kwaliteit van beide habitattypen ook met het treffen van het ontwikkelde maatregelenpakket, in gevaar komt. 6) Het intrekken of (deels) laten vervallen van het beschermingsregime van een Natura 2000-gebied is alleen mogelijk als (i) de aanwijzing berust op een wetenschappelijke fout of administratieve vergissing of (ii) het gebied definitief geen bijdrage meer kan leveren aan het behalen van de doelstellingen van de Habitatrichtlijn, terwijl wél aan de vereisten van art. 6 lid 2 t/m 4 van de Habitatrichtlijn is voldaan.
Geen van beide mogelijkheden doet zich ten aanzien van het Wierdense Veld voor zodat het niet mogelijk is om het beschermingsregime van het Wierdense Veld in te trekken of (deels) te laten vervallen. 7) Uit art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn volgt de verplichting om te voorkomen dat het Wierdense Veld verslechtert en om het gebied te herstellen in de staat die het had ten tijde van de plaatsing op de lijst van gebieden van communautair belang (7 december 2004) inclusief eventuele verbeteringen Jan van Goyenkade 10 III, 1075 HP Amsterdam Postbus 10012, 1001 EA Amsterdam
T +31 6 504 310 52 / +31 6 200 064 40 F +31 20 796 92 22
I www.envir-advocaten.com E marieke.kaajan@envir-advocaten.com / iris.kieft@envir-advocaten.com
De praktijk wordt gevoerd door ENVIR Advocaten B.V. (ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer 60582146) De algemene voorwaarden van ENVIR Advocaten B.V. zijn van toepassing en bevatten een aansprakelijkheidsbeperking. De algemene voorwaarden worden op verzoek kosteloos verstrekt.
2/12
sinds die tijd. Uit de Ecologische beoordeling 2019 en de Covernotitie 2019 maken wij op dat de kwaliteit van de habitattypen herstellende hoogvenen en actief hoogveen, bij de huidige hydrologische situatie in het gebied, verslechteren in de zin van art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn en dat er op dit moment geen maatregelen zijn getroffen in relatie tot het gebied om deze verslechtering te beëindigen of het gebied te herstellen. 1 Daarmee wordt art. 6 lid 2 overtreden en dienen gedeputeerde staten met spoed actie te ondernemen, bijvoorbeeld door het treffen van het in het gebiedsproces ontwikkelde pakket aan interne en externe maatregelen. 8) In aanvulling op het verslechteringsverbod van art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn, volgt uit art. 6 lid 1 de verplichting om een gunstige staat van instandhouding te realiseren. Lidstaten kunnen instandhoudingsmaatregelen zelf vormgeven en kunnen bij deze vormgeving ook andere dan ecologische belangen betrekken. Aan de verplichting tot het treffen van instandhoudingsmaatregelen is geen concrete deadline verbonden. De instandhoudingsdoelstellingen moet echter wel behaald worden en het uitstellen van instandhoudingsmaatregelen mag er niet toe leiden dat het uiteindelijk niet meer mogelijk is om een gunstige staat van instandhouding te realiseren.
9) Als de waterwinning bijdraagt aan de huidige verslechtering of het risico op verdere verslechtering van het Wierdense Veld – de Ecologische beoordeling 2019 en de Covernotitie 2019 bieden mogelijk aanknopingspunten voor deze conclusie – dan dienen passende maatregelen te worden getroffen. Dit kan een beoordeling van de waterwinning op grond van art. 6 lid 3 of zelfs een ADC-toets vereisen. Mocht in dat geval die beoordeling niet succesvol doorlopen kunnen worden, dan moeten gedeputeerde staten met toepassing van art. 2.4 Wet natuurbescherming de waterwinning beperken. 2. AANWIJZING NATURA 2000-GEBIED WIERDENSE VELD 10) Het gebied Wierdense Veld is in mei 2003 aangemeld volgens de procedure van art. 4 van de Habitatrichtlijn en op 7 december 2004 door de Europese Commissie onder de naam Wierdense Veld en onder nummer NL9801018 geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio.2 Op 27 november 2006 is het ontwerpaanwijzingsbesluit voor het Wierdense Veld gepubliceerd. Bij besluit van 11 november 2016, in werking getreden op 26 november 2016, is het gebied vervolgens aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in art. 4 lid 4 van de Habitatrichtlijn en daarmee als Natura 2000-gebied. 11) Het Wierdense Veld behoort tot het Natura 2000-landschap “Hoogvenen”.
Ten tijde van de aanmelding van het gebied bij de Europese Commissie in 2003, werd het gebied aangemeld voor herstellende hoogvenen (H7120), droge heiden (H4030), vochtige heiden (H4010A) en veenbossen (H91D0). Ten tijde van de aanwijzing, ruim 13 jaar later, is het gebied tevens aangewezen voor heischrale graslanden (H6230) en actieve hoogvenen, hoogveenlandschap (H7110A). Uit wetenschappelijke gegevens is namelijk gebleken dat deze habitattypen in het gebied ten tijde van de aanwijzing aanwezig waren en dat het habitattype actieve hoogvenen, hoogveenlandschap (H7110A) zich nog op 9 plekken in het gebied kon ontwikkelen.3
Uitvoering van de interne maatregelen wordt momenteel voorbereid door Landschap Overijssel. Met het enkel treffen van deze interne maatregelen kan blijkens de Ecologische beoordeling 2019 behoud van de kwaliteit van het Wierdense Veld niet gewaarborgd worden. 2 Beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 december 2004 tot vaststelling, op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (2004/813/EG). PB EU 2004, L 387/1. 3 Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Wierdense Veld van 11 november 2016 van de toenmalige staatssecretaris van Economische Zaken, met kenmerk DN&B/2016-043, paragraaf B.1. Zie ook ABRVS 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2297, r.o. 5.5. 1
3/12
12) De vegetatie die ten tijde van de aanmelding werd gekwalificeerd als vochtige heiden (H4010A) blijkt verkeerd gekwalificeerd te zijn. Deze vegetatie behoort bij nader inzien tot het habitattype herstellende hoogvenen (H7120). Als gevolg hiervan is de betekenis van het gebied voor het habitattype herstellende hoogvenen (H7120) bij de aanmelding van het gebied onderschat, aangezien een belangrijk deel van de herstellende hoogvenen toen werd gerekend tot het habitattype vochtige heiden (H4010A). Op grond van de gegevens en omstandigheden ten tijde van het aanwijzingsbesluit behoort het gebied voor het habitattype herstellende hoogvenen (H7120) met een relatieve bijdrage van 2-6% tot één van de vijf belangrijkste Nederlandse gebieden voor dit habitattype.4 13) Dit heeft geleid tot aanwijzing van het Wierdense Veld voor de volgende vier habitats waarvan er twee prioritair (aangeduid met *) zijn en twee nieuw ten opzichte van de aanmelding bij de Europe Commissie in 2003 (lichtblauw gearceerd): Habitattype
Instandhoudingsdoelstelling
Staat van instandhouding
H4030
Droge Europese heide
H6230
*Heischrale graslanden5
Behoud oppervlakte Verbetering kwaliteit Behoud oppervlakte en kwaliteit
H7110
*Actief hoogveen
Oppervlakte: matig ongunstig Kwaliteit: zeer ongunstig Oppervlakte: zeer ongunstig Kwaliteit: zeer ongunstig Oppervlakte: zeer ongunstig Kwaliteit: zeer ongunstig
H7120
Herstellende hoogvenen6
Uitbreiding oppervlakte Verbetering kwaliteit (subtype A) Behoud oppervlakte Verbetering kwaliteit
Oppervlakte: gunstig Kwaliteit: matig ongunstig
Achteruitgang oppervlakte ten gunste van regeneratie van habitattype actieve hoogvenen, hoogveenlandschap (H7110A), is toegestaan. 3. GEBIEDSPROCES VAN 2017 TOT NU 14) Het Wierdense Veld is in eigendom en beheer bij Landschap Overijssel. Er vindt waterwinning plaats vanuit de waterwinningen Wierden en Hoge Hexel. Deze waterwinningen hebben invloed op de grondwaterstand in het Wierdense Veld. Rondom het Wierdense Veld bevinden zich veel agrarische percelen. 15) Na de aanwijzing van Wierdense Veld, is een gebiedsanalyse7 (hierna: de Gebiedsanalyse 2017) opgesteld waarin als dominant knelpunt (naast stikstofdepostie) de verdroging in het gebied is gesignaleerd en richtinggevende maatregelen zijn uitgewerkt om de instandhoudingsdoelstellingen te kunnen realiseren.
Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Wierdense Veld van 11 november 2016 van de toenmalige staatssecretaris van Economische Zaken, met kenmerk DN&B/2016-043, paragraaf B.1. Zie ook ABRVS 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2297, r.o. 5.5. 5 In de tabel is de verkorte naam van het habitattype opgenomen. De volledige naam is: soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa). 6 In de tabel is de verkorte naam van het habitattype opgenomen. De volledige naam is: aangetast hoogveen waar natuurlijke regeneratie nog mogelijk is. 7 Natura 2000 Gebiedsanalyse voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) - Wierdense Veld, vastgesteld Gedeputeerde Staten van Overijssel op 31 oktober 2017. 4
4/12
16) In de periode 2017-2019 hebben LTO Noord, Landschap Overijssel, de provincie Overijssel, de gemeenten Hellendoorn en Wierden, waterschap Vechtstromen en Vitens onder de noemer ‘Samen werkt beter’ de richtinggevende maatregelen uitgewerkt naar zes concrete inrichtingsvarianten. LTO Noord was bestuurlijk trekker van deze planuitwerking. Doel hierbij was om de Natura 2000-doelen te behalen, althans in ieder geval de behoudsdoelstellingen, en de negatieve impact voor andere functies en de omgeving zoveel mogelijk te beperken. In 2019 heeft een ecologische beoordeling van de zes concrete inrichtingsvarianten plaatsgevonden (hierna: de Ecologische beoordeling 2019) en in een covernotitie ten behoeve van bestuurlijk overleg met de partners op 28 augustus 2019 (hierna: de Covernotitie 2019) is gerapporteerd over de ecologische beoordeling van de inrichtingsvarianten en de effecten op de omgeving bij uitvoering van de inrichtingsvarianten.
17) Bij de ontwikkeling van de inrichtingsvarianten is aangesloten bij de herstelstrategie die in andere hoogveengebieden in Nederland succesvol is toegepast: “Het gaat daarbij om een samenhangend pakket van maatregelen gericht op verbetering van de hydrologische condities: het vasthouden van water, het realiseren van stabielere waterstanden en de toetreding van licht basenrijk grondwater in het veen.”8 18) In het Wierdense Veld wordt daarbij vooral perspectief gezien in een combinatie van interne maatregelen, zoals het dichten van gaten in het veen, en externe maatregelen, zoals het verhogen van de drainagebasis in de omgeving.9 In de Ecologische beoordeling 2019 wordt geconcludeerd dat: “met name de diep ontwaterende Hoogelaarsleiding, die vlak tegen het natuurgebied aan ligt (…) een sterk uitstralend effect onder het Wierdense Veld [heeft].”10 19) Verbetering van de hydrologische omstandigheden is benodigd om de achteruitgang van de habitattypen herstellende hoogvenen en actief hoogveen te stoppen.11 Voor het habitattype herstellende hoogvenen is hiervoor is ten minste een stijging van de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) met minimaal 5 cm nodig.12 Zonder een dergelijke vernatting van het gebied, kan geen behoud van de huidige oppervlakte en kwaliteit van herstellende hoogvenen plaatsvinden.
Voor het habitattype actief hoogveen geldt dat er nu een kleine kern van dit habitattype in het gebied voorkomt. In de Ecologische beoordeling 2019 is daarover opgenomen: “Vanwege deze geringe omvang bestaat het risico dat het habitattype als gevolg van een extreem droog jaar verdwijnt. Behoud kan daarom alleen gegarandeerd worden als er over een groter oppervlak gunstige abiotische condities worden gerealiseerd.” 20) In de Ecologische beoordeling 2019 wordt geconcludeerd dat alleen met een combinatie van de onderzochte inrichtingsvarianten 1, 4, 5 of 6 (externe maatregelen) en interne maatregelen het stoppen van de achteruitgang en het behoud van de aanwezige natuurwaarden in het Wierdense Veld kunnen worden bereikt.13
Ecologische beoordeling Wierdense Veld, Kennisteam Wierdense Veld, 17 juli 2019, p. 3. Ecologische beoordeling Wierdense Veld, Kennisteam Wierdense Veld, 17 juli 2019, p. 3. 10 Ecologische beoordeling Wierdense Veld, Kennisteam Wierdense Veld, 17 juli 2019, p. 14. 11 Ecologische beoordeling Wierdense Veld, Kennisteam Wierdense Veld, 17 juli 2019, p. 5, 6 en 8. Covernotitie Bestuurlijk Overleg N2000 Wierdense Veld ten behoeve van bestuurlijk overleg 28 augustus 2019, p. 2/3. 12 Ecologische beoordeling Wierdense Veld, Kennisteam Wierdense Veld, 17 juli 2019, p. 5 en 6. 13 Ecologische beoordeling Wierdense Veld, Kennisteam Wierdense Veld, 17 juli 2019, p. 15. 8 9
5/12
21) Hierbij hoort nog wel een belangrijke slag om de arm: “Voor het bepalen van de benodigde toename in grondwaterstijging is uitgegaan van de huidige ecologische situatie (vegetatie). Wel is de verwachting dat onder invloed van de toename van het watergebruik Vitens vaker het vergunde debiet zal onttrekken. Dit zorgt ervoor dat ten opzichte van de afgelopen jaren een drogere, hydrologisch minder gunstige uitgangssituatie voor het Wierdense Veld ontstaat. Met deze minder gunstige uitgangssituatie is in de ecologische beoordeling geen rekening gehouden (concreet betekent dit dat er mogelijk een hogere stijging van de grondwaterstand nodig is, dan die nu als doel is bepaald). De wijze waarop dit ecologisch doorwerkt in het gebied is op basis van de huidige kennis ook moeilijk te kwantificeren. Wel laten de globale rekenresultaten het risico zien dat bij een structurele winning op vergund niveau de geformuleerde interne en externe maatregelen te weinig hydrologische winst opleveren waardoor er geen garantie is dat stoppen achteruitgang lukt.”14 22) Wij maken hieruit op dat, indien de waterwinning zal plaatsvinden tot het huidige maximaal toegestane debiet, zelfs met het treffen van de voorgestelde maatregelen, behoud van de huidige kwaliteit van het gebied in gevaar blijft.
23) De onderzochte inrichtingsvarianten leiden tot een aanzienlijke impact op de omgeving, met name op agrarische percelen (natschade).15 Uit de uitwerking van de zes concrete inrichtingsvarianten is gebleken dat er een uitgebreider maatregelenpakket nodig is dan in de Gebiedsanalyse 2017 werd voorzien, dat de kosten van het maatregelenpakket naar verwachting hoger zullen uitvallen en dat de impact op de landbouw groter is dan verwacht. Daarnaast vormt de intensieve benutting van de waterwinningen Wierden en Hoge Hexel – zoals in de recente jaren – een risico voor het doelbereik. Tegen deze achtergrond heeft de provincie in het najaar van 2019 besloten de uitwerking van de richtinggevende maatregelen uit de Gebiedsanalyse 2017 naar concrete inrichtingsvarianten tijdelijk stop te zetten en een verkenning uit te voeren naar de knelpunten en problemen om oplossingsrichtingen in beeld te brengen.16 In de verkenning van de provincie worden ook oplossingsrichtingen verkend die in strijd zijn met het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn, zoals het geheel of deels laten vervallen van de behoudsdoelstellingen voor het Wierdense Veld.17 24) Sinds de aanwijzing van het Wierdense Veld zijn geen maatregelen uitgevoerd.
De feitelijke waterwinning is de afgelopen twee jaren wel toegenomen.18 Conclusie gebiedsproces 25) Uit de Ecologische beoordeling 2019 van de zes concrete inrichtingsvarianten die als onderdeel van het gebiedsproces is uitgevoerd blijkt dat: (i) het mogelijk is om een pakket van interne en externe maatregelen te treffen waarmee behoud van de huidige kwaliteit van de habitattypen herstellende hoogvenen en actief hoogveen kan worden gewaarborgd en dat (ii) bij het niet treffen van maatregelen de kwaliteit van deze habitattypen verslechtert. Uit de Covernotitie 2019 blijkt in aanvulling daarop dat als de feitelijke waterwinning wordt opgeschaald naar het maximaal toegestane debiet, het behoud van de huidige kwaliteit van beide habitattypen ook met het treffen van het ontwikkelde maatregelenpakket, in gevaar komt. Deze conclusies nemen wij als uitgangspunt bij de beschrijving in de volgende paragrafen. Covernotitie Bestuurlijk Overleg N2000 Wierdense Veld ten behoeve van bestuurlijk overleg 28 augustus 2019, p. 7. Covernotitie Bestuurlijk Overleg N2000 Wierdense Veld ten behoeve van bestuurlijk overleg 28 augustus 2019, p. 814. 16 Verkenning oplossingsrichtingen Wierdense Veld, interne notitie provincie Overijssel, concept april 2020, p. 4. 17 Verkenning oplossingsrichtingen Wierdense Veld, interne notitie provincie Overijssel, concept april 2020.
Het geheel of deels laten vervallen van de behoudsdoelstellingen is bijvoorbeeld onderdeel van scenario ‘blauw’ en scenario ‘ landbouw’. 18 Ecologische beoordeling Wierdense Veld, Kennisteam Wierdense Veld, 17 juli 2019, p. 8. 14 15
6/12
4. INTREKKEN OF DEELS LATEN VERVALLEN BESCHERMDE STATUS WIERDENSE VELD NIET MOGELIJK 26) Met de plaatsing op de lijst van gebieden van communautair belang op 7 december 2004 is het Wierdense Veld onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn komen te vallen. Daarmee is op grond van art. 4 lid 4 ook de verplichting ontstaan voor Nederland om het gebied aan te wijzen als Natura 2000-gebied en om te voldoen aan de verplichtingen uit art. 6 van de Habitatrichtlijn. Dat betekent, kort samengevat en voor zover hier relevant, dat een verplichting bestaat om instandhoudings- en passende maatregelen te treffen om (i) een gunstige staat van instandhouding te bereiken en (ii) verslechtering te voorkomen ten opzichte van de situatie zoals deze was op het moment dat het gebied op de lijst van communautair belang is geplaatst. 27) Een gebied dat onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn is komen te vallen kan slechts in twee situaties geheel of gedeeltelijk aan het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn worden onttrokken:19 Indien de aanwijzing berust op een wetenschappelijke of administratieve fout.
De lidstaat zal hiervoor bewijs moeten leveren, waarbij de lidstaat moet bewijzen dat het betreffende gebied op nationaal niveau niet van aanzienlijk ecologisch belang is.20 Indien op basis van ecologische gegevens kan worden vastgesteld dat een Natura 2000-gebied definitief geen bijdrage meer kan leveren aan het behalen van de doelstellingen van de Habitatrichtlijn. Voorwaarde hiervoor is dat wel is voldaan aan de vereisten van art. 6 lid 2, 3 en 4 van de Habitatrichtlijn.21 28) Ten aanzien van de tweede mogelijkheid is van belang om te benadrukken dat deze niet kan worden toegepast als een gebied niet langer een bijdrage kan leveren aan de doelstellingen van de Habitatrichtlijn als gevolg van het niet of niet tijdig treffen van maatregelen conform de verplichting van art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn. In dat geval rust op de lidstaat immers juist de verplichting om de nodige maatregelen te treffen om het gebied te saneren en de kwaliteit te herstellen naar (ten minste) de referentiesituatie (zie par. 5). 29) Intrekking van de beschermde status van een Natura 2000-gebied aan het beschermingsregime kan in beide gevallen enkel met toestemming van de Europese Commissie worden gerealiseerd. Toepassing op het Wierdense Veld 30) In het kader van de aanwijzing van het Wierdense Veld is uitgebreid onderzoek gedaan naar de vraag óf het gebied aangewezen moest worden.
Ook na de publicatie van het ontwerpaanwijzingsbesluit is nog onderzoek gedaan. Zo is onder meer in 2008 door ARCADIS vastgesteld dat het Wierdense Veld
Hetzelfde geldt voor het laten vervallen van het beschermingsregime voor een of meerdere habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen. Zie voor literatuur over het intrekken/laten vervallen van de beschermde status onder meer C.W. Backes, Eens Natura 2000, voor altijd Natura 2000?, Ars Aequi 2020, p. 554, S.D.P. Kole, Over administratieve en wetenschappelijke fouten en blijvende ongeschiktheid, NBR 2018(3), 46 en ‘Natura 2000 in Nederland’, Universiteit Maastricht en Planbureau voor de Leefomgeving, 2011. 20 HvJ EU, 19 oktober 2017, C-281/16, ECLI:EU:C:2017:774 (Leenherenpolder). Ten aanzien van de bewijslast, oordeelt het Hof in dit arrest: “het voorstel van een lidstaat om de oppervlakte van een gebied op de lijst te verkleinen [moet] immers [bewijzen] dat de desbetreffende zones op nationaal niveau niet van aanzienlijk ecologisch belang zijn, aangezien de opname van een gebied op de lijst het vermoeden wettigt dat het in zijn geheel van belang is voor het doel van instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde dier‑ en plantensoorten in de zin van de habitatrichtlijn. Bovendien kan de Commissie het voorstel enkel aanvaarden en ten uitvoer leggen wanneer zij tot de conclusie komt dat deze gebieden vanuit het oogpunt van de Unie als geheel, niet meer noodzakelijk zijn.” 21 HvJ EU, 3 april 2014, C‑301/12, ECLI:EU:C:2014:214 (Cascina Tre Pini). 19
7/12
tot de vijf belangrijkste Nederlandse gebieden voor het habitattype herstellende hoogvenen behoort.22 In een advies van de Universiteit van Tilburg wordt op basis van die ecologische informatie geoordeeld dat aanwijzing van het Wierdense Veld juridisch verplicht is.23 Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft naar aanleiding van beroepen tegen het aanwijzingsbesluit geoordeeld dat het gebied terecht is aangewezen.24 31) In het licht van deze voorgeschiedenis, zien wij geen ruimte voor de gedachte dat de aanwijzing van het Wierdense Veld zou berusten op een wetenschappelijke of administratieve fout. In het licht van het ARCADIS rapport, kan Nederland ook niet het voor deze mogelijkheid vereiste bewijs leveren dat het Wierdense Veld op nationaal niveau niet van aanzienlijk ecologisch belang is. 32) Op basis van de Gebiedsanalyse 2017 en de Ecologische beoordeling 2019 is vast te stellen dat niet kan worden geconcludeerd dat het Wierdense Veld definitief geen bijdrage meer zou kunnen leveren aan het behalen van de doelstellingen van de Habitatrichtlijn. In het licht daarvan is niet voorstelbaar dat de Europese Commissie zal instemmen met het laten vervallen van de status Natura 2000-gebied voor het Wierdense Veld of om voor een of meer habitattypen dit beschermingsregime niet langer van toepassing te laten zijn.
33) Intrekking of (deels) laten vervallen van de beschermde status van het Wierdense Veld achten wij juridisch daarom niet mogelijk. 5. CONCRETE VERPLICHTING OM VERDERE VOORKOMEN EN TOESTAND TE HERSTELLEN
VERSLECHTERING
WIERDENSE
VELD
TE
34) Met de plaatsing op de lijst van gebieden van communautair belang op 7 december 2004 is het Wierdense Veld onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn komen te vallen. Dit brengt ook met zich dat er vanaf dat moment een concrete verplichting voor Nederland bestaat om verslechtering van het Wierdense Veld25 te voorkomen en, zo nodig, de toestand van het gebied te herstellen. 35) Deze verplichting volgt uit art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn, dat luidt: “De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.”26 36) De verplichting op basis van art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn heeft een preventief karakter: er kan niet gewacht worden met het treffen van passende maatregelen totdat een verslechtering zich voordoet. Verslechtering moet juist worden voorkomen. Arcadis, Aanwijzing Wierdense veld als natura 2000 gebied: terecht of onterecht? Haalbaar en betaalbaar?, 26 maart 2008, opgesteld in opdracht van de Provincie Overijssel. 23 Het Wierdense veld: Wel of niet aanwijzen als Natura 2000-gebied? Een juridische „quick-scan‟, Prof. dr.
C.J. (Kees) Bastmeijer, Universiteit van Tilburg, in opdracht van De Twaalf Landschappen en Landschap Overijssel, 23 oktober 2011. 24 ABRVS 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2297. 25 Deze verplichting geldt op het niveau van het Wierdense Veld. Dit volgt uit de bewoordingen van art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn waarin is bepaald dat de kwaliteit “in een speciale beschermingszone” niet mag verslechteren. Zie ook C.W. Backes e.a. Natura 2000 in Nederland. Juridische ruimte, natuurdoelen en beheerplanprocessen, PBL studie 2011, p. 48. 26 Art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn ziet zowel op het voorkomen van verslechtering van habitats als significante verstoring van soorten. Omdat het Wierdense Veld enkel voor habitattypen is aangewezen en niet voor soorten, wordt in deze notitie enkel ingegaan op de verplichting uit art. 6 lid 2 om verslechtering te voorkomen. 22
8/12
37) Onder ‘verslechtering’ in de zin van art. 6 lid 2 wordt de fysische aantasting van een habitat verstaan. Er is sprake van verslechtering van een habitat in een gebied wanneer de door het habitattype bestreken oppervlakte in het gebied kleiner wordt, of wanneer de specifieke functies die nodig zijn voor de instandhouding op de lange termijn van deze habitat beperkter worden dan hun oorspronkelijke of herstelde staat. Ook als verslechtering het gevolg is natuurlijke ontwikkelingen of een wijziging in klimatologische omstandigheden, moeten er passende maatregelen worden getroffen om deze verslechtering te voorkomen en de kwaliteit van het gebied te herstellen.27 38) Als opgemerkt, geldt deze verplichting om maatregelen te treffen om verslechtering te voorkomen voor het Wierdense Veld vanaf 7 december 2004. Deze verplichting geldt ook ten opzichte van de kwaliteit die het Wierdense Veld op 7 december 2004 had. Dit betekent dat het gebied niet mag verslechteren ten opzichte van het basisniveau van 7 december 2004 en dat, indien verslechtering in de tussentijd heeft opgetreden, op Nederland de verplichting rust om het gebied terug te brengen naar het basisniveau.
Dit blijkt onder meer uit de Leidraad “Beheer van Natura 2000-gebieden” van de Europese Commissie.28 39) Uit de Leidraad “Beheer van Natura 2000-gebieden” blijkt daarnaast dat als, na de peildatum, een betere staat binnen een Natura 2000-gebied is bereikt, die betere staat als uitgangspunt voor het verslechteringsverbod geldt. Met Backes e.a.29 kan hierbij wel de kanttekening worden geplaatst dat een onderscheid op zijn plaats lijkt tussen habitats die zich in een gunstige staat van instandhouding bevinden en habitats die zich niet in een gunstige staat van instandhouding bevinden. Voor habitattypen die zich niet in een gunstige staat van instandhouding bevinden, dient onverkort als uitgangspunt te gelden dat een verbetering in de kwaliteit als nieuw basisniveau voor het verslechteringsverbod heeft te gelden. Voor habitats die zich in een gunstige staat van instandhouding bevinden, lijkt het, gezien de doelstellingen van de Habitatrichtlijn, aanvaardbaar dat een nog verdergaande verbetering van de kwaliteit van die habitats die is ingetreden nadat een gebied onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn is komen te vallen, niet zonder meer gehandhaafd dient te worden. 40) De verantwoordelijkheid om te voldoen aan de verplichting uit art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn is in art.
2.2 lid 2 van de Wet natuurbescherming toebedeeld aan gedeputeerde staten, in dit geval, van de provincie Overijssel. Toepassing op het Wierdense Veld 41) Het Wierdense Veld is aangewezen voor de habitattypen actief hoogveen, herstellende hoogvenen, droge heide en heischrale graslanden. De habitattypen waarvoor het Wierdense Veld is aangewezen bevinden zich alle in een ongunstige staat van instandhouding, zij het dat habitattype herstellende hoogvenen zich alleen qua oppervlakte wel in een gunstige staat van instandhouding bevindt. Voor zover sinds 7 december 2004 uitbreiding van het oppervlakte van herstellende hoogvenen in het Wierdense Veld heeft voorgedaan, kan worden betoogd dat het verslechteringsverbod van art. 6 lid 2 niet ziet op een dergelijke uitbreiding van het oppervlakte ten opzichte van het op 7 december 2004 bestaande oppervlakte.
Zie HvJ EG, 20 oktober 2005, zaak C-6/04, Verenigd Koninkrijk (Gibraltar-arrest), r.o. 34 en C.W. Backes e.a. Natura 2000 in Nederland. Juridische ruimte, natuurdoelen en beheerplanprocessen, PBL studie 2011, p. 29. 28 Europese Commissie, Beheer van Natura 2000-gebieden. De bepalingen van artikel 6 van de Habitatrichtlijn (92/43/EEG), 2019/C 33/01, Brussel 2019. 29 C.W. Backes e.a. Natura 2000 in Nederland. Juridische ruimte, natuurdoelen en beheerplanprocessen, PBL studie 2011. 27
9/12
42) Uit de Ecologische beoordeling 2019 en de Covernotitie 2019 maken wij op dat de kwaliteit van de habitattypen herstellende hoogvenen en actief hoogveen, bij de huidige hydrologische situatie in het gebied, verslechteren in de zin van art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn en dat er op dit moment geen maatregelen in uitvoering zijn in relatie tot het gebied om deze verslechtering te beëindigen. 43) Op basis van de aan ons verstrekte informatie concluderen wij daarom dat ten aanzien van het Wierdense Veld de verplichting van art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn en art. 2.2 lid 2 van de Wet natuurbescherming niet wordt nageleefd. 44) Dit brengt met zich dat met gedeputeerde staten met spoed passende maatregelen moeten treffen om (verdere) verslechtering te voorkomen en de kwaliteit van het gebied te herstellen. Deze passende maatregelen kunnen bijvoorbeeld bestaan in het (laten) uitvoeren van de in de Ecologische beoordeling 2019 genoemde interne en externe maatregelen in en om het gebied. Gelet op de verplichting van art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn om (verdere) verslechtering te voorkomen en de kwaliteit van het gebied te herstellen, is verder uitstel van het treffen van passende maatregelen niet toegestaan. 45) Ook zou de niet-naleving van art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn tot een inbreukprocedure tegen Nederland door de Europese Commissie kunnen leiden.
Bovendien heeft dit mogelijk gevolgen voor het kunnen toestaan van nieuwe activiteiten en voor het kunnen blijven toestaan van bestaande activiteiten, zoals de onttrekking van grondwater. Op deze waterwinning wordt in paragraaf 7 ingegaan. 6. VERPLICHTING OM DE INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN TE REALISEREN 46) Op grond van art. 6 lid 1 van de Habitatrichtlijn dienen daarnaast instandhoudingsmaatregelen te worden getroffen om de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren (zie de tabel in par. 2 voor de instandhoudingsdoelstellingen voor het Wiedernse Veld). 47) De Habitatrichtlijn specificeert niet op welk niveau de instandhoudingsdoelstellingen moeten worden gerealiseerd en het Hof heeft deze vraag nog niet beslecht. Uit de huidige stand van de rechtspraak maken wij vooralsnog op dat de gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau moet worden behaald.30 Instandhoudingsmaatregelen zijn ‘nodig’ in de zin van art. 6 lid 1 van de Habitatrichtlijn als de verplichting om een gunstige staat van instandhouding anders niet kan worden bereikt of behouden. 48) Lidstaten mogen zelf kiezen welke vorm de te treffen instandhoudingsmaatregelen hebben en bij het formuleren van deze instandhoudingsmaatregelen mag, anders dan bij de verplichting op grond van art.
6 lid 2, rekening worden gehouden met andere belangen dan ecologische belangen, zoals vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden. Ten aanzien van het Wierdense Veld kan daarbij onder meer gedacht worden aan de belangen van waterwinning en de agrarische bedrijvigheid. 49) De Habitatrichtlijn stelt geen deadline voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Dit betekent echter niet dat de verplichting van art. 6 lid 1 geheel vrijblijvend is: de instandhoudingsdoelstellingen moeten wel behaald worden en het uitstellen van
Wij baseren ons daarbij o.m. op de conclusie A-G, 15 juni 2017, zaak C-281/16, ECLI:EU:C:2017:476 en het bijbehorende arrest HvJ EU, 19 oktober 2017, zaak C-281/16, ECLI:EU:C:2017:774 (Leenherenpolder) en ABRVS 16 maart 2011, zaaknr. 200902380. Zie ook: Implementatie Natura 2000 in Nederland. Analyse naar aanleiding van het Regeerakkoord en de motie van der Staaij c.s. naar nationale koppen, rek en ruimte in de Natura 2000-implementatie, 13 september 2011 en Europese Commissie, Beheer van Natura 2000-gebieden. De bepalingen van artikel 6 van de Habitatrichtlijn (92/43/EEG), 2019/C/33/01, Brussel 2019. 30
10/12
instandhoudingsmaatregelen mag er dan ook niet toe leiden dat het uiteindelijk niet meer mogelijk is om een gunstige staat van instandhouding te behalen.31 50) Naar de toekomst toe, zien wij hier daarom wel enige ruimte om een afweging te maken ten aanzien van de te treffen instandhoudingsmaatregelen en andere belangen in die afweging te betrekken. 51) Echter, dit laat het verslechteringsverbod uit art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn onverlet: behoud van het basisniveau van het Wierdense Veld (d.w.z. het niveau zoals dat was ten tijde van het plaatsen van het gebied op de lijst van gebieden van communautair belang en eventuele verbeteringen sinds die tijd) is verplicht en kan juridisch niet wijken voor andere openbare of private belangen. 7. GEVOLGEN VOOR DE WATERWINNING 52) In paragraaf 5 is reeds opgemerkt dat het feit dat niet voldaan wordt aan art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn gevolgen heeft voor het kunnen toestaan van nieuwe activiteiten en de voortzetting van bestaande activiteiten. In deze paragraaf lichten wij toe welke gevolgen dit kan hebben voor de waterwinning uit de waterwinningen Wierden en Hoge Hexel. 53) De waterwinning uit in ieder geval de waterwinning Wierden vindt plaats sinds het eind van de 19e eeuw.
In 1989 is een vergunning voor de waterwinning verleend voor het huidig toegestane debiet.32 De vergunning is verleend voordat het Wierdense Veld onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn is gebracht, dat wil zeggen voor 7 december 2004.33 54) Nu de toestemming voor de waterwinning is verleend voor 7 december 2004, geldt voor deze waterwinning in beginsel niet de verplichting van voorafgaande beoordeling vervat in art. 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn.34 De waterwinning valt sinds 7 december 2004 wel onder art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn. Op grond van art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn bestaat een continue verplichting om na te gaan of verslechtering van het Wierdense Veld optreedt of dreigt op te treden. Daarbij moeten de effecten van bestaande en vergunde activiteiten betrokken worden. 35 55) Ten aanzien van de waterwinning betekent dit dat, nu verslechtering van het Wierdense Veld optreedt, onderzocht moet worden of de waterwinning bijdraagt aan deze verslechtering of het risico op verdere verslechtering van het Wierdense Veld. Als de waterwinning bijdraagt aan de huidige verslechtering of het risico op verdere verslechtering – de Ecologische beoordeling 2019 en de Covernotitie 2019 bieden mogelijk aanknopingspunten voor deze conclusie – dan dienen passende maatregelen getroffen te worden.
Daarbij kan bekeken worden of andere (passende) maatregelen getroffen kunnen worden om (het risico op) verslechtering te voorkomen en de toestand te herstellen, waarbij de waterwinning ongemoeid kan worden gelaten.
De Afdeling Advisering van de Raad van State verwoordt dit mooi in haar advies van 11 april 2012, No. W15.12.0046/IV: “(…) enige mate van vertraging van het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen [lijkt] aanvaardbaar. Gelet op artikel 6, eerste lid, Hrl mag [dit] echter niet leiden tot zodanige vertraging in de uitvoering van de passende en noodzakelijke maatregelen, dat het binnen afzienbare termijn behalen van de instandhoudingsdoelstellingen illusoir wordt.” 32 Gebiedsdossiers drinkwaterwinningen Overijssel – Deel 2: Gebiedsdossier Wierden, Provincie Overijssel, Eenheid Ruimte en bereikbaarheid, augustus 2017, par. 1.1 waarin ook is toegelicht dat de vergunning in 2004 en 2010 is gewijzigd. We zijn niet bekend met de precieze inhoud van de wijzigingen en hoe die zich verhouden tot de omvang en inrichting van de waterwinning zoals die op 7 december 2004 was toegestaan. 33 Wij nemen tegen die achtergrond aan dat voor de waterwinning geen natuurvergunning is verleend. 34 HvJ EU, 14 januari 2010, C‑226/08, ECLI:EU:C:2010:10 (Stadt Papenburg). 35 HvJ EU, 14 januari 2016, C‑399/14, EU:C:2016:10 (Grüne Liga Sachsen e.a.). Zie in de Nederlandse rechtspraak Rb Oost-Brabant, 18 september 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:4830, r.o. 7.4 31
11/12
56) Indien er geen andere passende maatregelen zijn, of indien die er wel zijn maar niet worden getroffen, dan dient de waterwinning te worden beoordeeld conform de eisen van art. 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn: “53. Wanneer artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn een verplichting in het leven roept om de gevolgen voor het betrokken gebied van een plan of project ex post te beoordelen, moet een dergelijke beoordeling de bevoegde autoriteit in staat stellen te waarborgen dat de uitvoering van dat plan of project niet zal resulteren in een verslechtering of in verstoringen die, gelet op de doelstellingen van die richtlijn, een significant effect kunnen hebben. 54.
Indien in casu een ex-post-beoordeling, op basis van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn, een „passende maatregel” in de zin van deze bepaling zou blijken, moet die beoordeling dus gedetailleerd omschrijven welke risico’s van verslechtering of verstoringen die een significant effect kunnen hebben in de zin van die bepaling, verbonden zijn aan de uitvoering van het betrokken plan of project, en in overeenstemming zijn met de vereisten van artikel 6, lid 3, van deze richtlijn.”36 57) Uit een passende beoordeling zal dan moeten blijken dat verzekerd is dat als gevolg van de waterwinning en met inachtneming van eventuele beschermingsmaatregelen, geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Wierdense Veld optreedt. Als deze beoordeling onder art. 6 lid 3 niet succesvol kan worden doorlopen, kan de in art. 6 lid 4 van de Habitatrichtlijn voorziene mogelijkheid van vergunningverlening met toepassing van de ADC-toets mogelijk nog soelaas bieden. Hieronder bespreken we de belangrijkste voorwaarden voor het doorlopen van een ADC-toets. Indien een ADCtoets niet succesvol kan worden doorlopen, dan dient met toepassing van art. 2.4 van de Wet natuurbescherming de waterwinning te worden beperkt. ADC-toets 58) Op grond van art.
6 lid 4 van de Habitatrichtlijn kan met toepassing van de ADC-toets toch een vergunning worden verleend voor een activiteit, waarvan niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat die activiteit de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. In dat geval moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan: Er zijn geen alternatieven; Er is sprake van een dwingende reden van groot openbaar belang, én Er moeten compenserende maatregelen worden getroffen. 59) Ten aanzien van het vereiste dat er geen alternatieven mogen zijn, gelden een aantal belangrijke randvoorwaarden:37 Er mogen echt geen alternatieven zijn, het is niet voldoende dat het meest geschikte alternatief is gekozen.38 Bij de alternatievenafweging staat de bescherming van het Wierdense Veld voorop: er moet telkens gezocht worden naar alternatieven die inbreuken of aantastingen van het Wierdense Veld of andere Natura 2000-gebiedn niet nodig maken. Mogelijke oplossingen zijn de keuze van alternatieve locaties of routes, de vaststelling van andere ontwikkelingsschalen of -ontwerpen en de overstap naar alternatieve processen, een gedeeltelijke beperking van de waterwinning, de aanvoer van drinkwater, etc.39
HvJ EU, 14 januari 2016, C‑399/14, EU:C:2016:10 (Grüne Liga Sachsen e.a.). Een handige overzichtsuitspraak op dit punt is ABRvS 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3623. 38 ABRvS 27 april 2000, JB 2000/176. 39 Zie o.m. ABRvS 16 juli 2003, 200205582/1, AB 2003/336, Kamerstukken II 2001/02, 28171, 3, p. 23) en Europese Commissie, Richtsnoeren voor de toepassing van art. 6 lid 4 Habitatrichtlijn 2007, p. 6-7. 36 37
12/12
-
-
Het achterwege laten van de activiteit, de nuloptie, moet ook worden onderzocht.40 Als er een keuzemogelijkheid bestaat tussen verschillende activiteiten, moet gekozen worden voor de activiteit die de minste belasting op het Wierdense Veld en andere Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Dit moet worden bepaald volgens vergelijkbare wetenschappelijke maatstaven en in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken Natura 2000-gebieden.41 Anders dan bij het alternatievenonderzoek in het kader van een m.e.r.-procedure of ruimtelijke planvorming, dient bij de ADC-toets het alternatief te worden geselecteerd dat leidt tot de minste nadelige effecten voor Natura 2000-gebieden.42
60) Ten aanzien van de dwingende reden van groot openbaar belang geldt dat de activiteit nodig moet zijn om dwingende redenen van groot openbaar belang. Voor prioritaire habitats, zoals actief hoogveen kunnen dit enkel belangen zijn die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere belangen kunnen voor prioritaire habitattypen enkel in de ADC-toets worden betrokken na advies van de Europese Commissie. Voor niet-prioritaire habitattypen kunnen dit ook belangen van economische of sociale aard zijn. 61) Ten aanzien van compensatie gelden een aantal belangrijke randvoorwaarden, waaronder: Bepalend voor de omvang van de compensatieopgave is op welke habitattypen waarvoor het Wierdense Veld is aangewezen welke significant negatieve effecten zullen optreden. Die habitattypen zullen ten minste in die mate (en waarschijnlijk in ruimere mate) gecompenseerd moeten worden. Als compensatie niet kan worden gerealiseerd in het Wierdense Veld, mag compensatie elders in Nederland plaatsvinden, maar dan moet het wel mogelijk zijn om de compensatie van de getroffen habitattypen daadwerkelijk te kunnen realiseren. Het is de vraag of aan deze voorwaarde kan worden voldaan. Compenserende maatregelen moeten aanvullend zijn ten opzichte van maatregelen die al nodig zijn op grond van art. 6 lid 2 én art.
6 lid 1 van de Habitatrichtlijn.43 Bij het bepalen van de omvang van de compensatieopgave mag rekening worden gehouden met (instandhoudings- en passende) maatregelen die niet in een passende beoordeling mogen worden betrokken. Voor compensatie is iets meer ruimte voor onzekerheid dan bij besluitvorming op grond van art. 6 lid 3. Er mag bijvoorbeeld later worden gecompenseerd, waarbij dan wel een grotere opgave kan worden voorgeschreven. Voor compenserende maatregelen geldt het criterium ‘redelijke succesgarantie’ en er mag – en moet – bij compensatie worden gemonitord op grond waarvan bijstelling kan plaatsvinden. De Europese Commissie moet op de hoogte worden gesteld van de compenserende maatregelen. 62) Voorbeelden van succesvol doorlopen ADC-toetsen zijn in de Nederlandse rechtspraak nog altijd beperkt, waarbij de voorbeelden vrijwel uitsluitend publieke projecten betreffen zoals de aanleg van de Tweede Maasvlakte of infrastructurele verbindingen.
Europese Commissie, Beheer van Natura 2000-gebieden. De bepalingen van artikel 6 van de Habitatrichtlijn (92/43/EEG), 2019/C 33/01, Brussel 2019. 41 HvJ EG, 26 oktober 2006, C-239/04, ECLI:EU:C:2006:665 (Commissie/Portugal) en ABRvS 26 januari 2005, BR 2005/894. 42 ABRvS 27 april 2000, JB 2000/176. 43 Zie o.m. Europese Commissie, Beheer van Natura 2000-gebieden. De bepalingen van artikel 6 van de Habitatrichtlijn (92/43/EEG), 2019/C 33/01, Brussel 2019 en ABRVS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2454, r.o. 31.3. 40