Toelichting APV Heiloo
Tekst van het document
Het Activiteitenbesluit biedt gemeenten de mogelijkheid om bij of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de incidentele festiviteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21. Net als bij de collectieve festiviteiten geldt de regeling voor incidentele festiviteiten voor àlle type A- en B-inrichtingen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer, niet uitsluitend voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen. Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten Eerste lid De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele festiviteiten voor inrichtingen in de APV staat in artikel 2.21 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De raad kan het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een (meerdaagse) festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest. In het Activiteitenbesluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal twaalf dagen of dagdelen per jaar betreft.
Met het woordje ‘in’ in artikel 2:21, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit heeft de wetgever niet heeft bedoeld dat het hier alleen over de binnenruimte van een inrichting gaat. ‘In de inrichting’ kan daarmee ook betrekking hebben op bijvoorbeeld een bij een inrichting behorend terras in de open lucht. Dat betekent dat de bepaling in het negende lid van dit artikel, die de incidentele activiteiten wel beperkt tot de binnenruimte, niet bindend is voor de raad. De reden om incidentele festiviteiten te beperken tot de binnenruimte is gelegen in het feit dat geluid vanuit de binnenruimte eenvoudiger beheersbaar is. Gebouwen hebben over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Op het buitenterrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies. Daarom is deze bepaling ongewijzigd gebleven. Voor muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij evenementen, kan dit in de evenementenvergunning worden geregeld. Tweede lid Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 3.148 kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere
competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een toernooi. Volgens het Activiteitenbesluit is het maximum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet geldt maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. Volgens de toelichting bij het Activiteitenbesluit blijft ook bij gebruik van artikel 3.148, tweede lid, de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duisternis voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd gezag. Mede voor dat doel is in artikel 4:3 van deze verordening een meldingsplicht opgenomen (vierde en vijfde lid). Onder de in het Activiteitenbesluit gehanteerde term ‘in de inrichting’ valt ook de bij een inrichting behorende buitenruimte, zoals een terras in de open lucht. De gemeente kan zodoende bepalen dat de incidentele activiteit ook in de buitenruimte van de inrichting mag plaatsvinden. Op het buitenterrein zijn wel minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies.
Daarbij is het zo dat de regeling niet langer alleen geldt voor horeca, sport- en recreatie-inrichtingen, maar ook voor alle andere inrichtingen, wat met name een belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in de omgeving die op verschillende momenten festiviteiten organiseren. Voor muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij evenementen, kan dit in de evenementenvergunning worden geregeld. Derde t/m vijfde lid Deze bepalingen regelen de eisen waaraan een melding voor een incidentele festiviteit dient te voldoen. Zesde t/m negende lid Deze bepalingen bevatten aanvullende geluidsnormen voor extra muziek op het Activiteitenbesluit mlieubeheer (zie verder toelichting bij artikel 4:2). Artikel 4:5 Onversterkte muziek Eerste lid Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.17a, 2.18, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de Wet milieubeheer. In het Activiteitenbesluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f, juncto vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in de APV.
Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd. De genoemde geluidsniveaus in het tweede lid (tabel) zijn niet van toepassing op: a. het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; b. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire inrichtingen; c. het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uren per week op militaire inrichtingen. Tweede lid Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in het tweede lid een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van de geluidsniveaus. In het derde lid
wordt gesproken over ‘oefenen’. Op deze manier worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.
Artikel 4:6 Overige geluidhinder Eerste lid Dit artikel heeft betrekking op vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien: - een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enzovoort; - het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; - het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; - het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; - het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; - het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen; - het beoefenen van ‘lawaaiige’ hobby’s; - het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten; - het gebruiken van elektro-akoestische apparatuur; - het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens. Voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. De bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard.
Tweede lid Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften. Door in het eerste lid de zinsnede ‘een inrichting’(in de zin van de Wm ) op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wm heeft ofwel een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen), ofwel zij valt onder de algemene regels op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer, waarin ook geluidsvoorschriften opgenomen. Derde lid In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wom, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit, het Bouwbesluit 2012 en de Provinciale milieuverordening een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is gekozen om deze regelingen afzonderlijk te benoemen in het derde lid. In een provinciale milieuverordening kunnen bijvoorbeeld milieubeschermingsgebieden worden aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij provinciale milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale milieuverordening gaat in dit geval boven de gemeentelijke verordening.
Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Algemeen Bij een eerdere aanpassing van de APV is een groot aantal bepalingen in deze afdeling geschrapt en ondergebracht in een aparte Afvalstoffenverordening. Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Deze bepaling betreft een handeling die doorgaans beter bekend staat onder de naam ‘wildplassen’. Er is afgezien van de mogelijkheid om ook buiten de bebouwde kom plaatsen aan te wijzen waar wildplassen is verboden.
Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Dit artikel betreft een samenvoeging van de in de VNG Model Bouwverordening geschrapte artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de APV besloten. Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden Algemeen Een algemeen kapverbod geeft de gemeente onnodig veel werk omdat er in praktijk meer dan 90% van de aanvragen om kapvergunning wordt verleend. Ook voor de burger is een algemeen kapverbod belastend. In verband met deregulering is daarom in 2007 gekozen voor het uitgangspunt dat in beginsel geen kapvergunning vereist is voor het vellen van een boom, tenzij deze vermeld staat op de door de gemeente opgestelde en vastgestelde bomenlijst. Van belang is om bij de aanvrager onder de aandacht te brengen dat (ook) een vergunning nodig kan zijn op grond van de Wet natuurbescherming. Met name de vogels in de bomen dienen te worden beschermd. Het aanhaken bij de omgevingsvergunning is geregeld in artikel 2.2aa, onder b, van het Bor. Het betreft een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo.
De toestemmingen haken aan bij de omgevingsvergunning als er sprake is van een samenloop met andere activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is vereist (artikel 2.2aa, onder a, van het Bor. Ten slotte: deze bepalingen zijn bedoeld om toe te zien op het onderhoud en bewaren van het (openbare) groen. Hoe dat eruit ziet en wat daarbij de meest geschikte methode is, kan zeer lokaal bepaald zijn en daarom per gemeente sterk verschillen. Dat blijkt ook in de praktijk: waar veel bepalingen uit de model-APV door de meeste gemeenten worden overgenomen, bestaat bij dit artikel een grote lokale diversiteit. De VNG wijst er daarom ten overvloede op dat deze bepalingen onderdeel zijn van de model-APV en geen blauwdruk vormen voor iedere gemeente. Artikel 4:10 Definities Bij de deregulering in 2007 zijn veel definities vervallen. De definities voor houtopstand, hakhout en vellen zijn ongewijzigd overgenomen. Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden In deze bepaling wordt het belangrijkste element geïntroduceerd: de bomenlijst. Het vaststellen van een bomenlijst gebeurt door het college in plaats van door de raad in bijlage 1 bij de APV. Aanpassingen en wijzigingen kunnen dan veel minder omslachtig worden doorgevoerd.
Uitgangspunten van deze lijst zijn: - De verantwoordelijkheid ligt bij de gemeenten zelf: dat wil zeggen voor het inventariseren en actualiseren van het gemeentelijk bomenbestand en het overnemen van de gemeentelijke monumentale bomen die vermeld staan op de landelijke lijst van de Bomenstichting in Utrecht. - Duidelijk en inzichtelijk voor de burgers. - Zoveel mogelijk de te beschermen bomen verankeren in een bestemmingsplan, op het renvooi van de plankaart of in een landschapsbeleidsplan of bomenplan. Wabo De vergunning voor het vellen van houtopstanden is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo. Soms zal naast deze vergunning nog een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig zijn in verband met de bescherming van vogels en hun nesten in de bomen (artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming). Hoewel daarvoor de provincie het bevoegd gezag is, kan een aanvrager zelf beslissen of wordt aangehaakt bij de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (artikel 2.2aa, aanhef en onder b, van het Bor). Dan is de gemeente bevoegd gezag. Er wordt dan dus één omgevingsvergunning verleend of geweigerd. Toepasselijkheid van de lex silencio positivo volgt uit de Wabo.
In de Mor zijn indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning opgenomen. Naast een aantal algemene indieningsvereisten (zie daarvoor de toelichting bij artikel 1:2) zijn er in artikel 7.5 van de Mor nog een aantal speciale indieningsvereisten voor het vellen van houtopstanden opgenomen. Dit artikel 7.5 luidt als volgt: 1. In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de wet, identificeert de aanvrager op de aanduiding als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, van deze regeling iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer. 2. In of bij de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, vermeldt de aanvrager per genummerde houtopstand: a. de soort houtopstand; b. de locatie van de houtopstand op het voor-, zij- dan wel achtererf; c. de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; d. de mogelijkheid tot herbeplanten, alsmede het eventuele voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan. Voor de goede orde: handelen zonder of in strijd met een omgevingsvergunning is een economisch delict op grond van artikel 1a van de WED. Als er sprake is van opzet kwalificeert dit delict als een misdrijf. Zie ook artikel 6:1, derde lid, en de toelichting daarbij.
Derde lid Het derde lid geeft de burgemeester de bevoegdheid om bij onmiddellijk gevaar of een spoedeisend belang het kapverbod buiten werking te stellen. Jurisprudentie ABRvS 16-08-2017, ECLI:NL:RVS:2017:2197. In deze casus was sprake van weigering van een kapvergunning op grond van de lokale Bomenverordening. De eigenaar van het naburige erf had echter gevorderd dat de boom verwijderd moest worden op grond van artikel 5:42 van het BW (boom stond te dicht op de perceelgrens). De Afdeling oordeelde – kort samengevat – dat de vergunning niet geweigerd had mogen worden omdat er in casu strijd was met hogere regelgeving, namelijk 5:42 van het BW. Voor een weigering van de vergunning op basis van een belangenafweging is daardoor geen plaats meer; de Bomenverordening werd daarom op dit punt buiten toepassing gelaten. Volgens de Afdeling kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden (vergelijk het vijfde lid). Artikel 4:12 Bestrijding iepziekte In dit artikel zijn voorschriften opgenomen ten behoeve van de bestrijding van iepziekte. Voor dat doel is aan het college een bevoegdheid toegekend om in voorkomend geval een aanschrijving aan de rechthebbende te doen.
Deze aanschrijving levert ten behoeve van het voorkomen van verspreiding van iepziekte voor de rechthebbende een aantal verplichtingen op ten aanzien van het vellen, ontschorsen, vernietigen, in voorraad te hebben en vervoeren van iepen. In het vierde lid is een ontheffingsbevoegdheid voor het college opgenomen.
Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van goederen en stoffen. Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is. Het artikel moet zo gelezen worden dat het niet van toepassing is als de voertuigen, vaartuigen of afvalstoffen en dergelijke zich binnen een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer bevinden. Deze bepaling
ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de ‘weg’ in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Daartegen kan worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen voorschriften. Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Dit artikel verbiedt om door middel van reclame het verkeer in gevaar te brengen of hinder dan wel overlast te veroorzaken voor omwonenden. De gedachte daarachter is dat voor een reclame van enige omvang of betekenis doorgaans een bouwvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan worden getoetst. Rijkswaterstaat heeft op 21 oktober 2011 het Beleidskader “Beoordeling van Objecten langs Auto(snel)wegen” vastgesteld. De hoofdlijn voor objecten (waaronder reclame) is nu: - bewegende objecten of beelden zijn niet toegestaan; - de objecten of beelden mogen niet verblinden (moeten voldoen aan richtlijn lichthinder); - de objecten of beelden moeten op voldoende afstand van de rijbaan zijn geplaatst. Artikel 4:15 kan op dit soort objecten van toepassing zijn, namelijk als de grond langs de snelweg valt binnen het begrip ‘weg’ of binnen de definitie van ‘openbare plaats’ als genoemd in artikel 1:1. In dat geval zal het rijksbeleidskader handvatten kunnen bieden om te bepalen of het object het verkeer in gevaar brengt.
Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen Algemeen Met de intrekking van de Wet op de openluchtrecreatie per 1 januari 2008 heeft de Rijksoverheid bedoeld een groot aantal regels te dereguleren. Met deze artikelen in de APV wordt de ruimte die gemeenten met de intrekking van de wet is geboden op een lastenarme manier ingevuld. Artikel 4:17 Definitie De definities betreffen een uitwerking van de begrippen kampeermiddel en kampeerterrein. Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Deze bepaling betreft een verbod om te kamperen op plaatsen waar dit planologisch niet is toegestaan. Het college kan een ontheffing van dit verbod verlenen (vierde lid). Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen Dit voorschrift biedt de mogelijkheid voor het college om plaatsen aan te wijzen waar het in het vorige lid bedoelde verbod niet geldt, en daarbij nadere regels stellen (weede lid).
Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod Algemeen Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen Sinds de inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) kunnen verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter voorkoming of beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of de functie van objecten of gebieden ten gevolge van het verkeer. Artikel 2a in de WVW 1994 geeft aan dat gemeenten hun bevoegdheid behouden om bij verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voor zover verkeerstekens krachtens deze wet zich daar
niet toe lenen. Daarmee zijn gemeenten bevoegd om parkeerexcessenbepalingen vast te stellen. De grondslag voor dergelijke bepalingen is artikel 149 van de Gemeentewet. Begrippen ‘weg’, ‘voertuig’ en ‘parkeren’ De begrippen ‘weg’, ‘voertuig’ en ‘parkeren’ zijn in artikel 1:1 omschreven. Daarbij is aansluiting gezocht bij de in de wegenverkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte definities. Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van dit hoofdstuk 5, afdeling 1, zich ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (bijvoorbeeld de eigenaar, huurder en opdrachtgever) zodat de zinsnede “het laten stilstaan” een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op nietnaleving van de (parkeer)verboden in deze afdeling. Begrip ‘parkeerexces’ In de wegenverkeerswetgeving wordt niet aangegeven wat het begrip ‘parkeerexces’ precies inhoudt. Blijkens de jurisprudentie kan onder het begrip ‘parkeerexces’ ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen dat strijdig is met de bestemming van die weg: a. wanneer het parkeren op de weg betreft dat buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers; b.
wanneer het gebruik van de weg als parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar wel dat de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van anderen; c. wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt verder op te maken dat de gemeente niet te diep mag ingrijpen in het ‘normale’ verkeer, en dus ook niet in het ‘normale’ parkeren. In het ‘normale’ verkeer voorziet de geldende wettelijke verkeersregeling exclusief. Plaatsing en rubricering parkeerexcesbepalingen Hoewel de bepalingen over de vormen van parkeerexcessen in één hoofdstuk zijn samengebracht, liggen daaraan meerdere motieven ten grondslag. Dat blijkt niet steeds uit de tekst van de bepalingen. Daarom worden in deze toelichting deze motieven tot uitdrukking worden gebracht. Een van de voordelen van deze aanpak is dat artikelen die een zelfde gedraging verbieden, doch op grond van verschillende motieven, in één artikel kunnen worden samengebracht.
In dit hoofdstuk is ook een aantal onderwerpen opgenomen, die niet kunnen worden aangeduid als ‘parkeerexcessen in eigenlijke zin’. Daar deze voorschriften door het publiek wel als zodanig (zullen) worden ervaren, heeft het de voorkeur ook deze onderwerpen in deze afdeling te regelen. Aan de artikelen die betrekking hebben op ‘echte’ parkeerexcessen liggen uitsluitend verkeersmotieven ten grondslag. Andere artikelen in deze afdeling – bijvoorbeeld de artikelen 5:5 en 5:9 - strekken zich ook uit tot gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994. Beperking van de hierin neergelegde verbodsbepalingen tot ‘op de weg’ ligt niet voor de hand, gelet op het motief dat aan deze bepalingen ten grondslag ligt. Deze bepalingen strekken niet (mede) ter bescherming van verkeersbelangen. Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen Dit artikel heeft slechts betrekking op ‘eigenlijke’ parkeerexcessen, dat wil zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg in de zin van de WVW 1994. Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hen toebehoren of zijn toevertrouwd.
Artikel 5:5 Voertuigwrakken Anders dan de niet-rijklare (defecte) voertuigen geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze bepaling. Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen Eerste lid, aanhef Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet ‘dagelijks’ worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen. Eerste lid, onder a Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie en dergelijke worden gebruikt. Door de bestanddelen “te plaatsen of te hebben” (in plaats van “te parkeren”) is de handhaving van deze bepaling eenvoudiger. Eerste lid, onder b Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van caravans en dergelijke elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994.
In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een ‘eigenlijk’ parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg in de zin van de WVW 1994. Het begrip ‘parkeren’ moet zo worden uitgelegd dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig. Artikel 5:7 Reclamevoertuigen Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te parkeren. Als handelsreclame in de zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoermiddel. Het excessieve karakter is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. In de tweede plaats kan het excessieve karakter gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente.
In deze bepaling gaat het om een ‘eigenlijk’ parkeerexces, hetgeen veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg in de zin van de WVW 1994. Het hebben van handelsreclame op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats is geregeld in artikel 4:15. Uit de jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van de Grondwet blijkt, dat de gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen. Artikel 5:8 Grote voertuigen Algemeen In de samenleving wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het parkeren van grote voertuigen op wegen in de dorpscentra en in de woonwijken wordt ervaren als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn van velerlei aard. Ook volgens de Hoge Raad kan het parkeren van vrachtwagens in woonwijken enzovoort, bezien tegen de achtergrond van de recente verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet
(meer) redelijkerwijze als ‘normaal’ verkeer worden beschouwd. Dit artikel bevat regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor zover dit excessief is, kan worden tegengegaan. Eerste lid Deze bepaling beoogt aan de gemeentebesturen mogelijkheden te verschaffen om aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van lange en hoge voertuigen tegen te gaan. Grote voertuigen kunnen immers op specifieke plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon betekenen. Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van grote voertuigen buiten de weg. In zoverre heeft deze bepaling dus niet enkel betrekking op ‘eigenlijke’ parkeerexcessen. Voor de bescherming van het uiterlijk aanzien hoeft het niet noodzakelijkerwijs te gaan om (het parkeren op of bij) plaatsen, die uit een oogpunt van dorpsschoon of karakteristiek een bijzondere betekenis hebben. Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de bevoegdheid van het gemeentebestuur ter zake zeer ruim. Tweede lid Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van lange voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met buitensporig gebruik van de weg .
Uit de aanwijzing van plaatsen waar het parkeren van grote voertuigen niet toelaatbaar is, zal duidelijk moeten blijken of deze aanwijzing is gebaseerd op de bepaling van het eerste lid of die van het tweede lid. Zeer wel denkbaar is echter dat aan een aanwijzing beide motieven ten grondslag kunnen liggen. Derde lid De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge dit lid beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen van handel en bedrijvigheid te zeer schaden. Vierde lid Dit voorschrift bevat een beperkte uitzondering voor kampeervoertuigen Vijfde lid Deze bepaling biedt een ontheffingsmogelijkheid voor het college. Artikel 5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen Eerste lid Door opneming van de bestanddelen “of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan uitzichtbelemmering door het parkeren van grote voertuigen verboden. Hierbij kan worden gedacht aan belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bijvoorbeeld ten gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen. De rechter acht een dergelijke zinsnede houdbaar (HR 16-01-1986, NJ 1968, 198).
Tweede lid De in dit lid opgenomen uitzondering zien bijvoorbeeld op voertuigen die worden gebezigd bij de uitvoering van openbare werken en bij bouwwerkzaamheden (bijvoorbeeld hoogwerkers), voor zover ze in de onmiddellijke nabijheid van het werk worden geparkeerd; op wagens van bedrijven die in geval van ongevallen in het wegverkeer terstond moeten kunnen ‘uitrukken’ (sleepwagens en dergelijke); of op voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor bijzondere transporten (auto’s met speciale klimaatregeling) of anderszins zodanig afwijken (elektrowagens met beperkte actieradius) dat bijzondere eisen aan de parkeerplaats moeten worden gesteld.
Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. De belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of beëindiging van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, bijvoorbeeld doordat hulpdiensten worden belemmerd. Dit verbod geldt ook voor verwaarloosde (brom)fietsen die op de weg worden achtergelaten (tweede lid). Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een te lang geplaatste (brom)fiets worden opgetreden (derde lid). Door middel van borden moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van bestuursdwang. Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het publiek bekend te maken. Tevens is het raadzaam aan te geven waar de verwijderde (brom)fietsen weer kunnen worden opgehaald en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.
Afdeling 2. Collecteren Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving Algemeen Doorgaans gaan inzamelingsacties uit van volkomen betrouwbare instellingen. Incidenteel komt het voor dat bij de inzamelaar niet de charitatieve doelstelling vooropstaat, maar een ander (commercieel) belang. Hierbij wordt bij de burger de indruk gewekt dat de opbrengst naar het goede doel gaat, terwijl dit maar voor een klein deel het geval is. De manieren waarop wordt ingezameld zijn steeds indringender geworden. De goede doelen-branche is steeds verder geprofessionaliseerd. Er zijn daarnaast nog steeds kwetsbare groepen in de samenleving die enige bescherming nodig hebben. Dit zijn enkele overwegingen waarom de inzamelingsvergunning is opgenomen. Naast de klassieke inzamelingsacties (de collectes) worden tegenwoordig ook activiteiten verricht ter werving van donateurs of leden (‘direct dialogue’), waarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de uiteindelijke opbrengst geheel of ten dele bestemd is voor een liefdadig of een ideëel doel. Deze wervingsactiviteiten onderscheiden zich van inzamelingsactiviteiten door het feit dat leden of donateurs worden geworven. Het gemeentelijk beleid inzake het collecteren heeft twee uitgangspunten.
Alleen bonafide instellingen mogen collecteren en het aantal collectes wordt beperkt en gelijkmatig over het jaar verdeeld. De landelijke instellingen die op het collecterooster staan worden vrijgesteld van de vergunningplicht. Dit geldt ook voor andere door het CBF erkende organisaties. Het CBF is een onafhankelijke stichting die toezicht houdt op de inzameling van geld voor goede doelen. Er is een door het CBF gepubliceerd landelijk jaarrooster beschikbaar. In de weken die op het rooster staan vermeld kunnen geen andere organisaties een inzameling houden. Daarnaast zijn er andere organisaties die niet op het collecterooster staan vermeld, maar wel beschikken over een door CBF-verleende erkenning. Beide typen organisaties kunnen worden vrijgesteld van de vergunningplicht. Wel zijn zij aangewezen op de in het collecterooster opengelaten vrije perioden. Deze organisaties kunnen zich bij de gemeente aanmelden. Op deze manier wordt geborgd dat er in een bepaalde week in een bepaalde gemeente slechts één collecte of werving wordt gehouden en worden de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid (een gelijkmatige verdeling van activiteiten door bonafide instellingen) geborgd zonder dat een vergunning hiervoor noodzakelijk is. Het college kan instellingen aanwijzen die geen vergunning hoeven aan te vragen.
Daarmee wordt met name beoogd plaatselijke instellingen (met hun statutaire zetel in de gemeente) niet onder de vergunningplicht te laten vallen. Het gaat hierom instellingen die niet zijn ingedeeld in het door het college op grond van onderdeel b vastgestelde collecte- of wervingsrooster. Bij deze plaatselijke
instellingen kan gedacht worden aan instellingen die kleinschalig geld inzamelen of producten verkopen met als doel financiële steun aan hun eigen organisatie. Eerste lid Voor het houden van een openbare inzameling of werving is een vergunning van het college nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld middels collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten of de inzameling van goederen. Ook eerdergenoemde wervingsactiviteiten vallen onder de verbodsbepaling. De instellingen die leden of donateurs werven, moeten uiteraard aan dezelfde voorwaarden voldoen als de opdrachtgevende organisaties zelf. De bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor een commercieel doel. Voor de openbaarheid van de inzameling of werving is het voldoende dat deze op of aan de openbare weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats plaatsvindt. Bij de beoordeling van aanvragen voor collectes of wervingen in de weken dat er geen collectes of wervingen zijn voorzien, worden vaak de volgende criteria gehanteerd: - De instelling is als bonafide aan te merken. - De instelling moet specifiek plaatselijke kenmerken bezitten. - De voorgenomen actie is geen duplicering van andere al ‘gevestigde’ inzamelingen ten bate van een identiek doel. - De aanvragende instelling mag geen politieke doelen nastreven.
- Controle van de begroting op besteding van de gelden. - Tellen onder toezicht van een notaris. - Betalingsbewijs achteraf (dat het geld daadwerkelijk is overgemaakt aan het goede doel) - Gesloten bus, legitimatie collectanten, enzovoort. - Onderschrijven Gedragscode brancheorganisatie DDDN. In deze Gedragscode zijn regels opgenomen voor het werven van leden en donateurs door middel van persoonlijke gesprekken. De donateurwervers houden zich hierbij aan landelijke en lokale regelgeving, kunnen zich legitimeren, maken geen gebruik van een intimiderende of agressieve werkwijze en zijn goed getraind en geïnformeerd. Tweede lid In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning is vereist, indien bij een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Deze wijze van collecteren valt niet onder de bescherming van artikel 7, eerste lid, van de Grondwet, artikel 10 van het EVRM en artikel 19 van het IVBPR (vrijheid van meningsuiting). In vaste rechtspraak is een scheiding aangebracht tussen het collecteren enerzijds en het daarbij aanbieden van gedrukte stukken anderzijds. Beide handelingen zijn in dit lid bewust van elkaar gescheiden. Uitsluitend het houden van een openbare inzameling is van een vergunning afhankelijk, niet het daarbij aanbieden of verspreiden van geschreven of gedrukte stukken.
Dat betekent dat als de inzamelingsvergunning wordt geweigerd de aanvrager de stukken die hij bij de inzameling wilde aanbieden, nog steeds kan verspreiden. Derde lid Het derde lid geeft een uitzondering op het verbod als bedoeld in het eerste lid voor een inzameling in besloten kring. De uitdrukking ‘in besloten kring’ veronderstelt een zekere bekendheid tussen de inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt. Er moet wel sprake zijn van een nauwere band dan alleen het gemeenschappelijke lidmaatschap. Men zal moeten aangeven dat er ook een zekere gemeenschappelijke bekendheid is.
Afdeling 3. Venten Artikel 5:14 Definitie
Het uitoefenen van de ambulante handel (het venten) moet onderscheiden worden van enerzijds de collectevergunning en anderzijds de standplaatsvergunning. Bij venten is het van belang dat de venter in beweging is. Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats betreft de periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Onder het innemen van een standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van goederen vanaf eenzelfde plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een aanhangwagen, in de openbare ruimte. Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit. Van venten of colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In principe worden bij collecteren geen goederen aangeboden, maar gaat het om het inzamelen van geld en goederen. Bij strafrechtelijk optreden tegen dit soort zonder vergunning gehouden inzamelingen, zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden dat te kennen is gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een ideëel doel. Artikel 5:15 Ventverbod Bij de deregulering van 2007 is de ventvergunning geschrapt en vervangen door een algemene regel waarbij het slechts verboden was om bij het venten de openbare orde te verstoren.
Dit gebeurde ook met het oog op de invoering van de Europese Dienstenrichtlijn en de landelijke Dienstenwet. Het via dit artikel aanwijzen van gebieden en tijden schept helderheid voor de handhaving. Het college heeft verschillende gronden ter beschikking voor zijn gebiedsaanwijzingen, zoals overlast of verkeersveiligheid. Door in lid 1 “in het belang van de openbare orde” toe te voegen is de grondslag voor het aanwijzen van gebieden, of dagen en uren beperkt tot de openbare orde. Mocht de openbare orde daadwerkelijk worden verstoord, dan kan de burgemeester ingrijpen op basis van diens openbare orde bevoegdheden uit de Gemeentewet. Het venten met meningsuitingen wordt niet beperkt. Jurisprudentie Een strafrechtelijk verleden kan in de weg staan aan het verlenen van ventvergunning, met name in relatie tot de aard van de gepleegde feiten en de veelvuldige veroordelingen (ARRS 26-07-1993, AB 1994, 2). Weigering van een ventvergunning is rechtmatig. Het reguleren van de ambulante handel is een zaak die tot de gemeentelijke huishouding behoort (Pres. Rb. Assen 31-10-1996, JG 97.0078). Artikel 5:16 Verspreiden van reclamemateriaal Deze bepaling maakt de venter verantwoordelijk voor het voorkomen van ontsiering van de omgeving door weggeworpen reclamemateriaal.
Afdeling 4. Standplaatsen Artikel 5:17 Definitie Dit artikel bevat een definitie en voorziet ook in uitzonderingen. Het gaat bij een standplaats om het te koop aanbieden van goederen of diensten vanaf een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van het venten met goederen of diensten. Bij het venten met goederen of diensten wordt er immers vanuit gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen of diensten vanaf een andere plaats in de openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de standplaatshouder niet. Tweede lid Het innemen van een standplaats op een markt, ingesteld op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet, valt niet onder het begrip standplaats. Degene die op een markt een standplaats wil innemen, zal zich moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Deze
zijn in de marktverordening neergelegd. Een afbakening met de snuffelmarkt is niet nodig, omdat snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en standplaatsen worden ingenomen in de open lucht. Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25 van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing zijn. Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Algemeen Een vergunning voor het hebben van een standplaats dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en dat overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:6). Op het vergunningstelsel is de Europese Dienstenrichtlijn van toepassing. Dat geldt ook als de standplaats wordt gebruikt voor de verkoop van goederen. Die activiteit vormt voor de toepassing van de Dienstenrichtlijn namelijk een ‘dienst’. Voor het aanbieden van gedrukte stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard kan geen vergunning worden geëist in verband met artikel 7 van de Grondwet. Het aanbieden van zodanige gedrukte stukken wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding.
Wel is een vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden aangeboden. Deze vergunning is niet vereist omdat gedrukte stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt ingenomen. De bepaling in de APV met betrekking tot het innemen van een standplaats heeft als doel de ordening van de straathandel. Het voorschrift is open en algemeen geformuleerd. Een aantal toetsingsgronden ligt hierbij voor de hand. Zo zal bij de beoordeling van een aanvraag voor een standplaatsvergunning gelet moeten worden op geldende planologische voorschriften, zoals een bestemmingsplan (derde lid). Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Daarnaast kunnen redelijke eisen van welstand worden gehanteerd indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt (vierde lid, onder b). Met deze toetsingsgrond kan ook verkapte marktvorming worden tegengegaan. Vierde lid, onder c Uit jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt.
Voor de vraag of een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal ontstaan, komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of voor een overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande voorzieningen moet worden gevreesd. Het doorslaggevende criterium is of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften (bijvoorbeeld ABRvS 13-01-2016, ECLI:NL:RVS:2016:49). Ook de Dienstenrichtlijn staat een redelijk voorzieningenniveau niet toe als weigeringsgrond voor standplaatsen, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane belemmering voor het vrij verkeer van diensten (artikel 14, punt 5). Er mag wel een kwantitatieve of territoriale beperking worden gesteld, mits: 1. geen sprake is van discriminatie naar nationaliteit of statutaire zetel (discriminatieverbod); 2. er sprake is van een dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheid); en 3. de maatregelen zijn geschikt om het nagestreefde doel te bereiken en gaan niet verder dan nodig is en het doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt (evenredigheid) (artikel 15 Dienstenrichtlijn). De formulering van onderdeel c van het derde lid is hierop afgestemd. Zie de toelichting op artikel 1:7 voor het begrip ‘dwingende reden van algemeen belang’.
Vergunningsvoorschriften Aan de standplaatsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Zie ook artikel 1:4 en de toelichting bij dit artikel. Voorschriften die aan een vergunning gesteld kunnen worden betreffen: - het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode geen standplaats is ingenomen; - de soort goederen of diensten die mogen worden aangeboden; hierbij moet men wel het oog houden op een goede verdeling van de te verkopen goederen voor de consument, anders zou er sprake van oneerlijke concurrentie kunnen zijn; - de grootte van de standplaats; - de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden; - het uiterlijk aanzien van de standplaats; - tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats; - eisen met betrekking tot de (brand)veiligheid; - opruimen van rommel en schoon achterlaten van de locatie. Intrekken en vervallen vergunning Deze kwesties worden geregeld in het zesde en zevende lid).
Lex silencio positivo De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. In verband hiermee is het onwenselijk dat de lex silencio positivo van toepassing is (achtste lid. Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende Met dit verbod is het mogelijk ook maatregelen te nemen tegen de eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat. Volgens de rechter kan ook het eigen terrein van een vergunninghouder, waarop een standplaats wordt ingenomen, worden aangemerkt als een ‘openbare plaats’ als bedoeld in artikel 1:1, onder a, van de APV. Het terrein dat direct grenst aan de openbare weg is, gedurende de openingstijden, zonder beperkingen bereikbaar. Daarmee heeft het gebruik van het terrein een publiek karakter (Rechtbank Limburg 26-04-2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:4062).
Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken Algemeen Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan diverse overheden opgedragen. Zo is voor het beheer van de belangrijkste rivieren en rijkskanalen de centrale overheid verantwoordelijk. Het beheer van de overige wateren is verdeeld tussen de provincies, gemeenten en waterschappen. De landelijke wetgever heeft voor het gebruik van het openbaar (vaar)water diverse regelingen vastgesteld. Daarbij is een splitsing aangebracht tussen regelingen die uitsluitend van toepassing zijn op de bij het Rijk in beheer zijnde (vaar)wateren en regelingen die voor het gebruik van alle openbare (vaar)wateren gelden. Bij verschillende overheden in beheer zijnde vaarwateren
Voor bij het Rijk in beheer zijnde vaarwateren geldt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Voor de provinciale en gemeentelijke overheden en de waterschappen resteert, voor zover daaraan hetzelfde motief als aan de Wet beheer rijkswaterstaatswerken ten grondslag ligt, slechts voor de overblijvende vaarwateren regelgevende bevoegdheid. Op provinciaal niveau zijn er diverse waterstaatsverordeningen die veelal bevatten bepalingen over het beheer, het onderhoud en de instandhouding van de desbetreffende vaarwateren. Een aantal heeft ook betrekking op de verplichtingen voor de scheepvaart. De Waterschapswet biedt aan de waterschappen de bevoegdheid verordeningen (keuren) te maken die onder andere betrekking kunnen hebben op de doorvaart en het innemen van ligplaats in bij haar in beheer zijnde openbare wateren. De gemeentelijke overheid kan krachtens artikel 149 van de Gemeentewet regels stellen met betrekking tot het bij haar in beheer zijnde openbare (vaar)water. Deze regelingen mogen niet in strijd komen met hogere regelingen. In grote lijnen betekent dit dat de overheden slechts een regelgevende bevoegdheid toekomt ten aanzien van bij hen in beheer zijnde openbare (vaar)wateren. Regelingen die voor het gebruik van alle openbare vaarwateren gelden De Rijksoverheid heeft ook regelingen vastgesteld die voor het gebruik van alle openbare vaarwateren gelden.
De belangrijkste zijn de Binnenvaartwet en de Scheepvaartverkeerswet (SVW). De verkeersreglementering is te vinden in het Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Artikel 42 van de SVW bevat de bevoegdheid van besturen van provincies, gemeenten, waterschappen en havenschappen tot het stellen van regels ten aanzien van onderwerpen waarin de SVW voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet gestelde regels. Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer In het BABS is het college bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen ten behoeve van de scheepvaart op de onder hun beheer staande vaarwegen. Het BPR geeft regels en verkeerstekens ten aanzien van snelle motorboten in het algemeen en waterscooters in het bijzonder. De APV mag niet op basis van hetzelfde motief als de bovenstaande regelgeving aanvullingen geven. De artikelen in de APV kennen dan ook een ander motief. Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water Artikel 5:24 heeft een aanvullend karakter op de in het vijfde lid genoemde wet- en regelgeving. De veiligheid op het water heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het WvSr, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het Binnenvaartpolitiereglement (zie bijvoorbeeld artikel 1.15).
Aangezien voor het onderhoud van de vaarwegen een zekere uniformering noodzakelijk, is een vergunningplicht opgenomen. Ook voor de vergunninghouder schept dat een duidelijke situatie: de aanvrager hoeft niet zelfstandig een afweging te maken, maar ontvangt een vergunning met voorschriften en weet dan waar hij of zij aan toe is. Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen Eerste en tweede lid Uitgangspunt van de APV-bepalingen over ligplaatsen is dat het in beginsel is toegestaan met een vaartuig een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen binnen de gemeente, tenzij de plaats deel uitmaakt van openbaar water (eerste lid). Krachtens het tweede lid, onder b, van artikel 5:25 heeft het college ook de mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal gelimiteerd worden. Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om bijvoorbeeld aan vaartuigen die gedurende langere tijd een ligplaats willen innemen of hebben, eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering en op het drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de mogelijkheden
daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn. In het geval de gemeente eigenaar is van een openbaar water, is het ook mogelijk dat de gemeente in het kader van de exploitatie van die ligplaatsen huur- of verhuurovereenkomsten afsluit. Derde lid Daar waar een provinciale verordening van kracht is, kan het motief landschapsbescherming niet meer door het college ten grondslag gelegd worden aan de aanwijzing van ligplaatsen als bedoeld in het eerste lid of het stellen van nadere regels als bedoeld in het tweede lid. In het derde lid is de werking van deze bepaling ook uitgezonderd voor die gevallen waarin de Wet milieubeheer van toepassing is. Veel jachthavens zullen namelijk aangemerkt kunnen worden als milieuvergunningplichtige inrichtingen. Jurisprudentie Aan dit artikel van de APV liggen andere motieven ten grondslag dan aan het Politiebinnenvaartpolitiereglement. De omstandigheid dat in het voorliggende geval de belangen ter bescherming waarvan het BPR is vastgesteld zich niet verzetten tegen het afmeren van een vaartuig op de door appellant verlangde locatie, laat de uit dit artikel van de APV blijkende wenselijkheid tot ordening van het innemen van ligplaats uit een oogpunt van openbare orde, volksgezondheid etc. onverlet. De Afdeling erkent hier dus de aanvullende werking van de APV, ook als hogere regelgeving van toepassing is (ABRvS 28-04-2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO8510).
Het enkele feit dat een milieuvergunning is verleend betekent niet dat de APV niet van toepassing is. Niet is gebleken dat in het kader van de verleende milieuvergunning het door de APV gediende belang van ordening van het innemen van ligplaatsen met vaartuigen uit een oogpunt van openbare orde is meegewogen of dat dat belang als gevolg van de verleende milieuvergunning rechtens geen relevantie meer zou hebben. De milieuvergunning kent geen bepalingen omtrent het innemen van ligplaatsen. De desbetreffende bepaling van de APV voorziet niet in een door de Wet milieubeheer geregeld onderwerp. De verlening van de milieuvergunning doet derhalve niet af aan het in de APV vervatte verbod met een vaartuig ligplaats in te nemen ( ABRvS 17-11-2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR5815). Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken Dit voorschrift beoogt de toestand van het openbaar water en een veelheid aan waterstaatswerken die bij de gemeente in beheer zijn te beschermen.
Afdeling 6. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5:32 Crossterreinen Afbakening Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s, motoren, bromfietsen en dergelijke al dan niet met een wedstrijdkarakter, zijn verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Op grond van artikel 122 van de Gemeentewet vervallen bepalingen van de APV van rechtswege als in het onderwerp door een wet, AMvB of provinciale verordening wordt voorzien. De formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Hieronder wordt ingegaan op de afbakening van dit APV-artikel ten opzichte van de Wegenverkeerswet 1994, de Wabo en het Bor, en de Zondagswet. 1. WVW 1994 en APV Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen en dergelijke op de weg als bedoeld in de WVW 1994, plaats vindt én een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen. Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen
dan op de weg in de zin van de WVW 1994, dan kan artikel 5:32 van toepassing zijn. Artikel 5:32 ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het RVV 1990 in het kader van een wedstrijd op speciaal daarvoor door het college aangewezen terreinen. Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 3, ‘Evenementen’ van toepassing (artikel 2:24 en verder). De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven omtrent het houden van zo’n evenement dan wel het evenement geheel verbieden. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen die geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten en dergelijke. 2. Wabo en APV Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen en dergelijke buiten de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wabo; voor de overige terreinen kan een gemeente zelf regels stellen. Besluit omgevingsrecht (Bor) De speciaal voor auto- en motorsport ingerichte terreinen vallen onder de werking van de Wabo en het Bor.
In categorie 19.1, onder g, in het Bor worden genoemd: inrichtingen of terreinen, geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het gebruiken van: bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of vaartuigen in wedstrijdverband ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden. Op grond van artikel 2.4 van de Wabo is het college bevoegd om op een aanvraag voor vergunning voor een motorterrein als bedoeld in categorie 19 te beslissen. Voor zover de terreinen, geen openbare weg zijnde, echter bestemd of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen voorzien van verbrandingsmotoren, en de terreinen daartoe acht uren per week of meer zijn opengesteld, wordt de vergunning niet afgegeven door het college, maar door gedeputeerde staten (categorie 19.2). Bij de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de motieven die aan de wettelijke regeling ten grondslag liggen, zijnde de gevolgen voor de fysieke leefomgeving of de bescherming van de fysieke leefomgeving.
APV De regeling in de APV is van belang voor die terreinen die niet genoemd zijn in categorie 19.1, onder g, van het Bor, bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt. In een gemeentelijke regeling met betrekking tot dit soort motorterreinen zal de werkingssfeer ten opzichte van de Wabo in ieder geval moeten zijn afgebakend. Bij een aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming van de belangen die dit voorschrift dient. Behalve het belang van de openbare orde zijn dat milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek of de deelnemers. In de in het tweede lid van het artikel 5:32 genoemde regels kan bepaald worden dat op het terrein slechts gecrost mag worden op bepaalde dagen en uren, en wel alleen door leden van de vereniging; dat de vereniging zich gedraagt volgens de aanwijzingen van KNAC, KNMV en MON; dat zij haar leden voldoende verzekert tegen ongevallen dan wel aansprakelijkheid voor schade als gevolg van ongevallen en – eventueel – dat de crossers ten minste een bepaalde leeftijd moeten hebben dan wel dat de vereniging er – ter voorkoming van ongelukken – zorg voor draagt dat toezicht door volwassenen wordt uitgeoefend indien van dat terrein gebruik wordt gemaakt. 3. Zondagswet