CConstaterende datHeiloo
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting APV Heiloo 2023

Commissies t/m 31-12-2023 13 november 2023, gemeente HeilooBij agendapunt: Actualisatie APV en wijziging APV ivm inwerkingtreding Omgevingswet43.566 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Krachtens artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet is het verboden op zondag zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken dat op een afstand van meer dan 200 meter van het punt van verwekking hoorbaar is. Volgens het tweede lid van dit artikel is de burgemeester bevoegd van dit verbod voor de tijd na 13.00 uur ontheffing te verlenen. De training voorafgaand aan de motorcrosswedstrijd kan als deze voor publiek toegankelijk is, reeds aangemerkt worden als een openbare vermakelijkheid als bedoeld in artikel 4 van de Zondagswet. Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden Gemeenten worden in toenemende mate geconfronteerd met het bezoek van motorcrossers aan natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder, schade aan de flora, verstoring van wild e.d. Verder worden natuurgebieden, parken en dergelijke steeds vaker door ruiters en fietsers/mountainbikers bezocht. Het komt nogal eens voor dat ruiters en fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen aangewezen ruiter- of fietspaden verlaten. Deze gedraging levert gevaar en hinder op voor wandelaars en berokkent vaak ook schade aan flora en fauna. Bij de vraag welke maatregelen mogelijk zijn tegen het motorcrossen in natuurgebieden, zal men een onderscheid moeten maken tussen het zogenaamde ‘wilde crossen’ (op wegen en paden en ‘off the road’) en het crossen op daartoe speciaal gebruikte motorterreinen.

Op het crossen op motorterreinen is artikel 5:32 van toepassing. De redactie van artikel 5:33 is overeenkomstig het systeem van artikel 5:32. Op grond van het eerste lid van artikel 5:33 geldt een algeheel verbod om zich met motorvoertuigen, (brom)fietsen of paarden in een natuurgebied te bevinden. Het college kan op grond van het tweede lid terreinen aanwijzen waar dit verbod niet geldt en kan tevens regels stellen voor het gebruik van deze terreinen. Maatregelen Welke maatregelen kunnen genomen worden om ter bescherming van het milieu en ter voorkoming van overlast gemotoriseerd verkeer, ruiter- of fietsverkeer uit bepaalde gebieden te weren? Een mogelijkheid is het nemen van verkeersbeperkende maatregelen door de wegbeheerder op grond van de wegenverkeerswetgeving. De WVW geeft ook mogelijkheden verkeersmaatregelen te nemen ter bescherming van milieubelangen. Voor de overige gebieden, buiten de wegen in de zin van de WVW 1994 binnen een natuurgebied, is een regeling opgenomen in de APV. Ook langs feitelijke en privaatrechtelijke weg kan gemotoriseerd verkeer uit bepaalde natuurgebieden worden geweerd. In de eerste plaats valt te denken aan het plaatsen van palen, klap- of draaihekjes door de eigenaar bij de toegangen tot de in zo’n gebied gelegen wegen met een beperkt openbaar rechtskarakter.

In de tweede plaats denken kunnen bij de toegangen tot de wegen in een bepaald natuurgebied borden worden geplaatst waarop de toegang voor motorvoertuigen en bromfietsen voor onbevoegden krachtens artikel 461 van het WvSr wordt verboden. Deze methode kan echter niet worden toegepast, indien het gaat om openbare wegen in de zin van de Wegenwet. Verordening stiltegebieden Provinciale staten dienen op grond van artikel 1.2 van de Wm een verordening op te stellen die onder andere regels bevat inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden. Volgens de Provinciale Milieuverordening is het onder meer verboden een aantal toestellen te gebruiken binnen het milieubeschermingsgebied. Het is ook verboden om met een motorvoertuig met draaiende verbrandingsmotor de openbare weg of andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te verlaten. Toertochten voor motorvoertuigen of een wedstrijd als bedoeld in artikel 10 van de WVW 1994 zijn niet toegestaan.

Afdeling 8. Vuurverbod Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

Voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen is altijd een ontheffing nodig op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm. Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Een ontheffing kan op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm bijvoorbeeld worden verleend voor vreugdevuren, zoals paas- en oudejaarsvuren, of in het kader van klein landschapsbeheer. Het is verboden ontheffing te verlenen voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen. Verder is het meeverbranden van allerlei afvalstoffen (banden, verf, afgewerkte olie) verboden. In de ontheffing op grond van de Wm kunnen voorschriften worden opgenomen over het voorkomen van gevaar, schade of hinder, bijvoorbeeld over bodembeschermende voorzieningen en maatregelen. Een ontheffing kan alleen voor een bepaalde tijd verleend worden. De gemeente heeft de nodige beleidsvrijheid om zelf de duur van een ontheffing te bepalen. De aanvullende werking van artikel 5:34 Bij het verbranden van afvalstoffen zijn vaak ook openbare orde- en veiligheidsaspecten van belang. De Wm biedt geen mogelijkheid om de ontheffing te weigeren of voorschriften te geven, indien de openbare orde en veiligheid in het geding is. Artikel 5:34 vult daarom voor wat betreft deze aspecten de Wm aan.

Artikel 5:34, derde lid, biedt de mogelijkheid om – naast de ontheffing op grond van de Wm – een ontheffing te verlenen, waarin de aspecten van openbare orde en veiligheid worden geregeld. Er ligt dan een ander motief ten grondslag aan de APV dan aan de Wm. Tevens wordt het college de mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die het belang van de openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. De weigeringsgronden worden genoemd in het vierde lid. Het combineren van de ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm en de ontheffing op grond van artikel 5:34, tweede lid, tot één te verlenen ontheffing Het verschil in wettelijke grondslag (Wm versus Gemeentewet), het verschil in toetsingskader (milieu versus openbare orde) en het verschil in strafbaarstelling (Wet economische delicten versus Gemeentewet) pleit ervoor om een systeem van twee separate ontheffingen te hanteren. Dit neemt niet weg dat gemeenten de aanvraag voor beide ontheffingen kunnen coördineren. Het blijven echter wel twee afzonderlijke besluiten. Het gevolg van een ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm voor de ontheffing op grond van artikel 5:34 Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm wordt geweigerd, is er geen ruimte meer voor een ontheffing op grond van artikel 5:34. Dit volgt uit het systeem van de wet.

Een ontheffing op grond van artikel 5:34 kan in dit geval namelijk nooit worden verleend wegens strijd met de Wm. De aanvraag voor een ontheffing op grond van artikel 5:34 hoeft daarom niet in behandeling te worden genomen. De grondslag hiervoor is artikel 4:5 van de Awb. Uitzonderingen artikel 5:34 In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het eerste lid. De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere regelgeving. Er is immers geen sprake van het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Overigens mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving. De aanhef van het tweede lid biedt een handvat om handhavend op te treden. De gemeentelijke wetgever regelt dus een bepaalde materie (verbranden) vanuit eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het voorkomen van overlast of hinder) als de hogere regelgever, maar beperkt zich daarbij tot gedragingen die (nog) niet worden bestreken door de hogere regelgeving (namelijk het verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen). Artikel 5:34a Verbod oplaten ballonnen Dit voorschrift sluit aan bij vergelijkbare bepalingen in de regio en spreekt voor zich.

Afdeling 9. Verstrooiing Artikel 5:35 Definitie Volgens de Wet op de lijkbezorging kunnen verstrooiingen door of op last van de houder van een crematorium of de houder van een plaats van bijzetting alleen plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd. Artikel 5:36 Verboden plaatsen Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk. Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Daarom is er een expliciet verbod opgenomen voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Het verbod zal naar verwachting geen wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden. Als het college een vergunning heeft verleend voor een permanent voor asverstrooiing bestemd terrein, zal dat terrein vrijwel altijd op een begraafplaats of bij het crematorium liggen. Voor gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria wat betreft mogelijkheden voor asverstrooiing is het een en ander geregeld in beheersverordeningen. Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien. Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor het college om in die gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.

Artikel 5:37 Hinder of overlast Het is van belang dat omstanders geen hinder ondervinden van de verstrooiing op zich en van de as die daarna wordt achtergelaten. Daar moet tijdens het verstrooien rekening mee worden gehouden. Overigens is uit de toelichting bij de Wet op de lijkbezorging af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen hinder oplevert.

Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen Algemeen Handhaving Handhaving is elke handeling die erop gericht is de naleving van rechtsregels te bevorderen. De rechtszekerheid en de gelijke behandeling van burgers dienen te worden gewaarborgd. Handhaving kan zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk zijn. Het strafrecht en het bestuursrecht worden elk op een geheel eigen wijze genormeerd. Strafrechtelijke handhaving Het handelen van strafrechtelijke organen wordt ten eerste genormeerd door de regels van het Wetboek van Strafrecht en door de diverse bijzondere wetten, waarin de geldende inhoudelijke normen zijn verwoord en waarin soms ook van de algemene strafvordering afwijkende strafprocessuele bevoegdheden zijn opgenomen. Ten tweede door het Wetboek van Strafvordering, dat algemene formele regels van strafprocesrecht bevat, bevoegdheden in het leven roept en de grenzen van de bevoegdheden bepaalt. Op grond van artikel 3 Politiewet heeft de politie tot taak te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Op grond van deze algemene politietaak, alsmede op grond van de last die in de artikelen 141 en 142 WvSv aan de aldaar genoemde ambtenaren wordt gegeven om strafbare feiten op te sporen, kunnen opsporingsambtenaren onderzoek doen. Een opsomming van de daarbij te hanteren methoden ontbreekt.

Algemene opsporingsmethoden zijn niet in het WvSv geregeld. Er zijn wel bijzondere

opsporingsbevoegdheden geregeld. Dit zijn observatie, infiltratie, de pseudo-koop of pseudodienstverlening, het stelselmatig inwinnen van informatie, het onderzoek doen in een besloten plaats zonder toestemming van de rechthebbende, het opnemen van vertrouwelijke communicatie, het onderzoek van telecommunicatie en het stelselmatig volgen of waarnemen. Opsporingsambtenaren kunnen, naast hun opsporingsbevoegdheden, ook bevoegd zijn tot het uitoefenen van controlebevoegdheden die in bijzondere wetten worden toegekend. Strafrechtelijk instrumentarium gemeenten Op 7 juli 2006 is de Wet OM-afdoening van kracht geworden. Hiertoe zijn de Wetboeken van Strafvordering en Strafrecht gewijzigd. Gemeenten hebben op grond daarvan de mogelijkheid gekregen OM-strafbeschikkingen uit te vaardigen. Het gaat hierbij om zogeheten ‘bestuurlijke strafbeschikkingen overlast’ waarmee aan personen die overtredingen begaan een geldboete kan worden opgelegd. De te bestraffen overtredingen staan vermeld in de OM-beleidsregels voor de (bestuurlijke)strafbeschikking overlast en zien onder meer op lichte, aan de APV gerelateerde overlastfeiten. Artikel 257b WvSv is de grondslag voor de gemeentelijke bevoegdheid om (middels een BOA) een strafbeschikking uit te vaardigen.

Van deze bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt onder toezicht van en volgens richtlijnen vastgesteld door het College van procureurs-generaal (OM). Omdat op de strafbeschikking het strafrecht van toepassing is kan een belanghebbende hiertegen geen bezwaar en beroepsprocedure bij de bestuursrechter voeren. Men zal in verzet kunnen gaan bij het OM en uiteindelijk in hoger beroep of in cassatie bij de rechter kunnen gaan. Bestuursrechtelijke handhaving In artikel 1:6 Awb is bepaald dat de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten noch op de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Hoofdstuk 5 van de Awb bevat een opsomming van de aan het bestuursorgaan toekomende bestuursrechtelijke sancties en van de regels die bij de toepassing van de sancties in acht genomen moeten worden. In het bestuursrecht worden de sancties opgelegd door een bestuursorgaan. De rechter speelt in het bestuursrecht pas een rol indien een belanghebbende, na bezwaar of administratief beroep, beroep instelt bij de rechter. Over de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bepaald artikel 5:4 Awb dat een bestuurlijke sanctie pas kan worden opgelegd voor zover de bevoegdheid daartoe bij of krachtens de wet is verleend en de overtreding en de sanctie hierop bij of krachtens een wettelijk voorschrift zijn omschreven.

De Gemeentewet kent in artikel 125 aan het gemeentebestuur een algemene bevoegdheid toe tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. Bestuursrechtelijk instrumentarium gemeente Gemeenten hebben in het kader van toezicht en handhaving een aantal bestuursrechtelijke instrumenten ter beschikking. Er geldt een onderscheid in sancties die erop zijn gericht de ontstane situatie in de gewenste situatie te herstellen (herstelsancties) en sancties die primair zijn bedoeld om bestraffend op te treden (punitieve sancties). Het intrekken van een begunstigend besluit (vergunning of ontheffing) is een voorbeeld van een herstelsanctie die vaak gevoeld wordt als een punitieve sanctie. Bestuursdwang en dwangsom Bij de herstelsancties gaat het om de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom. In artikel 5:21 Awb is de last onder bestuursdwang als volgt gedefinieerd: de herstelsanctie, inhoudende: a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Het feitelijk handelen omvat onder meer: het doen wegnemen, ontruimen, beletten, in de vorige toestand herstellen of het treffen van maatregelen om verdere nadelige gevolgen van een overtreding te voorkomen.

Het opleggen van een last onder bestuursdwang is dus zuiver gericht op

het feitelijk in overeenstemming brengen met de bestuursrechtelijke voorschriften van een onwettige situatie. Dit heeft dus een herstellende werking en heet daarom in termen van de Awbeen herstelsanctie (artikel 5:2, eerste lid, onder b). In artikel 5:32 Awb is aangegeven dat een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, ook bevoegd is om een last onder dwangsom op te leggen. Het opleggen van een dwangsom is een middel om de overtreder door het opleggen van een last om te betalen, te bewegen de overtreding te beëindigen. De vraag welk instrument het geschiktst is om aan de geconstateerde overtreding een einde te maken zal steeds beantwoord moeten worden aan de hand van feiten, de omstandigheden en de belangen die aan de orde zijn. De wet laat zich hier niet over uit. Wel is in artikel 5:6 Awb bepaald dat het bestuursorgaan geen herstelsanctie oplegt zolang een andere wegens dezelfde overtreding opgelegde herstelsanctie van kracht is. Een combinatie van bestuursdwang met een last onder dwangsom is dus niet mogelijk. Deze sancties kunnen alleen worden ingezet in situaties waarin herstel daadwerkelijk mogelijk is. De meeste normen uit de APV die verloederingsfeiten en onveiligheidsgevoelens van burgers moeten tegengaan lenen zich niet voor handhaving via een dwangsom of bestuursdwang.

Of het herstel is feitelijk niet mogelijk (denk aan geluidsoverlast), óf het herstel zélf, dan wel de controle daarop, leveren problemen op (denk aan een last onder dwangsom tot het niet meer voortijdig plaatsen van vuilniscontainers op straat). Bestuurlijke boete De bestuurlijke boete is geen herstelsanctie, maar een bestuursrechtelijke punitieve sanctie die bedoeld is om als gemeente zelfstandig bestraffend op te kunnen treden tegen veel voorkomende en overlast veroorzakende, lichte overtredingen in de APV. Deze bevoegdheid is neergelegd in de artikelen 154b en volgende van de Gemeentewet. Grondslag daarvoor is de Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte (BBOOR, ook wel aangeduid als ‘Voetbalwet’) en het bijbehorende Besluit (AMvB), die in 2019 in werking zijn getreden. De raad kan bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor overtreding van voorschriften uit de APV die strafbaar zijn gesteld en die niet bij AMvB zijn uitgezonderd. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete wordt uitgeoefend of door het college, of door de burgemeester indien de toepassing van dit middel dient tot handhaving van regels die de burgemeester uitvoert. Tegen de boeteoplegging kan conform de rechtsgang van de Awb bezwaar worden gemaakt en beroep worden ingesteld.

De boete dient door een bestuurlijk toezichthouder in dienst van de gemeente te worden opgelegd. In voorkomende gevallen kan de toezichthouder optreden als BOA en een proces-verbaal opmaken. De opbrengsten van de boeten komen toe aan de gemeenten. Gemeenten zijn daarom zelf verantwoordelijk voor de incasso en de registratie van opgelegde boeten. Met de bestuurlijke boete krijgt het gemeentebestuur voor wat betreft het optreden tegen kleine ergernissen het primaat bij de handhaving in de publieke ruimte en neemt de rol van de politie hierbij af. Daarbij zal de lijn zijn dat waar gekozen is voor bestuurlijke beboeting, de politie niet meer stelselmatig aandacht besteedt aan kleine ergernissen en het bestuur een 24-uurs beschikbaarheid van de bestuurlijke toezichthouders waarborgt. De politie blijft wel bevoegd om, waar nodig, strafrechtelijk op te treden tegen de overtreding van de APV-normen. Overtreding Onder overtreding van een voorschrift wordt verstaan: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:1, eerste lid, Awb). Daaronder valt dus ook het niet nakomen van voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden. De eerste stap in een handhavingscyclus zal zijn dat een overtreding plaatsvindt dan wel gaat plaatsvinden. Dat betekent dat er een onderzoek moet worden gedaan.

Met behulp van de toezichtsbevoegdheden wordt de situatie onderzocht. Hiervan zal de ambtenaar een rapport van bevindingen (bestuurlijke

rapportage) moeten opmaken. Bij de voorbereiding van een handhavingsbesluit moet immers worden voldaan aan het zorgvuldigheidsbeginsel. Gedogen Het kan een keuze zijn van het bestuursorgaan om niet over te gaan tot handhaven. De met de wet strijdige situatie wordt dan gedoogd. Is een bestuursorgaan op de hoogte van de overtreding, maar wordt er geen actie nomen, dan is er sprake van passief gedogen. Het toepassen van bestuursdwang is immers een bevoegdheid, geen absolute verplichting. Een gemeente heeft dus de mogelijkheid om het belang van de handhaving door middel van bestuursdwang af te wegen tegen andere belangen, zoals de mogelijkheid om een andere bestuursrechtelijke sanctie in te zetten, of over te gaan tot gedogen. Deze vrijheid is echter betrekkelijk. Uit jurisprudentie blijkt dat er een beginselplicht tot handhaving bestaat. Enkel in geval van bijzondere omstandigheden kan van handhavend optreden worden afgezien. Een duidelijk handhavingsbeleid met vastgestelde prioriteiten is hierbij onontbeerlijk. Artikel 6:1 Sanctiebepaling Algemeen Op grond van artikel 154 Gemeentewet kan de raad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. De Gemeentewet heeft aan de raad de keuze gelaten op overtreding van verordeningen – naast een maximale hechtenis van drie maanden - geldboete te stellen van de eerste óf de tweede categorie.

In artikel 6:1, eerste lid, is gekozen voor een geldboete van de tweede categorie. De opvatting van de raad over de ernst van bepaalde overtredingen is hiervoor maatgevend. Daarbij kunnen enkele algemene overwegingen worden genoemd: a. De hoogte van een op te leggen boete moet in overeenstemming zijn met de aard van de overtreding. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat ook de lichtere delicten soms onder zodanige omstandigheden kunnen worden gepleegd, dat zij een zwaardere bestraffing verdienen. Ook de rechter kan er behoefte aan hebben voor bepaalde delicten - waarop in het algemeen een zware straf niet past - met het oog op de algemene preventie, een zwaardere straf op te leggen. b. Op milieuovertredingen, met name overtredingen die ook door rechtspersonen kunnen worden gepleegd, wordt veelal een boete van tweede categorie gesteld. c. Indien de raad aanvullend optreedt ten opzichte van een rijksregeling, wordt het Rijk gevolgd bij de keuze van de boetecategorie. Zo zijn in de APV bepalingen opgenomen die een aanvulling zijn op overtredingen waar Boek III WvSr een boete van eerste categorie op stelt. Het betreft veelal artikelen die beogen overlast en baldadigheid tegen te gaan, zoals de artikelen 2:47 tot en met 2:50, voorschriften die baldadigheid en overlast beogen tegen te gaan.

Dit zijn door de rechter geaccepteerde aanvullingen op de artikelen 424 (baldadigheid op of aan de weg) en 426bis van het WvSr (belemmering van een ander in zijn vrijheid van beweging op de weg, zich opdringen aan een ander, hinderlijk volgen). Artikel 4:6 is een aanvulling op artikel 431 WvSr (rumoer of burengerucht waardoor de nachtrust kan worden verstoord). Artikel 6:1 Artikel 6:1 regelt dat het niet-naleven van de in de APV genoemde voorschriften of beperkingen die aan een vergunning of een ontheffing zijn verbonden een strafbaar feit oplevert. De op te leggen straf mag niet zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Volgens artikel 23 WvSr is het maximum van een boete van de tweede categorie € 4.150. Het is uiteindelijk de strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, voor een geldboete tot de grens van de door de raad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. Hechtenis Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van een APV-bepaling hechtenis wordt opgelegd, mede nu er landelijk naar gestreefd wordt de korte vrijheidsstraf nog meer terug te dringen ‘ten

gunste’ van de geldboete. Toch is in het eerste lid van dit artikel de mogelijkheid van hechtenis opgenomen, omdat niet kan worden uitgesloten dat in bepaalde (uitzonderings)gevallen (bijvoorbeeld in het geval van recidive) de rechter behoefte heeft aan de mogelijkheid tot oplegging van een vrijheidsstraf. Op overtreding van de in het tweede lid van dit artikel genoemde – in de eerste geldboetecategorie ingedeelde – bepalingen, is geen hechtenis gesteld, omdat het hier lichte overtredingen betreft. Strafbaarheid rechtspersonen Op grond van artikel 91 juncto 51 WvSr. vallen ook rechtspersonen onder de werking van de sanctiebepaling. Bij veroordeling van een rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie “indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat” (artikel 23, zevende en achtste lid, van het WvSr). Dat betekent dat voor overtredingen van de APV door een rechtspersoon de rechter de mogelijkheid heeft een boete van de derde categorie op te leggen (maximaal € 8.300). Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en vergunningsvoorschriften Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in dit artikel met straf bedreigd. Ook de overtreding van door het college bevoegd gestelde nadere regels levert een strafbaar feit op.

Hetzelfde geldt voor de overtreding van krachtens artikel 1:4 gegeven beperkingen en voorschriften bij een vergunning of een ontheffing. Formeel levert dit laatste een overtreding van artikel 1:4, tweede lid, op. Artikel 6:2 Toezichthouders In dit artikel – krachtens dit artikel, door het college dan wel door de burgemeester – worden de toezichthouders aangewezen. Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van een wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid ligt in hoofdstuk 5 (handhaving) van de Awb. Daarin zijn algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Politieambtenaren zijn alleen te beschouwen als toezichthouders voor zover zij bij of krachtens een bijzondere wet als zodanig zijn aangewezen. Artikel 3 Politiewet bevat slechts een algemene omschrijving van de politietaak. Om die reden worden ook politieambtenaren op grond van het tweede lid aangewezen als toezichthouder. Enerzijds omdat dit voor sommige bepalingen goed aansluit op hun opsporingsbevoegdheid (bv. inbrekerswerktuigen, bestrijding heling), anderzijds omdat daarmee hun algemene taak met betrekking tot de openbare orde tot uiting komt.

Met dit artikel krijgen politieambtenaren voor wat betreft de APV de beschikking over de toezichtsbevoegdheden van de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb. Politieambtenaren combineren dan, net als dat voor BOA’s het geval is, het toezichthouderschap met hun taak als opsporingsambtenaar. Voor een toezichthouder die tevens opsporingsambtenaar is, is het van groot belang dat deze, als hij als toezichthouder iets aantreft dat leidt tot opsporing, tijdig een zogenaamde cautie uitdeelt. Aan opsporing hoeft de betrokkene immers, anders dan bij toezicht, niet mee te werken, en als hij daar niet tijdig op wordt gewezen kan dat gevolgen hebben voor een eventuele strafzaak. Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. Bij een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen met name te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale aanwijzing wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe de met toezicht belaste personen behoren. Legitimatieplicht toezichthouder Een toezichthouder dient zich desgevraagd te kunnen legitimeren (artikel 5:12 Awb). Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is. Het in artikel 5:12, derde lid, Awb genoemde ‘model’ van het

legitimatiebewijs is vastgesteld bij de Regeling model legitimatiebewijs toezichthouders Awb. Deze regeling bevat een opsomming van alle elementen die in ieder geval op het legitimatiebewijs moeten zijn opgenomen.. Het evenredigheidsbeginsel In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd. Een toezichthouder mag zijn bevoegdheden slechts uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien. Bevoegdheden toezichthouder In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders toegekend. Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden, met uitzondering van woningen, zonder toestemming van de bewoner. ‘Plaats’ is daarbij een ruim begrip en omvat erven, andere (bedrijfs)terreinen en (bedrijfs)gebouwen. Dat de Awb een uitzondering maakt voor het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner vloeit voort uit het in artikel 12 Grondwet vastgelegde ‘huisrecht’. Op grond hiervan is voor het binnentreden van woningen zonder toestemming van de bewoner steeds een grondslag in een bijzondere wet vereist.

Voor de handhaving van gemeentelijke verordeningen ligt de basis voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner in artikel 149a Gemeentewet. Op grond van dit artikel kan aan toezichthouders deze bevoegdheid worden toegekend, indien het gaat om het toezicht op de naleving van bij verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen. In artikel 6:3 van de APV wordt deze bevoegdheid aan toezichthouders toegekend. De bevoegdheid tot het betreden van plaatsen houdt niet tevens in de bevoegdheid tot het doorzoeken van die plaatsen. In gevallen waarin die bevoegdheid niettemin noodzakelijk is, dient deze te worden verschaft door de bijzondere wetgever. Artikel 5:16 Awb geeft de toezichthouder de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen. Op grond van artikel 5:20 Awb is een ieder ook verplicht deze inlichtingen te verstrekken, behoudens een aantal uitzonderingen dat terug te voeren is op het beroepsgeheim. In de artikelen 5:17 tot en met 5:19 Awb worden aan toezichthouders de bevoegdheden verleend om inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden en om zaken en vervoermiddelen te onderzoeken.

Bijzondere wetten Bijzondere (medebewinds)wetten die de raad bevoegd verklaren of verplichten tot het maken van verordeningen (zoals de Wet milieubeheer en de Woningwet), kunnen op het punt van de aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren een eigen regeling bevatten. Die aanwijzing heeft doorgaans tot gevolg dat de aangewezen ambtenaar bepaalde (toezicht)bevoegdheden krijgt. Zo krijgen in artikel 42 Alcoholwet de toezichthouders die belast zijn met het toezicht op het bepaalde bij en krachtens die wet (b.v. hoofdstuk 2, afdeling 5, APV) eveneens de bevoegdheid om een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoners, als (het vermoeden bestaat dat) daar in strijd met APV-voorschriften wordt gehandeld Toezicht en opsporing De meeste bepalingen van de APV bevatten ge- en verboden. Op de naleving hiervan dient te worden toegezien en bij overtreding dient te worden opgetreden. Dit kan op twee manieren: bestuursrechtelijk – door onder andere het opleggen van een last onder bestuursdwang of onder dwangsom dan wel een bestuurlijke boete – en strafrechtelijk. Voor beide vormen van handhaving dienen personen te worden aangewezen met toezichthoudende respectievelijk opsporingsbevoegdheden. Alleen voor de aanwijzing van de toezichthouders is een bepaling

opgenomen in de APV. De opsporingsambtenaren worden aangewezen in de artikelen 141 en 142 WvSv. Het onderscheid tussen toezicht en opsporing is van belang aangezien er een onderscheid bestaat, zowel naar inhoud als naar de voorwaarden waaronder zij op grond van de wet kunnen worden uitgeoefend. Het kenmerkende onderscheid tussen beide is dat bij toezicht op de naleving geen sprake hoeft te zijn van enig vermoeden van overtreding van een wettelijk voorschrift en bij opsporing wel. Ook zonder dat vermoeden heeft het bestuur de taak na te gaan of bijvoorbeeld de voorschriften van een vergunning in acht worden genomen. Indien mocht blijken dat in strijd met het voorschrift wordt gehandeld, hoeft dit niet automatisch te leiden tot een strafrechtelijke vervolging. Het hanteren van bestuursrechtelijke middelen is in veel gevallen een meer passende reactie. Toch kan bij de uitoefening van het toezicht het vermoeden blijken dat een wettelijk voorschrift is overtreden. Op dat moment wordt de vraag naar de verhouding tussen de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden van belang, in het bijzonder wanneer beide bevoegdheden in dezelfde persoon zijn verenigd. Beide bevoegdheden kunnen naast elkaar worden toegepast, zolang ervoor gezorgd wordt dat de bevoegdheden die samenhangen met het toezicht en de bevoegdheden die samenhangen met de opsporing worden gebruikt waarvoor ze zijn toegekend.

Op het moment dat toezicht overgaat in opsporing is het derhalve zaak er voor te zorgen dat de waarborgen die aan de verdachte toekomen in het kader van de opsporing in acht worden genomen. De voornaamste verschillen tussen toezicht en opsporing zijn (a) dat toezicht betrekking heeft op de naleving van de voorschriften die tot burgers en bedrijven zijn gericht en vaak een preventieve werking kent en dat opsporing gericht dient te zijn op strafrechtelijke afdoening.; en (b) dat toezicht een bestuurlijke activiteit is en dus wordt genormeerd door de Awb. De opsporing wordt geregeld WvSv. Opsporingsambtenaren In de artikelen 141 en 142 WvSv worden de met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren genoemd. De in artikel 141 genoemde ambtenaren hebben een opsporingsbevoegdheid die in principe voor alle strafbare feiten geldt (algemene opsporingsbevoegdheid). Artikel 142 betreft de BOA’s die in de regel een opsporingsbevoegdheid hebben voor een beperkt aantal strafbare feiten (beperkte opsporingsbevoegdheid). Op basis van artikel 142, eerste lid, onder c, WvSv hebben de volgende – voor de APV relevante – personen opsporingsbevoegdheid: - Personen die bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten worden belast, bijvoorbeeld ambtenaren van bouw- en woningtoezicht; de grondslag voor deze opsporingsbevoegdheid ligt in de Woningwet.

- Personen die in de APV zijn belast met het toezicht op de naleving van die verordening en zijn beëdigd, bijvoorbeeld milieuambtenaren belast met het toezicht op de desbetreffende bepalingen in de APV. Uit artikel 142, eerste lid, onder c, WvSv volgt dat het ook kan gaan om personen die ‘krachtens’ verordening zijn belast met het toezicht (d.w.z. via een aanwijzingsbesluit van het college of de burgemeester). Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren (BOA’s) hun aanwijzing aan het WvSv ontlenen, is een nadere regeling in de APV niet mogelijk. De aanwijzing als toezichthouders in de APV is de grondslag voor de aanwijzing als BOA. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder zijn. De personen die op grond van dit artikel worden aangewezen, dienen op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar aan de volgende voorwaarden te voldoen: 1. zij dienen te voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid; 2. zij dienen te zijn beëdigd door het College van procureurs-generaal.. Gemeentelijke verordeningen en opsporing Aan opsporingsambtenaren kan op grond van artikel 149a van de Gemeentewet, met inachtneming van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi), de bevoegdheid tot het binnentreden van

woningen worden verleend (zie verder de toelichting hierna bij artikel 6:3). Hun overige opsporingsbevoegdheden ontlenen zij aan het WvSv. De raad heeft hiernaast niet de bevoegdheid om bij gemeentelijke verordening andere opsporingsbevoegdheden te creëren (artikel 1 WvSv ). Ook in een aantal bijzondere wetten worden opsporingsambtenaren aangewezen. Dit is met name van belang voor de medebewindvoorschriften die in op deze wetten gebaseerde verordening zijn opgenomen. Toezichthoudende ambtenaren in beginsel niet belast met opsporing Gezien het voorgaande zijn toezichthoudende ambtenaren vanuit hun aanstelling niet automatisch belast met opsporing. Veelal kan ook volstaan worden met toezichthoudende bevoegdheden. Indien namelijk de handhaving van bepaalde wettelijke voorschriften voornamelijk bestuursrechtelijk geschiedt (bestuursdwang, dwangsom), is het niet nodig om te beschikken over opsporingsbevoegdheden. Dit is pas vereist indien men strafrechtelijk wil gaan handhaven. In die situatie is het ook niet noodzakelijk om alle toezichthouders opsporingsbevoegdheden te geven. Veelal kan worden volstaan met één of enkele opsporingsambtenaren. Ook kan soms de hulp ingeroepen worden van een algemeen opsporingsambtenaar (ambtenaar van politie).

Artikel 6:3 Binnentreden woningen Algemeen Het kan noodzakelijk zijn dat personen die belast zijn met het toezicht op de naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de APV bepaalde plaatsen kunnen betreden. In artikel 5:15 Awb is deze bevoegdheid aan toezichthouders toegekend voor alle plaatsen, met uitzondering van het binnen treden van woningen zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet extra bescherming op basis van artikel 12 Grondwet, dat het zogenaamde ‘huisrecht’ regelt. Het betreden van de woning zonder toestemming van de bewoner is daarom met veel waarborgen omkleed. Op het betreden van een woning met toestemming van de bewoner zijn deze waarborgen niet van toepassing, al gelden daar wel de, zij het wat beperktere, vormvoorschriften van de Algemene wet binnentreden woningen (Awbi). De bevoegdheid voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner kent drie elementen: 1. de bevoegdheid tot binnentreden dient bij of krachtens de wet te zijn verleend; 2. de personen aan wie de bevoegdheid is verleend dienen bij of krachtens de wet te worden aangewezen, en 3. er dienen bepaalde vormvoorschriften in acht te worden genomen. Wettelijke grondslag bevoegdheid Zowel het verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het aanwijzen van de personen die mogen binnentreden dient bij of krachtens de wet te gebeuren.

Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de raad de bevoegdheid om bij verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen. In dit artikel 6:3 wordt gebruikgemaakt van deze bevoegdheid. Voor enkele bepalingen in de APV wordt de bevoegdheid om een woning zonder toestemming van de bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan een bijzondere wet. Het betreft artikel 2:67 en 2:68 en de op artikel 437ter van het WvSr gebaseerde gemeentelijke helingvoorschriften. Artikel 552 van het WvSv bepaalt dat de in artikel 141 bedoelde opsporingsambtenaren en de ambtenaren die krachtens artikel 142 zijn belast met de opsporing van de bij de artikelen 437, 437bis of 437ter van het WvSr strafbaar gestelde feiten, toegang hebben tot elke plaats hebben waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat zij wordt gebruikt door een handelaar als bedoeld in laatstgenoemde artikelen. Vormvoorschriften

In de Awbi zijn de vormvoorschriften opgenomen die een persoon die een woning wil betreden in acht moet nemen. Hij dient: - zich te legitimeren (artikel 1); - mededeling te doen van het doel van het binnentreden (artikel 1); - te beschikken over een schriftelijke machtiging (artikel 2); - verslag te maken van het binnentreden (artikel 10). De in artikel 1 opgenomen voorschriften gelden voor iedere binnentreding, dus ook indien dit gebeurt met toestemming van de bewoner. De overige artikelen in de Awbi gelden alleen als zonder toestemming van de bewoner wordt binnengetreden. In de vereiste machtiging is aangegeven in welke woning binnengetreden kan worden. Zo nodig kunnen in de machtiging maximaal drie andere afzonderlijk te noemen woningen worden opgenomen. Op grond van artikel 3 Awbi beschikken de procureur-generaal bij het gerechtshof, de officier van justitie en de hulpofficier van justitie over een algemene bevoegdheid tot het verstrekken van een machtiging. Hiernaast kan ook de burgemeester bevoegd zijn machtigingen te verlenen. Dit is het geval indien het binnentreden in de woning in een ander doel is gelegen dan in het kader van strafvordering (bijvoorbeeld bij woningontruimingen). De bevoegdheid machtigingen om binnen te treden af te geven, kan niet worden gemandateerd.

In artikel 5:27 Awb is voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner bij de uitoefening van bestuursdwang een andere regeling opgenomen. De bevoegdheid tot het afgeven van de machtiging is daar, naast de in de Awbi genoemde functionarissen, bij hetzelfde bestuursorgaan gelegd dat de bestuursdwang toepast, d.w.z. het college of de burgemeester. Artikel 2, derde lid, Awbi voorziet in de bevoegdheid om in uitzonderlijke omstandigheden zonder machtiging en zonder toestemming de woning binnen te treden. Dit is het geval in situaties waarbij ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen dreigt, zoals bij de ontdekking op heterdaad van een geweldsdelict in een woning of de aanwezigheid in een woning van een bewapend persoon die van zijn wapen gebruik zou kunnen maken. Men kan ook denken aan gevallen waarin de belangen van de bewoner ernstig worden aangetast, zoals bij de ontdekking op heterdaad van een inbraak in de woning. Als de opsporingsambtenaar de bewoner, bijvoorbeeld als gevolg van diens afwezigheid, niet om toestemming tot binnentreden kan vragen, is hij bevoegd om ter bescherming van diens belangen zonder machtiging binnen te treden. Onder deze omstandigheden bestaat er dus steeds de noodzaak om terstond op te treden en is binnentreden zonder toestemming én zonder machtiging gerechtvaardigd.

Op het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner blijft ook bij spoedeisende gevallen de Awbi zo veel mogelijk van toepassing. Het spoedeisende karakter van de situatie is dus voornamelijk van invloed op het hebben van een machtiging. Dat betekent dat deze bevoegdheid slechts kan worden uitgeoefend door personen die bij of krachtens de wet bevoegd zijn verklaard zonder toestemming van de bewoner binnen te treden. Artikel 6:4 Overgangsbepaling Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen, ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de inwerkingtreding van deze verordening. Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens de Awb beslist overeenkomstig de nieuwe verordening (toetsing ex nunc). Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht, wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht zou hebben gehad (verbod van reformatio in peius). Artikel 6:5 Intrekking oude verordening In deze bepaling wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. De oude verordening vervalt op de dag waarop de nieuwe verordening in werking treedt (artikel 6:6).

Artikel 6:6 Inwerkingtreding In artikel 6:4 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt (artikel 6:6), is de datum waarop de oude verordening vervalt. Op de inwerkingtreding van verordeningen is de regeling van artikel 142 Gemeentewet van toepassing. Deze houdt in dat alle verordeningen in werking treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor is aangewezen. In dit artikel is om redenen van continuïteit gekozen voor een datum van in werking treden die afhangt van de datum van bekendmaking. De APV is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als alle overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden (artikel 139 van de Gemeentewet). Van belang is dat de gemeente gehouden is dit besluit mee te delen aan het parket van het arrondissement waarin de gemeente is gelegen (artikel 143 van de Gemeentewet). In verband met artikel 1 van het WvSr is het uiteraard niet mogelijk aan de bepalingen van een strafverordening terugwerkende kracht te verlenen.

Artikel 6:6 Citeertitel Deze bepaling is op de daarvoor gebruikelijke wijze geformuleerd.

Bijlage - Lijst van gebruikte afkortingen in de toelichting Afkorting Activiteitenbesluit milieubeheer Afdeling AVG AMvB APV ABRvS ARRS Awb Awbi BABS BABW BBOOR Bibob BOA Bor BPR BW CBb

Betekenis Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Algemene verordening gegevensbescherming Algemene Maatregel van Bestuur Algemene plaatselijke verordening Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Afdeling rechtspraak van de Raad van State Algemene wet bestuursrecht Algemene wet op het binnentreden Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur Buitengewoon opsporingsambtenaar Besluit omgevingsrecht Binnenvaartpolitiereglement Burgerlijk Wetboek College van Beroep voor het bedrijfsleven

CBF CCV CROW DDDN DHW ECRM EG-recht EHRM EVRM GFT-afval GWWD HR HvJ Igr IVBPR KNAC KNMV MMA model-APV MON Mor MvT NOC*NSF NVWA OM OVSE PMV RVV 1990 SGBO Stb. Stcrt. WvSv SVW Trb. Vb 2000 VNG VOG Vw 2000 Wabo Wbp WED Wm Wok Wom WOR Wro Wrp

Centraal Bureau Fondsenwerving Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond, Water en Wegenbouw en de Verkeerstechniek Vereniging Direct Dialogue Donateurwervers Nederland Drank- en Horecawet Europese conventie voor de rechten van de mens Recht van de Europese Gemeenschappen Europese Hof voor de Rechten van de Mens Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Groente-, fruit- en tuinafval Gezondheids- en welzijnswet voor dieren Hoge Raad Hof van Justitie 100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten Koninklijke Nederlandsche Automobiel Club Koninklijke Nederlandse Motorrijders Vereniging Mixed Martial Arts Model Algemene plaatselijke verordening Motorsport Organisatie Nederland Regeling omgevingsrecht Memorie van toelichting Nederlands Olympisch Comité en de Nederlandse Sport Federatie Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit Openbaar Ministerie Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa Provinciale milieuverordening Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 Staf Grootschalig en Bijzonder Optreden Staatsblad Staatscourant Wetboek van Strafvordering Scheepvaartverkeerswet Tractatenblad Vreemdelingenbesluit 2000 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Verklaring Omtrent het Gedrag Vreemdelingenwet 2000 Wet

algemene bepalingen omgevingsrecht Wet bescherming persoonsgegevens Wet op de economische delicten Wet milieubeheer Wet op de kansspelen Wet openbare manifestaties Wet op de openluchtrecreatie Wet ruimtelijke ordening Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche

Wvgs WvSr WVW 1994

Wet vervoer gevaarlijke stoffen Wetboek van Strafrecht Wegenverkeerswet 1994

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heiloo&id=d33bdde2-6aa8-4767-b1d2-b22c28677983