Reconstructie Vennewatersweg_Toelichting_Bijlage 7 Ecologische Quickscan 2019
Tekst van het document
RAPPORT Natuurtoets Vennewatersweg In het kader van de Wet natuurbescherming Klant:
Gemeente Heiloo
Referentie: BG4559WATRP2012011308 Status:
Definitief/P01.02
Datum:
20-1-2020
Projectgerelateerd
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Laan 1914 no.35 3818 EX AMERSFOORT Water Trade register number: 56515154 +31 88 348 20 00 T +31 33 463 36 52 F info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Natuurtoets Vennewatersweg Ondertitel: Referentie: BG4559WATRP2012011308 Status: P01.02/Definitief Datum: 20-1-2020 Projectnaam: Natuurtoets Vennewatersweg Projectnummer: BG4559-101-101 Auteur(s): [Author] Opgesteld door: Gecontroleerd door: Datum: 4 december 2019/LHW Goedgekeurd door: Datum: 20-1-2020 / CA
Classificatie Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever.Let op: dit document bevat persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V. en dient voor publicatie of anderszins openbaar maken te worden geanonimiseerd. 20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
i
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
Aanleiding
1
1.2
Doelstelling
1
1.3
Methode
1
1.4
Leeswijzer
2
2
Beknopt kader natuurwet- en regelgeving
3
3
Plangebied en voorgenomen ingreep
6
3.1
Plangebied
6
3.2
Voorgenomen ingreep
10
4
Gebiedsbescherming
12
4.1
Natura 2000
12
4.2
Noordhollands Duinreservaat
12
4.2.1 4.2.2
Gebiedsbeschrijving Instandhoudingsdoelstellingen
12 13
4.3
Effectbeoordeling Natura 2000
14
4.4
Conclusie
14
4.5
Natuurnetwerk Nederland
14
4.6
Houtopstanden
15
5
Beschermde soorten
16
5.1
Vaatplanten
16
5.2
Grondgebonden zoogdieren
16
5.3
Vleermuizen
18
5.4
Broedvogels
19
5.5
Amfibieën
19
5.6
Reptielen
20
5.7
Vissen
20
5.8
Ongewervelden
21
5.9
Samenvatting
21
6
Effectbeschrijving – en beoordeling
22
6.1
Kleine marterachtingen
22
6.2
Vleermuizen
23
6.3
Algemene broedvogels
23
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
ii
Projectgerelateerd
6.4
Amfibieën
24
6.5
Samenvatting
24
7
Mitigerende maatregelen
25
7.1
Algemene zorgplicht
25
7.2
Grondgebonden zoogdieren
25
7.3
Vleermuizen
25
7.4
Broedvogels
26
7.5
Amfibieën
26
8
Conclusies en vervolgstappen
27
8.1
Beschermde soorten
27
8.2
Natura 2000-gebieden
27
8.3
Natuurnetwerk Nederland
27
8.4
Houtopstanden
28
8.5
Vervolgstappen
28
Bijlage 1: Verordening vrijstellingen Wnb Noord-Holland
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
29
iii
Projectgerelateerd
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
De gemeente Heiloo is voornemens de Vennewatersweg te reconstrueren. De reconstructie betreft het toevoegen van diverse voorrangspleinen en het verbreden van de weg. Voor deze ruimtelijke ingreep worden bomen gekapt, worden watergangen verplaatst en worden enkel bermpercelen aangetast of verwijderd. Deze ingreep kan leiden tot negatieve effecten op onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten en gebieden. Om deze reden is het noodzakelijk de mogelijke effecten van de ingreep op beschermde dier- en plantensoorten en gebieden in kaart te brengen. De gemeente Heiloo heeft Royal HaskoningDHV daarom verzocht een natuurtoets uit te voeren.
1.2
Doelstelling
Het doel van deze natuurtoets is om de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten in kaart te brengen. Ook worden de mogelijke effecten van de voorgenomen ingreep op aanwezige beschermde soorten en gebieden bepaald. Op basis daarvan wordt bepaald of overtredingen van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) te verwachten zijn en of dit voorkomen kan worden door het treffen van gerichte (mitigerende) maatregelen of dat een ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk is. De onderzoeksvragen voor deze natuurtoets zijn: • Welke beschermde soorten en gebieden kunnen voorkomen binnen en rondom het plangebied? • Welke negatieve effecten zijn te verwachten op deze soorten en gebieden? • Zijn er mitigerende maatregelen te treffen om deze effecten te voorkomen? • Is er nader veldonderzoek nodig om de aanwezigheid van beschermde soorten vast te stellen of uit te sluiten? • Is een passende beoordeling nodig om te bepalen of de voorgenomen ingreep leidt tot significant negatieve effecten op beschermde gebieden • Is compensatie noodzakelijk? • Is het noodzakelijk om een ontheffing of vergunning in het kader van de Wnb aan te vragen?
1.3
Methode
Om na te gaan wat het belang is van het plangebied voor de wettelijk beschermde soorten en gebieden zijn de volgende stappen gevolgd: 1. Inventarisatie van beschermde soorten en gebieden Er zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten opgevraagd uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) voor het plangebied en de nabije omgeving (een straal van één kilometer rondom het plangebied) van de afgelopen 10 jaar. 1 Ook is er op 29 november 2019 een veldbezoek uitgevoerd (9°C, bewolkt, wisselvallig, windkracht 3) door een ecoloog van Royal HaskoningDHV. Daarnaast zijn de NDFF en de gebiedendatabase 2 gebruikt voor het inventariseren van beschermde gebieden in en rondom het plangebied. 2. Effectbeoordeling soorten en gebieden Beknopte analyse van het project in relatie tot de habitat/biotoopeisen van de beschermde soorten en gebieden in de omgeving van het gebied. 1 2
https://ndff-ecogrid.nl/, geraadpleegd op 25 november 2019 https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k&groep=0, geraadpleegd op 25 november 2019
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
1
Projectgerelateerd
3. Conclusie Beschrijving van de conclusies, vervolgstappen en voorstellen voor eventueel benodigde mitigerende maatregelen.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het juridisch en beleidskader weergegeven waarin de wet- en regelgeving van de Wnb beknopt beschreven wordt. In hoofdstuk 3 wordt de voorgenomen ingreep en het plangebied met de directe omgeving besproken. In hoofdstuk 4 wordt de toetsing aan gebiedsbescherming beschreven en worden mogelijke effecten op beschermde gebieden beschreven. In hoofdstuk 5 is de toetsing aan de soortbescherming beschreven. In Hoofdstuk 6 worden de mogelijke effecten op beschermde soorten beschreven. In Hoofdstuk 7 worden mogelijke mitigerende maatregelen beschreven. Hoofdstuk 8 bevat de conclusies en aanbevelingen van de toetsingen.
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
2
Projectgerelateerd
2
Beknopt kader natuurwet- en regelgeving
De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en voegt de drie voorheen gebruikte natuurwetten (Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet) samen. Het uitgangspunt van de wet is de natuur te beschermen, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van biologische diversiteit zonder de lasten te verhogen. De uitwerking van de wet is vastgelegd in het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming (Staatsblad, 2016). De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (art 1.11) een drietal hoofdstukken die relevant zijn voor voorliggend voornemen. Hoofdstuk 2 van de Wnb gaat over de Natura 2000-gebieden en hoofdstuk 3 over soorten en hoofdstuk 4 over houtopstanden.
Wet natuurbescherming - Soortenbescherming
Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming behandelt de bescherming van soorten, de mogelijkheid om ontheffing te verlenen en dergelijke. Voor soorten van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing worden verleend op basis van de in deze richtlijnen genoemde belangen (bijvoorbeeld openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna). In de wet zijn in de bijlagen 160 soorten opgenomen, ten aanzien waarvan onder deze wet verbodsbepalingen zijn geformuleerd die ten gevolge van een plan of project niet overtreden mogen worden. Is een dergelijke overtreding toch onlosmakelijk verbonden met een voornemen, dient hiervoor een ontheffing te worden verkregen. Er wordt onderscheid gemaakt in internationaal beschermde soorten (Vogelrichtlijn art 3.1 en habitatrichtlijn in art 3.5) en nationaal beschermde soorten, ook wel overige soorten genoemd (in art 3.10). Internationaal beschermde soorten vallen onder het strengste beschermingsregime. Nationaal beschermde soorten genieten een minder strenge bescherming. Dit uit zich bijvoorbeeld in het feit dat voorwaardelijke opzettelijke verstoring van nationaal beschermde soorten niet meer verboden is. Voor nationaal beschermde soorten - ook wel: andere soorten - gelden de verbodsbepalingen op grond van art. 3.10 van de Wet natuurbescherming zoals vermeld in tabel 1.
Tabel 1: Soortenbescherming: overzicht verbodsartikelen Wet natuurbescherming voor flora en fauna. HR: Habitatrichtlijn. VR: Vogelrichtlijn. Nvt: Niet van toepassing. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Soorten Vogelrichtlijn artikel 3.1
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Soorten Habitatrichtlijn artikel 3.5
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Andere soorten artikel 3.10
Art. 3.1.1 Het is verboden opzettelijk van Art. 3.5.1 Het is verboden in het wild Art 3.10.1.a Onverminderd artikel 3.5, nature in Nederland in het wild levende vogels levende dieren HR IV soorten (Verdrag eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden in van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Bern en Bonn) in hun natuurlijk het wild levende dieren, genoemd in de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. verspreidingsgebied opzettelijk te doden of bijlage A, bij deze wet, opzettelijk te doden te vangen. of te vangen; Art. 3.1.2 Het is verboden opzettelijk nesten, Art. 3.5.4 Het is verboden de Art 3.10.1.b Onverminderd artikel 3.5, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, dieren als bedoeld in het eerste lid te de vaste voortplantingsplaatsen of of nesten van vogels weg te nemen. beschadigen of te vernielen. rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Art. 3.1.3 Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.
Art. 3.5 3 Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Art. 3.1.4 Het is verboden vogels als bedoeld Art. 3.5 2 Het is verboden dieren als in het eerste lid opzettelijk te storen. bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
20-1-2020
Nvt.
Nvt.
BG4559WATRP2012011308
3
Projectgerelateerd
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Soorten Vogelrichtlijn artikel 3.1
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Soorten Habitatrichtlijn artikel 3.5
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Andere soorten artikel 3.10
N.v.t.
Art. 3.5 5 Het is verboden planten HR (en Verdrag van Bern) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Art. 3.10.1.c. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden vaatplanten genoemd in de bijlage B in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art. 3.3 Ontheffing voorwaarden conform belangen VR
Art. 3.8 Ontheffing voorwaarden conform belangen HR
Art. 3.11 vrijstelling/ ontheffing op basis van diverse belangen
Art. 3.1.5 Het verbod onder 3.1.4 geldt niet als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Voor de ‘andere soorten’ van artikel 3.10 kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de vergunningplicht vaststellen door middel van een verordening. Provincie Noord-Holland heeft de provinciale verordening en vrijstelling vastgesteld. Voor ruimtelijke ingrepen geldt hierdoor een vrijstelling van de ontheffingsplicht voor een aantal meer algemeen voorkomende soorten.
Wet natuurbescherming - Gebiedsbescherming
Met het vervallen van de wettelijke bescherming van Beschermde of Staatsnatuurmonumenten ziet de Wet natuurbescherming voor wat betreft bescherming van gebieden uitsluitend op zogenoemde Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden bestaande uit Vogel- en Habitatrichtlijngebieden (respectievelijk richtlijn 79/409/EEG en 92/43/EEG). Dit netwerk vormt de hoeksteen van het Europese beleid voor behoud en herstel van biodiversiteit. Een Natura 2000-gebied en bijbehorende instandhoudingsdoelen worden vastgesteld door middel van een aanwijzingsbesluit, welke in tijd en ruimte worden uitgewerkt in een beheerplan. Samen vormen zij de juridische basis voor de Nederlandse gebiedsbescherming, waarbij de instandhoudingsdoelstellingen het gebied-specifieke toetsingskader vormen. De bescherming van Natura 2000 gebieden is in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming geregeld. Projecten die - gelet op de instandhoudingsdoelstellingen - de kwaliteit van habitats kunnen verslechteren, die een verstorend effect kunnen hebben op Natura 2000 gebieden of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen, mogen niet plaatsvinden zonder vergunning.
Voor de vergunning van een dergelijk project of het vaststellen van een plan, zoals een Provinciaal Inpassingsplan, dient een Passende Beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000gebied - rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen - te worden gemaakt (conform de artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van de Wet natuurbescherming).
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
4
Projectgerelateerd
Wet natuurbescherming - Houtopstanden
De voormalige boswet is grotendeels overgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Bij de kap van ten minste 10 are of meer dan 20 bomen is een kapmelding verplicht. De Wet natuurbescherming hanteert het principe van 1-op-1 compensatie, beter bekend als de herplantplicht. Dunningswerkzaamheden in het kader van natuurbeheer of boskap ten behoeve van realisatie van instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied zijn in beginsel vrijgesteld van herplantplicht, maar dienen wel gemeld te worden. Verder zijn bijvoorbeeld fruitboomgaarden, lijnvormige beplantingen van wilgen of populieren, kerstbomen en houtopstanden op erven en tuinen vrijgesteld van bescherming.
Natuurnetwerk Nederland
De provincie Noord-Holland zorgt binnen haar gebied voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend ecologisch netwerk, en vormt daarmee onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De provincie heeft daartoe gebieden aangewezen die tot dit netwerk behoren. Tevens wijst de provincie aan deze gebieden natuurdoelen met specifieke wezenlijke kenmerken en waarden toe. Gedeputeerde Staten kunnen gebieden gelegen buiten het NNN aanwijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken. Deze gebieden worden aangeduid als ‘’bijzondere provinciale natuurgebieden’’ en ‘’bijzondere provinciale landschappen’’. In geval van directe negatieve effecten op de aangewezen wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden die onder het NNN vallen, geldt een compensatieplicht
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
5
Projectgerelateerd
3
Plangebied en voorgenomen ingreep
3.1
Plangebied
Het plangebied betreft een groot gedeelte van de Vennewatersweg (Figuur 3-1). Het plangebied is ongeveer anderhalve kilometer lang en vormt de zuidelijke grens van het stedelijk gebied van Heiloo. Verder ten zuiden van het plangebied wordt de omgeving voornamelijk gekenmerkt door agrarisch gebied. De werkzaamheden vinden onder andere plaats aan de kruisingen met de Westerweg, de Hoogeweg en de Kennemerstraatweg (Figuur 3-1).
Figuur 3-1. Het plangebied de Vennewatersweg (rood omlijnd), gelegen aan de zuidrand van Heiloo.
Error! Reference source not found. geeft een impressie van de het meest westelijk deel van het plangebied, ter hoogte van de Lijnbaan. Langs de weg staan jonge iepen en de weg wordt aan weerszijden begrensd door een afwateringssloot. Het plangebied grenst hier aan een agrarisch grasland.
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
6
Projectgerelateerd
Figuur 3-2.Een impressie het meest westelijk deel van het plangebied, ter hoogte van de kruising met de Lijnbaan. Foto’s: Royal HaskoningDHV, 2019.
Error! Reference source not found. en Figuur 3-4 geven een impressie van het plangebied ter hoogte van de kruising met de Westerweg. Hier staat een houtwal op het perceel behorende bij de Westerweg 405. Deze houtwal wordt met de voorgenomen werkzaamheden gekapt en maakt daarom deel uit van het plangebied. De houtwal bestaat uit onder andere zomereik en els, met ondergroei van gewone liguster, gewone lijsterbes en klimop.
Figuur 3-3 Een impressie van het plangebied ter hoogte van de kruising met de Westerweg, gezien vanaf de Vennewatersweg. Foto’s: Royal HaskoningDHV, 2019. 20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
7
Projectgerelateerd
Figuur 3-4 Een impressie van het plangebied ter hoogte van de kruising met de Westerweg, gezien vanaf het perceel behorend bij de Westerweg 405. Foto’s: Royal HaskoningDHV, 2019.
Figuur 3-5 geeft een impressie van het plangebied ter hoogte van de kruising met de Hoogeweg. Hier staan voornamelijk jonge zomereiken.
Figuur 3-5. Een Impressie het meest deel van het plangebied, ter hoogte van de kruising met de Hoogeweg. Foto’s: Royal HaskoningDHV, 2019.
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
8
Projectgerelateerd
Figuur 3-6 geeft een impressie van het plangebied tussen de Hoogeweg en de Kennemerstraatweg. Hier staat ten zuiden van de Vennewatersweg weg een bomenrij bestaande uit populieren. Tussen de Vennewatersweg en de bomenrij ligt een afwateringssloot. Aan de noordkant van de Vennewatersweg ligt een kaal bouwterrein. Tussen het bouwterrein en de Vennewatersweg ligt tevens een afwateringssloot.
Figuur 3-6.Een Impressie het oostelijk deel van het plangebied, tussen de Hoogeweg en de Kennermerstraatweg . Foto’s: Royal HaskoningDHV, 2019.
Figuur 3-7 laat het meest oostelijk deel van het plangebied zien, bestaande uit een rotonde ter hoogte van de Kennemerstraatweg. Rondom de rotonde staan jonge en oudere bomenrijen, onder andere bestaande uit iep.
Figuur 3-7.Een Impressie het meest oostelijk deel van het plangebied, ter hoogte van de rotonde bij de Kennemerstraatweg . Foto’s: Royal HaskoningDHV, 2019.
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
9
Projectgerelateerd
3.2
Voorgenomen ingreep
De Vennewatersweg wordt gereconstrueerd om de autonome groei van verkeerstromen in Heiloo vlot en veilig te kunnen wikkelen. Dit gebeurt door het toevoegen van drie voorrangspleinen en door de weg zelf, inclusief de rotonde, te verbreden. Deze voorrangspleinen komen ter hoogte van de kruisingen met de Westerweg, de Hoogeweg, en net ten westen van de Kennemerstraatweg. Voor de betreffende werkzaamheden wordt een groot aantal bomen gekapt. Het betreft bomen rondom de eerder genoemde kruisingen, de populierenrij parallel aan de weg tussen de Hoogeweg en de Kennemerstraatweg en bomen rondom de rotonde in het meest oostelijk deel van het plangebied. De exacte locaties van de te kappen bomen zijn in rood weergegeven in Figuur 3-8 en Figuur 3-9.
Figuur 3-8 De te kappen bomen in het westelijk deel van het plangebied, te hoogte van de kruisingen met de Lijnbaan en de Westerweg.
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
10
Projectgerelateerd
Figuur 3-9 De te kappen bomen in het oostelijk deel van het plangebied, tussen te kruising met de Hoogeweg en de rotonde met de Kennemerstraatweg.
Daarnaast worden de afwateringssloten parallel aan het oostelijk deel van Vennewatersweg gedempt en worden er nieuwe afwateringssloten gegraven. Deze komen iets noordelijker te liggen dan de bestaande afwateringssloten. Over de gehele lengte van het plangebied worden hierdoor bermen aangetast of vergraven.
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
11
Projectgerelateerd
4
Gebiedsbescherming
4.1
Natura 2000
Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Figuur 4-1 laat in rood de ligging van het plangebied zien ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden (geel). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Noord-Hollands duinreservaat, dit ligt op circa 2 km afstand van het plangebied. Dit gebied is aangewezen als Habitatrichtlijngebied (HRL) en Vogelrichtlijngebied (VRL). Andere nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn Eilandspolder (HRL + VRL) op 10 km afstand, Noordzeekustzone (HRL + VRL) op 11 km afstand en Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (HRL + VRL) op 12 km afstand.
Figuur 4-1. Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden.
In de navolgende paragraaf is een korte gebiedsbeschrijving en een overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen voor het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied gegeven.
4.2
Noordhollands Duinreservaat
4.2.1
Gebiedsbeschrijving
Het Noordhollands Duinreservaat is een karakteristiek voorbeeld van een Nederlands duinlandschap, zoals dat in de loop der eeuwen ontstaan is als gevolg van een samenloop van geologische, geomorfologische en klimatologische omstandigheden en menselijk handelen.
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
12
Projectgerelateerd
Het is een biologisch, morfologisch, hydrologisch en landschappelijk geheel van duinen met natte en vochtige duinvalleien, duingraslanden, struwelen, bossen en ruigten. Het ligt op de overgang van de kalkrijke naar de kalkarme duinen. Het reservaat behoort in zijn algemeenheid tot de kalkrijke duinen; er is echter een verloop in kalkrijkdom te zien. Het meest noordelijke stuk, ten noorden van Bergen aan Zee, is, evenals het aangrenzende gebied Schoorlse duinen, kalkarm. De vegetatie weerspiegelt de kalkgehalten in de bodem: in het uiterst noordelijke deel komen kalkarme vegetaties met kraaiheide, kruipwilg, buntgras en dergelijke voor, ten zuiden van Bergen aan Zee overgaand in kalkrijke duingraslanden met duinsterretje en zeedorpenvegetaties, zoals bij Wijk aan Zee en Egmond aan Zee. Een aanzienlijk deel van het gebied is bebost met naaldbos en loofbos, die voor een deel zeer oud zijn.
4.2.2
Instandhoudingsdoelstellingen
Het Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat is aangewezen voor een aantal habitattypen en twee habitatsoorten. In de onderstaande Tabel 4-1 staan de instandhoudingsdoelstellingen van het Noordhollands Duinreservaat weergegeven. Tabel 4-1: Instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat Doelstelling
Natuurwaarden
Oppervlakte
Kwaliteit
Populatie
Habitattypen H2120
Witte duinen
>
>
H2130A
Grijze duinen (kalkrijk)
>
>
H2130B
Grijze duinen (kalkarm)
>
>
H2130C
Grijze duinen (heischraal)
>
>
H2140A
Duinheiden met kraaihei (vochtig)
=
>
H2140B
Duinheiden met kraaihei (droog)
=
=
H2150
Duinheiden met struikhei
=
=
H2160
Duindoornstruwelen
=
=
H21670
Kruipwilgstruwelen
=
=
H2180A
Duinbossen (droog)
=
=
H2180B
Duinbossen (vochtig)
=
>
H2180C
Duinbossen (binnenduinrand)
=
=
H2190A
Vochtige duinvalleien (open water)
>
>
H2190B
Vochtige duinvalleien (kalkrijk)
>
=
H2190C
Vochtige duinvalleien (ontkalkt)
=
=
H2190D
Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten)
>
>
H6410
Blauwgrasland
>
>
H7210
Galigaanmoerassen
=
=
H1014
Nauwe korfslak
=
=
=
H1042
Gevlekte witsnuitlibel
>
=
>
Habitatsoorten
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
13
Projectgerelateerd
Gezien de afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat kan op voorhand worden uitgesloten dat aangewezen habitattypen of habitatsoorten voorkomen binnen de grenzen van het plangebied.
4.3
Effectbeoordeling Natura 2000
In deze paragraaf worden de mogelijke effecten van de voorgenomen activiteiten beschreven op de instandhoudingsdoelstellingen (Natura 2000). Effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke en permanente effecten. Tijdelijke effecten treden alleen op tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Permanente effecten kunnen een gevolg zijn van de uitvoering van de werkzaamheden en daarnaast ook van gebruik van het gebied na afronding. Bij de uitvoering van het project worden diverse werkzaamheden uitgevoerd en machines en materieel ingezet. Tijdens de werkzaamheden kunnen de volgende storingsfactoren optreden: - geluidsproductie door materieel; - lichtuitstraling door materieel en bouwlampen; - optische effecten door rijdend materieel, beweging van materialen en mensen; - stikstofdepositie op verzurings- en/of vermestings-gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten; - vergraven van het terrein. Veel van deze factoren kunnen dieren belemmeren in het foerageren en rusten, wat nadelig is voor onder andere de energiebalans en de ongestoorde voortplanting. Daarnaast kan de afschrikkende werking ertoe leiden dat verblijfplaatsen worden verlaten of juist niet worden bereikt. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld eieren onvoldoende bebroed worden of jongen onvoldoende gevoed of beschermd worden en daardoor sterven.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het Noordhollands Duinreservaat. Dit Natura 2000-gebied ligt op circa 2 km afstand van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand van het plangebied. De verstoringsfactoren, uitgezonderd stikstofdepositie, reiken gezien de ruime afstand van de projectlocatie tot Natura 2000-gebieden en tussenliggende elementen als bebouwing minder ver waardoor effecten zijn uit te sluiten. De inzet van gemotoriseerd materieel tijdens de werkzaamheden aan de Vennewatersweg leiden tot een beperkte en tijdelijke toename van stikstofdepositie. Het is niet op voorhand uit te sluiten dat er sprake is van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Tijdens de gebruiksfase is er tevens mogelijk sprake van extra stikstofemissie, gezien de aantrekkende werking van de wegverbreding op verkeer. Er wordt geadviseerd om voor de vergunningsaanvraag een AERIUS-berekening uit te voeren om te bepalen of effecten als gevolg van stikstofemissie in de uitvoeringsfase zijn uit te sluiten.
4.4
Conclusie
Mogelijk leiden de werkzaamheden zowel in de uitvoeringsfase als in de gebruiksfase tot stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen. Een AERIUS-berekening moet uitwijzen of er sprake is van een vergunningplicht in het kader van de Wnb.
4.5
Natuurnetwerk Nederland
Figuur 4-2 laat in rood de ligging van het plangebied zien ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Zoals af te leiden uit de figuur maakt het plangebied geen deel uit van het NNN en ligt deze ook niet
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
14
Projectgerelateerd
in de directe nabijheid van het NNN. Er is daarom geen sprake van negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden die onder het NNN vallen. Er is geen sprake van compensatieplicht.
Figuur 4-2. Ligging van het plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (NNN).
4.6
Houtopstanden
Omdat het plangebied binnen de bebouwde kom van Heiloo ligt, vallen de te kappen bomen niet onder Hoofdstuk 4 van de Wnb. Hierdoor is er geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van houtopstanden. In de gemeente Heiloo is alleen een kapvergunning nodig voor bomen die op de lijst monumentale en beeldbepalende bomen in Heiloo staan. Op deze lijst staan bomen die op openbare grond staan, maar ook bomen van particulieren. De bomen binnen het plangebied staan niet op de lijst monumentale en beeldbepalende bomen 3. Hierdoor is ook geen kapvergunning nodig.
3
Gemeente Heiloo: https://www.heiloo.nl/aanvragen-en-regelen/omgevingsvergunning/, geraadpleegd 25-11-2019
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
15
Projectgerelateerd
5
Beschermde soorten
5.1
Vaatplanten
Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in de omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend zijn van beschermde vaatplanten. Ook tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten waargenomen. Vrijwel alle beschermde vaatplanten zijn gebonden aan natuurgebieden, schrale gronden of extensief beheerde gronden. Dergelijk habitat is niet aanwezig in het plangebied, waardoor beschermde vaatplanten kunnen worden uitgesloten in het plangebied. Conclusie: In het plangebied zijn beschermde vaatplanten afwezig. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van vaatplanten kan daarom worden uitgesloten
5.2
Grondgebonden zoogdieren
Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten beschermde grondgebonden zoogdieren. Het gaat om waarnemingen van twee soorten kleine marterachtigen: bunzing en hermelijn. Daarnaast behoort het plangebied ook tot het verspreidingsgebied van de wezel 4 en van de boommarter. Verder kunnen binnen en in de omgeving van het plangebied algemene grondgebonden zoogdieren voorkomen zoals egel, haas, konijn, verschillende muizensoorten en vos. Voor deze algemene soorten geldt een vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen op basis van de ‘Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland (ruimtelijke ingrepen)’ 5. Voor de soorten die onder deze verordening vallen (zie bijlage 2.) is slechts de algemene zorgplicht van toepassing bij ruimtelijke ingrepen. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde of algemene grondgebonden zoogdieren waargenomen. Kleine marterachtigen De bunzing komt in allerlei landschapstypen voor. Het dier lijkt echter een voorkeur te hebben voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. Ook in een bebouwde omgeving met veel groen kan de bunzing voorkomen, evenals in open bossen 6. In de winter wordt de bunzing ook wel in schuurtjes, kelders of hooizolders aangetroffen 7 aangezien deze locaties goede beschutting bieden tegen de kou.
De wezel heeft een voorkeur voor open en droog natuur- en cultuurlandschap, maar komt tevens voor in allerlei andere soorten habitat zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. 8 De hermelijn komt ook in allerlei soorten habitat voor zoals akkers, bossen, duinen, houtwallen en vochtig terrein. Voor alle drie de soorten kleine marters geldt dat goede schuilmogelijkheden met voldoende rust en de aanwezigheid van geschikt voedsel (met name woelmuizen) een vereiste is voor het voorkomen.
4
Verspreidingsatlas Zoogdieren: https://www.verspreidingsatlas.nl/8496151, geraadpleegd 3-12-2019
5
Provincie Noord-Holland: https://www.noord-holland.nl/Onderwerpen/Natuur/Natuurbescherming/Verordeningen, geraadpleegd 212-2019 6 Pertoldi, C., Breyne, P., Cabria, M. T., Halfmaerten, D., Jansman, H. A. H., Van Den Berge, K., ... & Loeschcke, V. (2006). Genetic structure of the European polecat (Mustela putorius) and its implication for conservation strategies. Journal of Zoology, 270(1), 102115. 7 Birks, J. D. S. (1998). Secondary rodenticide poisoning risk arising from winter farmyard use by the European polecat Mustela putorius. Biological conservation, 85(3), 233-240. 8 https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/wezel, geraadpleegd op 17 oktober 2019 20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
16
Projectgerelateerd
In het meest westelijk en meest oostelijk deel van het plangebied, ter hoogte van de Lijnbaan en ter hoogte van de rotonde met de Kennemerstraatweg ontbreken geschikte landschappelijke elementen voor kleine marters om veilig langs te bewegen (Figuur 3-2). Het plangebied biedt daar geen geschikt jachtgebied, schuilgelegenheid of verblijfplaatsen voor bovengenoemde kleine marterachtigen. Het stukje houtwal aangrenzend aan de noordzijde van rotonde en de bomenrij tussen de Hoogeweg en de rotonde (Figuur 3-9), bieden dat wel. Deze vormen dichte lijnvormige elementen waarlangs de dieren zich zouden kunnen verplaatsen. Hier is sprake van relatief veel verstoring in de vorm van geluid (verkeer) en aanwezigheid van mensen. Vaste verblijfplaatsen van kleine marters worden daar dan ook uitgesloten. De houtwal en bomenrij in het oostelijk deel van het plangebied vormen daarom hooguit marginaal foerageergebied. De houtwal in het perceel aan de Westerweg 405, in het westen van het plangebied, is geschikt vanwege de dichtheid van de ondergroei, in afwisseling met een open kruidenweide (zonder verstoring van mensen); een element waar kleine marters in en rondom kunnen jagen en zich mogelijk schuil kunnen houden.
Buiten de houtwal, die onderdeel uitmaakt van het plangebied, zijn er rondom het perceel takkenrillen aangelegd, welke het perceel goed verbinden met het achterliggende agrarisch landschap. In dit deel van het plangebied en de directe omgeving daarvan kan aanwezigheid van wezel, hermelijn en bunzing in (de omgeving van) daarom niet worden uitgesloten.
Figuur 5-1 Takkenrillen aan de zuid- en westzijde van het perceel aan de Westerweg 405, geschikt als leefgebied van kleine marters.
Boommarter De boommarter leeft bij voorkeur in bossen. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottigsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan 9. De verspreiding van de boommarter is in Noord-Holland vooral gebonden aan de duinen en dan specifiek aan duinbossen 10 . Vanwege de afstand van het plangebied tot duinbos en het ontbreken van bos en voldoende dekking biedende structuren tussen de duinen en het plangebied, wordt het plangebied uitgesloten als geschikt leefgebied van de soort.
9
Zoogdiervereniging: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/boommarter, geraadpleegd 11-12-2019 NDFF: https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul#0, geraadpleegd 13-12-2019
10
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
17
Projectgerelateerd
Conclusie: De houtwal en bomenrij in het oosten van het plangebied vormen potentieel marginaal foerageergebied voor kleine marterachtigen. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen in dit deel van het plangebied is uitgesloten. De houtwal aan de Westerweg 405, in het westen van het plangebied vormt geschikt foerageergebied en daarnaast zijn er daar mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van verschillende soorten kleine marters aanwezig.
5.3
Vleermuizen
Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in of in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten beschermde vleermuizen. Het gaat om gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en kleine dwergvleermuis. Van deze soorten hebben rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis verblijfplaatsen in bomen. De overige soorten hebben hun verblijfplaats over het algemeen in gebouwen (hoewel de gewone dwergvleermuis sporadisch ook een verblijfplaats in bomen heeft). Verblijfplaatsen Het plangebied omvat geen gebouwen waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten kan worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn de bomen, waarvan op dat moment bekend was dat die op de nominatie staan om gekapt te worden (ze Figuur 3-8 en Figuur 3-9), gecontroleerd op geschikte holtes. De bomen in het meest westelijk deel van het plangebied, ter hoogte van de Lijnbaan en de bomen in het meest oostelijk deel van het plangebied, direct rondom de rotonde, zijn relatief jong en in goede conditie. Dit geldt ook voor het groepje jonge zomereiken ten westen van de Hoogeweg. Deze bomen bevatten dan ook geen geschikte holtes. De aanwezigheid van geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen in deze bomen wordt dan ook uitgesloten.
In de populieren parallel aan de Vennewatersweg en de houtwal aan de Westerweg 405 is de aanwezigheid van boomholten die mogelijk geschikt zijn als verblijfplaats van rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis niet uitgesloten. Vliegroutes In en in de omgeving van het plangebied zijn lijnvormige elementen aanwezig. Vleermuizen gebruiken vaak lijnvormige elementen als vliegroute van een verblijfplaats naar een foerageergebied en andersom. De te kappen populierenrij in het oosten van het plangebied is het grootste aaneengeschakelde element binnen het plangebied. Indien vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn in deze populieren, is deze niet uit te sluiten als vleermuisvliegroute. Ook de houtwal rondom de kruidenwei aan de Westerweg 405 vormt een lijnvormig element waardoor deze mogelijk kan fungeren als vliegroute. Parallel aan de houtwal zijn er zuidelijker echter diverse andere bomenrijen en houtwallen aanwezig, waardoor hier geen sprake is van een essentiële vliegroute. Foerageergebied Er is potentieel vleermuis foerageergebied aanwezig aan de rand van het plangebied. In het westelijk deel van het plangebied vormt het perceel aan de Westerweg 405 vanwege de aanwezige kruidenweide geschikt foerageergebied. De kruidenweide is geheel omgeven door opgaande beplanting. Hierdoor is er sprake van windluwe en relatief donkere omstandigheden in de kruidenweide.
De kruidenweide vormt daarmee mogelijk zeer geschikt en wellicht zelfs essentieel foerageergebied.
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
18
Projectgerelateerd
Conclusie: In het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen aanwezig. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zijn uit te sluiten binnen het plangebied. Daarnaast zijn er lijnvormige elementen aanwezig binnen het plangebied welke een potentiële functie hebben als vliegroute voor vleermuizen. Als laatst vormt de rand van het plangebied potentieel foerageergebied voor vleermuizen.
5.4
Broedvogels
Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in of in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten broedvogels met zowel jaarrond als niet-jaarrond beschermde nesten. Soorten broedvogels met jaarrond beschermde nesten waarvan in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn, zijn: buizerd, gierzwaluw en huismus. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van jaarrond beschermde vogels waargenomen. Binnen het plangebied zijn gebouwen afwezig. Hierdoor is de aanwezigheid van nestlocaties van huismus en gierzwaluw uitgesloten. De hoge populierenrij in het oosten van het plangebied, parallel aan de Vennewatersweg, heeft potentie als broedlocatie van de buizerd. Tijdens het veldbezoek zijn echter in het gehele plangebied geen horsten of grote nesten waargenomen. Jaarrond beschermde nesten kunnen daar daarom worden uitgesloten. Broedvogels met jaarrond beschermde nesten worden daarom ook niet verwacht in het plangebied. Wel kunnen er broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten worden verwacht binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn vele algemene vogelsoorten zonder jaarrond beschermde nesten waargenomen zoals: houtduif, koolmees, groene specht, zwarte kraai, gaai en roodborst. Conclusie: In het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn jaarrond beschermde nesten afwezig.
Hierdoor kan een overtreding van de Wnb ten aanzien van jaarrond beschermde nesten worden uitgesloten. Nesten van algemeen voorkomende soorten zijn niet uitgesloten binnen het plangebied.
5.5
Amfibieën
Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van de beschermde amfibieën. Het betreft de boomkikker en rugstreeppad. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde amfibieën waargenomen. Rugstreeppad De rugstreeppad is een soort van open zandige locaties en/of gebieden met veel ondiep water, zoals poelen, greppels en poldersloten. De braakliggende bouwterreinen aan de noordrand van plangebied (tussen de Hoogeweg en de Kennemerstraatweg), zijn daarom niet is uit te sluiten als geschikt landhabitat. Rugstreeppadden kunnen daarnaast snel nieuwe gebieden koloniseren als hier geschikte condities ontstaan. Gezien ze zich voortplanten in ondiepe snel opwarmende wateren, die bijvoorbeeld in rijsporen kunnen ontstaan 11, kan dit het geval zijn tijdens de werkzaamheden. Boomkikker De boomkikker is in 2010 eenmaal waargenomen in de directe omgeving van het plangebied. De soort komt voor in bossen en in struweel en wordt dan voornamelijk waargenomen in braamstruwelen. Daarnaast wordt de boomkikker waargenomen in het agrarisch gebied (halfopen, kleinschalige cultuurlandschappen), de duinen (Zeeuws-Vlaanderen) en randen van heideterreinen. De boomkikker mijdt de stedelijke omgeving 11
Bij12: Kennisdocument Rugstreeppad: https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-017-Kennisdocument-Rugstreeppad-1.0.pdf, geraadpleegt 3-12-2019 20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
19
Projectgerelateerd
en hoogvenen 12. De boomkikker plant zich voort in visvrije, zonnig gelegen en matig voedselrijke wateren met een goed ontwikkelde oever- en watervegetatie 13. Het plangebied behoort vanwege het ontbreken van zowel geschikt landhabitat als geschikt voorplatingswater niet tot het natuurlijk verspreidingsgebied van de boomkikker. De waarnemingen van de soort die in Noord-Holland worden gedaan betreffen dan ook uitgezette dieren 14. Vanwege het ontbreken van geschikte leefgebied kan dan ook worden uitgesloten dat waargenomen dieren onderdeel uitmaken van een grotere populatie, waarvan individuen zouden kunnen voorkomen binnen het plangebied. Conclusie: In het plangebied is mogelijk landhabitat en voortplantingswater van de rugstreeppad aanwezig. Andere beschermde amfibieën zijn afwezig binnen het plangebied.
5.6
Reptielen
Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in of in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van de ringslang. Deze soort is tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Ringslang De ringslang is een watergebonden slang en wordt vaak zonnend aangetroffen op dijkjes in de buurt van water. De soort komt veelal voor in waterrijke habitat op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. 15 In het plangebied zelf is vanwege een gebrek aan flauwe, ruig begroeide oevers en plekken om te zonnen geen geschikt leefgebied aanwezig voor ringslang. Het plangebied ligt daarnaast te ver van geschikte natte gebieden zoals bijvoorbeeld De Poel bij Wormer. De ringslang wordt daarom niet binnen het plangebied verwacht. Conclusie: In het plangebied zijn beschermde reptielen afwezig. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van reptielen kan daarom worden uitgesloten.
5.7
Vissen
De NDFF bevat geen waarnemingen van beschermde vissoorten binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Beschermde vissen worden op basis van verspreidingsgegevens en habitatgeschiktheid ook niet verwacht. Er is in Nederland maar een beperkt aantal vissoorten beschermd. Deze zijn afhankelijk van specifieke habitats als grote rivieren, stenige en stromende beekjes, of verladende sloten. Dergelijk habitats zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Conclusie: In het plangebied zijn beschermde vissoorten afwezig. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van vissen kan worden uitgesloten.
12
Natuurtijdschriften:http://natuurtijdschriften.nl/download?type=document&docid=587443, geraadpleegd 25-11-2019 Ravon: https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/boomkikker, geraadpleegd 25-11-2019 14 Ravon Verspreidingsatlas: https://www.verspreidingsatlas.nl/A241#, geraadpleegd 3-12-2019 15 https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/ringslang, geraadpleegd op 17 mei 2019 13
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
20
Projectgerelateerd
5.8
Ongewervelden
Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF komen geen waarneming naar voren van beschermde ongewervelden in en in de directe omgeving het plangebied. Wel behoort het plangebied tot het verspreidingsgebied van de platte schijfhoren 16. Platte schijfhoren De platte schijfhoren komt voor in zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing. Vaak in draadalg-vegetaties maar ook in andere vegetaties, zoals in wateren met krabbescheer. Daarnaast komt de platte schijfhoren soms voor op de wortels van o.a. lisdodde en vergelijkbare oevergebonden planten. De soort leeft niet in verontreinigd of brak water 17. De watergangen in het plangebied voldoen niet aan deze beschrijving en zijn daardoor ongeschikt als leefgebied van de platte schijfhoren, de soort wordt dan ook niet verwacht binnen het plangebied. Op basis van de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied, bestaande uit grassige bermen en afwezigheid van geschikte waardplanten, vennen en poelen, kan het voorkomen van strenger beschermde dagvlinders, libellen en overige ongewervelden verder uitgesloten worden. Conclusie: Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van ongewervelden kan daarom worden uitgesloten.
5.9
Samenvatting
In onderstaande tabel (Tabel 5-1. Mogelijk aanwezige soorten in het plangebied.) is weergegeven welke beschermde soorten mogelijk voorkomen in het plangebied. Daarnaast is weergegeven welke functie het plangebied mogelijk heeft voor deze soorten en tot welke beschermingscategorie ze behoren. Tabel 5-1. Mogelijk aanwezige soorten in het plangebied. Soortgroep
Mogelijk voorkomende soorten
Functie van plangebied
Bescherming onder Wnb
Vaatplanten
n.v.t.
Grondgebonden zoogdieren
bunzing, hermelijn en wezel
(marginaal) foerageergebied en vaste rust en verblijfplaatsen
Artikel 3.10
Vleermuizen
Gewone dwergvleermuis laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en kleine dwergvleermuis
foerageergebied, vaste rust- en verblijfplaatsen en vliegroutes
Artikel 3.5
Broedvogels
o.a. houtduif, koolmees, groene specht, zwarte kraai, gaai en roodborst
nesten (niet-jaarrond beschermd)
Artikel 3.1
Amfibieën
Rugstreeppad
Landhabitat en voortplantingswater
Artikel 3.5
Reptielen
n.v.t.
Vissen
n.v.t.
Ongewervelden
n.v.t.
16
Verspreidings atlast: https://www.verspreidingsatlas.nl/S64600#, geraadpleegd 25-11-2019 Stichting Annemoon: https://www.anemoon.org/flora-en-fauna/soorteninformatie/soorten/id/826/platte-schijfhoren, geraadpleegd 25-11-2019 17
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
21
Projectgerelateerd
6
Effectbeschrijving – en beoordeling
In dit hoofdstuk worden de mogelijke effecten van de voorgenomen activiteiten beschreven op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke en permanente effecten. Tijdelijke effecten treden alleen op tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Permanente effecten kunnen een gevolg zijn van de uitvoering van de werkzaamheden en daarnaast ook van gebruik van het gebied na afronding. Tijdelijke effecten Bij de uitvoering van het project worden diverse werkzaamheden uitgevoerd waarbij materieel wordt ingezet. Tijdens de werkzaamheden kunnen de volgende storingsfactoren optreden in het plangebied: - Geluidseffecten door materieel; - Lichtuitstraling door materieel en bouwlampen; - Optische effecten door rijdend materieel, beweging van materialen en mensen; - Trillingen door rijdend materieel en beweging van materialen. Veel van deze factoren kunnen dieren belemmeren in het foerageren en rusten, wat nadelig is voor onder andere de energiebalans en de ongestoorde voortplanting. Daarnaast kan de afschrikkende werking ertoe leiden dat verblijfplaatsen worden verlaten of juist niet worden bereikt. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld eieren onvoldoende bebroed worden of jongen onvoldoende gevoed of beschermd worden en daardoor sterven. Ook kunnen dieren worden gedood tijdens de werkzaamheden.
Permanente effecten Met de verbreding van de weg is het noodzakelijk dat er bomen gekapt worden. Er is hierdoor sprake van een afname van broedgebied van in bomen broedende soorten zoals bijvoorbeeld houtduif en zwarte kraai. Daarnaast kan de kap leiden tot een afname van foerageergebied van vleermuizen en leefgebied van kleine marterachtigen. Verlies van broedbiotoop is, voor vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond is beschermd, geen overtreding van de Wnb, mits dit buiten het broedseizoen gebeurt.
6.1
Kleine marterachtingen
Tijdelijke effecten Met de inzet van zwaar materieel en verlichting en de daarmee gepaard gaande effecten (trillingen, geluids- en lichtproductie) kunnen verblijfplaatsen van kleine marterachtigen in de directe omgeving van het plangebied worden verstoord. Indien de verstoring van langere duur is, kan dit leiden tot het (tijdelijk) verlaten van verblijfplaatsen. Daarmee is in principe sprake van het aantasten van een verblijfplaats. Dit is een overtreding van art 3.10, lid 1b van de Wet natuurbescherming. Permanente effecten Met het verwijderen van de houtwal op het perceel aan de Westerweg 405 kunnen verblijfplaatsen van kleine marterachtigen worden vernietigd. Daarnaast kunnen in de voortplantingsperiode jonge dieren worden gedood bij het vernietigen van de verblijfplaats. Werkzaamheden in deze periode kunnen daarom leiden tot overtreding van art 3.10, lid 1a en b van de Wet natuurbescherming. Conclusie Met de voorgenomen werkzaamheden is mogelijk sprake van het aantasten en vernietigen van verblijfplaatsen van kleine marterachtigen. Daarnaast kunnen de werkzaamheden leiden tot het doden van kleine marterachtigen. Hiermee is sprake van een mogelijke overtreding van art. 3.10, lid 1a en b.
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
22
Projectgerelateerd
6.2
Vleermuizen
Tijdelijke effecten De effecten van de werkzaamheden zijn afhankelijk van het moment van uitvoering (periode in het jaar en op de dag). Wanneer de werkzaamheden ’s nachts worden uitgevoerd in het vleermuisactieve seizoen (grofweg april t/m oktober) en daarbij kunstverlichting wordt toegepast, is verstoring van langsvliegende en foeragerende vleermuizen niet uit te sluiten. Dit is een overtreding van art. 3.5, lid 2. Permanente effecten Met de voorgenomen werkzaamheden worden diverse bomen gekapt. Het is niet uitgesloten dat hiermee vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten verloren gaan. Daarnaast kan de kap van de houtwal aan de Westerweg 405 leiden tot aantasting van een vaste vliegroute en aantasting van essentieel foerageergebied. De kap van de bomen aan de noord- en oostzijde van de kruidenweide leidt tot het verloren gaan van de relatief donkere en windluwe situatie. Dit is een overtreding van art. 3.5, lid 4 van de Wnb. Met de kap kunnen ook dieren worden gedood, waardoor mogelijk sprake is van overtreding van art. 3.5, lid 1 en 2. Conclusie Met de werkzaamheden is mogelijk sprake van verstoring van langsvliegende en foeragerende vleermuizen. Ook kan de kap van de bomen leiden tot aantasting of vernietiging van vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende soorten, vliegroutes en essentieel foerageergebied.
Daarnaast is mogelijk ook sprake van het doden van dieren. De werkzaamheden leiden daardoor potentieel tot overtreding van art. 3.5 lid 1, 2 en 4.
6.3
Algemene broedvogels
Tijdelijk Wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd in het broedseizoen kunnen broedende vogels in de directe omgeving worden verstoord. Wanneer soorten het nest verlaten, geldt dit als het opzettelijk vernietigen of beschadigen van nesten en eieren van vogels. Dit is een overtreding van artikel 3.1, lid 1,2 en 4, van de Wnb. Het broedseizoen valt voor de meeste soorten tussen half maart en half augustus. Ook daarbuiten is het mogelijk dat broedende vogels worden aangetroffen. Permanent Met de kap van de bomen gaat er permanent broedbiotoop voor diverse in struwelen en bomen broedende vogelsoorten verloren. In de directe omgeving is echter voldoende alternatief vergelijkbaar broedbiotoop aanwezig waardoor dit niet leidt tot negatieve effecten op de aanwezige vogelsoorten. Conclusie De werkzaamheden kunnen leiden tot verstoring van broedende vogels, vernietiging en beschadiging van nesten en het doden van individuen. Hiermee is sprake van een overtreding van artikel art. 3.1 lid 1,2 en 4).
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
23
Projectgerelateerd
6.4
Amfibieën
Tijdelijke effecten Met de inzet van zwaar materieel en de daarmee gepaard gaande verstoring (licht, trillingen, geluid) is verstoring van de rugstreeppad niet uit te sluiten. Daarnaast kunnen bij de aanlegwerkzaamheden dieren worden gedood. Het verstoren of doden van individuen van de rugstreeppad is een overtreding van art. 3.5, lid 1 en 2 van de Wnb. Permanente effecten Met de aanleg van de voorrangspleinen en de verbreding van de weg wordt potentieel overwinteringsgebied van de rugstreeppad vergraven. Hiermee is sprake van een overtreding van art. 3.5, lid 4 van de Wnb. Conclusie De werkzaamheden kunnen leiden tot verstoring en doding van individuen en tot het vernietigen van voortplantingswater en overwintergebied. Hiermee is sprake van een overtreding van artikel art. 3.5 lid 1,2 en 4 van de Wnb
6.5
Samenvatting
Tabel 6-1 geeft weer voor welke beschermde soort(groep)en het te verwachten is dat negatieve effecten zullen optreden. Tabel 6-1. Mogelijke effecten op beschermde soorten in het plangebied. Soortgroep
Mogelijk voorkomende soorten
Grondgebonden zoogdieren
Tijdelijke effecten
Permanente effecten
Overtreding Wnb
Wezel, hermelijn, bunzing
Vernietigen verblijfplaatsen en doden individuen
Art 3.10, lid 1a en b
Vleermuizen
Gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en kleine dwergvleermuis
Vernietigen verblijfplaatsen, vliegroute en essentieel foerageergebied en het doden van individuen
Art. 3.5, lid 1, 2 en 4
Broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten
o.a. houtduif, koolmees, groene specht, zwarte kraai, gaai en roodborst
Vernietigen nesten en doden van individuen
Art. 3.1, lid 1 en 2 en 4
Amfibieën
Rugstreeppad
Vernietigen landhabitat en voortplantingswater en doden van individuen
Art. 3.5, lid 1, 2 en 4
20-1-2020
Verstoring van individuen
Verstoren van individuen
BG4559WATRP2012011308
24
Projectgerelateerd
7
Mitigerende maatregelen
In dit hoofdstuk worden schadebeperkende maatregelen voorgesteld voor soorten waar (mogelijk) negatieve effecten op te verwachten zijn. Daarnaast wordt beschreven of aanvullend onderzoek noodzakelijk is en in welke vorm dit dient te gebeuren.
7.1
Algemene zorgplicht
Voor alle soorten geldt de algemene zorgplicht. Onderstaand wordt een aantal maatregelen beschreven om aan de algemene zorgplicht te voldoen: • De werkzaamheden worden bij voorkeur alleen overdag, tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd. Veel algemene en beschermde diersoorten zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht; • Er wordt één richting opgewerkt, zodat kleine (zoog)dieren van de werkzaamheden vandaan kunnen vluchten. Houd hierbij rekening met vluchtwegen (werk dus niet richting een doodlopende hoek) en zorg dat de dieren voldoende vrije ruimte hebben; • Voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden kan een ecoloog het plangebied nalopen en eventueel aanwezige (niet-beschermde) amfibieën en grondgebonden zoogdieren oppakken of verjagen naar omringend geschikt terrein. • De aannemer maakt enkel gebruik van de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden, en ontziet daarbij plaatsen met begroeiing en/of beplanting zoveel mogelijk. Zo wordt onnodige verstoring van dieren en planten voorkomen; • Wanneer de werkzaamheden gedurende langere tijd stilliggen, dient het terrein vóór herstart van de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een erkend ecoloog.
7.2
Grondgebonden zoogdieren
Om te voorkomen dat kleine marterachtigen worden gedood, dient: - Buiten de kwetsbare voortplantingsperiode te worden gekapt. Deze kwetsbare voortplantingsperiode loopt vanaf 15 maart tot september. Er zijn geen maatregelen te treffen om de aantasting van eventueel aanwezige voortplantings- en/of rustplaatsen van kleine marterachtigen te voorkomen. Een nader onderzoek moet uitwijzen of deze daadwerkelijk aanwezig zijn in het plangebied.
7.3
Vleermuizen
Om het verstoren van foeragerende of migrerende vleermuizen te voorkomen zijn de volgende maatregelen nodig: • Werken buiten het actieve seizoen van vleermuizen, dus buiten de periode van maart t/m oktober. • De aanleg- en kapwerkzaamheden bij daglicht uit te voeren van zonsopkomst tot zonsondergang. • geen onnodige bouwverlichting laten branden op werk- en opstelplaatsen gedurende de nacht; Indien er toch ’s nachts gewerkt dient te worden: • aangepaste verlichting gebruiken die gericht is op de bouwplaats en niet op het omringende landschap; Om het vernietigen van mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen in de te kappen houtwal aan de Westerweg 405 en de te kappen populierenrij in het oostelijk deel van het plangebied (en overtreding van verbodsartikelen van de Wnb) te voorkomen zijn maatregelen nodig: • Deze bomen dienen voorafgaand geïnspecteerd te worden op aanwezigheid van holtes. • Indien mogelijk, de bomen met holten sparen.
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
25
Projectgerelateerd
•
Als de kap van de bomen met holtes niet voorkomen kan worden, kan overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb niet worden uitgesloten. Nader onderzoek is nodig om de functie van de holte als verblijfplaats aan te tonen of uit te sluiten.
Voor het vernietigen van mogelijke vliegroutes van vleermuizen zijn geen mitigerende maatregelen te treffen. Een nader onderzoek moet uitwijzen of er daadwerkelijk vaste vliegroutes in het plangebied aanwezig zijn. Voor het vernietigen van mogelijk essentieel foerageergebied zijn tevens geen mitigerende maatregelen te treffen. Een naderonderzoek naar moet uitwijzen of er daadwerkelijk essentieel foerageergebied binnen het plangebied aanwezig is.
7.4
Broedvogels
Ontheffing voor vernietiging van broedgevallen wordt in principe niet verleend, waardoor het voorkomen van (langdurige) verstoring of vernietiging van broedgevallen noodzakelijk is. Het verstoren en vernietigen van broedgevallen van vogels zonder jaarrond beschermde nesten is te voorkomen door: • Buiten het broedseizoen te werken, of; • Te zorgen dat buiten de verstoringsafstand van de broedgevallen gewerkt wordt, en/of; • Voorafgaand aan het broedseizoen de broedbiotoop voor vogels ongeschikt te maken (bijvoorbeeld struiken en bomen rooien) en (gedurende het broedseizoen) te houden, en/of; • De werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen te laten beginnen en in een, voor zover mogelijk, constante intensiteit te laten doorgaan gedurende het broedseizoen. Het grote voordeel van deze methode is, dat de verstoringsafstand “automatisch” bepaald wordt: vogels zullen uit eigen beweging een nestplaats kiezen buiten hun specifieke verstoringsafstand. Nadeel is dat de constante intensiteit (zowel in tijd als in ruimte) lastig te realiseren is. • Te kappen bomen en struiken buiten het broedseizoen te rooien. Veel methoden om tijdens het broedseizoen door te kunnen werken zijn niet “waterdicht”; het is vaak niet te garanderen dat broedgevallen niet zullen optreden.
Buiten het broedseizoen werken heeft dan ook de voorkeur om overtreding van de Wnb ten aanzien van broedvogels te voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om bovengenoemde maatregelen te treffen en het terrein kort voor aanvang van de werkzaamheden door een ecoloog te laten inspecteren op aanwezigheid van broedende vogels.
7.5
Amfibieën
Het verstoren en doden van individuen en van de rugstreeppad is te voorkomen door: • Het plangebied ontoegankelijk maken voor rugstreeppadden door het gebied waar de werkzaamheden plaats gaan vinden uit te rasteren. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. Voor het aantasten van overwinteringsgebied en voorplantingswater zijn geen mitigerende maatregelen te treffen. Een nader onderzoek moet uitwijzen of er daadwerkelijk rugstreeppadden in het plangebied aanwezig zijn.
20-1-2020
BG4559WATRP2012011308
26
Projectgerelateerd
8
Conclusies en vervolgstappen
8.1
Beschermde soorten
De houtwal aan de Westerweg 405 heeft mogelijk leefgebiedsfunctie voor beschermde kleine marterachtigen. Daarnaast heeft de houtwal, net als de populierenrij in het oostelijk deel van het plangebied mogelijk functies voor beschermde vleermuizen (verblijfplaatsen, foerageergebied, vliegroute). In de bomen over gehele lengte van het plangebied kunnen nesten aanwezig zijn van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten. Daarnaast is er mogelijk overwinteringshabitat van de rugstreeppad aanwezig in het plangebied. Door het nemen van de mitigerende maatregelen, zoals genoemd in hoofdstuk 7, wordt overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming voor broedvogels voorkomen. Voorgenoemde maatregelen dienen altijd door (of ten minste onder begeleiding van) een ecologisch deskundige te worden uitgevoerd. Hiervoor dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. Dit ecologisch werkprotocol dient tijdens de werkzaamheden op locatie aanwezig te zijn en te worden nageleefd. Voor vleermuizen, kleine marterachtigen en de rugstreeppad kan een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming niet zonder meer worden voorkomen. De geplande werkzaamheden kunnen in potentie leiden tot de vernietiging van vaste rust- en verblijfplaatsen of tot doding van individuen.