Raadhuisweg10_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 8 Natuuronderzoek.pdf
Tekst van het document
Rapport Projectnummer: Projectnummer Referentienummer: Rapport Verkennend natuuronderzoek Raadhuisweg, Heiloo Datum: 02-12-2020
Verkennend natuuronderzoek Raadhuisweg 10 en 11 in Heiloo Een orienterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Concept
Opdrachtgever: Pro6 Vastgoed Adres Postcode WOONPLAATS
Sweco Robijnstraat 11 1812 RB Alkmaar Postbus 214 1800 AE Alkmaar
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Gebiedsadvies Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Maikell Verkade Adviseur ecologie M +31 6 53 82 35 19
Verantwoording Titel
Verkennend natuuronderzoek Raadhuisweg 10 en 11 in Heiloo
Subtitel
Een orienterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Projectnummer
Projectnummer
Referentienummer
Rapport Verkennend natuuronderzoek Raadhuisweg, Heiloo
Revisie
C1.0
Datum
02-12-2020
Auteur
Maikell Verkade
E-mailadres
maikell.verkade@sweco.nl
Gecontroleerd door
Raisja Spijker
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Maarten Mouissie
Paraaf goedgekeurd
2 (27)
Inhoudsopgave Samenvatting ......................................................................................................................... 4 1
Inleiding .................................................................................................................. 6
1.1
Kader van het onderzoek ........................................................................................ 6
1.2
Ligging plangebied .................................................................................................. 6
1.3
Voorgenomen activiteiten ........................................................................................ 7
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden ................................................ 8
2.1
Toetsingskader ........................................................................................................ 8
2.2
Inventarisatie ........................................................................................................... 9
2.3
Analyse van de mogelijke effecten .......................................................................... 9
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming ............................................... 10
3.1
Toetsingkader ........................................................................................................ 10
3.2
Methode ................................................................................................................. 13
3.3
Voorkomende ecotopen ........................................................................................ 13
3.4
Planten ................................................................................................................... 14
3.5
Vogels .................................................................................................................... 15
3.6
Vleermuizen ........................................................................................................... 16
3.7
Grondgebonden zoogdieren .................................................................................. 18
3.8
Amfibieën en Reptielen ......................................................................................... 19
3.9
Vissen .................................................................................................................... 20
3.10
Ongewervelden...................................................................................................... 20
4
Natuurbeleidskaders ........................................................................................... 21
4.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 21
4.2
Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................... 21
4.3
Gebieden buiten het NNN ..................................................................................... 22
4.4
Gemeentelijk beleid ............................................................................................... 24
5
Conclusies............................................................................................................ 25
5.1
Wet natuurbescherming ........................................................................................ 25
5.2
Natuurbeleidskaders .............................................................................................. 26
Referenties ........................................................................................................................... 27
3 (27)
Samenvatting In onderstaande tabel is een samenvatting in tabelvorm weergegeven van de conclusies. Wet natuurbescherming: gebiedsbescherming
Effecten
Nader veld- en/of effectenonderzoek
Nadere procedure/ mitigerende maatregelen
Natura 2000-gebieden
Mogelijk toename aan stikstofdepositie
Uitvoeren Aerius-berekening
Afhankelijk van uitkomst berekening, opstellen voortoets of passende beoordeling
Wet natuurbescherming: soortbescherming
Effecten
Nader veld- en/of effectenonderzoek
Nadere procedure/ mitigerende maatregelen
Planten
Geen
N.v.t.
N.v.t.
Vogels: -
Vogels met jaarrond beschermd nest
Geen
N.v.t.
N.v.t.
-
Algemene broedvogels
Nesten van algemene broedvogels zijn tijdens het broeden beschermd
N.v.t.
Broedvogelcontrole OF werken buiten het broedseizoen
Potentieel geschikte panden-> potentiele zomer- en/of paarverblijfplaats
Aanvullend onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten (i.c. gewone dwergvleermuis)
Mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming nodig
Verstoring door (bouw)verlichting
N.v.t.
Bouwverlichting richten op werkzaamheden, strooilicht voorkomen Definitieve verlichting: vleermuisvriendelijke verlichting toepassen
Vleermuizen
4 (27)
Wet natuurbescherming: soortbescherming
Effecten
Nader veld- en/of effectenonderzoek
Nadere procedure/ mitigerende maatregelen
Grondgebonden zoogdieren: -
Beschermde soorten (Art. 3.5)
Geen
N.v.t.
N.v.t.
-
Algemene soorten (Art. 3.10)
Verstoren/doden aanwezige exemplaren
N.v.t.
Meldplicht bevoegd gezag (Omgevingsdienst Noord-Holland Noord). I.h.k.v. zorgplicht zorgvuldig te werk gaan en aanwezige exemplaren de kans geven het plangebied te verlaten
Amfibieën: -
Beschermde soorten (Art. 3.5)
Geen
N.v.t.
N.v.t.
-
Algemene soorten (Art. 3.10)
Verstoren/doden aanwezige exemplaren
N.v.t.
Meldplicht bevoegd gezag (Omgevingsdienst Noord-Holland Noord). I.h.k.v. zorgplicht zorgvuldig te werk gaan en aanwezige exemplaren de kans geven het plangebied te verlaten
Reptielen
Geen
N.v.t.
N.v.t.
Vissen
Geen
N.v.t.
N.v.t.
Ongewervelden
Geen
N.v.t.
N.v.t.
Natuurbeleidskaders
Effecten
Nader veld- en/of effectenonderzoek
Nadere procedure/ mitigerende maatregelen
Natuurnetwerk Nederland
Geen
N.v.t.
N.v.t.
Andere gebieden buiten NNN: -
Ganzenfoerageergebied
Geen
N.v.t.
N.v.t.
-
Weidevogelleefgebied
Geen
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t., wel advies om plan ‘natuurinclusief’ te ontwerpen en bouwen
Gemeentelijk beleid
5 (27)
1
Inleiding
1.1 Kader van het onderzoek De initiatiefnemer heeft het plan om een aantal appartementen te realiseren. Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: • Wet natuurbescherming:
Natura 2000-gebieden Soorten Houtopstanden
• Natuurnetwerk Nederland (NNN) • Gebieden buiten het NNN zoals ganzenfoerageergebieden, weidevogelleefgebieden en gebieden met de status Strategische reservering natuur.
• Gemeentelijk beleid Het verkennend onderzoek is er op gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het projectgebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het verkennend onderzoek is de eerste stap in de procedure. Afhankelijk van het resultaat moeten de navolgende stappen al dan niet worden doorlopen. In dit verkennend onderzoek heeft toetsing plaatsgevonden op beschermde Natura 2000gebieden, beschermde soorten en op de natuurbeleidskaders. 1.2 Ligging plangebied Het plangebied ligt in het noordoostelijke deel van Heiloo, in het (oude) centrum van het dorp. Het plangebied betreft twee (voormalige) winkels met daarboven woongelegenheid. Een van de winkels heeft een (kleine) tuin aan de achterzijde. De winkels maken onderdeel uit van een rij winkels waardoor aan de oost- en westzijde van het plangebied winkels staan. Aan de noordzijde is de Raadhuisweg gelegen en aan de zuidzijde het Raadhuisplein. De topografische ligging is weergegeven in figuur 1 en een impressie van het plangebied en de directe omgeving daarvan in respectievelijk figuur 2 en 3.
Figuur 1. Topografische ligging plangebied.
6 (27)
Figuur 2. Impressie plangebied.
Figuur 3. Impressie directe omgeving plangebied.
1.3 Voorgenomen activiteiten De initiatiefnemer is voornemens om alle bebouwing en groen binnen het plangebied te verwijderen en het gebied te herontwikkelen met 17 appartementen.
7 (27)
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden
2.1 Toetsingskader Bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken kent de Wet natuurbescherming (Wnb) een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb), en een vergunningplicht voor projecten die significant negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn.
Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend indien de ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Afdeling heeft geoordeeld dat het PAS niet aan alle eisen van de Habitatrichtlijn voldoet. Het PAS geeft onvoldoende zekerheid dat met de uitgifte van ontwikkelingsruimte significante gevolgen voor Natura 2000 zijn uitgesloten. De consequentie is dat het PAS niet als basis voor toestemming voor projecten of andere activiteiten kan worden gebruikt. Toetsing van effecten van stikstofdepositie gaat daarom weer volgens de in voorgaande alinea beschreven procedure. De provinciale beleidsregels stikstof geven hier een nadere inhoudelijke invulling aan. In de navolgende paragrafen is verkend of er effecten op kunnen treden op Natura 2000gebieden op basis van de ligging van het plangebied en reikwijdte van effecten.
Indien op basis van deze verkenning effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten kunnen de volgende vervolgstappen aan de orde zijn: • Voortoets geeft een aanwijzing over de mogelijke negatieve effecten van een plan of project op Natura 2000-gebieden. Uit de voortoets volgt ook welke vervolgstappen nodig zijn. Soms blijk uit de voortoets dat er zeker geen significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden zijn. Dan is er geen vergunningplicht en de initiatiefnemer hoeft verder niets te doen. Als er wel mogelijke significant negatieve effecten zijn volgt passende beoordeling. • Passende beoordeling: beoordeling of significante gevolgen van het plan of project zijn uit te sluiten rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. In een passende boordeling mag rekening gehouden worden met mitigerende maatregelen. Als significante gevolgen niet zijn uit te sluiten volgt ADC-toets.
8 (27)
• ADC-toets: Aangetoond dient te worden dat er geen alternatieven zijn met minder effecten, er sprake is Dwingende redenen van groot openbaar belang en in Compensatie is voorzien. 2.2 Inventarisatie Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Uit deze gebiedendatabase blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied – met stikstofgevoelige habitats – op een afstand circa 3,8 km ten westen van het plangebied is gelegen. Dit betreft het Natura 2000-gebied ’Noordhollands Duinreservaat’. Op een wat grotere afstand van het plangebied zijn de Natura 2000-gebieden ’Eilandspolder’ en Schoorlse Duinen’ en gelegen. Deze gebieden liggen op respectievelijk ongeveer 6,3 km ten zuidoosten en 8,5 km ten noordwesten van het plangebied (zie figuur 4).
Afbeelding 4. Ligging plangebied t.o.v. nabijgelegen stikstofgevoelig Natura 2000-gebieden
2.3 Analyse van de mogelijke effecten Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied maar op ruime afstand ervan. Geluid en beweging die met de werkzaamheden gepaard gaat reiken enkele honderden meters ver. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000gebieden zijn negatieve effecten van geluid en beweging op de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging en verdroging. Ook leiden de werkzaamheden niet tot verstoring door verlichting en door mechanische effecten. Om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren wordt gebruikt gemaakt van verschillend materieel. Deze machines stoten onder andere stikstof (emissie) uit wat uiteindelijk neer zal dalen (stikstofdepositie). Deze emissie kan zich vrij gemakkelijk over een afstand van enkele kilometers verplaatsen en zodoende van invloed zijn op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats. Negatieve effecten door stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats zijn niet op voorhand uit te sluiten. Om de stikstofdepositie te bepalen dient een Aerius-berekening te worden uitgevoerd. Afhankelijk van de resultaten van de Aeriusberekening dient een ecologische beoordeling (voortoets) of passende beoordeling te worden uitgevoerd.
9 (27)
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming
3.1 Toetsingkader In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.) • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.) • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) • lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond.
10 (27)
Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid heeft om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Met artikel 4 van de verordening van de provincie Noord-Holland wordt een dergelijke vrijstelling gegeven. De diersoorten waarop de vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen ziet worden genoemd in tabel 1. In artikel 5 van deze verordening is de meldings- en rapportageplicht opgenomen. In de melding zal de eigenaar, de grondgebruiker of degene aan wie namens hem, conform artikel 3.15 zevende lid van de wet, toestemming is verleend, aangeven wanneer er waar werkzaamheden uitgevoerd zullen worden uitgevoerd. (Provincie NoordHolland, 2016). Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de nieuwe wet geldt een ontheffingsplicht.
Deze kan alleen worden verleend indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de nieuw wet. Er is dan geen ontheffing Wet natuurbescherming nodig.
11 (27)
Tabel 1. Vrijgestelde soorten in Noord-Holland (Provincie Noord-Holland, 2016).
Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna. Zorgplicht (artikel 1.11) • lid 1) Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. • lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, onderdeel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of onderdeel c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. • lid 3) Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
12 (27)
3.2 Methode Bronnenonderzoek De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied. De inventarisatie bestaat uit een bronnenonderzoek, een verkennend veldbezoek en habitatgeschiktheid beoordeling. Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en omgeving. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: • Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), periode 2015 – 2020. • Verspreidingsatlas.nl Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaats gevonden op 27 november 2020 door een deskundig ecoloog van Sweco. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen activiteit.
Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel ontheffingsplicht in kader van Wet natuurbescherming van toepassing is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wnb beschermde planten- en diersoorten. Nietbeschermde Rode lijstsoorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen zoals diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten worden niet in het onderzoek betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wet natuurbescherming. 3.3 Voorkomende ecotopen Binnen het plangebied komen diverse ecotopen voor. De ecotopen die in het plangebied aanwezig zijn betreffen: bebouwing (woningen, bedrijfspanden), parkeerplaatsen, groen (met bomen en struiken), watergangen, sportveld en braakliggend stuk grond (weiland). Alle bebouwing is opgetrokken uit bakstenen met vermoedelijk een spouwmuur. De gebouwen hebben een plat dak, soms van schuin met dakpannen. Rondom de woningen en bedrijfspanden is groen aanwezig in de vorm van tuinbeplanting, struiken en bomen. Een impressie van het plangebied wordt in figuur 5 weergegeven.
13 (27)
Figuur 5. Impressie plangebied, met respectievelijk de voorzijde, achterzijde, zijkant en tuin.
3.4 Planten Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Uit de database van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied glad biggenkruid en wilde weit zijn waargenomen. Vroeger was glad biggenkruid in Nederland vrij algemeen op de hogere zandgronden en de aangrenzende rivierdalen en plaatselijk in de duinstreek. Tegenwoordig is het veel zeldzamer geworden. Glad biggenkruid is een soort van hakvruchten zomergraanakkers op kalkarme, al dan niet lemige zandgrond. Het komt in de akkers vooral voor in de randen, die minder intensief worden bewerkt of waar het gewas minder dicht staat. In zuidelijke streken komt het ook voor in open grasland, maar in Nederland is het vrijwel tot akkers beperkt. Daarnaast is het alleen in kalkarme, open duingraslanden nog wel eens te vinden (WUR). Wilde weit is van oorsprong in ons land een akkeronkruid. Om te kunnen ontkiemen vegeteert deze halfparasiet op grassen en met name op wintergraan. De plant is nu in Nederland nauwelijks meer te vinden en wordt op veel plekken buiten Zuid-Limburg met akkeronkruidmengsels ingezaaid. Alleen door regelmatig schoffelen kan deze soort z’n plek behouden, want het zaad behoudt zijn kiemkracht slechts een jaar. Voor 1950 groeide wilde weit nog langs de grote rivieren, in het IJsseldal en Zuid-Limburg.
Door verbetering van de landbouw is de soort samen met allerlei andere akkeronkruiden sterk afgenomen. Wilde weit groeit op zonnige, iets open plaatsen op matig droge, matig voedselrijke, kalkrijke, enigszins omgewerkte grond (niet te zware klei, stenige plaatsen en mergel) (Floron). Habitats zoals hierboven beschreven zijn binnen het plangebied niet aanwezig. Het ontbreekt binnen plangebied aan geschikt groeiplaatsen voor beschermde planten. De aanwezigheid van beschermde plantensoorten binnen het plangebied wordt daarom uitgesloten.
14 (27)
Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op grond van de waargenomen soorten en groeiplaatsen wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten binnen het plangebied uitgesloten. Ten aanzien van beschermde plantensoorten is geen nader onderzoek of ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. 3.5 Vogels Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Uit de database van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, zijn waargenomen. Dit zijn: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer, wespendief. Vogels met een jaarrond beschermd nest zijn in principe in twee soorten in te delen: gebouwbewonende en boombewonende soorten. Binnen het plangebied zijn zowel gebouwen als bomen aanwezig waardoor de aanwezigheid van gebouw- en/of boombewonende soorten met een jaarrond beschermd nest niet op voorhand is uit te sluiten. De bebouwing is beoordeeld op potentiele geschiktheid voor gebouwbewonende soorten als gierzwaluw en huismus. De bebouwing heeft een zadeldak met dakpannen waardoor de bebouwing potentieel geschikt is voor deze soorten, zie figuur 6. De huismus is een uitgesproken standvogel en stelt prijs op een rommelige menselijke omgeving, Figuur 6.
Potentieel geschikte bebouwing voor huismus met struikgewas, schuren, en gierzwaluw weilanden met vee, gemorst graan en zo verder. Huismussen broeden in een los kolonieverband. Het nest wordt vooral gemaakt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten. De huismus is het talrijkst in dorpen en in oudere buitenwijken, met rommelige tuinen. Als er veel hoge bomen staan, verdwijnt de huismus (Vogelbescherming). Omdat de huismus een uitgesproken standvogel is, is de huismus het hele jaar door in zijn leefgebied waar te nemen. Tijdens het veldbezoek is in en de omgeving van het plangebied geen huismus waargenomen. In en in de directe omgeving is geen geschikt habitat, zoals een rommelige omgeving of struikgewas, aanwezig voor de huismus. De aanwezigheid van de huismus in het plangebied in en in de directe omgeving van het plangebied is niet aannemelijk. De gierzwaluw is voor zijn nestgelegenheid afhankelijk van beschikbaarheid van gebouwen met geschikte holtes en is een koloniebroeder wanneer er voldoende aanbod van nestgelegenheid is. Ze hebben hun nest in gebouwen, onder dakgoot, achter regenpijp, dakkapel, dakpan, of in een gat in de muur en ook wel in neststenen. De gierzwaluw jaagt boven uiteenlopende habitats in dorpen en steden (Vogelbescherming).
Het plangebied is niet geschikt voor de gierzwaluw in verband met de afwezigheid zijn van voldoende hoogte (> 3 meter) voor een vrije invliegroute. Om de nestlocatie te kunnen bereiken en te verlaten heeft de gierzwaluw een vrije aanvlieg- en valhoogte nodig van 3 meter of meer. In verband met de afwezigheid van deze hoogte is het plangebied niet geschikt voor de gierzwaluw. De
15 (27)
aanwezigheid van de gierzwaluw in en in de directe omgeving van het plangebied is niet aannemelijk. Tijdens het veldbezoek zijn de aanwezige bomen in en in de directe omgeving van het plangebied beoordeeld op de aanwezigheid van grote nesten en als deze aanwezig zijn op sporen van in gebruik zijn zoals poepsporen, veren en prooiresten. Gedurende het veldbezoek zijn geen grote nesten of aanwijzingen waargenomen die wijzen op de aanwezigheid van vogels met een jaarrond beschermd nest zoals boomvalk, buizerd, havik, ooievaar, ransuil, roek, sperwer, wespendief. Het plangebied is in verband met het nagenoeg volledig ontbreken van groen nauwelijks geschikt voor algemene broedvogels. Uitzondering hierop vormt de aanwezige boom waarin een soort als Turkse tortel of houtduif tot broeden kan komen. Rond het plangebied kunnen algemene broedvogels van stedelijke en parkachtige omgeving voor komen waaronder soorten zoals houtduif, merel, heggemus en tjiftjaf. Analyse en toetsing van mogelijke effecten In verband met de afwezigheid van vogels met een jaarrond beschermd nest zijn effecten op voorhand uit te sluiten. Het uitvoeren van een soortenonderzoek en aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijjk. Specifieke aandacht is vereist in verband met broedende vogels in het aanwezige groen.
Het broedseizoen loopt van het bouwen van het nest tot het uitvliegen van de jongen. Deze periode is afhankelijk van de aanwezige soorten. Zolang men de werkzaamheden buiten de periode half maart tot half juli uitvoert en buiten deze periode voorafgaande aan de werkzaamheden controleert op de aanwezigheid van algemene broedende vogels hoeft voor de algemene broedvogels geen specifieke maatregelen genomen te worden. 3.6 Vleermuizen Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Uit de database van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis zijn waargenomen. Vleermuizen zijn ruwweg in twee soorten in te delen: gebouwbewonende en boombewonende vleermuizen. Binnen het plangebied zijn zowel gebouwen als bomen aanwezig waardoor de aanwezigheid van gebouw- en/of boombewonende op voorhand niet is uit te sluiten. Binnen het plangebied is een enkellaags gebouw aanwezig met open stootvoegen. Verder bevinden zich in het plangebied twee gebouwen met een zadeldak met dakpannen. Tijdens het veldbezoek is gelet op geschikte invliegopeningen voor vleermuizen zoals open stootvoegen, niet goed aansluitende dakpannen, etc.
Uit het veldbezoek is naar voren gekomen dat de dakkantpannen en enkele dakpannen niet goed aansluiten en dat er open stootvoegen aanwezig zijn in de aanbouw. De gebouwen zijn in principe geschikt voor rusten voortplantingsplaatsen van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis in verband met de aanwezigheid van geschikte invliegopeningen en potentiele rust- en verblijfplaatsen, zie figuur 7.
16 (27)
Figuur 7. Geschikte invliegopeningen en potentiele verblijfplaatsen vleermuizen
Binnen het plangebied komen geen bomen voor met holtes die potentieel geschikt zijn als rust- en verblijfplaats. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen als gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis zijn op voorhand uitgesloten. In het plangebied is een boom aanwezig, ander groen in het plangebied ontbreekt. Het plangebied is door het nagenoeg volledig ontbreken van groen niet geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Grenzend aan het plangebied is groen aanwezig in de vorm van enkele bosschages en grote bomen. Het gebied grenzend aan het plangebied is beperkt geschikt als foerageergebied en dan vooral voor de gewone dwergvleermuis. Beter habitat is in de nabije omgeving aanwezig (o.a. Heiloerbos) en daarom kan gesteld worden dat het gebied grenzend aan het plangebied geen onderdeel uitmaakt van een essentieel foerageergebied. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige elementen (bomenrijen, vaarten, etc.) om zich te verplaatsen van hut vaste rust- en voortplantingsplaatsen naar hun foerageergebieden. Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen lijnvormige elementen aanwezig. De aanwezigheid van (essentiele) vliegroutes is dan ook uitgesloten. Analyse en toetsing van mogelijke effecten De aanwezigheid van vleermuizen en hun vaste rust- en/of verblijfplaatsen in de te slopen gebouwen is niet uitgesloten.
Sloop van de gebouwen betekent mogelijke verstoring en vernieling van vaste rust- en/of verblijfplaatsen, wat een overtreding van artikel 3.5, lid 2 en 4. De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen in bomen binnen het plangebied wordt uitgesloten evenals de aanwezigheid van essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes. Grenzend aan het plangebied is een marginaal potentieel geschikt foerageergebied aanwezig. Om verstoring op dit gebied te voorkomen dient uitstraling van licht hierop beperkt te worden. Dit kan worden bereikt door het toepassen van vleermuisvriendelijke
17 (27)
verlichting (aangepaste armaturen en/of amberkleurige verlichting). Negatieve effecten op vliegroutes en/of foerageergebieden zijn hiermee uit te sluiten. Om de aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen in de te slopen gebouwen vast te stellen is aanvullend vleermuisonderzoek conform het Vleermuisprotocol 2021 (versie oktober 2020) noodzakelijk. Dit onderzoek is nodig om uit te sluiten of voor uitvoering van de plannen een ontheffing op grond van Wet natuurbescherming nodig is. 3.7 Grondgebonden zoogdieren Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Uit de database van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied de boommarter, bunzing, hermelijn, waterspitsmuis zijn waargenomen. Tevens is de aanwezigheid in de omgeving bekend van de vrijgestelde soorten bosmuis, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, rosse woelmuis, veldmuis en vos. De boommarter leeft bij voorkeur in bossen en wordt er al gauw gedacht aan oud (loof)bos. In Nederland klopt dat beeld in ieder geval niet; de boommarter komt hier in allerlei typen en leeftijden bos voor. Boommarters leven bijvoorbeeld ook in de jonge bossen van de Flevopolders en in moerasbossen in Overijssel en Utrecht. Tegenwoordig leven er populaties boommarters op de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug en de Drents-Friese wouden.
Daarnaast komen er boommarters voor in de Gelderse Vallei, het Langbroeker Weteringgebied (Utrecht), het Utrechts – Noord-Hollandse plassengebied, Overijssel, de Achterhoek en Liemers, Gaasterland, de Flevopolders, de duinen van Noord- en ZuidHolland en de Brabantse Wal. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottigsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. Boommarters maken meestel niet zelf een hol maar passen een bestaand nest aan (Zoogdiervereniging). De bunzing komt in verschillende landschapstypen voor, maar heeft een sterke voorkeur voor kleinschalige en structuurrijke landschappen met wateren of hoge grondwaterstand. De bunzing is bijvoorbeeld thuis in terreinen met een afwisseling van sloten en greppels, weilanden, akkers, houtwallen en bosschages, zoals op veel landgoederen in Nederland. Bosranden worden veel betrokken gedurende zomer. Daarnaast kunnen ze ook prima op boerenerven, in dorpen en in groenstedelijke randen leven; waar ze gebouwen zoals hooischuren en zelfs moderne woonhuizen betrekken.
De grootte van een leefgebied van de bunzing bedraagt naar gelang de habitatkwaliteiten (zoals voedselaanbod) en aanwezigheid van concurrerende soortgenoten zo’n 65 tot 250 hectaren (schattingen lopen uiteen in de literatuur), waarbij de mannetjes een duidelijk groter territorium beslaan. Het is niet aannemelijk dat het plangebied onderdeel uitmaakt van een bunzingterritorium (Zoogdiervereniging). De hermelijn komt in alle habitats voor, van open plekken, in bossen, houtwallen, duinen, akkers, vochtig terrein. De hermelijn leeft solitair in territoria van tussen de 4 en 50 ha groot. Het vrouwtje heeft een leefgebied dat drie- tot viermaal zo klein is als die van het mannetje. Een leefgebied van een mannetje overlapt dat van meerdere vrouwtjes. Met geurklieren markeren ze hun territorium. De hermelijn leeft in een hol, meestal een oud mollenenst of konijnenhol en verplaats zich meestal langs lijnvormige elementen die dekking bieden zoals heggen, muurtjes, oeverlijnen, etc. Ook maakt hij hierbij geregeld gebruik van holen van andere dieren. Een hol of gang moet een doorsnede hebben van vijf centimeter. Het is niet aannemelijk dat het plangebied onderdeel uitmaakt van een hermelijnterritorium (Zoogdiervereniging).
18 (27)
De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. Ook wordt hij veelvuldig aangetroffen langs de binnenduinrand, natuurlijke duinmeren en kunstmatige infiltratiegebieden. De waterspitsmuis komt alleen daar voor waar bodembedekkende vegetatie aanwezig en waar binnen een straal van 500 meter water is te vinden. Bovendien moet er in de oevers voldoende schuilmogelijkheid zijn waar de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten. Gezien het aanwezige binnen het plangebied is het niet aannemelijk dat de waterspitsmuis in het plangebied aanwezig is (Zoogdiervereniging). Het plangebied is nagenoeg volledig bebouwd, slechts een klein deel is onbebouwd en betreft een grotendeels betegelde tuin. Het enige groen wat aanwezig is, is een boom. In het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig voor beschermde grondgebonden, met uitzondering van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren zoals huisspitsmuis.
Analyse en toetsing van mogelijke effecten Vanwege de afwezigheid van geschikt habitat zoals bosschages zijn vaste verblijfplaatsen van algemeen beschermde, kleine grondgebonden zoogdiersoorten nauwelijks te verwachten in het plangebied; uitzondering hierop vormt de huisspitsmuis. Indien werkzaamheden worden uitgevoerd, dan dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht voor algemeen voorkomende soorten. Ten aanzien van beschermde grondgebonden zoogdieren is geen nader onderzoek of ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig. 3.8 Amfibieën en Reptielen Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In de NDFF staan waarnemingen van bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en rugstreeppad in de omgeving van het plangebied. Voor de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander geldt de algemene vrijstelling (met meldplicht) van de provincie Noord-Holland. De rugstreeppad is vooral een soort van terreinen met een hoge natuurlijke of door mensen ingebrachte dynamiek. Braakliggende bouwterreinen, groeven en zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden vormen een ideaal leefgebied voor de rugstreeppad. Vaak is er een goed vergraafbare bodem aanwezig en is er bouwmateriaal om onder te schuilen. Maar de rugstreeppad is ook te vinden in meer stabiele gebieden als vennen in heideterreinen en sloten in akker- en graslandgebieden.
De habitat laat zich omschrijven als onbeschaduwde, laagbegroeide terreinen. Door gebrek aan dynamiek in natuurgebieden is het voorkomen van de soort in Nederland sterk afhankelijk van menselijke ingrepen. De rugstreeppad heeft een voorkeur voor in de nabijheid van losgrondige zanderige bodems gelegen snel opwarmende bodemplaatsen en ondiep (tijdelijk) water, die bij voorkeur vegetatieloos en zonder concurrentie van andere amfibieën of van waterinsecten zijn. Regenplassen en sporen van zware voertuigen waar regenwater in is blijven staan, vormen ideaal voortplantingswater. In brede en grotere watergangen komt de rugstreeppad niet voor, met mogelijke uitzondering de ondiepe oeverzones. Ook in licht brak water kan de soort zich voortplanten. Het foerageergebied bevindt zich tot circa 500 meter in de omgeving van de plekken waar ze zich overdag bevinden (BIJ12). Binnen het plangebied ontbreekt geschikt habitat voor de rugstreeppad en/of reptielen. De aanwezigheid van beschermde amfibieen en reptielen wordt dan ook op voorhand uitgesloten. Het plangebied is nagenoeg volledig bebouwd, slechts een klein deel is onbebouwd en betreft een grotendeels betegelde tuin. Het enige groen wat aanwezig is, is een boom. In
19 (27)
het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig voor beschermde amfibieen en reptielen, met uitzondering van algemeen voorkomende amfibieen als gewone pad. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Omdat op grond van habitat en verspreiding de aanwezigheid van beschermde amfibie- en reptielsoorten uitgesloten is, zijn er ook geen effecten op beide soortgroepen te verwachten. Wel kan de algemeen voorkomende soort gewone pad voorkomen. Er dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht voor algemeen voorkomende soorten. Ten aanzien van beschermde soorten amfibieën en reptielen is geen nader onderzoek of een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. 3.9 Vissen In verband met het ontbreken van open water in het plangebied is de aanwezigheid van vissen op voorhand uitgesloten. Effecten op vissen zijn niet aanwezig. 3.10 Ongewervelden Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In en nabij het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van de beschermde ongewervelden zoals libellen en vlinders. Evenmin ontbreken binnen het plangebied geschikt leefgebied voor deze soorten. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Ten aanzien van beschermde ongewervelde is geen nader onderzoek of een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.
20 (27)
4
Natuurbeleidskaders
4.1 Toetsingskader Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd bestaat uit: • Provinciaal beleid: o Natuurnetwerk Nederland (NNN) o Gebieden buiten het NNN zoals belangrijk weidevogelgebied en gebieden met de status Strategische reservering natuur. • Gemeentelijk beleid 4.2 Natuurnetwerk Nederland Toetsingskader De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Het NNN voor de provincie Noord-Holland is vastgelegd in Artikel 19 van de PRV (Provinciale Ruimtelijke Verordening) (in oktober 2020 wordt deze vervangen door de Omgevingsvisie). De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het “nee, tenzij-principe”. In onderstaand schema is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren.
Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. In de provincie Noord-Holland is de externe werking van het NNN niet van toepassing. Een “nee, tenzij-toets” behoeft alleen te worden doorlopen indien er sprake is van een RO-procedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied.
Schema: Het ”nee, tenzij"-principe van het compensatiebeginsel.
Inventarisatie Voor de inventarisatie van NNN-gebieden is gebruik gemaakt van de interactieve kaarten van de provincie Noord-Holland. Uit deze gebiedendatabase blijkt dat het dichtstbijzijnde NNN-gebied op een afstand van circa 300 meter ten zuiden van het plangebied is gelegen. Dit betreft de bossen en weilanden van landgoed Ter Coulster. Op circa 330 meter ten noorden is eveneens een NNN-gebied gelegen. Dit betreft het Heiloerbos (zie figuur 8) .
21 (27)
Figuur 8. Ligging plangebied t.o.v. NNN (lichtgroen).
Analyse en toetsing effecten Het plangebied is niet binnen een NNN-gebied gelegen. Het NNN kent in de provincie Noord-Holland geen externe werking. Het doorlopen van een ‘nee-tenzij toets’ is niet noodzakelijk. 4.3 Gebieden buiten het NNN 4.3.1 Ganzenfoerageergebied Toetsingskader De ganzenfoerageergebieden zijn in de provincie Noord-Holland zijn vastgelegd in Artikel 25 van de PRV (Provinciale Ruimtelijke Verordening). De afweging voor ingrepen in deze gebieden gaat volgens het “nee, tenzij-principe”. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een weidevogelgebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van ganzenfoerageergebied in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. In de provincie Noord-Holland is de externe werking van de ganzenfoerageergebieden van toepassing. Een ‘nee, tenzij-toets’ behoeft alleen te worden doorlopen indien er sprake is van een RO-procedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied.
Inventarisatie Voor de inventarisatie van ganzenfoerageergebieden is gebruik gemaakt van de interactieve kaarten van de provincie Noord-Holland. Uit deze gebiedendatabase blijkt dat het dichtstbijzijnde ganzenfoerageergebied op een afstand circa 18,5 km zuidoosten van het plangebied is gelegen, zie figuur 9. Dit betreft de weilanden van polder Zeevang.
22 (27)
Figuur 9. Ligging plangebied t.o.v. ganzenfoerageergebied.
Analyse en toetsing effecten Het plangebied is niet binnen een ganzenfoerageergebied gelegen. Ganzenfoerageergebieden kennen in de provincie Noord-Holland geen externe werking. Het doorlopen van een ‘nee-tenzij toets’ is niet noodzakelijk. 4.3.2 Weidevogelleefgebied Toetsingskader De weidevogelleefgebieden zijn in de provincie Noord-Holland zijn vastgelegd in Artikel 25 van de PRV (Provinciale Ruimtelijke Verordening). De afweging voor ingrepen in deze gebieden gaat volgens het “nee, tenzij-principe”. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een weidevogelleefgebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van weidevogelleefgebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. In de provincie Noord-Holland is de externe werking van de weidevogelgebieden van toepassing. Een ‘nee, tenzij-toets’ behoeft alleen te worden doorlopen indien er sprake is van een RO-procedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied.
Inventarisatie Voor de inventarisatie van NNN-gebieden is gebruik gemaakt van de interactieve kaarten van de provincie Noord-Holland. Uit deze gebiedendatabase blijkt dat het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied op een afstand circa 1,2 km ten noordoosten van het plangebied is gelegen. Dit betreft de weilanden rondom het riviertje Die, tussen de A9 en de Kennemerstraatweg (zie figuur 10).
23 (27)
Figuur 10. Ligging plangebied t.o.v. weidevogelleefgebied.
Analyse en toetsing effecten Het plangebied is niet gelegen binnen een weidevogelleefgebied. Vanwege de grote afstand tot het weidevogelleefgebied is aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van dit gebied op voorhand uit te sluiten. Het doorlopen van een ‘nee-tenzij toets’ is niet noodzakelijk. 4.4 Gemeentelijk beleid Voor zover bekend heeft de gemeente Heiloo geen specifiek beleid voor wat betreft biodiversiteit en/of bescherming van natuurwaardes. Gemeentelijk beleid aangaande groene kaders, zoals ‘natuurinclusief bouwen’, is op het voorgenomen initiatief niet van toepassing. Wel wordt geadviseerd om zowel de te realiseren bebouwing als de buitenruimte op een zo verantwoord mogelijk manier te ontwerpen en te bouwen zodat een bijdrage wordt geleverd aan het vergroten van de biodiversiteit, maar ook aan het ’climate resilient’ maken van het plan.
24 (27)
5
Conclusies
5.1 Wet natuurbescherming 5.1.1 Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied – met stikstofgevoelige habitats – is op een afstand circa 3,8 km ten westen van het plangebied gelegen. Dit betreft het gebied ’Noordhollands Duinreservaat’. Op een wat grotere afstand van het plangebied zijn de Natura 2000-gebieden ’Eilandspolder’ en Schoorlse Duinen’ en gelegen. Deze gebieden liggen op respectievelijk ongeveer 6,3 km ten zuidoosten en 8,5 km ten noordwesten van het plangebied. Geluid en beweging die met de werkzaamheden gepaard gaat reiken enkele honderden meters ver. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000gebieden zijn negatieve effecten van geluid en beweging op de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging en verdroging. Ook leiden de werkzaamheden niet tot verstoring door verlichting en door mechanische effecten. Om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren wordt gebruikt gemaakt van verschillend materieel. Deze machines stoten onder andere stikstof (emissie) uit wat uiteindelijk neer zal dalen (stikstofdepositie).
Deze emissie kan zich vrij gemakkelijk over een afstand van enkele kilometers verplaatsen en zodoende van invloed zijn op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats. Negatieve effecten door stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats zijn niet op voorhand uit te sluiten. Om de stikstofdepositie te bepalen dient een Aerius-berekening te worden uitgevoerd. Afhankelijk van de resultaten van de Aeriusberekening dient een ecologische beoordeling (voortoets) of passende beoordeling te worden uitgevoerd. 5.1.2 Soortenbescherming Algemene vogels zoals kunnen broeden in de bomen en bosschages in het plangebied. Alle in Nederland voorkomende broedvogels zijn beschermd gedurende het broeden. Bij uitvoering van verstorende werkzaamheden in het zomerhalfjaar (ca. half maart – half juli) is een check op aanwezigheid van nesten of nestindicerende vogels nodig. Het plangebied is potentieel geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen (gewone dwergvleermuis). Met het slopen van de bebouwing treedt verstoring op en gaan mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen verloren, wat een overtreding van artikel 3.5 lid 2 en 4 van de Wet natuurbescherming is. Om de aan- dan wel afwezigheid van vleermuizen in het plangebied vast te stellen dient een onderzoek, conform het Vleermuizenprotocol 2021, naar vleermuizen in de periode half mei tot eind september te worden uitgevoerd.
Grenzend aan het plangebied is een potentieel geschikt foerageergebied. Gezien de beperkte omvang van dit gebied en dat in de omgeving potentieel geschikte foerageergebieden aanwezig zijn (o.a. Heiloerbos) aanwezig zijn, zal dit gebied geen onderdeel uitmaken van een essentieel foerageergebied. Om verstoring op dit gebied te voorkomen dient uitstraling van licht hierop beperkt te worden. Dit kan worden bereikt door het toepassen van vleermuisvriendelijke verlichting (aangepaste armaturen en/of amberkleurige verlichting). Negatieve effecten op vliegroutes en/of foerageergebieden zijn uit te sluiten. Negatieve effecten op beschermde planten, grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden zijn uitgesloten. Binnen het plangebied komen enkele beschermde – doch in de provincie Noord-Holland vrijgestelde – soorten amfibieen en
25 (27)
grondbebonden zoogdieren voor. Voor deze soorten geldt een meldplicht bij het bevoegd gezag en de zorgplicht. Zonder melding bij het bevoegd gezag geldt de vrijstelling niet en is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna. De zorgplicht houdt in dat de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. De soortenbeschermingskaders uit de Wet natuurbescherming staan niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Eventuele ontheffingen op grond van de Wet natuurbescherming die nodig zijn voor het uitvoeren van het plan worden op voorhand verleenbaar geacht en staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. 5.2 Natuurbeleidskaders Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen het NNN. Aangezien de NNN geen externe werking kent hoeft er niet nader getoetst te worden op effecten. Er is geen nadere procedure noodzakelijk in de vorm van een “nee, tenzij-toets”. Gebieden met natuurwaarden buiten het NNN Het plangebied ligt ruim buiten de verstoringsafstand van weidevogelleefgebied en er is geen relatie met weidevogelleefgebied.
Tevens ligt het plangebied niet in de omgeving van ganzenfoerageergebieden. Er vindt binnen het kader van de voorgenomen ontwikkelingen geen aantasting van weidevogelleefgebieden of ganzenfoerageergebieden plaats. Er hoeft niet nader getoetst te worden op effecten en er is geen nadere procedure noodzakelijk in de vorm van een “nee, tenzij-toets”. Gemeentelijk natuurbeleid Gemeentelijk beleid aangaande groene kaders, zoals ‘natuurinclusief bouwen’, is niet van toepassing. Wel wordt geadviseerd om zowel de te realiseren bebouwing als de buitenruimte op een zo verantwoord mogelijk manier te ontwerpen en te bouwen zodat een bijdrage wordt geleverd aan het vergroten van de biodiversiteit, maar ook aan het ’climate resilient’ maken van het plan.
26 (27)
Referenties BIJ12 (2017). Kennisdocument Rugstreeppad Bufo calamita Versie 1.0, juli 2017. Ingezien van BIJ12-2017-017-Kennisdocument-Rugstreeppad-1.0.pdf op 3 december 2020 Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Ecogrid. Ingezien van https://www.ndffecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul op 3 december 2020 Provincie Noord-Holland. Ganzenfoerageergebieden. Ingezien van https://maps.noordholland.nl/WebViewer/index.html?viewer=ganzenfoerageergebieden op 3 december 2020 Provincie Noord-Holland. Natuurbeheerplannen. NNN. Ingezien van https://maps.noordholland.nl/WebViewer/index.html?viewer=nbp op 3 december 2020 Provincie Noord-Holland. Natuurbeheerplannen. Weidevogelleefgebied. Ingezien van https://maps.noord-holland.nl/WebViewer/index.html?viewer=nbp op 3 december 2020 Topografische Kaart Nederland. Ingezien van Topografische kaart van Nederland - de kadasterkaart, routes, downloads en tripplanning (topokaartnederland.nl) op 3 december 2020 Verspreidingsatlas.nl. Ingezien van https://www.verspreidingsatlas.nl/ op 3 december 2020 Vogelbescherming. Ontdek vogels. Vogelgids. Huismus. Ingezien van Huismus | Vogelbescherming op 3 december 2020 Vogelbescherming. Ontdek vogels. Vogelgids. Gierzwaluw. Ingezien van Gierzwaluw | Vogelbescherming op 3 december 2020 Wageningen University & Research. Beschermingsplan Akkerplanten Glad biggenkruid (Hypochaeris glabra).
Ingezien van soorten beschermingsplan factsheet Glad biggenkruid (wur.nl) op 3 december 2020 Zoogdiervereniging. Zoogdiersoorten. Boommarter. Ingezien van Boommarter | De Zoogdiervereniging op 3 december 2020 Zoogdiervereniging. Zoogdiersoorten. Bunzing. Ingezien van Bunzing | De Zoogdiervereniging op 3 december 2020 Zoogdiervereniging. Zoogdiersoorten. Hermelijn. Ingezien van Hermelijn | De Zoogdiervereniging op 3 december 2020 Zoogdiervereniging. Zoogdiersoorten. Waterspitsmuis. Ingezien van Waterspitsmuis | De Zoogdiervereniging op 3 december 2020
27 (27)