CConstaterende datHeiloo
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.0399.BPTerCoulsterlaan1-0301_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 7 Quickscan natuur (1)

Raadsvergadering 26 februari 2024, gemeente HeilooBij agendapunt: Bestemmingsplan Ter Coulsterlaan7.133 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QUICKSCAN TER COULSTERLAAN TE HEILOO Eindrapport

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 16-12-2020

VERANTWOORDING

Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:

Uitvoering: Adres:

Kennemer Wonen Dhr. J. Engels Postbus 5010 1802 TA Alkmaar 0728222932 jengels@kennemerwonen.nl

Tel: E-mail:

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 64 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com

Projectleider:

K. den Hartogh MSc.

Auteur: Kwaliteitscontrole:

ing. S.T.J. Kuip ing. C.J.M. Groeneveld

Projectcode: Status: Datum:

KWNA2001 Definitief 16-12-2020

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.

Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2

SAMENVATTING

Kennemer Wonen is voornemens het huidige wooncomplex te amoveren en de bouw van een nieuw wooncomplex te realiseren. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. De bebouwing in het projectgebied biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Binnen de invloedssfeer van het projectgebied zijn bomen met holtes aanwezig. Deze boomholtes zijn potentieel geschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. De groenstructuren kunnen tevens fungeren als foerageergebied voor vleermuizen. De nestkasten aan de oostkant van het wooncomplex bieden gelegenheid voor jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus. Met de werkzaamheden kunnen mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen en nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus verloren gaan. De bomen rondom het projectgebied bieden mogelijkheden voor verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen, en jaarrond beschermde nesten van broedvogels. De struiken en takkenbossen bieden mogelijkheden voor rusten verblijfplaatsen van de boommarter en kleine marterachtigen. De zomereiken rondom het projectgebied kunnen dienen als waardplant van de bruine eikenpage.

Bij werkzaamheden in het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart – 15 juli) dient er rekening te worden gehouden met mogelijke aanwezigheid van nestlocaties van algemene broedvogels in de groenstructuren binnen de invloedssfeer van het projectgebied. Indien er bezette nesten aanwezig zijn mogen deze bomen niet gekapt worden en mogen de broedgevallen niet worden verstoord. De verstoring van broedgevallen kan worden voorkomen door het vermeiden van werkzaamheden die gepaard gaan met harde trillingen tijdens het broedseizoen. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten, maar worden niet verwacht. De geplande ontwikkeling kan leiden tot een (tijdelijke) toename in stikstofemissie tijdens de bouwfase. Tijdens de gebruiksfase wordt er geen toename in stikstofemissie verwacht, omdat er niet wordt gestookt met gas en wegens de zeer goede isolatie (nul op de meter). Er is een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de mogelijke toename in stikstof een effect heeft op het Natura 2000-gebied “Noord-Hollands Duinreservaat’’. Effecten op beschermde houtopstanden worden niet verwacht. De te kappen bomen bevinden zich binnen de door de gemeenteraad van Heiloo vastgestelde bebouwde kom.

Alvorens men met de werkzaamheden kan gaan beginnen is er aanvullend onderzoek nodig. Dit betreft onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen en nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus. Indien groenstructuren verwijderd worden dient er aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van de boommarter, bruine eikenpage, jaarrond beschermde nesten en kleine marterachtigen te worden uitgevoerd. Het onderzoek naar vleermuizen dient gericht te zijn op de mogelijkheid aanwezigheid van de franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. Het onderzoek naar kleine marterachtigen dient gericht te zijn op de bunzing, hermelijn en de wezel.

3

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding............................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ...................................................................................................... 5 1.2.1 Gebiedsbescherming .................................................................................................................. 5 1.2.2 Soortbescherming ...................................................................................................................... 6 1.2.3 Houtopstanden ........................................................................................................................... 7 1.2.4 Ontheffing en gedragscode ........................................................................................................ 7 1.3 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 7 2 2.1 2.2

Projectgebied en ontwikkelingen .................................................................................................... 8 Projectgebied ................................................................................................................................. 8 Ontwikkelingen............................................................................................................................... 8

3 Soortbescherming .......................................................................................................................... 10 3.1 Bronnenonderzoek....................................................................................................................... 10 3.2 Habitatscan .................................................................................................................................. 10 3.2.1 Zoogdieren ............................................................................................................................... 10 3.2.2 Vogels....................................................................................................................................... 11 3.2.3 Amfibieën.................................................................................................................................. 12 3.2.4 Reptielen .................................................................................................................................. 12 3.2.5 Vissen ....................................................................................................................................... 12 3.2.6 Ongewervelden ........................................................................................................................

12 3.2.7 Vaatplanten .............................................................................................................................. 12 3.2.8 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies .............................................................. 13 3.3 Effecten ........................................................................................................................................ 13 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ............................................................................................................ 13 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming ....................................................... 14 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied ............................................................................... 14 3.4.2 Mitigerende maatregelen .......................................................................................................... 14 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming .......................................................................................... 15 4 4.1

Gebiedsbescherming ..................................................................................................................... 16 Effecten ........................................................................................................................................ 16

5

Houtopstanden ............................................................................................................................... 17

6 6.1 6.2

Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 18 Conclusies ................................................................................................................................... 18 Aanbevelingen ............................................................................................................................. 18

7 Literatuur......................................................................................................................................... 20 Bijlage 1: Foto-impressie .......................................................................................................................... 21 Bijlage 2: Potentiële verblijfplaatsen beschermde diersoorten ................................................................. 22 Bijlage 3: Tabel mogelijk aanwezige soorten ........................................................................................... 23

4

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING EN DOEL Kennemer Wonen is voornemens het huidige wooncomplex te amoveren en de bouw van een nieuw wooncomplex te realiseren. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen en of de ontwikkeling redelijkerwijs uitvoerbaar is.

1.2

NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1

GEBIEDSBESCHERMING

Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het document 'Spelregels EHS'. Het ruimtelijke beleid voor de NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in de NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.

5

1.2.2

SOORTBESCHERMING

Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

6

1.2.3

HOUTOPSTANDEN

Houtopstanden De bepalingen voor wat betreft houtopstanden zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Hieronder zijn de meest relevante onderdelen uit dit hoofdstuk beschreven. De bepalingen in de Wet natuurbescherming kennen een aantal uitzonderingen. De belangrijkste uitzondering betreft dat de bepalingen geen betrekking hebben op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor het kappen van bomen die wel onder houtopstanden Wnb vallen geldt een meldplicht bij Gedeputeerde Staten en een herplantplicht.

1.2.4

ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE

Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.

1.3

LEESWIJZER

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden. In hoofdstuk 5 worden de effecten op de onder de Wet natuurbescherming beschermde houtopstanden beschreven waarbij de eventueel te nemen vervolgstappen zijn weergegeven.

7

2

PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN

2.1

PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Heiloo in kilometerhok: X: 108 / Y: 513 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.

Afbeelding 1: Ligging projectgebied

Het projectgebied betreft een wooncomplex dat bestaat uit twee vrijwel haaks op elkaar staande delen die zijn verbonden door een centraal trappenhuis. De gebouwdelen zijn van west naar oost gezien drie respectievelijk twee laags en bestaan samen uit 21 woningen. Het complex is opgebouwd uit bakstenen en heeft een plat dak. Het complex is gelegen in bosgebied en de directe omgeving bevat veel groenstructuren. Het bos bestaat onder andere uit zomereiken, klimop en struiken. Aan de zuidkant bevindt zich een parkeerplaats. Aan de noordkant bevinden zich vier schuren met een dak van dakpannen. Het projectgebied is gelegen aan een treinspoor ten noordwesten van de Ter Coulsterlaan. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.

2.2

ONTWIKKELINGEN De geplande ontwikkelingen betreffen het amoveren van het huidige complex ten behoeve van de bouw van een nieuw wooncomplex (zie afbeelding 2). Tijdens de werkzaamheden vindt er bomenkap en/of verwijdering van groenstructuren plaats, om ruimte te maken voor het nieuwe wooncomplex. Het nieuwe wooncomplex bestaat voornamelijk uit levensloopbestendige appartementen voor 1- en 2- persoonshuishoudens en betreffen sociale huurwoningen. Het nieuwe wooncomplex bestaat uit vier woninglagen. De derde en vierde woninglaag zijn trapsgewijs opgebouwd (zie afbeelding 3).

8

Afbeelding 2: Huidige situatie (blauw) en geplande ontwikkeling (Kennemer Wonen)

Afbeelding 3: Impressie nieuwbouw in vogelvlucht (Kennemer Wonen)

9

3

SOORTBESCHERMING

3.1

BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 3 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.

Voor de provincie Noord-Holland zijn middels artikel 4 van de “Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland” soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten.

3.2

HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op woensdag 11 november en is uitgevoerd door J.I. Andringa MSc. en ing. S.T.J. Kuip. Tijdens de habitatscan was het 11°C, droog en geheel bewolkt met een windkracht van 2 Bft. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van de locaties van aangetroffen boomholtes, potentieel jaarrond beschermde nesten, nestkasten en vleermuiskasten tijdens de habitatscan.

3.2.1

ZOOGDIEREN

Het wooncomplex in het projectgebied biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis. De gewone grootoorvleermuis en de tweekleurige vleermuis worden niet verwacht voor te komen in de bebouwing. De verblijfplaatsen van deze soorten bevinden zich voornamelijk in zolderruimtes van hoge gebouwen. Dit is niet aanwezig in het huidige wooncomplex. Er zijn ruimtes onder de dakrand en tussen kozijn en gevel aanwezig die als verblijfplaats gebruikt kunnen worden door vleermuizen. In het gebouw zijn een aantal stootvoegen aanwezig die mogelijk toegang geven tot een spouwmuur. De ruimtes in de spouwmuur kunnen worden gebruikt door vleermuizen als verblijfplaats. Aan de muur aan de oostkant van het wooncomplex hangen twee vleermuiskasten welke gebruikt kunnen worden door vleermuizen als verblijfplaats. Tijdens de habitatscan zijn er geen vleermuizen in de vleermuiskasten aangetroffen. Er waren geen sporen van vleermuizen aanwezig. Het wooncomplex biedt geschikte verblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis.

In de directe omgeving van het projectgebied zijn er bomen aangetroffen die mogelijkheid bieden tot verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten zoals de baardvleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis (zie afbeelding 4). Er zijn bomen met dode takken aanwezig rond het projectgebied waarin scheuren zijn ontstaan die gebruikt kunnen worden als verblijfplaats door vleermuizen. In vier bomen zijn holtes aangetroffen die mogelijk door vleermuizen als verblijfplaats gebruikt zouden kunnen worden (zie bijlage 2). Op vier bomen zijn vleermuiskasten geplaatst, die

10

door vleermuizen gebruikt kunnen worden als verblijfplaats. Eén van deze kasten hangt ondersteboven op de boom. Hierdoor is de vleermuiskast niet functioneel. De bomen rond het complex zorgen voor luwte en voor de aanwezigheid van insecten. De bomen bieden hiermee geschikt foerageergebied voor vleermuizen. In en om het projectgebied worden geen vliegroutes verwacht. Er zijn geen duidelijke lijnvormige elementen in de groenstructuren aanwezig welke vleermuizen zouden kunnen gebruiken als vaste vliegroute. In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen van de boommarter, bunzing, eekhoorn, hermelijn, noordse woelmuis en de wezel bekend. De boommarter is een bosbewoner en leeft voornamelijk in uitgestrekte bosgebieden, maar ook in relatief kleine, oude/jonge bossen. De boommarter gebruikt onder andere boomholtes, roofvogelnesten, onder takkenbossen en in holen onder de grond als verblijfplaats. In de bomen zijn geen geschikte holtes waargenomen die door de boommarter als verblijfplaats kunnen worden gebruikt, verblijfplaatsen onder takkenbossen kunnen mogelijk wel aanwezig zijn. De bunzing, hermelijn en de wezel zijn bekend voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Rondom het wooncomplex is geschikt habitat aanwezig voor deze kleine marterachtigen in de vorm van dicht struikgewas en ruige begroeiing.

In de directe omgeving van het wooncomplex zijn takkenrillen en takkenbossen aanwezig die door marterachtigen als vaste rust- of verblijfplaats gebruikt kunnen worden (zie afbeelding 5). Het hele bosgebied waarin de takkenrillen en de takkenbossen zich bevinden kunnen worden gebruikt door kleine marterachtigen als foerageergebied. De eekhoorn komt voor in bosrijke gebieden. De eekhoorn heeft een voorkeur voor een bos met naaldbomen ouder dan 20 jaar en/of loofbomen ouder dan 40 jaar, omdat daar voldoende nestgelegenheid en voedselaanbod aanwezig is. De groenstructuren in het projectgebied bieden geschikt habitat en nestgelegenheid voor de eekhoorn. Er zijn echter geen nestlocaties aangetroffen van de eekhoorn. De eekhoorn kan daarom worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied. De noordse woelmuis is bekend voor te komen in de omgeving van het projectgebied. De noordse woelmuis is gebonden aan graslanden en moerassige streken en leeft voornamelijk in hoge vegetaties met grasachtige planten. Het habitat rondom het projectgebied biedt geen geschikt habitat voor de noordse woelmuis. De soort wordt daarom niet verwacht voor te komen in en rondom het projectgebied. Er kunnen algemene zoogdieren voorkomen zoals de bosmuis, egel en huisspitsmuis in de groenstructuren om het projectgebied.

Afbeelding 4: Boomholtes in zomereik

3.2.2

Afbeelding 5: Takkenril

VOGELS

In het gebouw zijn geen ruimtes aanwezig welke kunnen fungeren als jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus. De gierzwaluw en de huismus maken hun nesten veelal onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in nestkasten. Aan de muur aan de oostkant van het wooncomplex hangen drie nestkasten die gebruikt kunnen worden als nestlocatie voor zowel de gierzwaluw als de huismus (zie afbeelding 6). Ruimtes onder de dakpannen van de schuren aan de noordzijde bieden mogelijkheden voor potentieel jaarrond beschermde nesten van de gierzwaluw en de huismus (zie afbeelding 7). Deze schuren zijn echter predatiegevoelig, omdat ze laag bij de grond staan. Hierdoor worden verblijfplaatsen van de gierzwaluw en huismus niet verwacht voor te komen bij de schuren aan de noordzijde. Tijdens de habitatscan is er een potentieel jaarrond beschermd nest aangetroffen in een zomereik op circa 30 meter ten zuiden van het wooncomplex. Dit nest kan mogelijk gebruikt worden door soorten zoals de boomvalk, buizerd, havik, ransuil en de sperwer. In de omgeving van het projectgebied bieden bomen en het struweel mogelijkheden voor nestlocaties van algemene broedvogels. Op het dak worden er geen broedende vogels

11

verwacht door de afwezigheid van gras, mos en kleine stenen. Op de schoorsteen worden ook geen broedende vogels verwacht wegens gebrek aan ruimte voor het maken van een nest en een verhinderde aanvliegroute.

Afbeelding 6: Nestkasten

3.2.3

Afbeelding 7: Schuur in projectgebied

AMFIBIEËN

De rugstreeppad is bekend voor te komen in de omgeving van het projectgebied. De rugstreeppad is een echte pionierssoort die een voorkeur heeft voor braakliggende terreinen met zand en ondiepe poelen. In het projectgebied is dit niet aanwezig. Wegens het ontbreken van geschikt habitat wordt de rugstreeppad niet verwacht voor te komen in het projectgebied. Er kunnen in het projectgebied algemene amfibieën voorkomen zoals de bruine kikker en de gewone pad.

3.2.4

REPTIELEN

In de omgeving van het projectgebied is het voorkomen van de zandhagedis bekend. De zandhagedis heeft een sterke binding aan duin- en heidegebieden en wordt voornamelijk aangetroffen in droge struikheideterreinen en in het open struweelduin. Gezien de afwezigheid van duin- en heidegebieden in het projectgebied, wordt de zandhagedis niet verwacht voor te komen.

3.2.5

VISSEN

In de omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen van beschermde vissoorten bekend. In het projectgebied is geen water aanwezig. Het voorkomen van beschermde vissoorten kan worden uitgesloten.

3.2.6

ONGEWERVELDEN

De onderzochte groep ongewervelden bestaat onder andere uit libellen, vlinders en weekdieren. In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen van de bruine eikenpage, duinparelmoervlinder, gevlekte witsnuitlibel, grote vos en de kommavlinder bekend. De bruine eikenpage komt zowel in het binnenland als in de duinen voor op zandgronden. In het binnenland komt hij voor in open loofbossen en jonge eikenaanplant. De waardplant van de bruine eikenpage is de eik en specifiek vooral de zomereik. De zomereik is een veel voorkomende boom in en om het projectgebied. De bruine eikenpage kan hierdoor niet worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied. De duinparelmoervlinder komt voornamelijk voor in de duinen van Noord-Holland en op de Waddeneilanden. In het binnenland komt de soort voor op droge, open, schrale graslanden en droge kruidenrijke heide. Door de afwezigheid van dit habitat wordt de duinparelmoervlinder niet verwacht voor te komen in het projectgebied. De gevlekte witsnuitlibel komt voornamelijk voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen met een ontwikkelde water- en oevervegetatie. Betreffend habitat is niet aanwezig in het projectgebied, waardoor deze soort niet in het projectgebied wordt verwacht voor te komen. De grote vos is een zeldzame vlinder met een zwervend karakter. De waardplant van de grote vos is voornamelijk de iep.

In het projectgebied zijn er geen iepen aanwezig, daarom wordt de grote vos niet in het projectgebied verwacht. De kommavlinder is een vrij zeldzame standvlinder die voornamelijk op droge, schrale open graslanden, in duinen en gevarieerde heiden voorkomt. Wegens ontbreken van dergelijk habitat wordt de kommavlinder niet verwacht voor te komen in het projectgebied.

3.2.7

VAATPLANTEN

In de omgeving van het projectgebied zijn de volgende soorten vaatplanten bekend voor te komen: glad biggenkruid, scherpkruid en stofzaad. Glad biggenkruid groeit onder andere op zonnige open voedselarme

12

plaatsen zoals zeeduinen. Standplaatsen van deze soort zijn waargenomen op droge voedselarme zandgronden richting de kust. Algemene planten en bomen in het projectgebied zoals brandnetel, gewone smeerwortel en zomereik duiden op een droge tot vochtige, voedselarme tot voedselrijke bodem. Glad biggenkruid wordt daarom niet verwacht voor te komen in en om het projectgebied. De standplaatsen van scherpkruid zijn voornamelijk op akkers, erven, kalkrijke ruigten en komen voornamelijk voor in de Hollandse duinen. Door gebrek aan geschikt habitat wordt scherpkruid niet verwacht voor te komen in het projectgebied. Stofzaad wordt in het projectgebied eveneens niet verwacht voor te komen, aangezien de standplaats van stofzaad op droge tot vrij vochtige, voedselarme bodems is. Gezien de bodem voornamelijk voedselarm tot voedselrijk is en de dichtstbijzijnde bekende standplaats van stofzaad zich op vijf kilometer afstand bevindt, wordt stofzaad niet verwacht voor te komen in het projectgebied.

3.2.8

MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES

Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied en de directe omgeving kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep

Functies

Bescherming Wnb

Mogelijk aanwezig in:

Algemene broedvogels

Nesten

Artikel 3.1 (VR)

Bomen rond het projectgebied

Boommarter

Verblijfplaats Leefgebied

Artikel 3.10 (Bijlage A)

Bosplantsoen, struiken en takkenril

Bruine eikenpage

Leefgebied

Artikel 3.10 (Bijlage A)

Zomereiken

Bunzing, hermelijn en wezel

Leefgebied

Artikel 3.10 (Bijlage A)

Bosplantsoen, struiken en takkenril

Gierzwaluw

Nesten

Artikel 3.1 (VR)

In nestkasten

Nesten

Artikel 3.1 (VR)

In nestkasten

Nesten

Artikel 3.1 (VR)

Zomereik 30 meter ten zuiden van bebouwing

Verblijfplaats(en) Foerageergebied

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)

Onder dakrand, kieren tussen kozijn en gevel, spouwmuur, open stootvoegen, boomholtes in bomen rond bebouwing en vleermuiskasteen

Huismus Jaarrond nesten Vleermuizen

beschermde

3.3

EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. 3.3.1

EFFECTEN ONTWIKKELINGEN

De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Tijdelijke effecten De geplande werkzaamheden zullen gepaard gaan met effecten van tijdelijke invloed door hard geluid en trillingen. Dit verstoort mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van (broed)vogels en vleermuizen die gebruik maken van de groenstructuren rondom het projectgebied, binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Indien de werkzaamheden in het donker worden uitgevoerd tijdens de actieve periode van vleermuizen (april – november), kunnen foeragerende vleermuizen worden verstoord door nachtelijke verlichting. Permanente effecten Permanente effecten op beschermde natuur als gevolg van de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten. Tijdens de amovatie van het huidige wooncomplex kunnen er mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen en

13

nestlocaties van de huismus en de gierzwaluw worden vernietigd. Daarnaast kunnen mogelijk aanwezige individuen hierbij worden gedood. Indien verwijdering van groenstructuren plaats vindt om ruimte voor het nieuwe wooncomplex te maken, kunnen er mogelijk nesten en verblijfplaatsen van de boommarter, (broed)vogels, kleine marterachtigen en vleermuizen verloren gaan. Foerageergebied van vleermuizen kan hierbij ook verloren raken. Indien tijdens de werkzaamheden gebruikt wordt gemaakt van zwaardere werktuigen, kunnen door de trillingen broedgevallen verstoord worden. Indien bomenkap van zomereiken plaatsvindt die mogelijk worden gebruikt door de bruine eikenpage als waardplant, kunnen mogelijk voortplantingsplaatsen verloren gaan en kunnen mogelijk rupsen en eieren van de bruine eikenpage worden gedood. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Hiervoor geldt een meldplicht bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep

Effect

Verbodsbepaling

Boommarter

Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 3.10 (bijlage A) Artikel 3.10 (bijlage A)

Bruine eikenpage

Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 3.10 (bijlage A) Artikel 3.10 (bijlage A)

Gierzwaluw

Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen nest Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 1 Artikel 3.1 (VR) Lid 2 Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Huismus

Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen nest Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 1 Artikel 3.1 (VR) Lid 2 Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Jaarrond beschermde nesten en algemene broedvogels

Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen nest Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 1 Artikel 3.1 (VR) Lid 2 Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Kleine marterachtigen

Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 3.10 (bijlage A) Artikel 3.10 (bijlage A)

Vleermuizen

Opzettelijk doden Opzettelijk verstoren Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1 Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2 Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4

3.4

AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING

3.4.1

AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED

Het projectgebied herbergt mogelijk functies voor broedvogels, de boommarter, gierzwaluw, huismus, kleine marterachtigen en vleermuizen. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen evenals de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van de gierzwaluw en de huismus. Wanneer kap van bomen en verwijdering van groenstructuren plaats zal vinden, dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de boommarter, broedvogels met jaarrond beschermde nesten, bruine eikenpage en kleine marterachtigen. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis en boombewonende vleermuizen zoals de baardvleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis.

3.4.2

MITIGERENDE MAATREGELEN

Ter voorkoming van het overtreden van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming, is het noodzakelijk dat de volgende mitigerende maatregelen in acht worden genomen: 14

-

-

-

-

-

-

-

3.4.3

Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in de bebouwing en in de boomholtes in het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Er zijn mogelijk jaarrond beschermde nesten van de gierzwaluw en de huismus aanwezig in de nestkasten aan de oostzijde van het wooncomplex. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van de gierzwaluw en huismus zullen (indien jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Er zijn mogelijk vaste rust- en slaapplaatsen voor de boommarter en kleine marterachtigen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden aanwezig. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten zullen (indien deze soorten aanwezig zijn) nader te specificeren maatregelen getroffen dienen te worden over verstoring te voorkomen. Er zijn zomereiken aanwezig die mogelijk dienen als waardplant voor de bruine eikenpage. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van deze soort zullen (indien deze soorten aanwezig zijn) nader te specificeren maatregelen getroffen dienen te worden over verstoring te voorkomen.

Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart - 15 juli) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens de werkzaamheden dient, in de actieve periode van vleermuizen (april – november), nachtelijke verlichting te worden voorkomen om verstoring van vleermuizen te voorkomen. Indien er in de nieuwe situatie verlichting wordt geplaatst, dienen de armaturen het licht naar de grond te geleiden en dient er geen gebruik worden gemaakt van diffuus licht. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.

ONTHEFFING WET NATUURBESCHERMING

De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit aanvullende onderzoeken zal moeten blijken of er beschermde functies of dieren in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten met de werkzaamheden mogelijk gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor de boommarter, broedvogels, bruine eikenpage, gierzwaluw, huismus, kleine marterachtigen of vleermuizen en verstoring niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.

15

4

GEBIEDSBESCHERMING

Binnen het projectgebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ligt op circa 3,5 kilometer ten oosten van het projectgebied en betreft het “Noord-Hollands Duinreservaat”. Op circa 500 meter van het projectgebied liggen gedeeltes van het NNN. Dit betreft “Ter Coulster, Nijenburg en Heilooër Bos”. Op afbeelding 8 is het projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden en het NNN weergegeven.

Afbeelding 8: Projectgebied ten opzichte van beschermde natuur (maps.noord-holland.nl)

4.1

EFFECTEN Het projectgebied bevindt zich niet in het NNN. Negatieve effecten op het NNN ten gevolge van de geplande werkzaamheden zijn uitgesloten. Met een afstand van circa 3,5 kilometer bevindt het nabijgelegen Natura 2000gebied zich op voldoende afstand om directe effecten uit te sluiten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een toename in stikstofemissie tot gevolg hebben. Met de geplande ontwikkeling in het projectgebied is een toename in emissie van stikstof te verwachten. De emissie van stikstof is onder te verdelen in de emissie tijdens de bouwfase en de emissie in de gebruiksfase. De werkzaamheden van de amovatie en nieuwbouw zullen leiden tot een tijdelijke toename in het aantal verkeersbewegingen in de omgeving van het projectgebied. Daarnaast zullen er werktuigen worden gebruikt tijdens de werkzaamheden. Het verkeer en de werktuigen zorgen voor een tijdelijke toename in de emissie van stikstof. Tijdens de gebruiksfase wordt er geen toename in stikstofemissie verwacht, omdat er niet wordt gestookt met gas en wegens de zeer goede isolatie (nul op de meter). Naar verwachting zullen de werkzaamheden geen significant negatief effect hebben op het Natura 2000-gebied “Noord-Hollands Duinreservaat”.

Er is echter een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000-gebieden.

16

5

HOUTOPSTANDEN

De bomen in het projectgebied vallen binnen de door de gemeenteraad vastgestelde bebouwde kom (zie afbeelding 9). De bepalingen ten aanzien van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming zijn dan ook niet van toepassing voor het kappen van de bomen.

Afbeelding 9: Grens bebouwde kom Gemeente Heiloo (maps.noord-holland.nl)

17

6

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

6.1

CONCLUSIES Het projectgebied en de directe omgeving herbergen mogelijk functies voor de volgende beschermde diersoorten: de boommarter, broedvogels, bruine eikenpage, gierzwaluw, huismus, kleine marterachtigen en vleermuizen. Indien er door de geplande ontwikkelingen mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen verloren gaan, dient er voor deze soorten aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Het gebouw in het projectgebied biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis. Om het projectgebied zijn bomen met holtes aanwezig. Deze boomholtes zijn potentieel geschikt als verblijfplaats van boombewonende vleermuissoorten zoals de baardvleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. De groenstructuren kunnen tevens fungeren als foerageergebied voor vleermuizen. De nestkasten aan de oostkant van het wooncomplex bieden gelegenheid voor jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus. Door de werkzaamheden kunnen mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen en nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus verloren gaan. De groenstructuren om het projectgebied bieden mogelijkheden voor verblijfplaatsen van de boommarter, jaarrond beschermde nesten van broedvogels en kleine marterachtigen.

Door de werkzaamheden kunnen mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soorten verloren gaan. Indien bomenkap van zomereiken plaatsvindt die wordt gebruikt door de bruine eikenpage als waardplant, kunnen mogelijk verblijfplaatsen verloren gaan en individuen worden gedood. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart - 15 juli) plaatsvinden, kunnen mogelijke broedgevallen van algemene broedvogels worden vernietigd of verstoord. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Negatieve effecten op het NNN ten gevolge van de geplande werkzaamheden zijn uitgesloten. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten, maar worden niet verwacht. De geplande ontwikkeling kan leiden tot een (tijdelijke) toename in stikstofemissie. Er is een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de mogelijke toename in stikstof een effect heeft op het Natura 2000-gebied “Noord-Hollands Duinreservaat”. De bomen in het projectgebied bevinden zich binnen de door de gemeenteraad van Heiloo vastgestelde bebouwde kom. De bepalingen ten aanzien van houtopstanden in de Wet natuurbescherming zijn niet van toepassing.

6.2

AANBEVELINGEN Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond beschermde nesten van de gierzwaluw en de huismus. Wanneer kap van bomen en verwijdering van groenstructuren plaatsvindt, dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de boommarter, broedvogels met jaarrond beschermde nesten, bruine eikenpage en kleine marterachtigen. Als deze groenstructuren behouden blijven, is aanvullend onderzoek naar de boommarter, broedvogels met jaarrond beschermde nesten, bruine eikenpage en kleine marterachtigen niet nodig. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de te verwachten aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis en boombewonende vleermuizen de baardvleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. Het onderzoek naar kleine marterachtigen dient gericht te zijn op de aanwezigheid van rust- en verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn en de wezel.

18

Het is aan te bevelen om de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren (globaal 15 maart – 15 juli), om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Indien broedgevallen ten tijde van de werkzaamheden aanwezig zijn mogen deze niet worden verstoord of vernietigd. In tabel 3 zijn de te verwachte beschermde soorten en de onderzoeksperiodes weergegeven. Tabel 3: Te verwachte beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep

Aanvullend onderzoek

Noodzakelijk?

Onderzoeksperiode

Algemene broedvogels

Nestlocaties, indien er gewerkt wordt in broedseizoen

Alleen bij kap

Binnen de periode 1 maart t/m 15 juli

Boommarter

Verblijfplaatsen / functioneel leefgebied

Alleen bij kap

Maart t/m augustus

Bruine eikenpage

Voortplantingsplaatsen in zomereiken

Alleen bij kap

1 april t/m 30 september

Gierzwaluw

Nestlocaties

Ja

1 juni t/m 15 juli

Huismus

Nestlocaties en essentieel leefgebied

Ja

1 april t/m 10 juni

Jaarrond beschermde nesten van broedvogels

Nestlocaties

Alleen bij kap

Binnen de periode 1 maart t/m 15 juli

Kleine marterachtigen

Verblijfplaatsen / functioneel leefgebied

Alleen bij kap

1 mei t/m 31 augustus

Vleermuizen

Zomer- en kraamverblijfplaatsen

Ja

15 mei t/m 15 juli

Vleermuizen

Massawinterverblijfplaatsen

Ja

1 augustus t/m 10 september

Vleermuizen

Paarverblijfplaats(en) en zwermplaatsen

Ja

15 augustus t/m 1 oktober

19

7

LITERATUUR

BIJ12, 2017, Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12, 2017, Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12, 2017, Kennisdocument Gierzwaluw, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12, 2017, Kennisdocument Huismus, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12, 2017, Kennisdocument Noordse woelmuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011, Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. MOKE Architecten 2020, Stedenbouwkundig ontwerp Ter Coulsterlaan, Heiloo. 3 december 2020 Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2021), Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020. Internet NDFF www.gbif.org www.maps.noord-holland.nl www.piscaria.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl

20

Bijlage 1:

Foto-impressie

21

Bijlage 2:

Potentiële verblijfplaatsen beschermde diersoorten

22

Bijlage 3:

Tabel mogelijk aanwezige soorten

Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in kilometerhok 108/513 Soortgroep Naam Bescherming

Afstand

Amfibieën

bastaardkikker1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

bruine kikker1

Wnb A

< 1km

Amfibieën

gewone pad1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

kleine watersalamander1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

meerkikker1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

rugstreeppad

HR IV & Bern II

< 1km

Ongewervelden

bruine eikenpage

Wnb A

< 5km

Ongewervelden

duinparelmoervlinder

Wnb A

< 5km

Ongewervelden

gevlekte witsnuitlibel

HR IV & Bern II

< 5km

Ongewervelden

grote vos

Wnb A

< 5km

Ongewervelden

kommavlinder

Wnb A

< 5km

Reptielen

zandhagedis

HR IV & Bern II

< 5km

Vaatplanten

glad biggenkruid

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

scherpkruid

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

stofzaad

Wnb B

< 5km

Vleermuizen

franjestaart

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

gewone baardvleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

gewone dwergvleermuis

HR IV

< 3km*

Vleermuizen

gewone grootoorvleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

laatvlieger

HR IV & Bern II

< 3km*

Vleermuizen

meervleermuis

HR IV & Bern II

< 5km*

Vleermuizen

rosse vleermuis

HR IV & Bern II

< 3km*

Vleermuizen

ruige dwergvleermuis

HR IV & Bern II

< 4km*

Vleermuizen

tweekleurige vleermuis

HR IV & Bern II

< 4km*

Vleermuizen

watervleermuis

HR IV & Bern II

< 4km*

Vogels

blauwe reiger

Cat. 5

< 5km*

Vogels

boerenzwaluw

Cat. 5

< 5km*

Vogels

boomkruiper

Cat. 5

< 5km

Vogels

boomvalk

Cat. 4

< 5km

Vogels

buizerd

Cat. 4

< 4km*

Vogels

ekster

Cat. 5

< 5km

Vogels

gierzwaluw

Cat. 2

< 4km*

Vogels

huismus

Cat. 2

< 5km

Vogels

huiszwaluw

Cat. 5

< 5km

Vogels

kerkuil

Cat. 3

< 4km*

Vogels

koolmees

Cat. 5

< 5km*

Vogels

pimpelmees

Cat. 5

< 5km*

Vogels

ransuil

Cat. 4

< 5km

Vogels

sperwer

Cat. 4

< 5km

Vogels

spreeuw

Cat. 5

< 5km

Vogels

torenvalk

Cat. 5

< 5km

Vogels

zwarte kraai

Cat. 5

< 5km

Zoogdieren

boommarter

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

bosmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

bunzing

Wnb A

< 5km*

Zoogdieren

dwergmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

dwergspitsmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

eekhoorn

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

egel1

Wnb A

< 5km

23

Soortgroep

Naam

Bescherming

Afstand

Zoogdieren

gewone bosspitsmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

haas1

Wnb A

< 1km

Zoogdieren

hermelijn

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

huisspitsmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

konijn1

Wnb A

< 5km*

Zoogdieren

noordse woelmuis

HR IV

< 5km

Zoogdieren

rosse woelmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

veldmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

vos1

Wnb A

< 5km*

Zoogdieren

wezel

Wnb A

< 5km

Zoogdieren Wnb A woelrat1 * = op basis van eerdere waarnemingen van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. 1 = Vrijstelling in provincie Noord-Holland in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen

< 5km

24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heiloo&id=6fbc8bb8-282b-4314-b773-4955c453377c